|
|
|
| |
| | | |
1 Morgen zal alles anders zijn: wederopbouw in Nederland
‘De lucht weergalmt van leuzen: alles moet vernieuwd worden,
schijnen velen te menen; de oude generatie en haar wijsheid hebben afgedaan.
Soms lijkt het wel, alsof men oordeelt dat de katastrophes die over ons gekomen
zijn, niet het werk waren van Hitler en zijn legers, maar alsof wijzelf er de
schuld van dragen, alsof cultuur en samenleving in het Nederland van
vóór Mei 1940 door en door rot waren, alsof alleen van
nieuwe mannen, een nieuwe generatie, die geheel nieuwe wegen zou inslaan,
redding kon komen.’ - Historicus Pieter Geyl, 19451
Omstreeks een uur voor middernacht op de avond van de tiende november 1961
stormden tien gemaskerde jongeren het huis van Maarte S. binnen. Zij was een
vijfenveertig jaar oude inwoonster van Staphorst. De vrouw werd uit haar
slaapkamer gesleurd en op een kar gezet. Vervolgens werd de timmerman Derk T.
ontvoerd uit een café in Meppel en gedwongen haar te vergezellen.
Omringd door honderden joelende dorpelingen ging het paar in optocht door
Staphorst, beschenen door autolampen en winkelverlichting. ‘Overspel,
overspel’ klonken de kreten van de toeschouwers, terwijl de jongeren
de kar acht kilometer rond Staphorst voortduwden. Vroeg in de ochtend, toen de
dorpelingen het paar in een sloot wilden gooien, beloofden de beide
‘schuldigen’ nooit meer met elkaar te zullen spreken. Derk
T. werd vrijgelaten en Maarte S. werd onder begeleiding van verschillende
jongeren teruggebracht naar huis.2
De Staphorsters sloegen met dit veertiende-eeuwse gebruik twee vliegen in
één klap. Zo drukten ze hun medegevoel uit voor de
gedeprimeerde man van Maarte, die door zijn vrouw was verlaten, en
tegelijkertijd werden twee ontrouwe echtgenoten gestraft én weer in
ere hersteld.3 Voor de jongeren die het plan hadden beraamd
betekende het gebeuren een afwisseling van het saaie provinciale bestaan. Maar
veel fatsoenlijke mensen buiten Staphorst werden woedend toen ze hoorden van
deze ‘Staphorster affaire’. Het geïsoleerde
Staphorst met zijn bijna surrealistische traditionalisme werd alom beschouwd als
een nationale eigenaardig- | | | | heid en is nog steeds een metafoor voor
‘achterlijkheid’ op allerlei gebied.4 Elke
zonderlinge gebeurtenis in Staphorst kon daarom op brede belangstelling van de
pers rekenen, en de ‘Staphorster affaire’ hield de
gemoederen, geruime tijd bezig. Waarom was er geen politie aanwezig om de twee
inwoners te beschermen tegen de uitzinnige menigte? Dit verval tot wetteloosheid
leek op de ‘lynchings’ in het Amerikaanse zuiden. Anderen
walgden van de huichelarij die in deze affaire naar voren kwam en schreven
verontwaardigd brieven aan de redacties van kranten waarin zij de terechtwijzing
van Jezus citeerden: ‘Wie van u zonder zonde is, werpe de eerste
steen’, verwijzend naar de in hun ogen farizeese Staphorsters.
