Jaren geleden toch! Je wist het niet? Toen kwam B'Anansi al langs die vliegtuigtrap gezakt op Schiphol. Valies met koord gebonden, tas met geknoopte schouderstrap, kartonnen doos met rafeltouw en vogelkooi. Met één los kwartje en één Hollands kreukelbriefje van tien gulden in de zak van zo'n mager jasje, dat zijn bolle hongerbuik niet kon bedekken. Zo stond die spillepoot daar in de kou, vastbesloten zijn fortuin te maken.
Een onopvallend scharminkel, zwart spinneventje, geen mens die in de opwinding van al dat weerzien hem in de gaten had. Niemand die op hem afkwam om hem af te halen, je denkt toch niet dat hij briefgeschreven had voor voorlopig onderdak?
Toch had hij net als jij en ik al die familie in dit land, dus belde hij meteen per telefoon. Niet de familie nee, een goede vriend. Zo'n vriend van jaren, die bewezen had dat je in een noodgeval bij hem de deur kon platlopen.
‘Hello Bawbaw Bunati, ben jij dat?’
‘Wie dan?’ vroeg een slaperige stem. Van die oude vriend, een arme hond die in het welvaartsparadijs het vak van nachtwacht uitoefende.
‘'t Is ik, Anansi!’ Vrolijke kreten! ‘Kom je me halen hier op Schiphol! Ik heb tas, valies en doos en vogelkooi, mooie geschenken voor je meegebracht.’
‘Anansi!’ riep Bawbaw Bunati klagelijk, ‘ik lig te slapen want ik moet straks aan het werk! Gauw, neem een taxi voor je naar dit huis hier, in slaapstad Bemre blok je-weet-wel, op negende etage hemelhoog.’
Ze zeiden nog een heleboel, totdat de ptt-spaarpot het éne kwartje met een keelklik doorslikte, waarna al gauw niets meer te horen was dan tututu.
Toen nam Anansi alle touwtjes van valies en doos en tas en vogelkooi weer ter handen en ging een taxi zoeken, want dat gebeurde allemaal lang, lang voor iemand ooit gehoord had van de Schiphollijn.
Nou was Anansi als gebruikelijk zo ongeveer platzak en hij had al gauw door dat de taximeter nog harder voortratelde dan de taximotor, dat zijn kreukelig tientje veel te kort zou schieten voor die lange rit, en dat die chauffeur - hoewel hij allerlei toeristische onzin uitkwaakte - wel eens een onbehoorlijke driftkikker zou kunnen zijn.
Dus daar in polder Bemre aangekomen, onderaan zo'n betonnen bergrug van berghokjes voor mensen, begon hij maar eens stevig op Bunati's bel te drukken.
Nou, zo stonden ze daar een half uurtje. Anansi voor de deur in zijn kaal jasje, en de chauffeur - eentje van het zogenaamd gemoedelijke Amsterdamse volk - bij al die Surinaamse troep bagage op de achterbank. Wist Anansi veel dat er op twee meter naast de bel een soort kookpotroostertje in de muur zat gemetseld waarachter Bawbaw's stem om de zoveel minuten kefte: ‘Wie dan?’
Die groengejekkerde Amsterdammer begon zich al wat op te blazen van ongeduld. ‘Meneer, dat cahier niet maken met maan,’ kwaakte hij steeds onaangenamer, terwijl zijn bolle ogen heen en weer vlogen onder zijn petje. ‘Ik mot men cente hebbe en ik mot weer op pad.’
‘Een ogenblik, chauffeur,’ zei B'Anansi in zijn beeldigste Nederlands, en hij nam de allure aan van al die diplomaten die hij wel eens had zien binnengaan in het Presidentspaleis. ‘Hoeveel is de rekening eigenlijk?’
‘Dat is negenentwintig gulden vijfenzeventig exclusief,’ snauwde die kikkerkop zonder één centimeter onder de indruk te zijn geraakt.
‘Gridiman-na-pinaman!’ schreeuwde Anansi in het Surinaams, een keurig spreekwoord dat zoiets zeggen wil als: gierigaards zijn armoedzaaiers. Dat sloeg natuurlijk een beetje de plank mis, maar hij liet het klinken als zo'n vreselijke exotische verwensing, dat die kikkerkop hem met uitpuilende ogen van schrik ineens heel anders begon te bekijken.

‘Kom kom beste vriend,’ ging hij verder, ‘je kunt nog een mooie exclusief verdienen als je die bagage even boven zet.’ Want hij herinnerde zich ineens dat zijn vriend op de negende verdieping woonde, en zoals je niet vergeten bent, is Anansi liever lui dan moe.
Maar Groengezicht was ook niet helemaal van gisteren. Weliswaar op een toontje lager zei hij: ‘Nou nee meneer, daar beginnewe hier nitan. Datsít nitínnons takenpakket volgens de séja-o.’
‘Wat zou je zeggen van een tientje er boven op?’ zei Anansi omdat hij helemaal niks begreep van deze laatste toverspreuk. Wat hij begeleidde met een flink kreukelvodgewapper voor de neus van dat onaangename type.
‘Meneer,’ zei het groene kereltje vastbesloten, ‘ik seggu nog een keer: daar begin ik niet aan.’
