terug  begin  verderprepost
[p. 236]

Ellen Ombre
De prijs van hulp

De discotheek van Tchaourou is al zo lang in aanbouw, dat de bouwvalligheid alweer inzet; het beton brokkelt af en de naakte ijzeren wapening roest weg nog vóór men er toe gekomen is het staketsel af te werken.

Eens moet een aannemer met grootse plannen begonnen zijn aan de bouw van een danspaleis, maar toen de muren eenmaal stonden werd hij klaarblijkelijk overvallen door moedeloosheid, een plaag die arme landen teistert, ook Benin. De aannemer heeft zonder twijfel elders opnieuw een aanvang gemaakt in de hoop dat daar het geluk met hem zal zijn en dat niemand hem een goede afloop zal misgunnen.

Men moet van goeden huize komen om voldoende materialen los te krijgen en om werklieden te ronselen en vast te houden. Vaste betaling is een voorrecht dat doorgaans is weggelegd voor plaatselijke notabelen, projectontwikkelaars en uitgezonden krachten van hulporganisaties. Voor de doorsnee Beninees is het vragen, afwachten, de hand ophouden, hopen en werken met arbeiders die er nooit zeker van zijn dat hun loon wordt uitbetaald en het er dus ook maar op aan laten komen.

Niet ingewijden zouden aan het betonnen bouwsel voorbijgaan. Toch ligt de dancing pal aan de smalle internationale autoweg die de haven- en hoofdstad Cotonou, dwars door Benin verbindt met het noordelijke buurland Niger en andere achterlanden. Huizenhoge vrachtwagens beladen met katoen, of kratten Coca-Cola denderen voorbij, soms is het een truck met toeristen op safari of overlevingstocht. Ze drukken de uitpuilende taxi-brousse de berm in; de weg is op veel plaatsen maar één vrachtwagen breed.

Er staan meer verlaten of onafgebouwde betonkarkassen langs deze weg. Eens zijn ze opgetrokken in de hoop het voorbijrazende

[p. 237]

verkeer te kunnen lokken en deel te hebben aan de grote sprong voorwaarts. Maar de trucks blijven in volle vaart voorbijrijden in een wolk van stof die traag op de bermen en op de behuizing neerslaat.

Ik bevind me op het terras in gezelschap van het gezin van Dirk Punselie, een Hollandse ontwikkelingswerker die in Suriname zijn eerste tropenervaring opdeed. Het twaalfjarige dienstmeisje voorziet ons van gin, bier en pinda's. Een toegewijde timmerman en de zwarte chauffeur mogen erbij zitten. Zij spreken geen Hollands en zwijgen.

Voor dit gehoor ontvouwt Dirk zijn denkbeelden over het sociale leven van Tchaourou, maar niet van dit dorp alleen, Benin is voor hem een open boek. In het anderhalve jaar van zijn verblijf in dit Westafrikaanse land is hij tot de slotsom gekomen dat hij en andere derdewereldwerkers onmisbaar zijn in ontwikkelingslanden.

‘Als wij hier morgen vertrekken, roest alles weg,’ legt hij uit. ‘De machines lopen vast, rioleringen slibben dicht en het wordt een grote puinzooi. Ze kunnen het gewoon niet zonder ons.’

Om zijn conclusie te staven voegt hij wat koloniale geschiedenis toe. Gedreven vertelt hij hoe Benin toen het nog Dahomey heette een welvarende kolonie was, een voorbeeld voor heel West-Afrika en hoe dat land na de onafhankelijkheid in de versukkeling geraakte. Hij drinkt van zijn gin en raakt op dreef.

‘Ken je Bruce Chatwin?’ Hij praat over de schrijver alsof het een goede vriend is. ‘Ach jongen, die hele slavenhandel had nooit kunnen bestaan zonder medewerking van die Afrikanen zelf. Lees de Viceroy of Ouidah maar, het is een historisch werk. Die Francisco Felix de Souza was zelf zoon van een slavin en hij werd één van de rijkste slavenhandelaren.’

