Nieuw Babylon in aanbouw


auteur: James C. Kennedy


editeur: Simone Kennedy-Doornbos


bron: James C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig. Boom, Amsterdam / Meppel 1995  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 9]

Inleiding

‘De tijden zijn veranderd, en wij moeten mee veranderen, niet uit kameleontische karakterloosheid, maar uit opmerkzaamheid voor de teekenen der tijden.’1
- Theoloog Hendrik Kraemer (1945)

Op 1 oktober 1965 werd in het Gemeentemuseum van Den Haag onder grote belangstelling een tentoonstelling geopend van Constant Nieuwenhuys (1920-). Ook het nieuwste project van deze kunstenaar, New Babylon, was daar te bezichtigen.2 Constant (zoals hij graag genoemd wordt) is één der grondleggers van zowel COBRA als de situationisten, twee prominente avant-gardestromingen van kort na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren vijftig ontwikkelde deze eigenzinnige marxist echter een sterke afkeer van avant-gardistische kunst en functionalistische architectuur, die hij beschouwde als elitaire pogingen om ‘de massa’ te beroven van spel en creativiteit. Hij wist daardoor geregeld de aandacht op zich te vestigen.3 Rond 1960 ontwierp hij New Babylon, een architectonische blauwdruk voor een ‘utopia’ dat hij 50-100 jaar in de toekomst situeerde.4

New Babylon was een samenleving, ontworpen voor een ontwakende ‘nieuwe mens’, die door de wonderen van de technologie bevrijd is van de natuur, zich aan elk functioneel verband heeft ontworsteld en zijn hele leven kan besteden aan reizen, avontuur en creativiteit: de homo ludens (spelende mens).5 De oude manier van leven, het ora et labora, kon worden vervangen door een volledig gemechaniseerde en kunstmatige wereld waarin de factoren natuur en tijd waren geëlimineerd en er volkomen vrijheid was voor iedereen.6 In New Babylon zou ‘geen religie meer zijn, geen moraal, geen recht, geen kunst, geen gezin, en ook geen stad, woning, straat, sportveld etc.’.7 In deze ‘anti-functionele stad’ zou slechts de creativiteit overblijven.

Door de tentoonstelling in Den Haag werden de ideeën van de kunstenaar bekend in binnen- en buitenland.8 Een krant noemde 1965 zelfs het ‘Jaar van Constant’. De culturele visie van New Babylon was van grote

[p. 10]

invloed op het politiek manifest uit 1967 van de socialisten van ‘Nieuw Links’.9 De provo's, die omstreeks die tijd bekend werden door hun ludieke acties in Amsterdam, ‘adopteerden’ New Babylon eind 1965 zelfs als hun visie op de toekomst.10 En hoewel de persoonlijke invloed van Constant langzaam, verdween, kwam zijn visie op een cultuur vol spel en creativiteit in de loop van de jaren zestig steeds meer in de belangstelling te staan. Tegen het einde van het decennium was Nederland een land geworden waar, in de ogen van veel buitenlanders, alles mogelijk scheen te zijn - van getrouwde katholieke priesters tot semi-legale marihuana. Het leek meer op het ‘New Babylon’ van Constant dan enige samenleving ooit eerder had gedaan of, zoals nu blijkt, zou doen.

Het ongewoon liberale klimaat in Nederland zou men kunnen wijten aan de hogere concentraties provo's en hippies in dit land, of aan toegeeflijke bestuurders die zich weinig bekommerden om de belangen van hun onderdanen (evenals in de dagen van Rembrandt en Spinoza). Maar beide veronderstellingen zijn niet juist. Nederland dankt zijn tolerante en progressieve klimaat aan een heterogene groep behoedzame gezagsdragers die zich zoveel zorgen maakte over het in de hand houden van ontwikkelingen, dat zij gedrag mogelijk maakte, en zelfs stimuleerde, dat in andere landen niet zou worden geduld. De belangrijkste brengers van vernieuwing waren dus mensen van wie omvangrijke veranderingen het minst werd verwacht.11 Hun ondergewaardeerde rol is cruciaal in het begrijpen van de metamorfose die Nederland in de jaren zestig doormaakte.

Geen enkel land in West-Europa (mogelijk met uitzondering van Italië) veranderde gedurende de jaren zestig meer dan Nederland. Tot het einde van de jaren vijftig beschouwden buitenstaanders Nederland over het algemeen als een eigenaardig en ‘ouderwets’ landje, dat nog trouw was aan tradities en gewoonten van een vorig tijdperk. Zo herinnert de Amerikaanse socioloog Ronald Inglehart zich van zijn jaren in Leiden aan het begin van de jaren zestig dat Nederland ‘aanzienlijk traditioneler’ was dan de Verenigde Staten.12 En af en toe werd een apocriefe uitspraak van Heinrich Heine aangehaald (soms ook toegeschreven aan Voltaire): ‘Als de wereld verloren gaat, dan zou ik naar Holland gaan, waar alles vijftig jaar later gebeurt’. Deze indrukken waren juist als men de ‘moderne samenleving’ definieert als geïndustrialiseerd en geseculariseerd (geringe invloed van religie op het openbare leven). Nederland industrialiseerde laat, in tegenstelling tot de omliggende landen (België en Duitsland). Ook al zagen historici vanaf 1890 een economische opbloei, een grote toename van de industriële produktie bleef uit tot na de Tweede Wereldoorlog. Nederland was tot diep in de jaren vijftig een betrekkelijk arm land.

