Mensen leven en mensen sterven. Zo is het. Daarom, toen de mensen waren weggelopen naar het bos, toen ze hun eigen leven konden gaan leiden zeiden ze: ‘Hoor eens hier. Toen onze voorouders in Afrika waren en er ging iemand dood, dan waren ze gewoon een spel voor de dode te geven. De Dyuka noemen dat ‘Brokodey’ [Aanbreken van de dag], maar wij half creolen zeggen ‘Ananstori’. De ananstori waarover ik het heb, wordt gehouden een jaar nadat iemand gestorven is, dan spelen ze ananstori voor hem.
Toen de negers al lang en breed in het bos woonden, en toen de blanken vrede met hen wilden sluiten, stuurden ze een dominee eropaf. Híj moest gaan proberen de negers zo ver te krijgen.
De dominee ging ernaar toe, met een paar creolen bij zich. Ze gingen de mensen psalmen leren zingen. De psalmen waarmee de blanken kwamen, waarmee ze de mensen hun Kerk kwamen opdringen. Maar toen de dominee er aankwam, waren de mensen net bezig op de agida-trom te spelen. Dominee stapte prompt op ze af: ‘Geliefde broeders en zusters. Dit waar jullie hier mee bezig zijn is niet goed. Dit is iets slechts. Dit wat men de man-trom noemt moeten jullie stukslaan en weggooien. Gooi deze apinti-trom toch weg, het is niets goeds. Jullie moeten christenmensen leren worden. Jullie moeten leren christen te worden. Jullie moeten leren afstand te doen van al deze afgoderij. Het is geen goede zaak.’
Nou had je daar een belangrijke vrouw in het dorp die de gronwinti, de moeder van de grond, diende. De dominee zei: ‘Houden jullie op met dat gezang, dan zal ik jullie een mooie psalm leren, opdat jullie na je dood weer zult ontwaken en naar de Here God gaan:
Maar de obiamama [vrouw die met het bovennatuurlijke bekend is] was achter in het dorp. Toen ze dit hoorde riep ze haar kinderen toe: ‘Kinderen, wat hoor ik daar? Komt een blanke, waar niets goeds van te verwachten is, ons hier de les lezen? Vooruit, de agida. En meteen!’
En ze zongen voor hun gronwinti:
De vrouw riep hen toe: ‘Sla nog harder op de agida!’
De dominee ging maar door!
Toen kwam er een oude man naar hem toe, hij zei: ‘Meneer, hoor eens hier. Jij leert ons jouw psalm, maar ik zal nou mijn psalm voor je zingen.’
Meneer de dominee gaf het maar niet op met zijn psalm. Hij zei: ‘Dat is geen goede zaak, zuster, dat is een slechte zaak. Deze afgoderij is slecht. Jullie moeten deze goden afzweren. Doe afstand van ze. Dit is niet de ware god. De ware god is daarboven. Deze houten trommen tot wie jullie bidden zijn geen god. Breek de apinti in stukken, steek de lange trom in brand, sla de pudya kapot, gooi de kwakwabanyi weg!’
‘Meneer, dus ik moet mijn kwakwabanyi weggooien! Ik moet mijn apinti kapotslaan, mijn langadron verbranden?! Kinderen, laat de trommen horen!’
Dat betekent: ‘Luisteren jullie goed. Ze hebben ons al uit Afrika weggehaald, gezegd dat we niet deugden. Wij zijn weer aan hen ontkomen, tot in het bos. Kijk eens hoe wit deze zijn gezicht is. Kijk zijn oren eens. Dan komt hij hier en wil hij ons zijn Kerk komen voorhouden. Jaag hem weg! Dan komt hij ons vertellen dat wij onze langadron kapot moeten slaan!’
Wel, dat is een ananstori zoals je die speelt (voor een overledene). Een ieder moet dan tijdens het spel wanneer er gezongen wordt, een verhaal dat bij de liederen hoort, vertellen.
[Vertaald uit het Sranan door Trudi Guda]