De een na de andere voormalige volksplanting wordt erbij gehaald, Nigeria, Togo, Oeganda. Maar ook Suriname, het is onvermijdelijk, ik kom er vandaan, hij is er geweest. Daar was het hem meer dan goed bevallen. ‘Dansen, feesten, pure pret,’ mijmert hij. ‘Wat dat betreft is het me hier verdomd tegengevallen. Je weet niet wat je aan die lui hebt. Ze zijn zo dicht als een oester.

En corrupt hè, dat wil zeggen de jongens die het voor het zeggen hebben. Als ik nu aan mijn chauffeur zou vragen bij wie hij liever

[p. 238]

werkt, bij Europeanen of bij Beninesen weet ik het antwoord al... Jean!’ De chauffeur veert op uit zijn stoel.

‘Bij wie werk je liever bij een blanke baas of voor een Afrikaan,’ vraagt Dirk in het Frans.

‘Bij een blanke patron,’ antwoordt de chauffeur.

Patron, patron,’ papegaait Dirk. ‘Ik heb het je al zo vaak gezegd Jean, we zijn vrienden, noem me Dirk, zo heet ik.’

Dirk is iemand van wie men vroeger, toen hij jong was, zei dat wat zijn ogen zagen zijn handen konden maken. Als je hem een bouwplaat gaf, was hij in staat om in een mum van tijd de onderdelen feilloos uit te knippen en in elkaar te lijmen. Eens maakte hij uit een mergpijpje een miniatuur benen bestek, waarvan het mesje vlijmscherp was. Maar hij kon ook motoren demonteren, glas snijden, polijsten en politoeren als de beste.

Al zijn vaardigheden hadden in Holland weinig zoden aan de dijk gezet. Hij wilde iets anders, zocht naar erkenning en solliciteerde naar een functie in de tropen.

En zo promoveerde hij als man van twaalf ambachten van lieverlee tot directeur in de Derde Wereld, met vijftien man personeel onder zich. Met zijn gezin bewoont hij een geriefelijke bungalow en hij heeft een klein zwembad achter het huis, een oase in dit door droogte geteisterd gebied. Dirk acht zich als ontwikkelingswerker belangeloos en het is deze zelfverloochening die mij monddood maakt en doet wegzinken in apathie. Dirks vrouw kent haar pappenheimer en zwijgt. De aannemer en de chauffeur hebben de tirade niet begrepen, ze verstaan geen Hollands en zijn stil.

‘Wat een duffe bedoening hier,’ maant Dirk tot activiteit, nu iedereen wat suf onderuit gezakt zit. De discussie die hij met zijn betoog verwachtte los te maken, blijft uit. ‘In hemelsnaam, laten we dan iets gaan doen!’ Op zijn aandringen gaan we een eindje rijden, onder ons; de chauffeur en de aannemer gaan niet mee. Dirk wil zelf rijden. Losjes stuurt hij met één hand en blijft spraakzaam. Hij roemt de vrijheid in de tropen, van eigen baas zijn, van eigen verantwoordelijkheid, van ruimte. ‘Wat ik hier wel mis is een stuk cultuur, film, het café op de hoek. Ach alles heeft zo zijn prijs,’ verzucht hij.

Achteloos vertelt hij wanneer wij een politiepost passeren, dat hij

[p. 239]

geen rijbewijs heeft. De twee agenten zwaaien, Dirk zwaait terug.

Het is even na vijven in de middag. De zon hangt al zo laag dat hij hier in de brousse niet meer te zien is. De lucht is rood en stil.

De auto stopt op het kleine stuk erf voor de dancing van Tchaourou. De twee mannen die loom tegen de ingang leunen schieten ijlings naar binnen.

Als we het danslokaal betreden, verstijft het handjevol gasten. Hoewel het benauwend warm is, hangen ze dicht opeen aan de bar, een brede plank die op drie olievaten rust. De bar is aan het plaatijzeren plafond afgezet met palmbladeren. In een Nederlands interieur zou dat rustiek zijn, hier is het pathetisch. Het verstilde interieur gelijkt een kunstwerk van Kienholz. De man achter de bar komt het eerst in beweging. Hij haalt drank te voorschijn: flessen Fanta, Beninoise, het plaatselijke bier en een ginfles gevuld met cashewnoten die hij op de bar uitstalt.