Belangrijker dan de gebruiken in Staphorst en de verontwaardigde reacties op dit
volksgericht waren de publieke reacties van hen die gealarmeerd wezen op de
onuitroeibaarheid van deze achterhaalde praktijken. In de Nederlandse kranten
constateerden zij vol verbazing het bestaan van
‘heksenjachten’ met een
‘middeleeuws’ karakter, in een land dat volksgerichten
toch al lange tijd achter zich had gelaten.5 De burgemeester van Staphorst verzekerde de pers
gegeneerd dat deze recente ontwikkeling een ‘stap
achteruit’ was voor zijn gemeente, maar dat de strijd om de
‘achterstand’ in te halen en de twintigste eeuw binnen te
treden al geruime tijd was begonnen. Volgens hem was een groot deel van de
weerstand tegen het moderne leven al verdwenen, waren veel barbaarse praktijken
overboord gegooid en was in Staphorst een ‘stijgende lijn’
naar de moderniteit zichtbaar.6
Dat Staphorst langzaam maar zeker vooruit kwam was een schrale troost voor de
andere Nederlanders, die zich bewust waren van de aandacht die het dorp in de
buitenlandse pers had gekregen. Door zowel de omvang als de inhoud van deze
artikelen leek heel Nederland zo primitief als Staphorst.7 Volgens het
liberale dagblad De Nieuwe Rotterdamse Courant (NRC) van
november 1961 leefde in het buitenland een vertekend beeld van Nederland; bij
onderzoeken in West-Duitsland en Amerika bleek Nederland als moderne
maatschappij vrijwel onbekend. Voor de Duitsers was het een ‘gut
bürgerliches’ en overwegend agrarisch land, waarvan de
degelijke en vertrouwenwekkende bevolking niet in staat werd geacht zich met
moderne, technische projecten bezig te houden. De Amerikaanse beeldvorming was
volgens het onderzoek niet veel beter: de Nederlanders waren een schoon en
‘ouderwets’ volk, wonend in een pittoresk land waarin
dijken, windmolens en tulpen het landschap bepaalden.8 De journalist R.H. Shackford had al in 1959 geconcludeerd dat
het beeld van Nederland als een rustig land, met boeren en klompen in de
hoofdrol, minstens vijfentwintig jaar achterliep. Volgens Shackford was | | | | het land bekwaam in industrie, handel en scheepvaart.9 Maar blijkbaar werden zijn standpunten niet door
iedereen gedeeld. Hoewel deze ‘mythe van ouderwetsheid, die onze
moderniteit verhult’ stellig niet zonder commercieel nut was,
oordeelde de NRC dat het niet goed kon zijn voor de
Nederlandse industrie.10
Voor veel Nederlandse bestuurders bleefde bezorgdheid over het incident in
Staphorst, en de ‘mythe van ouderwetsheid’ in het
algemeen, niet beperkt tot de gevolgen voor de verkoop van
industriële produkten in het buitenland. Hun ongenoegen kwam ook
voort uit een gezamenlijk verlangen ‘modern’ te zijn, om
zichzelf en de wereld ervan te overtuigen dat Nederland geen achtergebleven
gebied was.11
De Nederlanders hadden zichzelf graag laten voorstaan op hun
‘vooruitstrevendheid’. Uit een opiniepeiling van 1949
bleek dat slechts één procent van de Nederlanders hun
eigen land ‘achterlijk’ vond. Het enige volk dat zij nog
progressiever achtten waren de Amerikanen (zevenenvijftig procent kwalificeerde
hen als zodanig).12 En de noodzaak tot verandering na de oorlog - het voormalige
beleid had geleid tot economische depressie en oorlog - had hen gesterkt in hun
overtuiging ‘bij de tijd’ te moeten zijn. In de jaren
vijftig geloofden veel Nederlandse politici, geestelijken, dagbladredacteuren en
andere vooraanstaanden dat zij op weg waren van een verouderd verleden (namelijk
de wereld van voor 1940) naar een moderne toekomst. In een land waar snelle
economische en sociale veranderingen met veel aandacht en instemming werden
gevolgd, werd de tegenstelling tussen een in toenemende mate
‘ouderwets’ verleden - waarvan Staphorst hét
symbool was - en een ‘moderne’ toekomst nog duidelijker
zichtbaar. Voor veel elites kon alleen pragmatisch, vooruitziend en bewust
‘modern’ beleid het kleine, kwetsbare en snel veranderende
landje in de goede richting sturen.