Nu stond Anansi in de kou het toch een beetje benauwd te krijgen. Hij wist toen nog niet echt hoe je die Hollandse kikkers beet moet pakken. Maar gelukkig gebeurde wat hij al een half uur gehoopt had: Bawbaw Bunati kwam naar buiten.
Inmiddels was het donker gaan worden en nu Anansi maar steeds niet kwam en hij toch straks aan het werk moest, was hij op weg gegaan naar de Chinees onder het viaduct. Dat was een hartelijke begroeting! Brasa's, dubbele omhelzingen, teder geklop op kale-jas-
achterkant, blij gewrijf over grote waakhonden-wintermantelrug en vreugdetranen. Totdat die kaalkop met zijn platte pet door het portierraam kwam kwaken: ‘Here! Hé mane here, de hoogste taat om af te rekene!’
Anansi krabde zich onder zijn oude hoed. Toen ging hij naar de taxi. ‘Chauffeur,’ zei hij, ‘u weet de deal? Tien gulden als u eventjes die koffers boven zet.’
‘Nixterfan!’ riep Boloog met een wijde grijns en knipte kwaadaardig de autodeuren op slot. ‘Die bagage blijft mooi hier binnen tot ik mijn betaling heb!’
‘Geen cent betaal ik voor die bagage boven staat!’ schreeuwde Anansi woedend. Daar had je ineens een onbeschrijfelijke ruzie, totdat Anansi zich herinnerde dat hij gewoonlijk meer vliegen ving met stroop dan met gekrijs, en toen die kikkerbek kwekte: ‘Voor dat geld vind jij geen hond hier om voor jou te slepen!’ zei hij ineens heel kalm: ‘Chauffeur, ik heb een voorstel. Ik wed met u om een tientje dat ik binnen vijf minuten iemand hier naar toe stuur die dat karweitje opknapt. Hier alstublieft, hier heeft u dat biljet. Daarmee betaalt u de door mij gestuurde kruier. Onder getuige...’
En hij gebaarde met het biljet in de richting van Bawbaw, die het hele geval vanaf de stoep stond te volgen met een donkere frons op zijn waakhondekop. Daarna schoof hij het geld door het portierraampje en verdween met Ba Bunati naar het verlichte restaurant onder de verkeersbrug.
Je snapt het al, inderdaad verscheen er kort daarop een type in een veel te grote jaskraag, die met een krakerig oud stemmetje zei: ‘Ik ben gestuurd door een paar heren in die kroeg daar, kijk hier: de voordeursleutel heb ik ook. Ik heb de opdracht om bagage boven te dragen. Het gaat om een karweitje van een tientje.’
Nu was het de beurt van die kikkerkop om onder zijn hoofddeksel te krabben. ‘En wat gebeurt er met míjn betaling?’ vroeg hij argwanend.
‘Die heren komen afrekenen zodra ik alles ter plaatse heb gedeponeerzet,’ zei de nieuwbakken kruier onverstoorbaar. ‘Ik moet me afmelden en ze de sleutel terugbrengen.’
‘En wat betalen zíj jou dan?’ riep Kikkerkop die al verdacht was op een doorgestoken kaart.
‘Tientje zou ik hier krijgen,’ zei het verschrikte mannetje in het donker. ‘Misschien dat ik nog een pilsje kan vangen daar binnen.’
‘Oké’, zei die Amsterdammer en hij smeet de hele valies-tasdoos-en vogelkooiwinkel de straat op, omdat hij bedacht had dat het de enige kans was om nog ooit zijn geld te krijgen.
‘Eerst mijn tientje,’ zei de bejaarde vagebond, en die kikkerkop koos nog meer eieren voor zijn geld.
Die vent reeg heel dat allegaartje aan elkaar met een soort plakkerig raar draad, en nadat hij wonderlijk snel de deur weer uit was richting restaurant, duurde het niet lang of die twee buitenlanders kwamen aangezet.
‘Zo - dat is dat, chauffeur,’ zei de ex-passagier met een deftig knikje. ‘Dan krijgt u van mij nog precies tien gulden. Alstublieft.’
Nu viel die brede kikkerbek pas goed wijd open. ‘Wat krage we nou? Ik sta hier ongeveer een uur te wachte! Weet je wat dat allemaal kost? Alleen die rit al meneer, dertig-gulde-minstes mottik fange!’
‘Ik heb zelf gezien dat u al een tientje gekregen hebt!’ riep Bawbaw helemaal te goeder trouw.
‘En bovendien heb ik met u gewed dat ik een kruier vinden zou,’ zei Anansi. ‘Die weddenschap hebt u verloren, nietwaar? Tenminste: er staan hier geen koffers meer... Dus krijgt u nog twintig gulden, min tien gulden weddenschap, precies tien gulden.’ En weer liet hij een flink versleten blauw briefje het portierraam in wapperen.
‘Ik ga naar de politie!’ schreeuwde die kwade kwaker nog.
‘Doet u het snel,’ zei Ba Bunati, ‘het bureau daar kan elk moment sluiten.’
En daarmee zijn die trouwe kameraden de stad ingelopen.
Ze zeggen dat Anansi die nacht het vak geleerd heeft van beveiligingsdienaar. Zodat het heel goed kan dat we er nog veel meer van horen.