De openlucht dansvloer, of dansgrond beter gezegd, is van aangestampt leem. Om de dansvloer heen staan onder een golfplaten afdak gemetselde tweezitsbankjes en tafeltjes. Ze geven een ijzige koelte aan het zitvlak, wat een aangenaam gevoel is in de kleverige middaghitte. Het meubilair ligt onder een dunne laag stof, met de kleur van terrasienna.

De barman roept iets in de richting van een vertrek achter de bar. Een jutezak die dienst doet als voorhang wordt omhooggehouden en er komt een vrouw naar voren, die twee flessen vasthoudt, bedropen met kaarsvet. Uit het schemerdonker treedt een tweede persoon naar buiten, een jonge man. In zijn handen die hij vooruitsteekt alsof hij een zeldzame schotel opdient ligt, gewikkeld in doorschijnend plastic een getto-blaster.

Voorzichtig neemt de barman het apparaat over. Hij blaast onzichtbare vuiltjes van de verpakking weg, stroopt het plastic af en zet de getto-blaster op de bar. Met zijn wijsvinger strijkt hij rond de contouren.

Dirk doorbreekt de stilte en roept: ‘Onibo, Yovo,’ en nog een paar woorden die hij in Benin heeft opgevangen naar zijn zoontje. De stroblonde kleuter wordt er verlegen van en zoekt bescherming achter de rug van zijn twaalfjarig kindermeisje. ‘Au dos,’ jengelt het kind en het meisje neemt hem troostend op haar rug en gaat met

[p. 240]

haar vracht op het puntje van haar bank zitten. Nu roept Dirk hetzelfde mondjevol woorden in de richting van de barman. Maar deze is met onverstoorbare kalmte bezig nieuwe, rode kaarsen in de bedropen flessen te doen, die hij vervolgens met veel omhaal aansteekt.

Als de kaarsen branden loopt hij naar ons toe en vraagt in het Frans wat we willen drinken. Mij spreekt hij aan met Camarade Cubain, Brésilien. Het is meer een vaststelling, geen vraag en ik spreek hem niet tegen. Donker maar kennelijk niet Afrikaans, moet ik in zijn wereld uit het bekende komen. Bij andere ontmoetingen in Benin is het vruchteloze moeite gebleken uit te leggen dat ik in Suriname geboren, in Nederland woon. Cuba heeft door Castro een gezicht gekregen, Brazilië dank zij het Carnaval. Beide landen zijn ondernemend aanwezig in Benin. Nederland ook, maar dat is blank en Suriname is onbekend.

De stem van Celia Cruz met haar Sonora Matancera klinkt plotseling helder uit de getto-blaster. Ik kijk de barman aan, hij glimlacht. ‘Luna sobre matanzas,’zingt ze meeslepend.

Eén van de gasten, gehuld in een door veel zon verschoten of te vaak gewassen boeboe gaat de dansgrond op. Zijn fez van dezelfde stof maar nieuw neemt hij van zijn hoofd af. Hij houdt zijn armen stijf naar voren, zijn fez tussen zijn handen geklemd en begint te dansen. Zijn ongecoördineerde bewegingen hebben niets te maken met het ritme van de muziek, een boléro.

Twee Pheulen in identieke indigoblauwe gewaden kijken bewegingloos naar de dansende man. De één steunt op zijn herdersstaf. Hij draagt een bic-ballpoint door een gat in zijn oorlel. De andere heeft een zonnebril op met blauwe spiegelende glazen.

Dirk klapt in zijn handen en maakt schokkende bewegingen op zijn betonnen zitplaats ter voorbereiding. Dan rent hij de dansvloer op en werkt zich dadelijk in vervoering. ‘Dansen!’ roept hij, ‘Kom op, laat die harken eens zien hoe er in Suriname gedanst wordt.’ Dirk danst zijn eigen maat, verschillend van de man in de rose boeboe, maar even vreemd aan het ritme van de boléro van Celia Cruz. De Afrikaan danst boers, hoekig en onwennig.