Hoewel de sociaal-economische modernisering in de jaren vijftig een
‘conservatief’ karakter leek te hebben, dat door de
vernieuwers in de jaren zestig werd verworpen, vormt deze periode toch een
belangrijke achtergrond om het gedrag van de vernieuwende elites in dejaren
zestig te kunnen begrijpen. In de jaren vijftig zouden veel Nederlandse elites
zich verzoenen met de in hun ogen onvermijdelijke moderniseringsprocessen, een
ervaring die velen van hen er toe zou brengen zich buigzamer op te stellen in de
verdergaande vernieuwing van de jaren zestig. Dit hoofdstuk toont aan hoe
Nederlandse elites zich in de jaren veertig en vijftig, soms met tegenzin en
soms met geestdrift, aanpasten aan de golf van nieuwe ontwikkelingen.
| |
| | | |
Het verlangen naar vernieuwing
Waarschijnlijk was Nederland, meer dan enig ander Europees land in de
twintigste eeuw, een samenleving die werd beheerst door godsdienstige
subculturen. In het begin van de twintigste eeuw had een
‘confessionele’ coalitie van één
katholieke en twee protestantse partijen zich meester gemaakt van het
landsbestuur en de destijds dominante liberalen verslagen. Zij voerden
staatssubsidies in voor christelijke scholen, een zaak waarvoor fel was
gestreden. Tussen 1918 en 1939 hadden deze
‘confessionele’ partijen het in Nederland grotendeels
voor het zeggen: tijdens de verkiezingen behaalden zij een consistente
meerderheid (tussen vijftig en zestig procent). Tegelijkertijd ontstonden en
stabiliseerden zich confessionele organisaties in de periode tussen de beide
wereldoorlogen. Orthodox-protestantse, katholieke en daarnaast ook
socialistische en liberale stromingen vormden hun eigen jeugdclubs,
omroepverenigingen, beroepsorganisaties en vele andere verbanden. Het
resultaat was de verzuiling van de Nederlandse
samenleving, waardoor het onderlinge contact tussen mensen van verschillende
godsdienstige of filosofische wereldbeschouwelijke richtingen beperkt bleef.
Deze ontwikkeling kon niet ieders goedkeuring wegdragen. De christelijke
‘antithese’ (scheiding op grond van
‘geloof’ en ‘ongeloof’) was de
liberalen een gruwel, zij wilden (althans in theorie) slechts
‘neutrale’ organisaties. Ook de sociaal-democraten met
hun klassebewustzijn verafschuwden dit onderscheid. Maar hun pogingen het
systeem omver te werpen bleven tot diep in de jaren dertig zonder succes.
Daarin kwam verandering toen de confessionele regering onder leiding van de
antirevolutionaire Hendrik Colijn het zwaar te verduren kreeg doordat ze
onmachtig bleek de economische nood te lenigen. Samen met de steeds groter
wordende politieke dreiging uit Duitsland, overtuigde de diepe economische
crisis (waarvan het dieptepunt in de winter van 1936 lag) vele Nederlandse
schrijvers, politici en geestelijken ervan dat slechts de
beëindiging van het laissez-faire-beleid van de confessionele
coalitie en het opheffen van de godsdienstige en politieke scheidslijnen het
land voor een ramp konden behoeden. In de zomer van 1939 trad daarom een
kabinet aan dat bestond uit leden van alle grote partijen.13 De meeste Nederlandse politici hadden dus al
vóór de oorlog (in elk geval symbolisch) gebroken met
het verleden en waren meer nadruk gaan leggen op politieke eenheid en
staatsinterventie.
De Nederlanders lieten hun ongenoegen over de vooroorlogse status quo nog
sterker blijken na de Duitse invasie in mei 1940. De Nederland- | | | |
sche Unie - het enige
legale alternatief naast de fascistische partijen - genoot bijzondere
populariteit door haar verwerping van nationale scheidslijnen.
