|
|
|
| |
| | | |
Inleiding
‘De tijden zijn veranderd, en wij moeten mee veranderen,
niet uit kameleontische karakterloosheid, maar uit opmerkzaamheid voor de
teekenen der tijden.’1
- Theoloog Hendrik
Kraemer (1945)
Op 1 oktober 1965 werd in het Gemeentemuseum van Den Haag onder grote
belangstelling een tentoonstelling geopend van Constant Nieuwenhuys (1920-). Ook
het nieuwste project van deze kunstenaar, New Babylon, was
daar te bezichtigen.2 Constant
(zoals hij graag genoemd wordt) is één der grondleggers
van zowel COBRA als de situationisten, twee prominente avant-gardestromingen van
kort na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren vijftig ontwikkelde deze
eigenzinnige marxist echter een sterke afkeer van avant-gardistische kunst en
functionalistische architectuur, die hij beschouwde als elitaire pogingen om
‘de massa’ te beroven van spel en creativiteit. Hij wist
daardoor geregeld de aandacht op zich te vestigen.3 Rond 1960 ontwierp
hij New Babylon, een architectonische blauwdruk voor een
‘utopia’ dat hij 50-100 jaar in de toekomst
situeerde.4
New Babylon was een samenleving, ontworpen voor een ontwakende
‘nieuwe mens’, die door de wonderen van de technologie
bevrijd is van de natuur, zich aan elk functioneel verband heeft ontworsteld en
zijn hele leven kan besteden aan reizen, avontuur en creativiteit: de homo ludens (spelende mens).5 De oude manier van leven, het ora et labora,
kon worden vervangen door een volledig gemechaniseerde en kunstmatige wereld
waarin de factoren natuur en tijd waren geëlimineerd en er volkomen
vrijheid was voor iedereen.6
In New Babylon zou ‘geen religie meer zijn, geen
moraal, geen recht, geen kunst, geen gezin, en ook geen stad, woning, straat,
sportveld etc.’.7 In deze ‘anti-functionele
stad’ zou slechts de creativiteit overblijven.
Door de tentoonstelling in Den Haag werden de ideeën van de kunstenaar
bekend in binnen- en buitenland.8 Een krant noemde 1965 zelfs
het ‘Jaar van Constant’. De culturele visie van New Babylon was van grote | | | | invloed op het politiek
manifest uit 1967 van de socialisten van ‘Nieuw
Links’.9 De provo's, die omstreeks die tijd
bekend werden door hun ludieke acties in Amsterdam,
‘adopteerden’ New Babylon eind 1965
zelfs als hun visie op de toekomst.10 En hoewel de
persoonlijke invloed van Constant langzaam, verdween, kwam zijn visie op een
cultuur vol spel en creativiteit in de loop van de jaren zestig steeds meer in
de belangstelling te staan. Tegen het einde van het decennium was Nederland een
land geworden waar, in de ogen van veel buitenlanders, alles mogelijk scheen te
zijn - van getrouwde katholieke priesters tot semi-legale marihuana. Het leek
meer op het ‘New Babylon’ van Constant dan enige
samenleving ooit eerder had gedaan of, zoals nu blijkt, zou doen.
Het ongewoon liberale klimaat in Nederland zou men kunnen wijten aan de hogere
concentraties provo's en hippies in dit land, of aan toegeeflijke bestuurders
die zich weinig bekommerden om de belangen van hun onderdanen (evenals in de
dagen van Rembrandt en Spinoza). Maar beide veronderstellingen zijn niet juist.
Nederland dankt zijn tolerante en progressieve klimaat aan een heterogene groep
behoedzame gezagsdragers die zich zoveel zorgen maakte over het in de hand
houden van ontwikkelingen, dat zij gedrag mogelijk maakte, en zelfs stimuleerde,
dat in andere landen niet zou worden geduld. De belangrijkste brengers van
vernieuwing waren dus mensen van wie omvangrijke veranderingen het
minst werd verwacht.11 Hun ondergewaardeerde
rol is cruciaal in het begrijpen van de metamorfose die Nederland in de jaren
zestig doormaakte.
Geen enkel land in West-Europa (mogelijk met uitzondering van Italië)
veranderde gedurende de jaren zestig meer dan Nederland. Tot het einde van de
jaren vijftig beschouwden buitenstaanders Nederland over het algemeen als een
eigenaardig en ‘ouderwets’ landje, dat nog trouw was aan
tradities en gewoonten van een vorig tijdperk. Zo herinnert de Amerikaanse
socioloog Ronald Inglehart zich van zijn jaren in Leiden aan het begin van de
jaren zestig dat Nederland ‘aanzienlijk traditioneler’ was
dan de Verenigde Staten.12 En af en toe werd een apocriefe uitspraak van Heinrich Heine
aangehaald (soms ook toegeschreven aan Voltaire): ‘Als de wereld
verloren gaat, dan zou ik naar Holland gaan, waar alles vijftig jaar later
gebeurt’. Deze indrukken waren juist als men de ‘moderne
samenleving’ definieert als geïndustrialiseerd en
geseculariseerd (geringe invloed van religie op het openbare leven). Nederland
industrialiseerde laat, in tegenstelling tot de omliggende landen
(België en Duitsland). Ook al zagen historici vanaf 1890 een
economische opbloei, een grote toename van de industriële produktie
bleef uit tot na de Tweede Wereldoorlog. Nederland was tot diep in de jaren
vijftig een betrekkelijk arm land. | | | | Stakingen waren zeldzaam,
slechts weinig vrouwen werkten buitenshuis en de lonen bleven tot het midden van
de jaren zestig relatieflaag. Grote, invloedrijke katholieke en protestantse
subculturen hielden omvangrijk kerkbezoek en hoge geboorten cijfers in stand en
maakten zo van Nederland een statistische uitzondering in Noord-Europa.
Bovendien leek Nederland de belichaming van ‘een trouwe
bondgenoot’ van Amerika13, onovertroffen in anti-communisme en atlanticisme. Zelfs toen
vanuit de Verenigde Staten zware druk werd uitgeoefend om Indonesië
(eind jaren veertig) en Nieuw-Guinea (begin jaren zestig) te verlaten, bleef
Nederland de Amerikaanse buitenlandse politiek steunen.
