De Doctor, voorzitter van de Verenigde Volkspartij, keek op zijn horloge en besloot dat hij de leden van het Uitvoerend Comité nog drie minuten gaf om hun tegenargumenten nogmaals naar voren te brengen. Vanaf dat moment bleef hij de secondewijzer van zijn horloge nauwkeurig gade slaan als moest hij de prestaties van een atleet vaststellen. Het oudste lid van het comité merkte dat de voorzitter meer aandacht had voor diens horloge dan voor zijn argumenten, hield op met spreken en schraapte zijn keel. Met moeite maakte De Doctor zijn blik los van het horloge. De lange, magere man voor het flanellen bord ging nog een keer met zijn gerimpelde vinger langs het gebied dat met spelden - hij had alle rode spelden uit de naaidoos van zijn vrouw gehaald - op het bord was aangegeven.
‘Deze vijftien dorpen,’ stelde de spreker, ‘kunnen binnen drie dagen bezocht zijn. De verkiezingscampagne is dan afgelopen en we hebben twee dagen over voor de organisatie van de verkiezingsdag.’ Hij keek de voorzitter aan, haalde toen een speld uit zijn borstzak en prikte die op het flanellen bord.
‘Moeten we echter per se De Goede Verwachting bezoeken, het enige dorp in het oosten van dit gebied, dan zal de campagne vier dagen duren, met het gevolg...’
De Doctor lachte even om het woord per se. Hij was voorzichtig met degenen die de partij hadden helpen grondvesten en voerde naar hen toe een politiek van respect door het voor en tegen van hun voorstellen te overwegen. In dit geval mochten ze wel gelijk hebben dat een dag extra voor de campagne in dat gebied niet de moeite waard was gezien het aantal stemmen dat in De Goede Verwachting gehaald kon worden - het dorp telde slechts zestig zielen - maar voor hem, voor zijn plannen in de toekomst zou dat alleszins de moeite waard blijken.
Met een beweging van zijn wijsvinger gaf De Doctor de spreker te kennen dat hij naar zijn plaats kon gaan. Even ging zijn blik langs de tien leden van het Uitvoerend Comité. Ze waren alle de jaren des onderscheids gepasseerd: van de meesten was het kroeze haar al volledig grijs. De Doctor ging rechtop zitten. Terwijl hij de leden van het comité achter elkaar aankeek, zei hij op een zachte, fluisterende toon: ‘Bent u die het dorp De Goede Verwachting niet wil bezoeken, degene die zich de vertegenwoordiger van het volk noemt?’ Hij wachtte even, wendde zijn blik af, maar keek direct daarop de laatste spreker aan en zei: ‘Wilt u dat de inwoners van De Goede Verwachting ons niet kennen, maar wel op ons stemmen?’ De Doctor hield zijn blik gericht op de laatste spreker en na een minuut of wat boog deze het hoofd.
Nu moet ik mijn blik afwenden, dacht De Doctor en hij begon intensief het blad voor zich te bestuderen terwijl hij af en toe een steelse blik op de leden wierp. Het was stil in de kamer en als er nu een speld van het flanellen bord gevallen was, hadden zij het hoogstwaarschijnlijk gehoord. De Doctor zag dat de leden elkaar begonnen te wenken tot het oudste lid, de laatste spreker, opstond. ‘U heeft gelijk Doctor. We zullen nu nog even hier blijven om ook voor De Goede Verwachting de campagne voor te bereiden.’
De Doctor knikte kort en boog het hoofd naar het blad voor hem als moest hij dringend iets bestuderen. Hij had noch thuis voor de spiegel, noch hier toen hij sprak, verwacht dat zijn antwoord zo snel geaccepteerd zou worden. Ik moet mijn leraar Taal nog eens bedanken voor de les over het effect van dit stijlmiddel, dacht hij.
De leden zetten de vergadering voort en tegen de achtergrond van de discussie moest De Doctor erkennen dat alles sinds zijn terugkeer naar het vaderland veel voorspoediger was verlopen dan hij ooit had durven hopen. De voorzitter keek even naar de mannen die hier om hém bezig waren. De oudste die zijn blik ving en dacht dat hij hun vorderingen wilde weten, begon te spreken. ‘Doctor, we zullen het verblijf voor een nacht moeten verzorgen. Wilt u in een woning logeren of in onze caravan?’