[p. 11]

Stakingen waren zeldzaam, slechts weinig vrouwen werkten buitenshuis en de lonen bleven tot het midden van de jaren zestig relatieflaag. Grote, invloedrijke katholieke en protestantse subculturen hielden omvangrijk kerkbezoek en hoge geboorten cijfers in stand en maakten zo van Nederland een statistische uitzondering in Noord-Europa. Bovendien leek Nederland de belichaming van ‘een trouwe bondgenoot’ van Amerika13, onovertroffen in anti-communisme en atlanticisme. Zelfs toen vanuit de Verenigde Staten zware druk werd uitgeoefend om Indonesië (eind jaren veertig) en Nieuw-Guinea (begin jaren zestig) te verlaten, bleef Nederland de Amerikaanse buitenlandse politiek steunen.

Begin jaren zeventig was er vrijwel niemand meer die in dergelijke behoudende termen dacht. Na een decennium vol provo's en rebelse katholieken bleek Nederland voorop te lopen in tolerantie en progressiviteit. De Nederlandse visie op soft drugs, prostitutie, homoseksualiteit, het koningshuis, orde en gezag trok veel aandacht in de buitenlandse pers. Amsterdam werd beroemd en berucht als een internationaal Babylon. Als welvarend land, met high-tech prestaties zoals de Deltawerken, was Nederland snel bezig de statistische kloof die het van buurlanden scheidde te overbruggen.14 Kerken liepen leeg, de geboortencijfers doken omlaag en een eens ongewoon rustig politiek klimaat vertoonde voortekenen van een storm die de consensus-politiek teniet dreigde te doen. In de jaren zeventig rees in Nederland ineens felle kritiek naar aanleiding van de vervanging van kernwapens, wat Walter Laqueur in 1981 spottend ‘Hollanditis’ noemde.15 In 1975 merkte de Nederlandse historicus H.W. von der Dunk op: ‘Nederland heeft zich in het laatste decennium ontwikkeld tot het meest anti-traditionalistische land van het Westen...’. Reeds in 1967 had een Brits journalist het iets laconieker gesteld: ‘The Dutch have stopped being dull’.16

Niet iedereen deelde de impressie dat de Nederlandse samenleving in deze periode een ingrijpende transformatie doormaakte. Bij de meeste Nederlanders hebben de belangrijke gebeurtenissen in de jaren zestig geen persoonlijke crisis veroorzaakt. De Nederlandse socioloog Nico Wilterdink herinnerde zich, in een vroeg demasqué van de jaren zestig, dat hij in zijn studententijd veel naar saaie feestjes ging en vaak uitsliep. Maar zelfs Wilterdink deelde met zijn vrienden de indruk dat alles rondom hem aan het veranderen was.17 En in Nederland vonden inderdaad veel veranderingen plaats, ook al waren ze vaak ongrijpbaar.

Opmerkelijk is dat deze culturele transformatie in veel opzichten verder strekte dan die in Amerika, maar niet veel minder geweld tot stand kwam. Noch de staat, noch de burgers namen hun toevlucht tot geweld.

[p. 12]

De veranderingen vonden plaats zonder dat werkelijk een politieke revolutie dreigde. Nederland heeft nooit een radicale en gewelddadige verzetsbeweging gekend, zoals de Weathermen in de Verenigde Staten, de RAF in Duitsland of de Rode Brigade in Italië (de Molukse terroristen van de jaren zeventig vormen mogelijk een uitzondering, maar hun acties waren niet direct het gevolg van een algemene maatschappijkritiek). De rellen die Amsterdam in juni 1966 troffen, waarbij één betoger stierf als gevolg van een hartaanval en waarin verscheidene personen door politiekogels gewond raakten, waren verreweg de ernstigste onlusten in het decennium.

Voor deze relatief probleemloze omslag zijn tal van voor de hand liggende verklaringen aan te voeren: de door de opbouw van een uitgebreide verzorgingsstaat afgenomen sociaal-economische emancipatiestrijd, de homogeniteit van de Nederlandse samenleving en het feit dat Nederland geen Vietnamoorlog meemaakte (in Amerika leidde die oorlog tot sterke polarisatie). Er is nog één andere cruciale factor, die terug te vinden is in het werk van de politicologen Arend Lijphart en Hans Daalder: het verschil in politieke cultuur tussen Nederland en veel andere democratieën, zoals bij voorbeeld de Verenigde Staten.18 Al vanaf het begin van de Nederlandse Republiek hadden bestuurders, geconfronteerd met religieus pluralisme, sterke regionale belangen en buitenlandse dreiging, namelijk geleerd compromissen te sluiten.

