Mijn keuze voor een onderwerp binnen de Nederlandse geschiedenis lag voor de hand. Mijn moeder was Nederlandse, ik groeide op in een Nederlands-Amerikaans dorp en op achtjarige leeftijd bracht ik zelfs een jaar door op een Montessorischool in Rotterdam. Toch was mijn specialisatie aan de Universiteit van Iowa Duitse geschiedenis. Pas na aanmoediging van mijn mentor David Schoenbaum besloot ik mij te richten op de naoorlogse geschiedenis van Nederland. Een Fulbright-beurs naar Nederland en een aanvullende beurs van de universiteit maakten het mogelijk dat ik twee jaar (1991-1993) onderzoek kon doen in Amsterdam om materiaal te verzamelen voor dit boek.
In dit boek heb ik geprobeerd drie onevenwichtigheden uit de weg te ruimen. In de eerste plaats is het boek niet voortgekomen uit een verlangen naar de jaren zestig en deel ik weinig van de vooroordelen en de nostalgie van de ‘protestgeneratie’ die tot nu toe het beeld van de jaren zestig grotendeels hebben bepaald. Ik ben per slot ook te jong om al hun idealen en frustraties te hebben ervaren. Hoewel dit zowel een voor- als een nadeel is, biedt het in ieder geval een ander perspectief. In de tweede plaats heb ik afstand genomen van de sociologische interpretaties van de jaren zestig die in de Nederlandse literatuur over deze periode vooral naar voren komen, en heb ik mij gericht op een culturele benadering waarin ‘perceptie’ een even grote rol speelt als ‘realiteit’. De derde onevenwichtigheid is minder geschiedkundig van aard. Ik probeer de Nederlandse lezers (in navolging van A.C. Zijderveld) te overtuigen van het al te frequente gebruik van ‘vernieuwing’ en ‘progressiviteit’ in de Nederlandse politieke retoriek. Amerikanen gebruiken vaker politieke clichés, maar de Nederlandse vrees om ouderwets te worden gevonden is zo groot dat enige kritiek daarop weinig schade kan berokkenen.
Ik wil allen danken die de uitgave van dit boek mogelijk hebben gemaakt: Simone, mijn vrouw, die het uit het Engels heeft vertaald; Ank Breugem, Roel Kuiper en Jan Zwemer, die de tekst hebben gecorrigeerd; Hans Blom, Piet de Rooy en G.J. Schutte die de Engelstalige versie kri-
tisch onder de loep hebben genomen; mijn dissertatiecomité aan de universiteit van Iowa: David Schoenbaum, Kenneth Cmiel, Sarah Farmer, Michael Jogerst en Paul Greenough; tevens allen die mij in de eerste fasen van mijn dissertatie hebben geholpen, onder wie ik Gerard Alberts, Mirjam Prenger, Hillie van de Streek, Gerrit van Veghel en Helène Vossen wil noemen. Daarnaast ben ik iedereen zeer dankbaar die tijd heeft vrijgemaakt voor een interview over de jaren zestig: Jan Bank, Erik van den Berg, Thea van den Berg, Edward Brongersma, Kees Buurman, Hans Daalder, Jan Dengerink, Ineke van Dijk, Janneke Haak, P.J. Koets, Jan de Koning (overleden), Thea van der Linden, Jan Maaskant, Aad Nuis, Ad Petersen, Wim Polak, J.D. Roos, M. van der Toorn, Helena van der Wal (overleden), Sonja van Wier, Herman Wiersinga, Doris Wintgens. Ten slotte wil ik de medewerkers aan de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, de bibliotheek van de Vrije Universiteit te Amsterdam, het Katholieke Documentatiecentrum te Nijmegen en het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis (Provo-archief) te Amsterdam danken voor het gebruik van hun materialen.
Juli 1995