terug  begin  verderprepost
[p. 168]

Edgar Cairo
Is hierzo heb ik gewoond!

‘Is hierzo heb ik gewoond toch!’ die vrouw, vinger en al met gesteende ring van goud d'raan, aan d'r hand. Hand die die kant opwees van huizen. Huizen, die niemeer waren daar. Daar, dáárzo, een lege plek, kaal-open, zonder zelfs die schaduw van de huizen meer! Huizen die daarzo ooit gestaan hadden. Alsof ze mensen waren, vol met eigen leven. Eigen persoonlijke historie ook, no? Huizen, die zélf gewoond hadden, op díe plaats, dáárzo! Een plekje eigen aarde no?

‘Je hoeft me nie te wijzen! Ik zíe!’ Die andere persoon, drukte met hele hand de arm van die wijzende persoon na' beneden. Weg!, met dat getoon van die vertoning! Een soort bezweren toch! (Aanwijzen wás een ritueel, zeker wanneer 't ging om een opengebroken plaats van afbraakhuizen. Bezweren, arm wegtrekken, duwen, was een ander ritueel! Baja, je toonde waarheid? Baja, je vaagde 't weg, snelsnel! Want die gedachtes, die opkwamen daarbij...)

Een alternativist kwam lopen, een of andere bakra, Hollandse vent. In zijn harde kleren, géén fijn pak, aan lichaam. Kijk! Kijk hoe hij z'n voet nam en één van die wagens daarzo schopte! Wagen was in die plaats van huis gekomen, no?

Wagen was daar aan het parkeren.

Dat ding was maar een jaar terug. Een jaar achter je rug - kijk om: ze kwam d'raan, toen, die vrouw, Fine, met d'r drie kinderen. Dan kon ze nie gaan blijven bij familie. Kon ook geen voet zetten bij andere bekenden. Enigste plaats waar ze kon gaan, was eigen huurhuis. Huurhuis no? Ze had gedacht dat ze zomaarzo één kon krijgen, no?

‘Míjn god! Ik weet niet waar ik moet gaan blijven! Ik ben hier paspas en ik heb geen huis! Hoe ga ik doen dan? En? Hoe moet ik doen?! Me kinderen huilen hun tranen loos op me! Hele dag zo,

[p. 169]

njenjoe njenjoe! [gehuil, gezeur] Ze zijn nie aan die kou gewend, Holland hier is net of je in een ijskast bent komen wonen! Dan hebben ze niet eens een schoen aan voet, die tegen kou kan! Kijk, kleren van ze heb ik gevonden, snelsnel daarzo op voddenmarkt!’

Voddenmarkt fo haar, was doodgewone groente-markt. Eén standje maar, één kraam, met grote hoop maandagse kleer-uitverkoop. Aaj dan! Ze had gekocht! Kinderjasjes, een baretje fo hun hoofd. Net als een deksel die je op een pot zet, om die warmte vast te houwen.

Dan hadden ze gezocht, gezócht! Zij, met d'r zuster. Zoeken na' een huis, om te gaan wonen daar. Vrouw met drie kinderen. (‘Ach! Laat die Hollanders! Ze kletsen dat we hierzo komen wonen! Ze vergeten hun eigen schuld daaraan! Buitendien: 't is nu geen tijd om over achtergrond te broeten! [zich er druk om te maken] Mi goedoe!, [schatje] laat ons weggaan hoor! Ik heb een adres hier uit die krant gesnejen fo je! La' we, met snelle, spoed daar bij die mensen gaan die dit bericht hebben geplaatst! Nu, is geen tijd fo prakkezeren! Alleen maar tijd om snel te maken! Snel een huis nemen! Snel jezelf een plaats geven, waar je je hoofd kan schuilen, onder dak!’)

Fine d'r zuster was gekomen. Fine d'r zuster, met die man van d'r. Blaka Joesoe, zo had hij z'n naam te dragen. Z'n gedrag een beetje ‘Jozefachtig’ ook, want meneertje hield z'n staart stil: hij was gedurig op de achtergrond. Misschien ook, doordien vróuwen in dit soort zaken, beter leken te kunnen werken dan mannen. Ija! Als je die tori's hoorde: allerlei verhalen over huizen. Meestal, dan konden mannen niet goed met die dinges [tegen dat gedonder] van die eigenaren. Ma' vrouwen? Ze sprongen elke dag bij huisvesting: ‘Help me no? Help me no?!’ Als je hoorde! Je zou bijna gaan staan denken, dat bedelen om oplossing, iets vrouwelijks was.

Bedelen (‘Meneer? Wanneer krijg ik een huis?’), al werd je honderd keer op je rug gegooid! (‘U bent voorlopig nog lang niet aan de beurt!’)

Buitendien: een man die elke dag bij huisvesting ging langsboren, die kreeg gauw een bijnaam: Meneertje Werk-niet! Want als hij werkte, dan ging hij nie tijd hebben, om daarzo te komen toch? Is nie zo? En wie nie werkt kan geen huur betalen, althans slecht, al-

[p. 170]

thans... baja, la' me 't een keertje hardop schrijven: wie nie z'n huur kan betalen gaat steun moeten halen fo dát! Óf echte steun bij Sociale Zake! Óf huursubsidie!

Terwijl, wanneer een vrouw kwam ook, zonder apegape!, direct (met twee of meer kinderen langs d'r zijbuik) klacht uitbrakend... dan móesten ze d'r helpen! Elke dag, bijna huilen, elke dag met een vreesgezicht! Elke dag emosie beren fo ze! En beren was hier: het werkwoord (bijna écht werken!) dat uitdrukt hoezeer iemand z'n emosies loost!