Begin jaren zeventig was er vrijwel niemand meer die in dergelijke behoudende
termen dacht. Na een decennium vol provo's en rebelse katholieken bleek
Nederland voorop te lopen in tolerantie en progressiviteit. De Nederlandse visie
op soft drugs, prostitutie, homoseksualiteit, het koningshuis, orde en gezag
trok veel aandacht in de buitenlandse pers. Amsterdam werd beroemd en berucht
als een internationaal Babylon. Als welvarend land, met high-tech prestaties
zoals de Deltawerken, was Nederland snel bezig de statistische kloof die het van
buurlanden scheidde te overbruggen.14 Kerken liepen leeg, de geboortencijfers doken omlaag
en een eens ongewoon rustig politiek klimaat vertoonde voortekenen van een storm
die de consensus-politiek teniet dreigde te doen. In de jaren zeventig rees in
Nederland ineens felle kritiek naar aanleiding van de vervanging van kernwapens,
wat Walter Laqueur in 1981 spottend ‘Hollanditis’
noemde.15 In 1975 merkte de Nederlandse
historicus H.W. von der Dunk op: ‘Nederland heeft zich in het laatste
decennium ontwikkeld tot het meest anti-traditionalistische land van het
Westen...’. Reeds in 1967 had een Brits journalist het iets
laconieker gesteld: ‘The Dutch have stopped being
dull’.16
Niet iedereen deelde de impressie dat de Nederlandse samenleving in deze periode
een ingrijpende transformatie doormaakte. Bij de meeste Nederlanders hebben de
belangrijke gebeurtenissen in de jaren zestig geen persoonlijke crisis
veroorzaakt. De Nederlandse socioloog Nico Wilterdink herinnerde zich, in een
vroeg demasqué van de jaren zestig, dat hij in zijn
studententijd veel naar saaie feestjes ging en vaak uitsliep. Maar zelfs
Wilterdink deelde met zijn vrienden de indruk dat alles rondom hem aan het
veranderen was.17 En in Nederland vonden inderdaad veel veranderingen plaats, ook al
waren ze vaak ongrijpbaar.
Opmerkelijk is dat deze culturele transformatie in veel opzichten verder strekte
dan die in Amerika, maar niet veel minder geweld tot stand kwam. Noch de staat,
noch de burgers namen hun toevlucht tot geweld. | | | | De veranderingen
vonden plaats zonder dat werkelijk een politieke revolutie dreigde. Nederland
heeft nooit een radicale en gewelddadige verzetsbeweging gekend, zoals de
Weathermen in de Verenigde Staten, de RAF in Duitsland of de Rode Brigade in
Italië (de Molukse terroristen van de jaren zeventig vormen mogelijk
een uitzondering, maar hun acties waren niet direct het gevolg van een algemene
maatschappijkritiek). De rellen die Amsterdam in juni 1966 troffen, waarbij
één betoger stierf als gevolg van een hartaanval en waarin
verscheidene personen door politiekogels gewond raakten, waren verreweg de
ernstigste onlusten in het decennium.
Voor deze relatief probleemloze omslag zijn tal van voor de hand liggende
verklaringen aan te voeren: de door de opbouw van een uitgebreide
verzorgingsstaat afgenomen sociaal-economische emancipatiestrijd, de
homogeniteit van de Nederlandse samenleving en het feit dat Nederland geen
Vietnamoorlog meemaakte (in Amerika leidde die oorlog tot sterke polarisatie).
Er is nog één andere cruciale factor, die terug te vinden
is in het werk van de politicologen Arend Lijphart en Hans Daalder: het verschil
in politieke cultuur tussen Nederland en veel andere democratieën,
zoals bij voorbeeld de Verenigde Staten.18 Al
vanaf het begin van de Nederlandse Republiek hadden bestuurders, geconfronteerd
met religieus pluralisme, sterke regionale belangen en buitenlandse dreiging,
namelijk geleerd compromissen te sluiten.
In de zestiende eeuw werden de centra van rijkdom en macht in de Nederlanden
gevonden in de steden, bij de bourgeoisie, die allerlei politieke en
godsdienstige overtuigingen aanhing. Deze stedelijke magistraten zagen om
praktische en principiële redenen weinig heil in het streven naar
religieuze uniformiteit. De Republiek heeft ook nooit een echte staatskerk
gekend. De hervormde kerk was niet meer dan een bevoorrecht,
‘publiek’ instituut dat mensen zowel opwekte als dwong om
lid te worden. Het was te danken aan de tolerante houding van de magistraten en
aan de hoge confessionele normen van de orthodoxe hervormden (die weinig voelden
voor een brede, allesomvattende kerk) dat aan andere religieuze groeperingen
relatief veel vrijheid werd gelaten. Zo was het de katholieken officieel niet
toegestaan hun godsdienst uit te oefenen, maar dit werd wel gedoogd. Omdat in de
burgerlijke samenleving geen enkele religieuze of politieke overtuiging het
alleenrecht kon opeisen, regeerden de Nederlandse regenten met elkaar. Hierdoor
kende Nederland een voor het zeventiende-eeuwse Europa ongekende tolerantie ten
aanzien van heterogene groeperingen.
Hoewel dit traditionele pluralisme in de loop van de negentiende eeuw | | | | weer naar de achtergrond verdween door het ontstaan van een gecentraliseerde,
liberale en ‘neutrale’ staat, kreeg het tegen het einde
van die eeuw, toen de onvrede over de liberale dominantie groeide, een nieuwe
gestalte. De omvangrijke middenklasse in Nederland en de relatieve kracht van de
agrarische sector (door de teloorgang van de steden in de achttiende eeuw),
droegen bij aan de ongewone invloed van de godsdienst in het politieke en
sociale leven in de negentiende eeuw. De predikant en politicus Abraham Kuyper
(1837-1920) is de invloedrijkste persoon geweest in de vormgeving van het
Nederlandse systeem van ‘geïnstitutionaliseerd
pluralisme’ (meestal aangeduid met
‘verzuiling’.19 Kuyper was de stichter van de gereformeerde politieke
stroming die zich wilde losmaken van de liberalen teneinde een zelfstandige
positie in te nemen. Hij ijverde met name sterk voor de gelijkberechtiging van
christelijke scholen. Het initiatief van de gereformeerden werd al snel
nagevolgd door katholieke leiders, die een kansarm gedeelte van vijfendertig
procent van de bevolking vertegenwoordigden. Zij verwachtten dat katholieke
scholen en andere katholieke organisaties de emancipatie van hun geloofsgenoten
zouden bevorderen. Zowel deze godsdienstige groeperingen alsook de opkomende
sociaal-democratische beweging probeerden hun achterban tegen de liberale
Leviathan te beschermen door eigen subculturen op te bouwen. Het resultaat was
niet een ‘nationale’ cultuur zoals de liberalen wensten,
maar verschillende subculturen; vandaar de metafoor van
‘verzuiling’, waarbij het dak van de maatschappij wordt
gedragen door onderscheiden en separate zuilen. Hoewel
‘verzuiling’ niet een uniek Nederlands verschijnsel was
(politiek georganiseerd katholicisme en sociaal-democratie kwamen overal in
Europa op20), was de structuur van de Nederlandse
verzuiling - met zowel een sociaal-democratische, een protestantse, een
katholieke als een liberale zuil - zeer complex. Halverwege de twintigste eeuw
bezaten deze zuilen een rijkdom aan eigen organisaties, van politieke partijen
tot jeugdclubs en omroepverenigingen.21
Zij werden alle ingelijfd in een staatssysteem dat, mede geïnspireerd
door Kuypers denkbeeld van de soevereiniteit in eigen kring, de relatieve
autonomie van deze organisaties erkende.