In de zestiende eeuw werden de centra van rijkdom en macht in de Nederlanden gevonden in de steden, bij de bourgeoisie, die allerlei politieke en godsdienstige overtuigingen aanhing. Deze stedelijke magistraten zagen om praktische en principiële redenen weinig heil in het streven naar religieuze uniformiteit. De Republiek heeft ook nooit een echte staatskerk gekend. De hervormde kerk was niet meer dan een bevoorrecht, ‘publiek’ instituut dat mensen zowel opwekte als dwong om lid te worden. Het was te danken aan de tolerante houding van de magistraten en aan de hoge confessionele normen van de orthodoxe hervormden (die weinig voelden voor een brede, allesomvattende kerk) dat aan andere religieuze groeperingen relatief veel vrijheid werd gelaten. Zo was het de katholieken officieel niet toegestaan hun godsdienst uit te oefenen, maar dit werd wel gedoogd. Omdat in de burgerlijke samenleving geen enkele religieuze of politieke overtuiging het alleenrecht kon opeisen, regeerden de Nederlandse regenten met elkaar. Hierdoor kende Nederland een voor het zeventiende-eeuwse Europa ongekende tolerantie ten aanzien van heterogene groeperingen.

Hoewel dit traditionele pluralisme in de loop van de negentiende eeuw

[p. 13]

weer naar de achtergrond verdween door het ontstaan van een gecentraliseerde, liberale en ‘neutrale’ staat, kreeg het tegen het einde van die eeuw, toen de onvrede over de liberale dominantie groeide, een nieuwe gestalte. De omvangrijke middenklasse in Nederland en de relatieve kracht van de agrarische sector (door de teloorgang van de steden in de achttiende eeuw), droegen bij aan de ongewone invloed van de godsdienst in het politieke en sociale leven in de negentiende eeuw. De predikant en politicus Abraham Kuyper (1837-1920) is de invloedrijkste persoon geweest in de vormgeving van het Nederlandse systeem van ‘geïnstitutionaliseerd pluralisme’ (meestal aangeduid met ‘verzuiling’.19 Kuyper was de stichter van de gereformeerde politieke stroming die zich wilde losmaken van de liberalen teneinde een zelfstandige positie in te nemen. Hij ijverde met name sterk voor de gelijkberechtiging van christelijke scholen. Het initiatief van de gereformeerden werd al snel nagevolgd door katholieke leiders, die een kansarm gedeelte van vijfendertig procent van de bevolking vertegenwoordigden. Zij verwachtten dat katholieke scholen en andere katholieke organisaties de emancipatie van hun geloofsgenoten zouden bevorderen. Zowel deze godsdienstige groeperingen alsook de opkomende sociaal-democratische beweging probeerden hun achterban tegen de liberale Leviathan te beschermen door eigen subculturen op te bouwen. Het resultaat was niet een ‘nationale’ cultuur zoals de liberalen wensten, maar verschillende subculturen; vandaar de metafoor van ‘verzuiling’, waarbij het dak van de maatschappij wordt gedragen door onderscheiden en separate zuilen. Hoewel ‘verzuiling’ niet een uniek Nederlands verschijnsel was (politiek georganiseerd katholicisme en sociaal-democratie kwamen overal in Europa op20), was de structuur van de Nederlandse verzuiling - met zowel een sociaal-democratische, een protestantse, een katholieke als een liberale zuil - zeer complex. Halverwege de twintigste eeuw bezaten deze zuilen een rijkdom aan eigen organisaties, van politieke partijen tot jeugdclubs en omroepverenigingen.21 Zij werden alle ingelijfd in een staatssysteem dat, mede geïnspireerd door Kuypers denkbeeld van de soevereiniteit in eigen kring, de relatieve autonomie van deze organisaties erkende.

Deze zuilen stonden onder leiding van een vrij kleine groep ‘regenten’, die, volgens eeuwenoude traditie, gezamenlijk streefden naar consensus en compromis. In elke zuil, en ook tussen de zuilen, vormden vakbondsleiders, ondernemers, dagbladredacteuren, geestelijken, politici, ambtenaren en andere vooraanstaande Nederlanders de regerende elites. Zij probeerden op nationaal en lokaal niveau het goede te vinden voor hun achterban zonder dat zij hooglopende conflicten met andere subculturen

[p. 14]

hoefden te riskeren. De contouren van de Nederlandse politieke cultuur waren zodoende tamelijk oligarchisch, afgezien van de massa-politiek die nodig was voor de opbouw van subculturele organisaties. ‘Volkssoevereiniteit’, waartegen christenen zich fel verzetten, werd nooit de formele bron van gezag in Nederland.22