De ogen van De Doctor begonnen te schitteren. Met speeksel rond zijn mond, gehaast alsof de ander weg zou lopen, antwoordde hij: ‘Zorg ervoor, hoort u me, dat ik de woning in de bocht van de
rivier ter beschikking heb. In orde? Het is de woning van de ex-directeur van de houtmaatschappij.’
De leden van het comité gingen verder terwijl De Doctor terugdacht aan zijn eerste kennismaking met De Goede Verwachting. Het was in zijn stageperiode toen zijn begeleider, de ex-voorzitter van deze partij, hem voorstelde te gaan naar het gebied dat de houtmaatschappij ten zuiden van De Goede Verwachting had geëxploiteerd. Het gebied was af en ze waren nu bezig de zaken op te ruimen. De Doctor, toen nog ingenieur, had geen zin om de vermoeiende tocht te maken, maar zijn dissertatieonderwerp Ekologische gevolgen van ‘wilde houtkap’ voor het tropisch oerwoud maakte dat hij in moest gaan op deze suggestie. Achteraf bleek het bezoek aan De Goede Verwachting alleszins de moeite waard, weliswaar niet in verband met zijn studie. Alleen op de middag van aankomst ging hij mee naar het gebied toen de buschauffeur van de maatschappij de arbeiders moest ophalen. Dat was het. De Goede Verwachting, een dichtbegroeid dorp langs een rivier die bruin was door de bladeren die daarin vielen, maakte dat de onderzoeker of in een hangmat tussen de bomen langs de rivier lag te lezen of zijn lichaam in het water afkoelde.
De leden van het comité zaten gebogen over het flanellen bord dat zij op de tafel hadden gelegd. Ze zouden de tocht uitstekend voorbereiden, deze mannen die twintig jaar gestreden hadden om ‘hun mensen’ aan de macht te krijgen.
Alsof ze zijn blikken voelden, keken ze allen tegelijkertijd naar hem op. De oudste vroeg hem of hij niet die avond nog de leden in de grote zaal kon toespreken om er op zijn minst tien zover te krijgen dat ze meegingen naar het laatste gebied in deze campagne. ‘Het is nodig Doctor, want zij zullen in de dorpen rondlopen en met de mensen praten. In die gesprekken kunnen ze de mensen ervan overtuigen dat ze op onze partij moeten stemmen.’ De Doctor beaamde dit voorstel, stond op en liep naar de wastafel links in de hoek van de kamer. Hij waste zijn gezicht dat hij daarna afdroogde met een grote, witte zakdoek. In de spiegel boven de wastafel schikte hij zijn das, streek over zijn haar. Hij keerde zich om en keek door het raam naar buiten de grote vergaderzaal in. Minstens vijftig leden
zaten daar onder de zinkplaten van de open zaal. In groepen van vier kaartten voornamelijk mannen. De meeste vrouwen zaten wat voor zich uit te staren in de richting van de bestuurskamer waar De Doctor en de leden van het Uitvoerend Comité waren. Geërgerd schoof De Doctor iets opzij van het raam om te voorkomen dat iemand hem zag. Ze zouden nog in staat zijn naar het raam toe te lopen en als zij hem niet herinnerden aan alles wat hij had willen overwinnen, had hij het misschien leuk gevonden. Hij kon het zich niet voorstellen dat sommigen die geen tand meer hadden, durfden te lachen.
‘Ik zal nog eens een keer overgeven,’ mompelde hij terwijl hij weg liep van het raam. Hij ging naar de wastafel, boog zijn gezicht naar de spiegel en inspecteerde zorgvuldig zijn gebit. ‘Alles in orde,’ constateerde hij tevreden.
De Doctor zorgde ervoor dat niets in zijn gedrag of zijn verschijning aan zijn jeugd herinnerde. Hij was niet dik of mager. Het eerste wat hij gedaan had, op de middelbare school al, was zijn taal ontdoen van alle uitdrukkingen die wie dan ook konden herinneren aan zijn afkomst. Zijn leraar Taal had gehoopt dat hij Taal en Letteren ging studeren. Maar hij wist waarom hij zijn best had gedaan tijdens die lessen. Waar hij toen nog niets aan kon veranderen, was zijn kleding. Nu had hij niet alleen twee kasten vol kleren maar ook twee rijen schoenen, elk twee meters lang.