Emosie beren, om een huis te krijgen! In de praktijk was dat: op hun zenuwen inwerken. Elke dag weer, met huilende kinderen. Op 't laatst, werden ze niemeer ingelaten, in dat gebouw van huisvesting.

Andere kant: ze knipten hele kranten, met advertensiegedeeltes. Zoeken, zoeken, zoeken! Vooral ook bellen toch, na' eigenaar of verhuurman. (‘Hallo! Goeie... navond! U hebt een advertensie gezet dat u een huis wil huren no?’

Stilte basterde daar, als een geluidloze knal! Vijf seconden, zes seconden... stilte die werkelijk betekenis van stilte in zich baarde...

Dan kwam een stem aantelefoneren, soms harder van zijn inhoud dan de microfoon: ‘U eh... u bedoelt... ik wil een huis vérhuren? Nou eh... het spijt me! Maar er is al iemand anders voor! Goeienavond!’)

Soms, dan had je niet eens antwoord toch! Soms... aaj, laat me ziel nie reppen van wat ze te horen kregen! Want in de nood vindt men z'n ware dood aan broederszijde! Oftewel: is zó leer je de mensen kennen! Wanneer je van ze afhangt, persoonlijk, van mens tot medemens! Je hangt dan van zo iemand af, alsof je hangt aan een strop! Strop die eigenlijk maar door een wonder níet dichttrekt!

Baja, red jezelf! Red je lichaam dat je lijf is! Later, later pas ga je zien, of iets aan je geest - die jij ook bent! - beschadigd is! Later, wanneer je, zoals in 't geval deze, een huis hebt!

Dus, is zo, die dag, gingen zij, Fine, Fine d'r zuster, en Fine d'r zuster d'r man, op stap, om een huis. Ze hadden al gebeld met eigenaar. Eindelijk: ze konden gaan komen. Bij eigenaar z'n huisadres.

Mooi, huis gehuurd! Ah! Die vent, die eigenaar, was hemels-vriendelijk. ‘Nee, u hoeft geen contract met mij te sluiten! Als u het

[p. 171]

per se wilt!, dan schrijf ik eenvoudig een brief voor u, waarin het een en ander tot uw tevredenheid zal worden vastgelegd!’

San??? Ze schrokken man! Zoveel vriendelijkheid! Dit was geen vriendelijkheid meer! Dit? Dit was service! En service was om te genieten toch! Na al die keren, dat vooral die Fine, d'r hoofd had geslagen bij anderen huis(ver)huurmannen, huisbazen! Sommige (me mond móet 't fo je zeggen, la' je 't ook een keertje horen:), sommige huisbazen, ‘mensen’, met hun: ‘Rot op zwartje!’ en ‘Ik moet geen ongedierte in m'n huis?’

Ze waren daarzo, bij die ene huisman, gekomen, met drie mensen dus.

Drie, twee vrouwen, met één man, man van één der vrouwen. Waren samen gekomen, van binnen samen land- & lotgenoot. Eén klontering van jeje, ziel, om als een ‘klonterpersonaasje’ zo'n huisbaas te woord te blijven! Dat wou zeggen: om overeind te blijven, als hij weer mocht uithalen!

Tussen de huizen in, de wereld. Wereld was een gevecht van werelden! Met huizen als een schuilplaats bij bijvoorbeeld woordbombardement. Ma' als je géén huis had, geestelijk niet en van metselsteen ook niet! Je was verloren in je eenmansstrijdje! Kijk jezelf daar gillend als een slak zonder huis, zonder deur, zonder raam, zonder dak op je!

Dan stonden, één, Fine, om te horen! Twee anderen, getuiges, no?

Na tweeduizend neerdroppen voor 'em, tweeduizend aan guldens, (is nie je kleine djook!, gróót geld!) konden ze 't huis gaan kijken. Niet eens: na tweeduizend guldens sleutelgeld, kregen ze zo, direct hun sleutel. Wie? Zij verder wachten no? Met kou aan bast?!

Snel in dat huis getrokken, snel gewoond! Fine, dankbaar aan zus met zus d'r man! Fine, met drie kinders, een vrouw, daar wonend! Dáárzo...! (open plek van nu!)

Al na twee maandjes was ze weer d'ruit gesmeten! Eigenaar? Hij bestond nie zelfs meer! Dat huis was nie van hem geweest! Hij had een valse sleutel aan zijn ‘medemens’ gegeven. Dat geld, tweeduizend bal die je verdiend had met je zweet op je gezicht! (‘Aanpassingsleergelden, no?’ Chm, [verzuchting] is goed dan!) Dát geld had

[p. 172]

vleugels en voeten gekregen! Ze zagen néks d'rvan terug! Wat ze terugzagen...

‘Kijk! Is vanaf dáárzo kwam opruimingswagen!’ Ze had zo willen zeggen, Fine, staande met d'r zuster daar. ‘En vanaf daarzo kwam polisie!’

Hel op zuurwater (de meest bittere drank!) ging door haar keel, toen ze slikte. ‘En vanaf daarzo, werden we opgehaald!’ Opgehaald no? Door gemeente, die ze hielp aan contractpension. Dan vanaf dien, konden ze wonen. Eigen Hollanse manier!

Woning was afgebroken, andere bedrogen mede-inwoners van één en tweehoog, waren weg gaan gaan ook! Herinnering was góed gebleven, boenboen!, en vers, zoals ze 't zeiden!

Zelfs Fine d'r zuster, wonend in die buurt, (bij die markt, waar je een stukje Hollandleven kocht), Fine d'r zuster was dáár blijven huishebben. Ze kon het wonen fo je tonen. De rest van deze tori, [verhaal] was een stuk vervlogen woonvertoon.

prepostterug  begin  verder