Deze elites bleven Nederland domineren tot de jaren zestig, en zij hebben in gewijzigde vorm hun bestuursmacht sindsdien voortgezet. Hun tamelijk zwakke reactie op de ontwikkelingen in het decennium waarin zoveel culturele veranderingen plaatsvonden, was van vitaal belang voor de gebeurtenissen in die jaren. Overal in het Westen waar men de autoriteiten het vuur na aan de schenen legde, hebben de uitgedaagden besluiteloos, inconsistent of minzaam gereageerd. Hun respons werd wisselend beschreven als het buigen voor de druk van het volk of als het uitoefenen van ‘repressieve tolerantie’.23 Maar vooral de Nederlandse elites (de vertegenwoordigers van de gevestigde partijen, dagbladen, verenigingen en kerken) voelden er niets voor zich schrap te zetten, om een Gaullistische meerderheid of een ‘silent majority’ (Nixon) te ontbieden ter verdediging van de status quo. Zij hadden bij voorbeeld de hulp kunnen inroepen van het omvangrijke lezerspubliek van De Telegraaf, het meest gelezen dagblad in Nederland, dat vaak met wantrouwen melding maakte van culturele veranderingen. Maar die weg sloegen de elites niet in. Ook boden ze geen weerstand aan de opzienbarende veranderingen in zowel de katholieke als de gereformeerde kerken. Evenmin verzetten zij zich (op enkele uitzonderingen na) tegen de opmerkelijke veranderingen in het waarden- en normenpatroon van de bevolking. In feite waren zij aanhangers en zelfs bereidwillige predikers van het modewoord ‘vernieuwing’. Een reactionaire politiek en retoriek, waarbij krachten opgewekt kunnen worden voor handhaving van de status quo of terugkeer tot een voormalige gouden eeuw, ontbrak onder deze elites.24

Wetenschappers hebben gewezen op verschillende factoren die de zwakke reacties van de elites verklaren. Zo wezen zij op het rustige Nederlandse politieke klimaat waaraan de politici gewend waren, zodat zij zich snel gewonnen gaven toen bewegingen waar ze geen controle over hadden onverwacht vraagtekens zetten bij hun autoriteit.25 Sociologen, zoals J.E. Ellemers, onderzochten ontwikkelingen binnen de zuilen waarbij een jongere generatie leidinggevenden tegenover de oudere garde werd geplaatst. De scheiding der geesten die als gevolg hiervan binnen de elites plaatsvond, versnelde het veranderingsproces.26 Natuurlijk hebben onderzoekers de veranderingen ook toegeschreven aan de ‘pacificatiepolitiek’, die in de geest van het pluralisme protestbewegingen lie-

[p. 15]

ver institutionaliseerde dan dat ze deze uitsloot van de onderhandelingen.27 Andere wetenschappers gaven de voorkeur aan een moderne interpretatie van de veranderingen. De gewezen politieke cultuur werd door hen afgeschilderd als het overblijfsel van een voorbije eeuw, niet aangepast aan de nieuwe sociaal-economische omstandigheden; een kaartenhuis dat dreigde in te storten. Te midden van zoveel sociale en economische veranderingen moesten verouderde politieke en culturele instellingen wel mee veranderen - het gedrag van de oude elites was irrelevant.28

Deze laatste interpretatie is niet geheel zonder verdienste, maar klinkt mij tamelijk deterministisch in de oren. Alsof een ‘moderne’ maatschappij ook een ‘modern’ politiek systeem vereist - ja, alsof ‘modern’ een afgebakende betekenis heeft. Zwitserland, een in technologisch opzicht hoog ontwikkeld land, heeft lange tijd weten tegen te houden wat ieder ‘modern’ land al lang had gedaan: kiesrecht verlenen aan vrouwen. Ook het nationaal socialisme was een ‘modern’ verschijnsel. Deze interpretatie werpt een interessante vraag op: in hoeverre versnelt het geloof in de komst van het ‘moderne leven’ de doorbraak van dit ‘moderne leven’? Het wijdverbreide geloof in de onverbiddelijke komst van het ‘moderne leven’ is één van de fascinerendste aspecten in de denkwereld van de Nederlandse elites in de jaren zestig. Velen getuigden van hun geloof in de onvermijdelijkheid van verandering, en meenden dat de enige verstandige beslissing kon zijn van de nood een deugd te maken.

Dit geloof in de onverbiddelijke komst van veranderingen is een cruciale factor in de Nederlandse politieke cultuur geweest. Evenals andere Europeanen gaan Nederlanders merkwaardig om met de vraag wie of wat een belangrijke rol speelt in de geschiedenis. De ‘ik’, ‘wij’, ‘jullie’ en ‘zij’ die met regelmaat verschijnen in toespraken van Amerikaanse politieke leiders, worden veel discreter gebruikt in de retoriek in Nederland. Voor de Amerikanen hebben het goede en het kwade in de wereld meestal een persoonlijke bewerker; zelfs het falen met betrekking tot het ‘verslaan’ van kanker is toe te schrijven aan menselijke fouten. Nederlanders maken veel minder gebruik van deze retoriek. Dit kan gedeeltelijk worden geweten aan de bescheidenheid die door de Nederlanders tot een nationale deugd is verheven. Maar er zijn nog meer verklaringen voor deze ‘historistische’ denkwijze.

