terug  begin  verderprepost
[p. 71]

R. Dobru
A prasi foe Bigi Dorsi / Het erf van Bigi Dorsi

Ik ben een dezer dagen met een vriend van mij meegegaan naar zijn huis. Hij had een boek van mij geleend en ik moest dat terug hebben. Wel, ik ben erg lang niet één van onze beruchte erven ingegaan en dan ben je geneigd te denken dat die armoede, waar je zelf een kind van bent en zoals je die hebt gekend in je jeugd, niet meer bestaat. Ik kan mij indenken dat de gemeenschap wordt misleid door de mooie voorgebouwen; dat zal echter niet het geval kunnen zijn met de overheid. De overheid heeft namelijk de beschikking over een werkend onderzoeksapparaat en is dus in dagelijks contact met deze erven. Ik stond dus verbaasd over al die onveranderde wantoestanden op het erf. In mijn verbazing kwamen allerlei vragen op, die te maken hebben met opvoeding, hygiëne, sociale rechtvaardigheid, stadsplanning, volkshuisvesting, stadsverfraaiing, enfin een hele moksi boi van problemen en vraagpunten waar ik reeds vele jaren mee worstel. Zoals U het begrepen hebt woont mijn vriend op dit erf in één van de ‘kamers’. Op zo'n erf staan normaliter een flink aantal ‘huizen’. Elke ruimte wordt benut. Er zijn mensen die over meer dan acht vierkante meter moeten kunnen beschikken om de acht tot twaalf kinderen ‘te huisvesten’, maar er zijn er ook bij die tevreden zijn met twee. Voor de laatsten wordt dus ook gezorgd. Stadsverfraaiing of stadsplanning, dus artistieke geweldigheden, tellen helemaal niet daarbij. Wat wel telt is, voor de twee meter vierkant zorgen.

Wel op ons erf stonden vijftien ‘huizen’ en ‘kamers’. Kamers zijn delen van een soort barak welke op zo'n erf gebouwd wordt. Ons erf had twee kamra oso's. In één van de ‘kamers’ woonde mijn vriend. Voor ik binnen stapte moest ik even aanwijzingen volgen voor het beklimmen van de drempel, want het ‘gebouw’ staat reeds op instorten. Het staat er tenslotte al vijfenzeventig jaar. De oudste be-

[p. 72]

woner van het erf (om het zijdelings over de hygiëne te hebben), ‘Bigi Dorsi’, heeft twee dikke filaria benen (elephantiasis) en is betrokken bij alle overheidsinstanties die steun verstrekken. Maar deze man heeft samen met zijn ouders het huis twee- tot driemaal afbetaald voor de eigenaars van het erf.

Ik zou makkelijk dit erf kunnen idealiseren, er een soort romannetje over schrijven met Bigi Dorsi als hoofdrolspeler, maar bij deze gaat het mij om het onrecht en de verwaarlozing die nog voortwoekeren in onze maatschappij. Bijna onopgemerkt. Onrecht en verwaarlozing waar wij niet eens over denken, zo schijnt het tenminste. Wij doen alsof iedereen in ons land het reeds goed heeft, omdat wij het goed hebben. Ongeïnteresseerd als wij zijn in het lot van onze burgers op deze erven. Ja, deze mensen hebben allemaal ook gestemd. Ze zijn allemaal ook naar onze politieke vergaderingen geweest. En het zijn de meest fanatieke aanhangers van onze leiders. Ze hebben wonderen verwacht van hun leiders. Maar ze zitten nog in de morserij.

Het erf stinkt naar rattelucht en vleermuizedrek. Want dát zijn de medebewoners van onze erven. Zonder behoorlijke aandacht voor deze toestand, moeten deze burgers nog altijd enkele tientallen meters afleggen om in verwaarloosde, bouwvallige en vieze beerputten hun gevoeg te doen. En het komt niet zelden voor dat zij dat ook niet anders kunnen doen dan in hun woningen en dan via krantenpapier hun afval moeten werpen in de overlopende wc's, die niet zijn opgeruimd. Deze werkelijkheid, daar praten wij in het algemeen niet zo rauw over, dat weet ik, maar laten wij weten dat deze toestanden nog voorkomen. Laten wij ze eindelijk opruimen!

Proberen onze leiders deze toestanden die zij uit hun jeugd kennen, niet te ontvluchten, door voor zichzelf paleizen op te trekken ver van het volk vandaan? Laten onze leiders ons niet constant een rad voor de ogen draaien met problemen die ons deze werkelijkheid op onze erven willen laten vergeten. Het zijn geen bedeling en werkverschaffing die redding zullen brengen, maar daadwerkelijke aanpak ter verwijdering van deze wonde plekken uit onze gemeenschap. Wij moeten ophouden om met lapmiddelen ons land gaande te houden!

Mijn vriend poneerde op een gegeven ogenblik: ‘Ja maar de men-

[p. 73]

sen zijn tevreden jongen, je hoort ze nooit praten over verbetering, behalve als ze incidenteel voor een probleem zitten, zoals huishuur betalen of kleren kopen voor de schoolkinderen et cetera. Zodra dat is opgelost via bedeling of zo, zijn er geen vrolijker mensen.’ Ik dacht: God spare hun leiders dat het zo blijve, anders zouden wij erge dingen kunnen gaan beleven. Maar de tevreden houding van deze mensen geeft hun leiders niet het recht ze daarom te verwaarlozen.

Naast mijn vriend woont een moeder met zeven kinderen. Een van de kinderen, een zesjarig jongetje, doet boodschappen voor hem. Ik heb zelden zo'n intelligente knaap gezien; zeer bijdehand. Deze jongen, zo vertelde mijn vriend, moet elke dag meemaken: vechtpartijen, scheldpartijen, luide huiselijke twisten van medeërfbewoners et cetera. En als wij als standaard mogen nemen hetgeen ik zelf hoorde, dan is de dosis dagelijks te verwerken ongepaste taal niet makkelijk. Alleen sterke karakters verlaten ongeschonden een dergelijk opvoedingsmilieu. Ik nam me in elk geval voor deze knaap in 't oog te houden. Maar deze incidentele voornemens helpen het probleem niet oplossen.

Het lijkt alsof onze regeerders, die zelf meestal op deze erven zijn opgegroeid, zijn vergeten waar zij vandaan komen. Zij schijnen te zijn vergeten dat deze erven met stinkende open riolen, vuile ongezonde beerputten, bouwvallige krotten, algemene kranen, soms zonder behoorlijke badkamers, waar de volwassenen pas 's avonds ‘naast het huis’ moeten baden, nog niet zijn verdwenen. Zij schijnen te zijn vergeten dat er burgers zijn voor wie ‘brood met toespijs’ niet alledaags is. Zij schijnen te zijn vergeten dat de ‘kokolampoe’ in vele woningen nog de normale verlichting is als de avond aanbreekt. Zij schijnen te zijn vergeten dat er huizen zijn waarin een klamboe tegen muskieten luxe is.

Maar neen, de heren houden zich alleen bezig met hun eigen zak, zodra zij er zitten. Zij zijn de hele tijd bezig eraan te denken hoe zij hun positie kunnen behouden of hoe zij persoonlijk, financieel en maatschappelijk vooruit kunnen gaan. Maar de arme burgers die hen op die plaatsen hebben gebracht, vergeten zij.

Ik ben 's avonds van het erf weggegaan als een gedesillusioneerde met grotere minachting voor hen die de macht hebben om deze wonde uit te lepelen doch er geen acht op slaan.

prepostterug  begin  verder