Honderdduizenden sloten zich erbij aan. Het verbod op de Unie, eind 1941, maakte geen einde aan de gesprekken over de noodzaak
de maatschappij en de politiek na de oorlog radicaal te reorganiseren. Ook
Radio Oranje uit Londen beloofde een nieuwe start na de oorlog en niemand
was een groter voorstander van vernieuwing dan koningin Wilhelmina zelf.
Intussen schiep de noodzakelijke samenwerking tussen verzetsgroepen een
nieuw precedent. Samenwerking werd - zowel tijdens de oorlog als erna - een
belangrijk thema in illegale publikaties. De vooroorlogse politieke
organisatie was tekort geschoten, de ‘eischen van de komende
tijd’ zouden afwijken van de modus vivendi in
1940.14 Ook een aantal prominente vertegenwoordigers
van vooroorlogse elites die tijdens de oorlog als gijzelaar van de Duitsers
in het kamp Sint Michielsgestel bij 's-Hertogenbosch waren vastgezet, was
hiervan overtuigd. In Sint Michielsgestel formuleerden zij, onder hen de
eerste naoorlogse premier Willem Schermerhorn en de socialistische socioloog
en dominee Willem Banning, hun eigen ideeën over een nieuw
Nederland, bevrijd van de verdeeldheid van weleer.15 In de maanden direct volgend op het einde van de
oorlog werd Nederland overspoeld met boeken en pamfletten die de komst van
een nieuw tijdperk aankondigden. ‘De oude weg is
afgeloopen’, zei een vooraanstaand vernieuwer, de Groningse
theoloog Gerardus van der Leeuw.16 Wat hij en anderen hoofdzakelijk bedoelden was dat het
negentiende-eeuwse erfgoed van godsdienstige verdeeldheid en
klassenonderscheid een anachronisme was geworden. De socialistische,
katholieke en protestantse organisaties hadden hun (eens prijzenswaardige)
doelstellingen overleefd; hun doelen waren bereikt en hun tijd was voorbij.
De katholieke jurist W.P.J. Pompe deed een beroep op de Nederlanders om
daarom afstand te doen van godsdienstige en sociale scheidslijnen en te
streven naar nationale eenheid.17 De op vernieuwing gerichte
missioloog Hendrik Kraemer verwoordde het als volgt: ‘De tijden
zijn veranderd, en wij moeten mee veranderen, niet uit kameleontische
karakterloosheid, maar uit opmerkzaamheid voor de teekenen der
tijden’.18
Vele vernieuwers vonden elkaar na de oorlog in de Nederlandse Volksbeweging
(NVB), een organisatie die geen politieke partij was en nooit is geworden.