Door de geschiedenis heen heeft het calvinisme een belangrijke rol gespeeld in het religieuze en politieke klimaat van Nederland. Calvinisten hadden oog voor Gods hand in de geschiedenis; al het menselijk streven om deze goddelijke handelwijze te stuiten was zinloos, want de geschie-

[p. 16]

denis ontvouwde Gods plan. Nederlandse calvinisten geloofden dat een rechtvaardige en machtige God de ordening van de Nederlandse maatschappij niet onberoerd liet bij het volvoeren van Zijn voornemen de geschiedenis. Van de zestiende tot de twintigste eeuw leefde in de Nederlandse calvinistische theologie een sterk besef dat in de geschiedenis de goddelijke wil over de menselijke begeerte zegeviert. In weerwil van calvinisten als Isaac da Costa (1798-1860), die een reactionaire arkeer van de ‘geest der eeuw’ ontwikkelden, waren de meeste calvinisten de overtuiging toegedaan dat de wereld zich ontwikkelde langs de lijnen van een door God uitgestippeld plan. Toen de gereformeerden aan het eind van de negentiende eeuw op het politieke toneel verschenen, gaven zij wel blijk van hun affiniteit met conservatieve politieke bewegingen, maar zij hebben nooit op eenzelfde wijze steun verleend aan ‘traditie’ en de status quo. Kuyper was een man die een groot verlangen had om op de hoogte te blijven van de nieuwste ontwikkelingen29, en zijn antirevolutionaire mannenbroeders - die in 1879 in Nederland de eerste moderne politieke partij vormden - waren over het algemeen mannen uit de middenstand die het ‘modernisme’ met moderne methoden wilden aanpakken. Ze wilden dus niet terugkeren naar het tijdperk van vóór de gehate Franse Revolutie.

Naast de calvinistische theologie had ook het Duitse idealistische en romantische gedachtengoed in zowel de negentiende als de twintigste eeuw veel invloed op de Nederlandse bestuurders. De aanhangers van dit gedachtengoed hielden zich aan een historistische Weltanschauung; aan de opvatting dat geschiedenis ontwikkeling, ontplooiing en beweging betekent, gestuurd door een Kracht of krachten onafhankelijk van menselijk handelen. Een andere romantische notie die in de Nederlandse cultuur doordrong, is de vergelijking van de maatschappij met een ‘organisme’, dat groeit en zich ontwikkelt volgens een eigen wetmatigheid. Nederlanders maken nog steeds gebruik van organische uitdrukkingen als ‘de samenleving ontwikkelt zich’.30 De menselijke wil is niet onbelangrijk, maar is begrensd en ingegeven door de ‘ontwikkeling’ van de samenleving.

De beperkte macht van de Nederlandse elites was een derde factor die een zeker historisme versterkte. Nederlandse voormannen werden vaak geconfronteerd met internationale ontwikkelingen waarop zij weinig greep hadden. Voor de leiders van een klein land lag het ontlopen van gevaar in het ontcijferen van ‘het schrift op de wand’31 en het aanpassen aan onvermijdelijke ontwikkelingen. Bovendien waren Nederlandse elites nauwelijks in staat tot machtsvertoon in een verdeeld land waar geen

[p. 17]

politieke of godsdienstige stroming een meerderheid kon bereiken. Het boek van Theun de Vries over de zeventiende eeuwse staatsman Oldenbarneveldt, zowel voor als na de oorlog veel gelezen, is in dit opzicht illustratief:

‘Oldenbarneveldt heeft de rol vervuld, die de omstandigheden hem hebben toebedeeld. Hij heeft ze dóór willen spelen, ook toen zijn werk voltooid kon worden genoemd. Hij heeft de geschiedenis van zijn volk veertig jaar helpen drijven, om toch eindelijk zelf door haar te worden gedreven. Nieuwe omstandigheden, een nieuwe koers hebben hem meegesleurd, tot bij de beheersching over het stuur van wereld en ik verloor. Niet Maurits, niet zijn persoonlijke vijanden, hebben hem in de eerste plaats doen vallen, maar de omstandigheden, wier werktuig hij eenmaal geweest was, en waarvan hij niet wilde erkennen, dat hij haar gunst verloren had.’32

Deze gevoeligheid voor de ‘onvermijdelijke’ wegen van de geschiedenis heeft geleid tot welhaast komische reacties in crisissituaties. Koning Willem II (1840-1852) werd naar eigen zeggen in één nacht van conservatief plotseling liberaal toen een revolutie dreigde die uiteindelijk nooit plaatsvond. Op eenzelfde wijze zette koningin Wilhelmina, in ‘opdracht’ van de tijd, vanaf november 1918 verstrekkende arbeidshervormingen in gang, nadat de socialistische leider Troelstra een revolutionaire toon had aangeslagen. Toen de burgemeester van Rotterdam ervan overtuigd was dat de Duitse revolutie niet zou stoppen bij de grens, gaf hij het beheer van de stad in handen van de sociaal-democraten. En in 1940 schreef de voormalige premier Hendrik Colijn in het tegenwoordig beruchte pamflet Op de grens van twee werelden, dat de Duitse overheersing een historische ontwikkeling was waarmee de Europeanen moesten leren leven.

