Suriname is een land van dichters, wordt vaak gedacht. De literaire produktie lijkt dat idee ook te ondersteunen: van de tien literaire uitgaven gaat het in negen gevallen om dichtbundels. Toch corrigeert de collectie van bijna dertig verhalen die u nu in handen heeft dat beeld. Suriname is een land dat wel degelijk schrijvers heeft voortgebracht die proza schreven en schrijven dat de moeite waard is om gelezen te worden-ook al zou het van al dit betrekkelijk jonge werk niet reëel zijn te verwachten dat het geen enkel tastspoor meer verraadt. De lezer krijgt een caleidoscopisch beeld van de produktie van proza dat als zelfstandige verhaaleenheid is geschreven (alleen van twee van de oudste schrijvers is een fragment opgenomen). Voor het grootste deel is dit werk moeilijk te vinden, terwijl bovendien een derde van de bijdragen nooit eerder werd gepubliceerd. Mij dunkt, de lezers komen er met deze royale collectie goed vanaf, want negen van de tien Surinaamse uitgaven mogen dan poëziebundels zijn, op de tien lezers zijn er negen die liever een verhaal dan een gedicht lezen.
In de tijd dat de geschreven literatuur zich over een breed front ging presenteren-niet veel meer dan dertig jaar-hebben zich drie generaties afgetekend. Prozaschrijvers van vóór die generaties zijn gedoemd tot eenlingen bestempeld te worden, zelfs al waren ze dat maatschappelijk gezien allerminst. Hun werk kan binnen de Surinaamse letterkunde nu al klassiek genoemd worden. De nogal altijd strijdbaar springlevende nestor Albert Helman (1903) schreef een kast vol boeken waaronder een aantal indrukwekkende romans en essays. Hij opent de rij met een nieuw verhaal over de oudste inwoners van Suriname waarmee hij aan het prachtige proza van de roman Hoofden van de Oayapok! (1984) een vervolg geeft. Anton de Kom (1898-1945) schreef het klassieke essay in de nationale vrij-
heidsstrijd van Suriname, Wij slaven van Suriname (1934), en is hier met de beginbladzijden van het ongepubliceerde filmscript Tjiboe uit 1937 aanwezig. Rudie van Lier (1914-1987) is de auteur van het sociaal-historische standaardwerk Samenleving in een grensgebied (1949), maar schreef ook een klein, zorgvuldig gestileerd literair oeuvre dat uiterst moeilijk bereikbaar is. Het verhaal ‘De fuik’ van Eddy Bruma (1925) verscheen voor het eerst in 1952 in het Fries in het tijdschrift De Tsjerne, werd later in het Nederlands opgenomen in Meesters der negervertelkunst (1956) en verscheen uiteindelijk in het Sranan in het Surinaamse literaire tijdschrift Tongoni (1958).
De jaren zestig leverden de eerste generatie op met werk dat zijn oriëntatie op oudere belletrie van Nederlandse bodem vaak verried-zoals in het neoromantische proza van de eerste verhalenbundel, Spanhoek (1958) van Coen Ooft. Maar aan de vormen van buiten wordt toch zeker ook getracht steeds sterker een invulling te geven met een eigen manier van kijken naar en beleven van de Surinaamse omgeving, die van de gegoede stand bij Hugo Pos (1913), van de erven bij R. Dobru (1935-1983), van het district Commewijne bij ShrinivÄsi (1926), van het theater Thalia bij Thea Doelwijt (1938). De eigen dromen en idealen zijn, evenmin als de edelstenen van Oom Brink in het verhaal van René de Rooy (1917-1974), te koop. De Surinamers eisen de aandacht op voor de flora en fauna van hun land als bij Orlando Emanuels (1927), voor de vrijheid van fantasie als bij Barbara Stephan (1940), kortom: de Surinamers krijgen hun eigen literatuur over henzelf in hun eigen land en ook, in hun eigen taal. Die is niet altijd even afgewogen, de politieke verontwaardiging steekt de esthetische vorm wel eens de loef af, de taal is nog zoekend, maar een ziel kan haar niet ontzegd worden. Die taal is bij deze generatie vooral het Surinaams-Nederlands, in het Sranan zijn er maar enkele schaarse prozabijdragen geweest. Opvallend overigens is dat bijna al deze prozaschrijvers ook dichters waren.