Bij de oprichting in mei 1945 waren veel voormalige gijzelaars betrokken. De
NVB verklaarde dat de tijd van het marxistische klassenonderscheid en de
christelijke ‘antithese’ voorbij was. Nederland had
een ‘doorbraak’ nodig in zijn politieke en sociale
ordening. Nieuwe tijden | | | | vereisten nieuwe oplossingen, en na de
oorlog vroeg ‘de tijd’ aan de Nederlanders om zich,
geïnspireerd door humanistische en christelijke bronnen, te
verenigen voor de wederopbouw van de natie.19 Dit NVB-manifest vond het meest systematisch uitdrukking in
de ideeën van de vrijzinnige protestanten dominee Banning en
professor Van der Leeuw (de eerste naoorlogse minister voor Onderwijs,
Kunsten en Cultuur). Zowel Van der Leeuw als Banning pleitte voor een
maatschappij gevestigd op een sterke moraal en ‘geestelijke
vernieuwing’.20
De ideeën van de elites uit de NVB zijn niet eenvoudig samen te
vatten. Recent geschiedkundig onderzoek heeft vraagtekens geplaatst bij de
ideologische homogeniteit van de NVB.21 Toch zijn de kerngroepen
binnen de NVB aanwijsbaar: gematigde sociaal-democraten, links - liberalen,
een aantal katholieke corporatisten (aanvankelijk) en vooraanstaande
protestanten, die ondanks hun onderlinge verschillen in theologisch opzicht
een gevoel van sociale verantwoordelijkheid gemeen hadden. Hun werk getuigde
van noblesse oblige, zij stelden hun leven in dienst van
hun getroffen land. Deze vernieuwingsgezinde elites verkondigden een vreemde
mengelmoes van ideeën in het licht van huidige waarden. Aan de
ene kant benadrukt recent onderzoek dat zij in moreel opzicht conservatief
waren, ervan overtuigd dat slechts een herstel van gemeenschappelijke
waarden, van nationale eenheid en van geestelijke kracht Nederland, en
eigenlijk heel het Westen, kon redden van nihilisme. Ongerust over de
vernietigende gevolgen van de oorlog op de moraal (waaronder de seksuele
moraal), maakten zij zich vooral zorgen over de negatieve gevolgen van de
oorlog op de jeugd. Over het algemeen waren de NVB'ers democraten die de
democratie wantrouwden. Enkelen bepleitten zelfs een reductie van de
parlementaire macht in plaats van een herstel.22 Aan de
andere kant, als voorstanders van meer overheidsinterventie in de economie
en de maatschappij, vonden zij zichzelf in sociaal en politiek opzicht
vooruitstrevend. De meesten stelden zich ten doel het oude politieke systeem
met confessionele partijen te vervangen door een in hun ogen effectiever en
zinvoller systeem, bestaande uit slechts één
‘progressieve’ partij (door henzelf te vormen) en
één ‘conservatieve’ partij. Het
dualisme van de vernieuwers kwam ook naar voren in de troonrede van 20
november 1945. Vooral vernieuwing was een begrip dat niet genegeerd kon
worden.
‘Het vergt beleid van hoog gehalte om eenerzijds de
waarde van oude zekerheden en tradities in volle kracht te bewaren en
anderzijds ruimte te laten voor een vernieuwing, die niet slechts historisch
noodzakelijk [!] is, doch ook de vrucht is van moreele bezinning in de jaren
der verdrukking (...) De nieuwe krachten, die | | | | gewekt zijn,
zullen zich blijven opdringen en winnen aan bewustheid en energie. Wij
hebben deze meer dan ooit van noode, nu wij gewikkeld zijn in een strijd van
even groote hevigheid en beteekenis als die der
oorlogsjaren...’23
Begin 1946 vormden de vernieuwers de Partij van de Arbeid (PvdA) om de
gewenste politieke ‘doorbraak’ te bewerkstelligen.
Daarin werden de vooroorlogse Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP),
de liberale Vrijzinnige Democratische Bond (VDB) en een klein aantal
vooraanstaande en ‘vooruitstrevende’
christen-democraten verenigd. De Christelijk-Historische Unie (CHU),
één van de twee grootste protestantse partijen, kreeg
het zwaar te verduren toen een aanzienlijk aantal vooraanstaande leden
overliep naar de PvdA. Banning was als voorzitter van het eerste
PvdA-partijcongres euforisch, en veel andere partijleiders deelden zijn
gevoelens. Een nieuw tijdperk was voor Nederland aangebroken; niet alleen de
politiek, maar ook de maatschappij zou van gedaante veranderen.24
Maar de hoop van de NVB en de PvdA op een nieuwe politieke machtsverhouding
bleek ijdel te zijn toen veel Nederlandse kiezers bij de eerste naoorlogse
verkiezingen een terugkeer tot de politieke constellatie van voor de oorlog
verkozen. De confessionele partijen herwonnen een groot deel van hun
vooroorlogse sterkte. Daarnaast verloor de PvdA veel steun uit de
linkervleugel aan de communisten, die, in een verbluffend maar kortdurend
succes, meer dan tien procent van de stemmen wisten binnen te halen. De PvdA
had op minstens veertig (van de honderd) zetels gerekend; zij kreeg er
negenentwintig. Niettemin was zij nauwelijks kleiner dan de Katholieke
Volkspartij (KVP) en groter dan de twee grootste protestantse partijen en de
liberalen te zamen.25 Nog belangrijker was dat de
tegenvallende uitslag haar niet uitsloot van regeringsmacht; onder leiding
van Willem Drees (1886-1988) was de PvdA van 1946 tot 1958 coalitiepartner,
en van 1948 tot 1958 was Drees zelfs premier.