De moloch van de geschiedenis was na de Tweede Wereldoorlog nog duidelijker aanwezig. De oorlog had op de Nederlanders de indruk nagelaten dat zij zich moesten onderwerpen aan een nieuwe politieke constellatie en niet de rampzalige koers van neutraliteit blijven volgen. Waren politici voorheen tegen handelsblokken, na de oorlog voelden Nederlandse politici zich gedwongen de Europese economische integratie te steunen. Veel Nederlanders hadden zich verzet tegen de dekolonisatie van Indonesië en Nieuw-Guinea, maar ook dit bleken ontwikkelingen te zijn waaraan ze moesten toegeven. Nederlandse elites geloofden dat Nederland door de ‘modernisering’ aan het veranderen was en dat deze verandering absoluut noodzakelijk was. De elites lieten zich na de oorlog informeren door modernisatie-theoretici zoals Mannheim en Shils, die het sociale en economische proces leken te beschrijven waar het ‘ouder-

[p. 18]

wetse’ Nederland doorheen moest. Nederlandse elites uit de jaren vijftig koesterden goede hoop dat deze nieuwe krachten beheerst konden worden, maar stonden toch versteld van de grote veranderingen die de modernisering bewerkstelligde, en onderkenden tevens dat de levensvatbaarheid van traditionele overtuigingen door deze krachten werd ondermijnd. Er waren dus veel ‘historische ontwikkelingen’ die de Nederlandse elites imponeerden door hun onverbiddelijkheid en hen overtuigden van hun beperkte macht. De waarschuwing van Sir Isaiah Berlin in 1953 tegen het ‘sociale determinisme’ van de ‘historistische onvermijdelijkheid’ kon speciaal zijn bedoeld voor de Nederlandse elites.33 ‘Je kan niet - nee, je mag niet - tegen de rijd ingaan’, zei een D66-politicus onlangs tegen de CDA-ideoloog Arie Oostlander34, en deze uitspraak geeft het heersende denkpatroon goed weer.

Ten slotte vervulde het historisme een belangrijke ideologische functie in de ‘pacificatiepolitiek’. Voor elites met zeer uiteenlopende overtuigingen werd ‘de hand van de geschiedenis’ met haar ogenschijnlijk onmiskenbare aanwijzingen een basis waarop consensus-beleid kon worden ontworpen. Weliswaar was niet iedereen het eens over de richting waarin de hand wees, maar al zoekend naar een gemeenschappelijke overtuiging leken pragmatische concessies aan het onvermijdelijke een goede manier om beleid vast te stellen. In bescheiden en voorzichtige vernieuwing konden alle partijen zich vinden - een beleid dat rampen zou voorkomen. De burgemeester van Hilversum J.J.G. Boot herinnerde zijn collega's in 1967 er aan dat ‘het beste middel om gezagscrisis en revolutie te voorkomen is: goed progressieve leiding geven’.35

Dit respect voor het ‘natuurlijk’ verloop van de geschiedenis had een tweeledig effect. Aan de ene kant ontstond een retoriek van ‘bij de tijd zijn’, waardoor bepaalde anachronismen een snelle dood stierven. Von der Dunk en Ernest Zahn hebben er op gewezen dat in de Nederlandse politieke cultuur een openlijk ‘conservatief’ alternatief voor politieke en sociale kwesties lange tijd ontbrak. Daardoor werd een eenzijdig ‘progressief’ spectrum gecreëerd en viel onverholen steun voor de status quo min of meer weg uit de politieke retoriek. Von der Dunk merkte op dat de term ‘conservatief’ als zelfbeschrijving in de laatste decennia van de negentiende eeuw verdween. Zij werd een vies etiket dat politici alleen nog plakten op hun tegenstanders.36 Von der Dunk ontkent niet dat de godsdienstige partijen in werkelijkheid de sociale en economische status quo verdedigden. Dat deden zij overigens vooral in de periode tussen de beide wereldoorlogen. Nederland werd een land van ‘anoniem conservatisme’, waar openlijke steunbetuigingen aan de status quo voor het

[p. 19]

grootste deel tot zwijgen waren gebracht. Dit onevenwichtige retorisch bouwwerk werd na de Tweede Wereldoorlog verder versterkt. ‘Rechts’ - een benaming waar vele confessionele politici zich tot 1940 graag mee sierden - werd sindsdien beschouwd als nog verfoeilijker dan ‘conservatief’.37

