tisch onder de loep hebben
genomen; mijn dissertatiecomité aan de universiteit van Iowa: David
Schoenbaum, Kenneth Cmiel, Sarah Farmer, Michael Jogerst en Paul Greenough;
tevens allen die mij in de eerste fasen van mijn dissertatie hebben geholpen,
onder wie ik Gerard Alberts, Mirjam Prenger, Hillie van de Streek, Gerrit van
Veghel en Helène Vossen wil noemen. Daarnaast ben ik iedereen zeer
dankbaar die tijd heeft vrijgemaakt voor een interview over de jaren zestig: Jan
Bank, Erik van den Berg, Thea van den Berg, Edward Brongersma, Kees Buurman,
Hans Daalder, Jan Dengerink, Ineke van Dijk, Janneke Haak, P.J. Koets, Jan de
Koning (overleden), Thea van der Linden, Jan Maaskant, Aad Nuis, Ad Petersen,
Wim Polak, J.D. Roos, M. van der Toorn, Helena van der Wal (overleden), Sonja
van Wier, Herman Wiersinga, Doris Wintgens. Ten slotte wil ik de medewerkers aan
de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, de bibliotheek van de Vrije
Universiteit te Amsterdam, het Katholieke Documentatiecentrum te Nijmegen en het
Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis (Provo-archief) te Amsterdam
danken voor het gebruik van hun materialen.
Juli 1995