Deze zuilen stonden onder leiding van een vrij kleine groep
‘regenten’, die, volgens eeuwenoude traditie, gezamenlijk
streefden naar consensus en compromis. In elke zuil, en ook tussen de zuilen,
vormden vakbondsleiders, ondernemers, dagbladredacteuren, geestelijken,
politici, ambtenaren en andere vooraanstaande Nederlanders de regerende elites.
Zij probeerden op nationaal en lokaal niveau het goede te vinden voor hun
achterban zonder dat zij hooglopende conflicten met andere subculturen | | | | hoefden te riskeren. De contouren van de Nederlandse politieke
cultuur waren zodoende tamelijk oligarchisch, afgezien van de massa-politiek die
nodig was voor de opbouw van subculturele organisaties.
‘Volkssoevereiniteit’, waartegen christenen zich fel
verzetten, werd nooit de formele bron van gezag in Nederland.22
Deze elites bleven Nederland domineren tot de jaren zestig, en zij hebben in
gewijzigde vorm hun bestuursmacht sindsdien voortgezet. Hun tamelijk zwakke
reactie op de ontwikkelingen in het decennium waarin zoveel culturele
veranderingen plaatsvonden, was van vitaal belang voor de gebeurtenissen in die
jaren. Overal in het Westen waar men de autoriteiten het vuur na aan de schenen
legde, hebben de uitgedaagden besluiteloos, inconsistent of minzaam gereageerd.
Hun respons werd wisselend beschreven als het buigen voor de druk van het volk
of als het uitoefenen van ‘repressieve tolerantie’.23 Maar vooral de Nederlandse elites
(de vertegenwoordigers van de gevestigde partijen, dagbladen, verenigingen en
kerken) voelden er niets voor zich schrap te zetten, om een Gaullistische
meerderheid of een ‘silent majority’ (Nixon) te ontbieden
ter verdediging van de status quo. Zij hadden bij voorbeeld de hulp kunnen
inroepen van het omvangrijke lezerspubliek van De Telegraaf,
het meest gelezen dagblad in Nederland, dat vaak met wantrouwen melding maakte
van culturele veranderingen. Maar die weg sloegen de elites niet in. Ook boden
ze geen weerstand aan de opzienbarende veranderingen in zowel de katholieke als
de gereformeerde kerken. Evenmin verzetten zij zich (op enkele uitzonderingen
na) tegen de opmerkelijke veranderingen in het waarden- en normenpatroon van de
bevolking. In feite waren zij aanhangers en zelfs bereidwillige predikers van
het modewoord ‘vernieuwing’. Een reactionaire politiek en
retoriek, waarbij krachten opgewekt kunnen worden voor handhaving van de status
quo of terugkeer tot een voormalige gouden eeuw, ontbrak onder deze elites.24
Wetenschappers hebben gewezen op verschillende factoren die de zwakke reacties
van de elites verklaren. Zo wezen zij op het rustige Nederlandse politieke
klimaat waaraan de politici gewend waren, zodat zij zich snel gewonnen gaven
toen bewegingen waar ze geen controle over hadden onverwacht vraagtekens zetten
bij hun autoriteit.25 Sociologen, zoals J.E. Ellemers,
onderzochten ontwikkelingen binnen de zuilen waarbij een jongere generatie
leidinggevenden tegenover de oudere garde werd geplaatst. De scheiding der
geesten die als gevolg hiervan binnen de elites plaatsvond, versnelde het
veranderingsproces.26
Natuurlijk hebben onderzoekers de veranderingen ook toegeschreven aan de
‘pacificatiepolitiek’, die in de geest van het pluralisme
protestbewegingen lie- | | | | ver institutionaliseerde dan dat ze deze
uitsloot van de onderhandelingen.27 Andere
wetenschappers gaven de voorkeur aan een moderne interpretatie van de
veranderingen. De gewezen politieke cultuur werd door hen afgeschilderd als het
overblijfsel van een voorbije eeuw, niet aangepast aan de nieuwe
sociaal-economische omstandigheden; een kaartenhuis dat dreigde in te storten.
Te midden van zoveel sociale en economische veranderingen moesten verouderde
politieke en culturele instellingen wel mee veranderen - het gedrag van de oude
elites was irrelevant.28
Deze laatste interpretatie is niet geheel zonder verdienste, maar klinkt mij
tamelijk deterministisch in de oren. Alsof een ‘moderne’
maatschappij ook een ‘modern’ politiek systeem vereist -
ja, alsof ‘modern’ een afgebakende betekenis heeft.
Zwitserland, een in technologisch opzicht hoog ontwikkeld land, heeft lange tijd
weten tegen te houden wat ieder ‘modern’ land al lang had
gedaan: kiesrecht verlenen aan vrouwen. Ook het nationaal
socialisme was een ‘modern’ verschijnsel. Deze
interpretatie werpt een interessante vraag op: in hoeverre versnelt het geloof
in de komst van het ‘moderne leven’ de doorbraak van dit
‘moderne leven’? Het wijdverbreide geloof in de
onverbiddelijke komst van het ‘moderne leven’ is
één van de fascinerendste aspecten in de denkwereld van de
Nederlandse elites in de jaren zestig. Velen getuigden van hun geloof in de
onvermijdelijkheid van verandering, en meenden dat de enige verstandige
beslissing kon zijn van de nood een deugd te maken.