Aan de andere kant zijn Nederlandse elites nauwelijks bedeeld met profetische gaven en waren ze hun tijd zelden vooruit. Hun verbazing over de politieke conflicten van de jaren zestig is daarvan een duidelijk bewijs. Han Lammers, die binnen de PvdA al snel één van de kopstukken in de Nieuw Links-beweging werd, schreef in maart 1965 tamelijk nuchter over de vooruitzichten van politieke vernieuwing en de passieve houding van de politici in Den Haag: ‘De tijd, zo schijnt het motto te zijn, heeft zijn loop, en wij wandelen wel mee’.38 Gertjan Dijkink merkte op dat vooral de Nederlandse politici door de tijdgeest opgezweept leken te worden. Volgens hem gaven ze onevenredig veel aandacht aan crises van het moment, maar vergaten vrijwel al deze kwesties binnen een paar jaar weer.39 Nederlandse elites reageerden, maar kwamen zelf nauwelijks met gedurfde initiatieven tot veranderingen.

Door een reeks naoorlogse ontwikkelingen werden deze behoedzame elites echter veranderd in brengers van vernieuwing. In de rond hen razendsnel veranderende wereld kon de orde naar hun mening alleen worden gehandhaafd door aanpassing. Zo overtuigden politieke, religieuze en andere culturele elites elkaar ervan dat het juist en noodzakelijk was te breken met vroeger beleid. Om het evenwicht te bewaren moesten veel vernieuwingen worden doorgevoerd. Deze conclusie werd noch meteen na 1940, noch door iedereen getrokken, maar was wel wijdverspreid en kreeg steeds meer invloed onder beleidmakers van de jaren veertig tot en met de jaren zestig. Deze aanpassende houding werd eerst zichtbaar binnen het sociaal-economisch en het buitenlands beleid, en later in de religieuze, culturele en politieke concessies die werden gedaan toen in de jaren zestig de protesten oplaaiden. In plaats van weerstand te bieden neigden de elites deze ontwikkelingen te interpreteren als tekenen van de veranderende tijden, waaraan ze moesten toegeven. Met de actieve demonstranten aan de ene kant en accommoderende historisten aan de andere, schoof de Nederlandse politieke cultuur tijdens de jaren zestig naar links.

De bovengenoemde factoren maken duidelijk waarom gedurende de jaren zestig een doeltreffende conservatieve retoriek vrijwel afwezig was; er waren geen pleidooien voor de handhaving van de status quo, noch voor de terugkeer naar een voormalig roemrijk tijdperk. Weliswaar werd

[p. 20]

wel tegengestribbeld door De Telegraaf, door de afgevaardigden van de gemarginaliseerde Boerenpartij en door de kleine, orthodox-calvinistische kerken. Maar deze protesten waren in de Nederlandse politieke cultuur van marginale betekenis, en werden door de Nederlandse elites veroordeeld als onredelijke en ongemanierde reacties op de veranderende tijden. In plaats daarvan stimuleerden de elites de openbare retoriek die de jaren zestig domineerde: de retoriek van de vernieuwing. De strekking hiervan kan in zeer algemene termen worden weergegeven als: ‘wat was is voorbij, en dat is maar goed ook’. De elites die verouderde instellingen vertegenwoordigden voelden zich evenzeer verplicht om deze taal te gebruiken als hun jongere, meer radicale, opponenten. Deze vernieuwingsretoriek - die geen vaststaande inhoud had - verenigde verschillende ideologische partijen die verder weinig met elkaar gemeen hadden: culturele pessimisten, kerkelijke hervormers, politieke pragmatici en (later) actievoerders. Zowel de elites in de jaren vijftig als Nieuw Links in de jaren zestig maakten deel uit van een politieke cultuur waarin openlijk verzet tegen verandering feitelijk onmogelijk was geworden. Wel waagden provo's en radicale studenten zich op paden die niemand in de jaren zestig had kunnen bevroeden. Maar de jonge radicalen van de late jaren zestig waren tegelijkertijd de erfgenamen van een vernieuwingsgezinde politieke cultuur die al jaren had bestaan en die genegen was hun aanzienlijke macht en invloed te verlenen.

Het is ironisch dat de ‘culturele revolutie’ van de jaren zestig werd vergemakkelijkt, gestuurd en zelfs aangemoedigd door gematigde en in wezen ouderwetse elites.40 Ik denk niet dat Zahn volkomen gelijk heeft als hij de elites bijzonder ‘progressief’ noemt; in veel opzichten bleven ze in hun werkwijze tamelijk gebonden aan de traditie.41 Het zou dus niet juist zijn te veronderstellen dat deze elites werkelijk van plan waren de oogst binnen te halen van wat ze hadden gezaaid. Maar toch waren zij wel degelijk de zaaiers. Deze groep heeft, juist omdat ze conservatief was (een historistische kijk had op verandering) en juist omdat ze elitair was (niet geïnteresseerd in het creëren van een reactionair populisme) meegewerkt aan de grote verandering. Alhoewel deze elites vaker op veranderingen reageerden dan dat ze deze bewerkstelligden, toonden ze zich niettemin onmisbaar in de omvangrijke vernieuwingen van de jaren zestig. ‘Het geheim van die tijd was dat we Provo hadden’, zei de journalist Rinus Ferdinandusse in 1993, toen hij de blijvende verzotheid van veel moderne ‘rebellen’ voor de magische tegencultuur van de jaren zestig overdacht.42 Het zou juister zijn geweest te zeggen dat het ‘geheim’ lag in de conservatieve en oligarchische elites die, om zowel ideologische als pragmatische rede-

[p. 21]

nen, bereid waren zich aan te passen aan aanzienlijke sociale en culturele veranderingen.