De generatie die volgt, heeft als het om proza gaat heel wat meer pretenties. Leo Ferrier (1940), Bea Vianen (1935), Edgar Cairo (1948) en Astrid Roemer (1946) tekenen gezamenlijk voor een flink aantal romans. Dat zij voor hun literaire ontplooiing bij Nederlandse uitgevershuizen terechtkwamen, is niet verwonderlijk. Met hun verhuizing naar overzee veranderde ook hun optiek en het toch ta-
melijk gladgepolijste moederland uit het werk van de eerste generatie begon wat schrammen en deuken te vertonen, zoals het verhaal van Rodney Christiaan Russel (1947) laatzien. Het verscheen in het Suriname-nummer van De Gids in 1970-ook een teken dat de literaire puberteitsjaren achter de rug waren. Taal werd een medium om virtuoos mee om te gaan, op de opmerkelijkste manier door Edgar Cairo, meer voor petit comité door de schrijvers die zich in Nederland op de volkstalen stortten, zoals Jit Narain (1948) met het Sarnami. Zijn uit het Sarnami vertaalde bijdrage verraadt in haar zorgvuldige woordkeus dat we hier primair met een dichter te doen hebben.
De jongste generatie-voor het eerst met vrouwen in een dominante rol-kan uiteraard nog moeilijk in scherpe karakteristieken bijgeschreven worden in de literatuurgeschiedenis. Tot op heden kwamen slechts Rappa (1954) en Mani Sapotille (1959) met afzonderlijke boekuitgaven. Van een zeker cynisme lijkt deze generatie niet vrij te zijn, het sprekendst natuurlijk in het verhaal van Paul Bandel (1954) over de man die zich in een gasoven neerlegt. Maar ook in de no nonsense beschrijvingen van het alledaagse leven bij Rappa, Elvira Rijsdijk (1957) en-minder sterk misschien-Sanicari (1966), in de sceptische houding tegenover politiek en de manipuleerbaarheid van de mens bij Mani Sapotille, Amber (1954) en Ellen Ombre (1948) toont zich een generatie van na de vele politieke leugens, na de onttroning van de revolutionaire idealen. Haar stijl is minder geneigd tot opsmuk, directer, harder. Het is een door veelvuldig gebruik afgesleten woord, maar het lijkt me voor deze generatie toch op zijn plaats: veelbelovend.
En dan is er nog een afdeling, los van eenlingen en generaties. Ik heb daarin iets willen laten zien van het oudste vertellen, in zekere zin het puurste vertellen: de orale traditie, de literatuur die het dichtst-zelfs lijfelijk-bij het volk staat en dus in het hart van dit boek haar plaats heeft gekregen. Op papier, buiten de voordracht door hun vertellers zijn die vertellingen niet altijd even goed te pruimen, maar het hier opgenomen werk mag er zijn. De vertelling van Aleks de Drie (1902-1982) is de zuiverste in dit genre: op de band opgenomen door Trudi Guda en uit het Sranan vertaald. Noni Lichtveld (1929), om haar werk bekroond met de E. du Perron-
prijs, heeft Anansi de spin, eens Afrikaans immigrant in de Cariben, een draad naar zijn derde continent laten spannen en laat hem op Schiphol zakken in een gloednieuwe versie van de populaire Anansitori. Dorus Vrede (1949), Saramaccaner bosneger, verwoordt het grootste drama dat zijn volk in eeuwen overkwam: de verdrijving van de geboortegrond door het stuwmeer. De Karaïb Nardo Aluman (1946) geeft vorm aan een van de vele mythes waaraan de literatuur van zijn volk-door de sukkel Columbus ‘Indianen’ genoemd-zo rijk is. In strikte zin gaat het bij de laatste schrijvers niet om orale literatuur want zij zetten hun verhalen met de pen neer, maar het karakteristieke van de oude vertelwijzen heeft hun proza allicht gekleurd.
Ook de Surinaamse verbeeldingswereld zijn geen grenzen aangemeten, naar tijd noch ruimte. Vooral de auteurs in Nederland bedienen zich van die vrijheid, zoals Ellen Ombre met het laatste verhaal dat zich afspeelt in Benin, de voormalige kolonie Dahomey vanwaar zovele negerslaven naar Suriname werden getransporteerd. Tegenwoordig schijnen daar ketenen van andere aard te rammelen, al is de schrijfster, gezien ook haar andere werk, de laatste om met haar schets van de witte koloniaal een tendentieus stuk te willen geven. Wat ik hiermee tevens wil zeggen: deze collectie geeft niet enkel een beeld van vijftig of meer jaar Surinaamse verhalen, maar wil ook vooral een uitnodiging tot lezen zijn van al dat werk waarvan hier slechts een korte, en hopelijk, gelukkig gekozen representatie is opgenomen.
Veel dank gaat uit naar Jan Bongers te Paramaribo die ik om zijn buitengewone inzet als mede-samensteller van deze bundel beschouw, en aan Truus Pancham te Amsterdam die met haar typewerk ongetwijfeld het leven van de zetter met enige maanden heeft weten te verlengen.
Amsterdam, 16 februari 1989
Michiel van Kempen