‘Vernieuwing’ had het isolement van de
sociaal-democraten opgeheven. Hun regeringsmacht bracht echter niet de
‘doorbraak’ tot stand waarop Banning en anderen hadden
gehoopt. De grootste coalitiepartner van de PvdA, de KVP, gebruikte haar
positie om confessionele organisaties te steunen en hen met behulp van
staatssubsidies verantwoordelijkheid te geven voor de uitvoering van het
uitgebreide sociale beleid van de ‘Rooms-Rode’
kabinetten. ‘Verzuilde’ organisaties waren tot 1965
zelfs verantwoordelijk voor de distributie van de sociale uitkeringen.
Zodoende werden de ‘verzuilde’ organisaties als gevolg
van de oorlog versterkt in plaats van verzwakt. Voor veel vernieuwers waren
deze ontwikkelingen onmiskenbaar een teleurstelling.
| |
| | | |
Een mislukte ‘doorbraak’?
Het lijkt duidelijk dat de pogingen van de vernieuwers om een nieuw politiek
en sociaal kader op te bouwen strandden. Pieter Geyl had het mislukken van
de ‘doorbraak’ in oktober 1945 reeds voorspeld, toen
hij ingenomen opmerkte dat ‘het oude’ altijd duurzamer
was dan de vernieuwers zich wilden realiseren.26 ‘Het
oude’ leek inderdaad terug te keren, alhoewel de ontwikkelingen
niet geheel verliepen volgens de wensen van de kritische Geyl. Het
confessionalisme verankerde zich in de welvaartsstaat en de kerken bleven
invloedrijk zowel in het maatschappelijke als in het politieke leven. Het
vooroorlogse politieke systeem hield stand. Soberheid, tucht en ascese
werden de kenmerken van de naoorlogse mentaliteit; experimenten werden
ontmoedigd.27 De Koude Oorlog veroorzaakte een conformisme waardoor
radicale meningsverschillen werden afgezwakt. En ondanks groeiend verzet
werd het belang van een hecht gezinsleven en een strenge seksuele
gedragscode met steun van veel vernieuwers als de heersende moraal in stand
gehouden.28 Dit onaantrekkelijke portret van naoorlogs Nederland
werd in de ogen van zowel de toenmalige als de huidige critici belichaamd in
het beruchte bisschoppelijk mandement van 1954. Dit mandement verbood de
Nederlandse katholieken om lid te worden van socialistische partijen of
vakbonden - in feite een poging de rooms-katholieke wereld bijeen te houden.
Voor zelfbewuste progressieven leek Nederland terug te gaan in de tijd. C.J.