Dit geloof in de onverbiddelijke komst van veranderingen is een cruciale factor
in de Nederlandse politieke cultuur geweest. Evenals andere Europeanen gaan
Nederlanders merkwaardig om met de vraag wie of wat een belangrijke rol speelt
in de geschiedenis. De ‘ik’, ‘wij’,
‘jullie’ en ‘zij’ die met regelmaat
verschijnen in toespraken van Amerikaanse politieke leiders, worden veel
discreter gebruikt in de retoriek in Nederland. Voor de Amerikanen hebben het
goede en het kwade in de wereld meestal een persoonlijke bewerker; zelfs het
falen met betrekking tot het ‘verslaan’ van kanker is toe
te schrijven aan menselijke fouten. Nederlanders maken veel minder gebruik van
deze retoriek. Dit kan gedeeltelijk worden geweten aan de bescheidenheid die
door de Nederlanders tot een nationale deugd is verheven. Maar er zijn nog meer
verklaringen voor deze ‘historistische’ denkwijze.
Door de geschiedenis heen heeft het calvinisme een belangrijke rol gespeeld in
het religieuze en politieke klimaat van Nederland. Calvinisten hadden oog voor
Gods hand in de geschiedenis; al het menselijk streven om deze goddelijke
handelwijze te stuiten was zinloos, want de geschie- | | | | denis ontvouwde
Gods plan. Nederlandse calvinisten geloofden dat een rechtvaardige en machtige
God de ordening van de Nederlandse maatschappij niet onberoerd liet bij het
volvoeren van Zijn voornemen de geschiedenis. Van de zestiende tot de twintigste
eeuw leefde in de Nederlandse calvinistische theologie een sterk besef dat in de
geschiedenis de goddelijke wil over de menselijke begeerte zegeviert. In weerwil
van calvinisten als Isaac da Costa (1798-1860), die een reactionaire arkeer van
de ‘geest der eeuw’ ontwikkelden, waren de meeste
calvinisten de overtuiging toegedaan dat de wereld zich ontwikkelde langs de
lijnen van een door God uitgestippeld plan. Toen de gereformeerden aan het eind
van de negentiende eeuw op het politieke toneel verschenen, gaven zij wel blijk
van hun affiniteit met conservatieve politieke bewegingen, maar zij hebben nooit
op eenzelfde wijze steun verleend aan ‘traditie’ en de
status quo. Kuyper was een man die een groot verlangen had om op de hoogte te
blijven van de nieuwste ontwikkelingen29, en zijn antirevolutionaire mannenbroeders - die in 1879 in
Nederland de eerste moderne politieke partij vormden - waren over het algemeen
mannen uit de middenstand die het ‘modernisme’ met moderne
methoden wilden aanpakken. Ze wilden dus niet terugkeren naar het tijdperk van
vóór de gehate Franse Revolutie.
Naast de calvinistische theologie had ook het Duitse idealistische en romantische
gedachtengoed in zowel de negentiende als de twintigste eeuw veel invloed op de
Nederlandse bestuurders. De aanhangers van dit gedachtengoed hielden zich aan
een historistische Weltanschauung; aan de opvatting dat
geschiedenis ontwikkeling, ontplooiing en beweging betekent, gestuurd door een
Kracht of krachten onafhankelijk van menselijk handelen. Een andere romantische
notie die in de Nederlandse cultuur doordrong, is de vergelijking van de
maatschappij met een ‘organisme’, dat groeit en zich
ontwikkelt volgens een eigen wetmatigheid. Nederlanders maken nog steeds gebruik
van organische uitdrukkingen als ‘de samenleving ontwikkelt
zich’.30 De menselijke wil is
niet onbelangrijk, maar is begrensd en ingegeven door de
‘ontwikkeling’ van de samenleving.
De beperkte macht van de Nederlandse elites was een derde factor die een zeker
historisme versterkte. Nederlandse voormannen werden vaak geconfronteerd met
internationale ontwikkelingen waarop zij weinig greep hadden. Voor de leiders
van een klein land lag het ontlopen van gevaar in het ontcijferen van
‘het schrift op de wand’31 en het aanpassen aan onvermijdelijke ontwikkelingen.
Bovendien waren Nederlandse elites nauwelijks in staat tot machtsvertoon in een
verdeeld land waar geen | | | | politieke of godsdienstige stroming een
meerderheid kon bereiken. Het boek van Theun de Vries over de zeventiende eeuwse
staatsman Oldenbarneveldt, zowel voor als na de oorlog veel gelezen, is in dit
opzicht illustratief:
‘Oldenbarneveldt heeft de rol vervuld, die de omstandigheden
hem hebben toebedeeld. Hij heeft ze dóór willen spelen,
ook toen zijn werk voltooid kon worden genoemd. Hij heeft de geschiedenis van
zijn volk veertig jaar helpen drijven, om toch eindelijk zelf door haar te
worden gedreven. Nieuwe omstandigheden, een nieuwe koers hebben hem meegesleurd,
tot bij de beheersching over het stuur van wereld en ik verloor. Niet Maurits,
niet zijn persoonlijke vijanden, hebben hem in de eerste plaats doen vallen,
maar de omstandigheden, wier werktuig hij eenmaal geweest was, en waarvan hij
niet wilde erkennen, dat hij haar gunst verloren had.’32
Deze gevoeligheid voor de ‘onvermijdelijke’ wegen van de
geschiedenis heeft geleid tot welhaast komische reacties in crisissituaties.
Koning Willem II (1840-1852) werd naar eigen zeggen in één
nacht van conservatief plotseling liberaal toen een revolutie dreigde die
uiteindelijk nooit plaatsvond. Op eenzelfde wijze zette koningin Wilhelmina, in
‘opdracht’ van de tijd, vanaf november 1918 verstrekkende
arbeidshervormingen in gang, nadat de socialistische leider Troelstra een
revolutionaire toon had aangeslagen. Toen de burgemeester van Rotterdam ervan
overtuigd was dat de Duitse revolutie niet zou stoppen bij de grens, gaf hij het
beheer van de stad in handen van de sociaal-democraten. En in 1940 schreef de
voormalige premier Hendrik Colijn in het tegenwoordig beruchte pamflet Op de grens van twee werelden, dat de Duitse overheersing een
historische ontwikkeling was waarmee de Europeanen moesten leren leven.