Het enige waar hij zich bij neer had moeten leggen, was zijn kleur. Hij was diepzwart en had alle trekken die hij in Europese strips over zijn ras extra benadrukt zag. Hij hoopte nu een voordeel van zijn kleur te ontdekken, want het feit dat hij voorzitter was van deze partij, kandidaat voor de presidentsverkiezing, had voor een belangrijk deel daarmee te maken. In zijn stageperiode vijf jaar geleden, toen hij uit nieuwsgierigheid wat interesse had getoond in de partij van zijn begeleider, had hij mogen meemaken dat deze man, die even zwart was als hij, de overwinning behaalde op degenen die naast het bloed van de slaven ook dat van de slavenmeesters droegen. ‘Kom terug naar je land,’ zei zijn begeleider hem op de dag dat hij afscheid van hem nam. ‘Je bent niet alleen Doctor straks, maar zwart genoeg om geaccepteerd te worden door de leden. Ik sta al met één been in het graf. Laat me je op tijd kronen.’
Het was deze zin van de ex-voorzitter die hem, terug in Europa, had doen besluiten te remigreren toen hij begon te twijfelen aan de mogelijkheid of hij daar met doctortitel en al, ooit tot die hoogten zou stijgen waarvan hij gedroomd had. Op zijn sollicitaties naar leidinggevende functies had hij steeds negatieve reacties ontvangen. Daarnaast begon hij ziek te worden van de twee vragen, altijd weer, ondanks zijn paspoort, ondanks zijn perfecte kennis van hun taal: ‘Waar kom je vandaan?’ en ‘Wanneer ga je terug?’
De leden van het comité schoven hun stoel naar achter en De Doctor wierp een laatste blik in de spiegel. Eén deed de deur open en De Doctor haalde diep adem voordat hij naar buiten liep. Snel, bijna blindelings, liep hij recht door de zaal, keek links noch rechts, totdat hij aan de overzijde, voor het podium was. Hij klom het op en weigerde daarbij de handen die hem wilden helpen. Hij liep naar de katheder, ging erachter staan en zag dat het Uitvoerend Comité zich opgesteld had voor de bestuurskamer. Hij voelde nog even in zijn broekzak. Zijn autosleutel was er. Nu moest hij beginnen. Op luide toon, dacht hij nog.
‘Broeders en zusters.’ Hij wachtte even, keek de zaal in en zag dat alle ogen op hem waren gericht.
‘We staan nu aan de vooravond van het laatste deel van onze verkiezingscampagne.’ De zaal begon te juichen. ‘We shall overwin,’ begon iemand te roepen en de rest nam het over. De Doctor hief zijn armen op als een bokser die de overwinning behaald had.
‘Het Gebied ix - u kent onze indeling in negen verkiezingsgebieden - is nu aan de beurt. Daar hebben onze broeders en zusters nog niets van ons gehoord. Overmorgen zal de campagne daar beginnen.’ De zaal begon te applaudisseren, te fluiten en De Doctor keek tevreden rond, tot zijn ogen vielen op een vrouwengezicht vol grote witte vlekken. Hij moest slikken en direct daarop hoopte hij dat deze vrouw zich straks niet opgaf om mee te gaan. ‘Ik moet het nagaan, morgen,’ mompelde hij terwijl hij zijn armen ophief in een bezwerend gebaar. De zaal werd stil.
‘Wij de leden van het Uitvoerend Comité en ik, zullen overmorgen vertrekken. Van u verwacht ik dat u bereid bent met ons mee te gaan om de broeders en zusters daar over onze strijd te vertellen.
Ook zij moeten weten wat onze partij in de komende vijf jaren wil realiseren. Geeft u zich straks op bij de leden van het Uitvoerend Comité.’
De zaal begon te applaudisseren. De Doctor knikte even en liep gehaast het podium af naar zijn auto die direct naast de zaal geparkeerd stond. Drie leden stonden al bij zijn auto en hij kon niet anders dan ze de hand schudden voordat hij het portier opende.
De Doctor reed weg, hard. Op straat wilde hij een loshangende wimper weghalen. Hij nam zijn linkerhand van het stuur, bracht die naar zijn oog en herinnerde zich toen de handen. Hij moest het nog even uithouden. Straks, thuis, onder de douche, zou hij zijn ogen uitwrijven tot hij de gezichten in de zaal vergeten was. Hij zou daarna verder kunnen werken aan de tekening van het vakantiehuis in de bocht van de rivier van De Goede Verwachting.