Het is deze aanpassingsgezindheid die de jaren zestig in Nederland anders maakte. In de meeste opzichten verschilden de sociale en economische ontwikkelingen in Nederland nauwelijks van de ontwikkelingen in andere Westeuropese landen. Elke trend die als karakteristiek gold voor de jaren zestig, van jeugdculturen tot ongekende welvaart, was ook in Nederland duidelijk zichtbaar. Slechts in het plotselinge verval van de eens zo invloedrijke kerken verschilde Nederland van bij voorbeeld België en West-Duitsland. Zelfs de openheid van de gevestigde politici was niet een specifiek Nederlands verschijnsel, veel vooraanstaande Amerikaanse progressieven waren ook ontvankelijk voor de culturele veranderingen in de jaren zestig. Waarin Nederland wel verschilde van andere landen, dat is de afkeer van de Nederlandse autoriteiten voor conflicten en geweld, gekoppeld aan de overtuiging dat het beter is de onvermijdelijke stroom ‘moderne’ ontwikkelingen te kanaliseren dan die te stuiten. Deze zienswijze werd niet alleen gedeeld door de ‘progressieve’ leiders, maar evenzeer door de ‘conservatieve’. Er was noch heldenmoed, noch tragiek in het spel; de Nederlandse autoriteiten misten niet alleen de mogelijkheid, maar vooral ook het inzicht en de wil om weerstand te bieden dezelfde ontwikkelingen waartegen hun collega's in andere landen zich wel zouden verzetten.

In de uitwerking van dit gezichtspunt richt hoofdstuk 1 zich op de opvattingen van de gematigde elites in de jaren veertig en vijftig, in het bijzonder op hun kijk op het verleden en de toekomst. ‘Modernisering’ speelt hierbij een centrale rol. Hoofdstuk 2 richt zich op de veranderingen in de Nederlandse nationale identiteit en het buitenlands beleid gedurende de jaren zestig; voornamelijk op ontwikkelingshulp als ‘postkoloniale’ ideologie, op de verschuiving van ‘betrouwbare bondgenoot’ naar ‘wereldburger’ en op de crisis rond traditionele nationale symbolen. Hoofdstuk 3 bestudeert religie en moraal, met speciale aandacht voor de eschatologische verwachtingen in kerken. Hoofdstuk 4 onderzoekt het zogenaamde ‘hart’ van de jaren zestig: de in Amsterdam geconcentreerde tegencultuur; waaronder de actievoerende schrijvers, dichters, provo's, onconventionele intellectuelen en redacteuren, en de snelle aanvaarding van hun veelbesproken ideeën. Hoofdstuk 5 richt zich op de burgerlijke autoriteiten, met speciale nadruk op, ten eerste, de Amsterdamse rellen in 1966 die de vastberadenheid van de Nederlandse autoriteiten diep schokte, en op, ten tweede, de vele malen dat werd opgeroepen tot een vernieuwing van de politie, de universiteiten en de gemeentelijke overheid. Hoofdstuk 6

[p. 22]

bestudeert de veelgehoorde roep om politieke hervorming, na 1966 voortgekomen uit de politieke discussies die begin jaren zestig in de grote partijen hadden plaatsgevonden. Hoofdstuk 7, de conclusie, is een evaluatie van de jaren zeventig en tachtig in Nederland en geeft aan hoe door gebrek aan behoudend en ‘herstellend’ conservatisme de Nederlandse reactie op de jaren zestig afwijkt van die in de Verenigde Staten.

Als Amerikaan ben ik bijzonder geboeid door de snelle verandering van het culturele klimaat in Nederland. Het wekt verwondering dat in deze samenleving, die in veel opzichten toch behoedzamer en conservatiever is dan de Amerikaanse, meer vrijheid bestaat. De manier waarop gezagdragers zijn omgegaan met deze culturele verandering dwingt respect af: de veranderingen vonden plaats zonder veel geweld en hebben een aantal positieve ontwikkelingen tot gevolg gehad. Maar dit boek zal daarnaast een politieke cultuur aan het licht brengen waarin Nederlandse gezagdragers ten prooi vielen aan clichés als ‘modernisering’ en ‘bij-de-tijd-zijn’. De pragmatische aanpassing aan de ‘veranderende tijden’ heeft ook slappe meegaandheid veroorzaakt en veel Nederlanders gedwongen met de tijd mee te gaan. De jaren zestig in Nederland blijven voor mij dus zowel een inspiratiebron als een waarschuwing.