De moloch van de geschiedenis was na de Tweede Wereldoorlog nog duidelijker
aanwezig. De oorlog had op de Nederlanders de indruk nagelaten dat zij zich
moesten onderwerpen aan een nieuwe politieke constellatie en niet de rampzalige
koers van neutraliteit blijven volgen. Waren politici voorheen tegen
handelsblokken, na de oorlog voelden Nederlandse politici zich gedwongen de
Europese economische integratie te steunen. Veel Nederlanders hadden zich verzet
tegen de dekolonisatie van Indonesië en Nieuw-Guinea, maar ook dit
bleken ontwikkelingen te zijn waaraan ze moesten toegeven. Nederlandse elites
geloofden dat Nederland door de ‘modernisering’ aan het
veranderen was en dat deze verandering absoluut noodzakelijk was. De elites
lieten zich na de oorlog informeren door modernisatie-theoretici zoals Mannheim
en Shils, die het sociale en economische proces leken te beschrijven waar het
‘ouder- | | | | wetse’ Nederland doorheen moest.
Nederlandse elites uit de jaren vijftig koesterden goede hoop dat deze nieuwe
krachten beheerst konden worden, maar stonden toch versteld van de grote
veranderingen die de modernisering bewerkstelligde, en onderkenden tevens dat de
levensvatbaarheid van traditionele overtuigingen door deze krachten werd
ondermijnd. Er waren dus veel ‘historische ontwikkelingen’
die de Nederlandse elites imponeerden door hun onverbiddelijkheid en hen
overtuigden van hun beperkte macht. De waarschuwing van Sir Isaiah Berlin in
1953 tegen het ‘sociale determinisme’ van de
‘historistische onvermijdelijkheid’ kon speciaal zijn
bedoeld voor de Nederlandse elites.33 ‘Je kan niet - nee, je mag niet - tegen de rijd
ingaan’, zei een D66-politicus onlangs tegen de CDA-ideoloog Arie
Oostlander34, en deze uitspraak geeft het heersende denkpatroon goed
weer.
Ten slotte vervulde het historisme een belangrijke ideologische functie in de
‘pacificatiepolitiek’. Voor elites met zeer uiteenlopende
overtuigingen werd ‘de hand van de geschiedenis’ met haar
ogenschijnlijk onmiskenbare aanwijzingen een basis waarop consensus-beleid kon
worden ontworpen. Weliswaar was niet iedereen het eens over de richting waarin
de hand wees, maar al zoekend naar een gemeenschappelijke overtuiging leken
pragmatische concessies aan het onvermijdelijke een goede manier om beleid vast
te stellen. In bescheiden en voorzichtige vernieuwing konden alle partijen zich
vinden - een beleid dat rampen zou voorkomen. De burgemeester van Hilversum
J.J.G. Boot herinnerde zijn collega's in 1967 er aan dat ‘het beste
middel om gezagscrisis en revolutie te voorkomen is: goed progressieve leiding
geven’.35
Dit respect voor het ‘natuurlijk’ verloop van de
geschiedenis had een tweeledig effect. Aan de ene kant ontstond een retoriek van
‘bij de tijd zijn’, waardoor bepaalde anachronismen een
snelle dood stierven. Von der Dunk en Ernest Zahn hebben er op gewezen dat in de
Nederlandse politieke cultuur een openlijk ‘conservatief’
alternatief voor politieke en sociale kwesties lange tijd ontbrak. Daardoor werd
een eenzijdig ‘progressief’ spectrum gecreëerd
en viel onverholen steun voor de status quo min of meer weg uit de politieke
retoriek. Von der Dunk merkte op dat de term
‘conservatief’ als zelfbeschrijving in de laatste decennia
van de negentiende eeuw verdween. Zij werd een vies etiket dat politici alleen
nog plakten op hun tegenstanders.36 Von der Dunk ontkent niet dat de godsdienstige partijen in
werkelijkheid de sociale en economische status quo verdedigden. Dat deden zij
overigens vooral in de periode tussen de beide wereldoorlogen. Nederland werd
een land van ‘anoniem conservatisme’, waar openlijke
steunbetuigingen aan de status quo voor het | | | | grootste deel tot
zwijgen waren gebracht. Dit onevenwichtige retorisch bouwwerk werd na de Tweede
Wereldoorlog verder versterkt. ‘Rechts’ - een benaming
waar vele confessionele politici zich tot 1940 graag mee sierden - werd
sindsdien beschouwd als nog verfoeilijker dan
‘conservatief’.37
Aan de andere kant zijn Nederlandse elites nauwelijks bedeeld met profetische
gaven en waren ze hun tijd zelden vooruit. Hun verbazing over de politieke
conflicten van de jaren zestig is daarvan een duidelijk bewijs. Han Lammers, die
binnen de PvdA al snel één van de kopstukken in de Nieuw
Links-beweging werd, schreef in maart 1965 tamelijk nuchter over de
vooruitzichten van politieke vernieuwing en de passieve houding van de politici
in Den Haag: ‘De tijd, zo schijnt het motto te zijn, heeft zijn loop,
en wij wandelen wel mee’.38 Gertjan Dijkink
merkte op dat vooral de Nederlandse politici door de tijdgeest opgezweept leken
te worden. Volgens hem gaven ze onevenredig veel aandacht aan crises van het
moment, maar vergaten vrijwel al deze kwesties binnen een paar jaar weer.39
Nederlandse elites reageerden, maar kwamen zelf nauwelijks met
gedurfde initiatieven tot veranderingen.
Door een reeks naoorlogse ontwikkelingen werden deze behoedzame elites echter
veranderd in brengers van vernieuwing. In de rond hen razendsnel veranderende
wereld kon de orde naar hun mening alleen worden gehandhaafd door aanpassing. Zo
overtuigden politieke, religieuze en andere culturele elites elkaar ervan dat
het juist en noodzakelijk was te breken met vroeger beleid. Om het evenwicht te
bewaren moesten veel vernieuwingen worden doorgevoerd. Deze conclusie werd noch
meteen na 1940, noch door iedereen getrokken, maar was wel wijdverspreid en
kreeg steeds meer invloed onder beleidmakers van de jaren veertig tot en met de
jaren zestig. Deze aanpassende houding werd eerst zichtbaar binnen het
sociaal-economisch en het buitenlands beleid, en later in de religieuze,
culturele en politieke concessies die werden gedaan toen in de jaren zestig de
protesten oplaaiden. In plaats van weerstand te bieden neigden de elites deze
ontwikkelingen te interpreteren als tekenen van de veranderende tijden, waaraan
ze moesten toegeven. Met de actieve demonstranten aan de ene kant en
accommoderende historisten aan de andere, schoof de Nederlandse politieke
cultuur tijdens de jaren zestig naar links.