Misschien met veel gevoel voor ritme, maar voor een ander ritme; de maat die nu slaat is van een continent ver weg.

[p. 241]

Ik voel me verantwoordelijk voor de muziek, het zijn klanken uit mijn kinderjaren. Dirk weet dat. Hij probeert me de dansvloer op te lokken en me te rekruteren voor zijn intercontinentaal corps de ballet. ‘Kom op,’ roept hij opgewonden en maakt uitnodigende gebaren. Er zijn geen andere vrouwen op de dansgrond, waarvan ik de omgangsvormen kan afkijken en ik weet niet wat hier in de binnenlanden van Benin de gewoontes zijn, dus dans ik niet.

De twee dansende mannen worden partners. Soms bewegen ze met de borstkas dicht tegen elkaar, maar zonder elkaar te raken. Dan weer springen ze als kemphanen in de lucht en doen veel stof opwaaien. De ene Pheul neemt zijn zonnebril af, alsof hij het tafereel met het blote oog beter kan bekijken.

De muziek wordt luider, de bewegingen van het dansende duo buitensporiger. Met de onderlichamen schuren ze nu tegen elkaar en maken copulerende bewegingen. Dirk kijkt af en toe in mijn richting met een voldane grijns op zijn bezwete gezicht. Dan rukt hij zijn overhemd open en trekt het in één beweging uit. Het negatief van zijn tropenhemd staat op zijn bovenlichaam gedrukt, en steekt af tegen zijn gebruinde armen en gezicht. Zijn partner lijkt in trance te geraken, van zijn ogen is alleen het wit nog te zien.

‘Eh en,’ kucht de barman plotseling luid en zet de muziek af.

Ik sta op en loop de dancing uit. De rest van het gezelschap komt naar buiten, ook Dirk, die nahijgend en nat van het zweet zijn overhemd weer aantrekt, op de voet gevolgd door zijn danspartner.

Patron, patron,’ roept de man. Het hoofd licht gebogen, houdt hij vragend zijn hand op.

‘Sodemieter op,’ zegt Dirk in het Nederlands.

Cadeau, s'il vous plaît patron,’ houdt de ander aan, die zich niet gedraagt als iemand die wordt afgewezen. Integendeel, hij blijft zich bedelend aan Dirk opdringen.

‘Wel godverdomme,’ zegt Dirk en heft dreigend zijn hand.

Une piece patron?’ De man weet van geen ophouden.

Dirk laat zich overhalen. Hij maakt het knoopje van zijn borstzak los, haalt een stapeltje bankbiljetten te voorschijn en zoekt dieper naar passende munt. Hij houdt de man een geldstuk onder de neus. Maar als deze de munt wil pakken trekt Dirk gauw zijn hand terug. De man grijnst beteuterd, kijkt schichtig om zich heen, zet zijn fez

[p. 242]

op en loopt langzaam weg. Dirk gaat hem achterna, pakt zijn hand en leidt hem terug vlak bij de auto waar wij staan te wachten. Opnieuw wordt er met veel omhaal een munt te voorschijn gehaald. Begerig grijpt de man ernaar, mis. Dirk laat het geldstuk op de grond vallen. De man doet een poging het op te rapen, maar Dirk grijpt hem pijlsnel vast, draait zijn beide armen op de rug en heeft hem vast in een houdgreep.

Zo staan ze daar een paar seconden, als een agent met zijn arrestant. Dan drukt Dirk hem bruusk voorover, met zijn gezicht tot vlak boven de munt op de grond. De roze fez valt in het stof. Dirk laat één arm los. ‘Raap op godverdomme, raap op,’ gilt hij buiten zichzelf. De man lijkt willoos.

Dirk grijpt de slappe arm vast en stuurt hem naar de munt. De hand kromt zich en blijft verkrampt als een kroontje over het muntstuk staan om dan traag open te gaan en zich rond het geldstuk te sluiten.

Dirk laat de man los, die naar zijn fez grijpt en zonder op of om te kijken opstaat. Hij recht zijn rug en slaat het stof van zijn kleding af. De twee Pheulen bedekken, ieder voor zich, met hun handen het gezicht.

prepostterug  begin  verder