De bovengenoemde factoren maken duidelijk waarom gedurende de jaren zestig een
doeltreffende conservatieve retoriek vrijwel afwezig was; er waren geen
pleidooien voor de handhaving van de status quo, noch voor de terugkeer naar een
voormalig roemrijk tijdperk. Weliswaar werd | | | | wel tegengestribbeld
door De Telegraaf, door de afgevaardigden van de
gemarginaliseerde Boerenpartij en door de kleine, orthodox-calvinistische
kerken. Maar deze protesten waren in de Nederlandse politieke cultuur van
marginale betekenis, en werden door de Nederlandse elites veroordeeld als
onredelijke en ongemanierde reacties op de veranderende tijden. In plaats
daarvan stimuleerden de elites de openbare retoriek die de jaren zestig
domineerde: de retoriek van de vernieuwing. De strekking hiervan kan in zeer
algemene termen worden weergegeven als: ‘wat was is voorbij, en dat
is maar goed ook’. De elites die verouderde instellingen
vertegenwoordigden voelden zich evenzeer verplicht om deze taal te gebruiken als
hun jongere, meer radicale, opponenten. Deze vernieuwingsretoriek - die geen
vaststaande inhoud had - verenigde verschillende ideologische partijen die
verder weinig met elkaar gemeen hadden: culturele pessimisten, kerkelijke
hervormers, politieke pragmatici en (later) actievoerders. Zowel de elites in de
jaren vijftig als Nieuw Links in de jaren zestig maakten deel uit van een
politieke cultuur waarin openlijk verzet tegen verandering feitelijk onmogelijk
was geworden. Wel waagden provo's en radicale studenten zich op paden die
niemand in de jaren zestig had kunnen bevroeden. Maar de jonge radicalen van de
late jaren zestig waren tegelijkertijd de erfgenamen van een vernieuwingsgezinde
politieke cultuur die al jaren had bestaan en die genegen was hun aanzienlijke
macht en invloed te verlenen.
Het is ironisch dat de ‘culturele revolutie’ van de jaren
zestig werd vergemakkelijkt, gestuurd en zelfs aangemoedigd door gematigde en in
wezen ouderwetse elites.40 Ik denk niet dat Zahn volkomen gelijk heeft als hij de
elites bijzonder ‘progressief’ noemt; in veel opzichten
bleven ze in hun werkwijze tamelijk gebonden aan de traditie.41 Het zou dus niet juist zijn te veronderstellen dat
deze elites werkelijk van plan waren de oogst binnen te halen
van wat ze hadden gezaaid. Maar toch waren zij wel degelijk de zaaiers. Deze
groep heeft, juist omdat ze conservatief was (een
historistische kijk had op verandering) en juist omdat ze elitair was (niet geïnteresseerd in het creëren van
een reactionair populisme) meegewerkt aan de grote verandering. Alhoewel deze
elites vaker op veranderingen reageerden dan dat ze deze bewerkstelligden,
toonden ze zich niettemin onmisbaar in de omvangrijke vernieuwingen van de jaren
zestig. ‘Het geheim van die tijd was dat we Provo hadden’,
zei de journalist Rinus Ferdinandusse in 1993, toen hij de blijvende verzotheid
van veel moderne ‘rebellen’ voor de magische tegencultuur
van de jaren zestig overdacht.42 Het zou juister zijn geweest te
zeggen dat het ‘geheim’ lag in de conservatieve en
oligarchische elites die, om zowel ideologische als pragmatische rede- | | | | nen, bereid waren zich aan te passen aan aanzienlijke sociale en culturele
veranderingen.
Het is deze aanpassingsgezindheid die de jaren zestig in Nederland anders maakte.
In de meeste opzichten verschilden de sociale en economische ontwikkelingen in
Nederland nauwelijks van de ontwikkelingen in andere Westeuropese landen. Elke
trend die als karakteristiek gold voor de jaren zestig, van jeugdculturen tot
ongekende welvaart, was ook in Nederland duidelijk zichtbaar. Slechts in het
plotselinge verval van de eens zo invloedrijke kerken verschilde Nederland van
bij voorbeeld België en West-Duitsland. Zelfs de openheid van de
gevestigde politici was niet een specifiek Nederlands verschijnsel, veel
vooraanstaande Amerikaanse progressieven waren ook ontvankelijk voor de
culturele veranderingen in de jaren zestig. Waarin Nederland wel verschilde van
andere landen, dat is de afkeer van de Nederlandse autoriteiten voor conflicten
en geweld, gekoppeld aan de overtuiging dat het beter is de onvermijdelijke
stroom ‘moderne’ ontwikkelingen te kanaliseren dan die te
stuiten. Deze zienswijze werd niet alleen gedeeld door de
‘progressieve’ leiders, maar evenzeer door de
‘conservatieve’. Er was noch heldenmoed, noch tragiek in
het spel; de Nederlandse autoriteiten misten niet alleen de mogelijkheid, maar
vooral ook het inzicht en de wil om weerstand te bieden dezelfde ontwikkelingen
waartegen hun collega's in andere landen zich wel zouden verzetten.
In de uitwerking van dit gezichtspunt richt hoofdstuk 1 zich op de opvattingen
van de gematigde elites in de jaren veertig en vijftig, in het bijzonder op hun
kijk op het verleden en de toekomst. ‘Modernisering’
speelt hierbij een centrale rol. Hoofdstuk 2 richt zich op de veranderingen in
de Nederlandse nationale identiteit en het buitenlands beleid gedurende de jaren
zestig; voornamelijk op ontwikkelingshulp als
‘postkoloniale’ ideologie, op de verschuiving van
‘betrouwbare bondgenoot’ naar
‘wereldburger’ en op de crisis rond traditionele nationale
symbolen. Hoofdstuk 3 bestudeert religie en moraal, met speciale aandacht voor
de eschatologische verwachtingen in kerken. Hoofdstuk 4 onderzoekt het
zogenaamde ‘hart’ van de jaren zestig: de in Amsterdam
geconcentreerde tegencultuur; waaronder de actievoerende schrijvers, dichters,
provo's, onconventionele intellectuelen en redacteuren, en de snelle aanvaarding
van hun veelbesproken ideeën. Hoofdstuk 5 richt zich op de
burgerlijke autoriteiten, met speciale nadruk op, ten eerste, de Amsterdamse
rellen in 1966 die de vastberadenheid van de Nederlandse autoriteiten diep
schokte, en op, ten tweede, de vele malen dat werd opgeroepen tot een
vernieuwing van de politie, de universiteiten en de gemeentelijke overheid.
Hoofdstuk 6 | | | | bestudeert de veelgehoorde roep om politieke
hervorming, na 1966 voortgekomen uit de politieke discussies die begin jaren
zestig in de grote partijen hadden plaatsgevonden. Hoofdstuk 7, de conclusie, is
een evaluatie van de jaren zeventig en tachtig in Nederland en geeft aan hoe
door gebrek aan behoudend en ‘herstellend’ conservatisme
de Nederlandse reactie op de jaren zestig afwijkt van die in de Verenigde
Staten.
Als Amerikaan ben ik bijzonder geboeid door de snelle verandering van het
culturele klimaat in Nederland. Het wekt verwondering dat in deze samenleving,
die in veel opzichten toch behoedzamer en conservatiever is dan de Amerikaanse,
meer vrijheid bestaat. De manier waarop gezagdragers zijn omgegaan met deze
culturele verandering dwingt respect af: de veranderingen vonden plaats zonder
veel geweld en hebben een aantal positieve ontwikkelingen tot gevolg gehad. Maar
dit boek zal daarnaast een politieke cultuur aan het licht brengen waarin
Nederlandse gezagdragers ten prooi vielen aan clichés als
‘modernisering’ en
‘bij-de-tijd-zijn’. De pragmatische aanpassing aan de
‘veranderende tijden’ heeft ook slappe meegaandheid
veroorzaakt en veel Nederlanders gedwongen met de tijd mee te gaan. De jaren
zestig in Nederland blijven voor mij dus zowel een inspiratiebron als een
waarschuwing.
|
1Hendrik Kraemer, Op welken grondslag? Een woord tot het Nederlandsche volk
(Amsterdam: Vrij Nederland, 1945), 31.
2Haags Gemeentemuseum, Constant (Den Haag: Gemeentemuseum, 1965), vooral H. van Haaren,
‘De uitdaging van New-Babylon’, 9-12.
3Constant, ‘Opkomst en ondergang van de avant-garde’,
Randstad, 8 (1964), 11-48.
4J.L. Locher, New Babylon
(Den Haag: Gemeentemuseum, 1974), 12, catalogus van de tentoonstelling van
Constants werken in 1974.
5Constants
kijk op spel was beïnvloed door de Franse lettristes, die op hun beurt waren beïnvloed door de
vertaling uit 1951 van Homo ludens (1938) door Johan
Huizinga, een boek waarin spel een onontbeerlijk kenmerk van beschaving
wordt genoemd (Locher, New Babylon, 9-10). Maar Constant
verwierp (evenals de lettristes) het onderscheid dat
Huizinga maakte tussen spel en ernst; spel behoort niet een onderdeel van
het leven te zijn, maar het leven zelf; zie Constant,
‘New-Babylon’, Randstad, 2 (1962),
133.
6Constant,
‘New-Babylon’, 130-134; Constant, ‘New
Babylon’, Provo, 4, 28 oktober 1965, 3.
7Locher, New
Babylon, 16.
8Paul Donker Duyvis,
‘New Babylon: speelmodel voor een nieuwe
maatschappij’, in Wim A.L. Beeren, e.a., Actie,
werkelijkheid en fictie in de kunst van de jaren '60 in Nederland
(Rotterdam/Den Haag: Museum Boymans-van Beuningen/Staatsuitgeverij, 1979),
170; zie bij voorbeeld Constant New Babylon (Keulen:
Volkshochschule Köln, 1966).
9Duyvis, ‘New
Babylon’, 169-170.
10Opmerkelijk is de
grote aandacht in Provo, 4, 1-11; zie ook de bevlogenheid
van provo Roel van Duijn in Miss Blanche en de Van
Moppesdiamanten: Een moralisties manifest (Amsterdam: Unit [1967]),
8, waar Van Duijn New Babylon beschrijft als een plaats
waar de gewone man een Christus of Socrates kan worden. Toch was New Babylon nooit een hoofdbestanddeel van het
provoprogramma; voor deze praktische anarchisten was het allemaal te
theoretisch. Bovendien druiste Constants waardering voor technologie in
tegen de groeiende primitivistische impulsen binnen de provobeweging, en
Constant vervreemdde al snel van de provo's.
11Sommige verhandelingen
besteden weinig aandacht aan de rol van deze elites; zie bij voorbeeld De zestiger en zeventiger jaren: Beweging een
tegenbeweging (Amersfoort: De Horstink, 1977); W.S.P. Fortuyn, De zestiger jaren: Een wonderkind of total loss?
(Groningen: Boek Werk/W.S.P. Fortuyn, 1988).
12Ronald Inglehart
geïnterviewd in ‘De omwenteling naar het
post-materialisme’, NRC Handelsblad, 29 juni
1991.
13Uit Alfred von
Stadens bekende boek Een trouwe bondgenoot: Nederland en het
Atlantisch Bondgenootschap (1960-1971) (Baarn: Anthos,
1974).
14J.E. Ellemers,
‘The Netherlands in the Sixties and Seventies’, The Netherlands Journal of Sociology, 17, 2 (oktober
1981), 113-135.
15Walter Laqueur, ‘Hollanditis: A
new stage in international neutralism’, Commentary, augustus 1981, 19-28.
16Vertaling:
‘Nederlanders zijn niet langer saai’. H.W. von der
Dunk, ‘Conservatisme in naoorlogs Nederland’, Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der
Nederlanden, 90 (1975), 37; geciteerd in Henry Faas, God, Nederland en de franje: Necrologie van het Nederlandse
partijwezen (Utrecht/Antwerpen: Bruna, 1967), 135.
17Nico Wilterdink, ‘De woelige
jaren zestig’. Maatstaf, 25 (1977), 1,
52-60.
18Arend Lijphart,
The politics of accommodation: Pluralism and democracy in
the Netherlands (Berkeley/Los Angeles/Londen: University of
California Press, 1975); zie voor een recent referaat van Daalder
‘Ancient and modern pluralism in the Nederlands’,
‘Erasmus Lectures’ van 1989 aan de Universiteit van
Harvard, working paper 22 (Cambridge: Minza de Gunzburg Center for European
Studies [1990]). Lijphart heeft betoogd dat verzuiling een twintigste-eeuwse
oplossing was voor een twintigste-eeuwse crisis; Daalder beweert dat
verzuiling geworteld is in het pluralisme van voorgaande eeuwen. De laatste
jaren is Lijphart dichter bij het standpunt van Daalder gekomen.
19‘Institutionalized pluralism’ is de definitie van
‘verzuiling’ volgens Eric Bax, Modernization and cleavage in Dutch society (Aldershot: Avebury,
1990), 3.
20Zie Hans Righart, De katholieke
zuil in Europa: Het ontstaan van verzuiling onder katholieken in
Oostenrijk, Zwitserland, België en Nederland
(Meppel/Amsterdam: Boom, 1986).
21De klassieker over
de verzuiling is nog steeds J.C.H. Blom en C.J. Misset, (red.), ‘Broeders sluit u aan’: Aspecten van de
verzuiling in zeven Hollandse gemeenten (Amsterdam, 1985).
22S.W. Couwenberg, In opdracht van de tijd: Terugblik
op 40 jaar intellectueel en maatschappelijk engagement (Kampen: Kok
Agora, 1992), 44.
23Herbert Marcuse, One dimensional man:
Studies in the ideology of advanced industrial society (Londen:
Routledge and Kegan Paul, 1964).
24Albert O. Hirschman gaat in zijn boek The
rhetoric of reaction: Perversity, futility, jeopardy
(Cambridge/Londen: Belknap, 1991) uit van een bipolair politiek stelsel
waarin de ‘conservatieven’ gebruik maken van een
‘reactionaire retoriek’. Ik denk dat het zorgvuldiger
is om onderscheid te maken tussen conservatieven en reactionairen, tussen
hen die open staan voor beperkte veranderingen en hen die zich verzetten
tegen elke werkelijke verandering.
25Zie Hans Daalder, ‘The
Netherlands: Universities between the “New Democracy”
and the “New Management”’, in Hans Daalder
en Edward Shils, (red.), Universities, politicians and
bureaucrats: Europe and the United States (Cambridge: Cambridge
University Press, 1982), 173-231.
26De sleutelrol van de jongere
‘tweede elites’ wordt verondersteld in J.E. Ellemers'
‘The Netherlands in the Sixties and Seventies’.
27Rob Tielman
veronderstelt dat verzuiling de homo-emancipatie vergemakkelijkte in
Nederland; zie Homoseksualiteit in Nederland: Studie van een
emancipatiebeweging (Meppel: Boom, 1982).
28Zie bij voorbeeld I. Gadourek,
Social change as redefinition of roles: A study of causal
relationships in the Netherlands of the
‘Seventies’ (Assen: Van Gorcum, 1982).
29G.P. Hartvelt,
Omgaan met het verleden (Kampen: J.H. Kok, 1981),
180.
30Zie voor de rol van organische
begrippen in de christen-democratische ideologie, J.A.A. van Doorn,
‘Schets van de Nederlandse politieke traditie’, in
J.W. de Beus, J.A.A. van Doorn en Percy B. Lehning, De
ideologische driehoek: Nederlandse politiek in historisch
perspectief (Meppel: Boom, 1989), 46-55.
31Zie
Daniël 5 waar koning Belsazar van Babel tijdens een feestmaal
ziet dat een hand verschijnt en op de wand van de feestzaal schrijft:
‘Mene, mene, tekel, ufarsin’. De joodse profeet
Daniël is de enige die het schrift kan ontcijferen: God kondigde
het einde van het oude Babylon aan - de macht van de koning zou worden
gebroken.
32Theun de Vries, Oldenbarneveldt (Den Haag:
H.P. Leopold, 1937), 4-5. De historicus Pieter Geyl had overigens een grote
hekel aan dit boek, evenals aan het historistische determinisme van
Toynbee.
33Isaiah Berlin, Historical inevitability (Londen: Oxford University Press,
1954).
34Arie M. Oostlander in een rede gehouden
voor de Vereniging van Christen-Historici, Utrecht, 25
april 1993.
35J.J.G. Boot, Hedendaagse gezagshandhaving (Alphen aan den Rijn: Samsom, 1968),
19.
36H.W. von der Dunk,
‘Het land van het anonieme conservatisme’. Ons erfdeel, 24 (1981), 2, 165-174; Ernest Zahn, Regenten, rebellen en reformatoren: Een visie op Nederland en
de Nederlanders (Amsterdam: Contact, 1991), 19; A. Felling, J.
Peters, ‘Conservatism: A Multidimensional Concept’,
The Netherlands Journal of Sociology, 22 (1986),
36-60.
37Von der Dunk,
‘Het land van het anonieme conservatisme’, 168-169. De
verwerping van ‘rechts’ als benaming was onderdeel van
een breder Europees patroon, getuige de opening van het eerste Europese
parlement in Straatsburgin 1958 waar delegaties elkaar verdrongen om maar
niet aan de rechterzijde van de kamer te zitten. Maar voor Nederlanders, met
hun reeds gespannen retoriek, leidde het in opspraak zijn van extreem-rechts
tot de bijna volledige verdwijning van de
‘conservatieve’ retoriek na de oorlog.
38Han Lammers,
Hinderlijk volgen. Kronieken uit de Gids, '63-'66
(Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1966), 100-101.
39Gertjan Dijkink, Beleidenissen: Politieke en
ambtelijke cultuur in Nederland (Groningen: Styx, 1990).
40‘De vernieuwing was
het werk van oude mannen’, zei journalist Jan Blokker in
‘De vernieuwing was het werk van oude mannen’, NRC, 18 juni 1991. Blokker had de stichters van de
piratenzender Veronica en de aanvoerder van de boerenrellen tegen de
overheid in het begin van de jaren zestig in gedachten, allen van middelbare
leeftijd. Ik denk dat deze bewering een grotere reikwijdte heeft en ook
geldt voor de politici die op dat moment tegenover Veronica en de boeren
stonden.
41Zie de bevindingen van Samuel J. Eldersveld, Jan Kooiman en Theo
van der Tak, Elite images of Dutch politics: Accomodation and
conflict (Ann Arbor/Den Haag: University of Michigan Press/Martinus
Nijhoff, 1981).
42Rinus Ferdinandusse,
geïnterviewd in James Kennedy en Mirjam Prenger, ‘De
jaren zestig in Nederland’, Historisch
Nieuwsblad, 2 (1993), 2, 29.
|
|