Dippel, een chemicus die zich bezig hield met theologie en filosofie, merkte
in Wending (een populair tijdschrift onder
vooruitstrevende, protestantse intellectuelen) op dat ‘er wel
gepraat werd over vernieuwing, maar dat er “herstel”
werd bedoeld, restauratie van de goede oude tijd’.29 En H.M. van Randwijk, de linkse hoofdredacteur van het weekblad
Vrij Nederland, vreesde dat de groei van het
gemeenschapsgevoel in de wereld, zo noodzakelijk voor het waarborgen van de
vrede, werd belemmerd door het ‘geestelijk
conservatisme’ dat voortkwam uit de Koude Oorlog.30
Evenals in Duitsland is in Nederland een levendig debat ontstaan over de
vraag of 1945 een ‘Stunde null’ was, of dat de
radicale breuk met het verleden zich pas afspeelde in de jaren zestig.31 Uit dit debat blijkt hoe moeilijk het is de perioden te
karakteriseren en met elkaar te vergelijken. Hoewel een groot verschil
bestaat tussen de reconstructie-periode en de jaren zestig, kan
tegelijkertijd worden gesteld dat het geringe verzet van de Nederlandse
elites tegen de vernieuwingen in de jaren zestig was geworteld in de periode
vlak na de Tweede Wereldoorlog. Alleen al het taalgebruik in de jaren
veertig en vijftig maakt duidelijk waarom zij in de | | | | jaren
zestig zo terughoudend reageerden. De ideologie en de retoriek van de
‘doorbraak’ waren op minstens drie manieren van
blijvende invloed: ten eerste bereikten zij werkelijk resultaat; ten tweede
brachten zij de voorstanders van verzuiling in staat van verdediging; en ten
derde wekte de sociaal-wetenschappelijke kritiek op de
‘verzuiling’ de indruk dat de Nederlanders leefden
onder een anachronistisch politiek en sociaal systeem.
In de eerste plaats vond werkelijk een doorbraak plaats,
hoewel die bescheiden was. Om evenals de historicus J. Bosmans te stellen
dat de doorbraak niet meer was dan ‘een belangrijke
onderstroom’, is een onderschatting van haar betekenis in
herrijzend Nederland.32 Nederlandse dichters en auteurs spraken met regelmaat over
de noodzaak tot vernieuwing in zowel de literatuur als de maatschappij,
zelfs als zij niet zeker waren van de inhoud die eraan gegeven moest
worden.33 Gezaghebbende liberale en socialistische dagbladen (NRC, Algemeen Handelsblad, Het Parool, Het Vrije Volk)
konden zich niet verzoenen met de verzuilde samenleving. Kritische geluiden
werden ook gehoord in nieuwe, invloedrijke media, bij voorbeeld in de
maandbladen Wending34, De Nieuwe Stem (vanwege de kritische toon berucht bij veel
Nederlanders en geliefd bij een aantal bekende intellectuelen35), en het meer populaire weekblad Vrij Nederland, dat in de oorlog werd opgericht en tot 1960 werd
geleid door Van Randwijk. Ook de herenigde liberale partij, de Volkspartij
voor Vrijheid en Democratie (VVD), opgericht in 1948, verplichtte zich
formeel te werken aan de ‘doorbraak’ van de verzuilde
politiek en maatschappij. Nog belangrijker was het optreden van twee grote
en invloedrijke instanties die tijdens de jaren vijftig voortdurend hamerden
op de ‘doorbraak’: de PvdA en de Nederlandse Hervormde
Kerk (NHK).
Evenals veel naoorlogse socialistische partijen in Europa, was de PvdA een
tamelijk vreemd mengsel van tegengestelde stromingen. Enerzijds was zij een
typisch verzuilde organisatie, een vertegenwoordiger van de ‘rode
familie’, hoewel een beperkt aantal leden vertrok naar de CPN
(vooral in 1946) en naar de Pacifistische Socialistische Partij (ontstaan in
1957). Vele leden van de ‘rode familie’ bleven de
‘doorbraak-dominees’ wantrouwen. De PvdA hield zich
aan een aantal oude gewoonten die karakteristiek waren voor de SDAP;
Nederlandse socialisten liepen met de rode vlag en zongen De
Internationale. Zoals bij de Duitse SPD, maakten marxistische
beginselen tot 1959 deel uit van het partijprogramma van de PvdA. Dit alles
droeg bij tot het krachtig voortbestaan van de socialistische zuil -
‘arbeiders’ luisterden naar de VARA (de socialistische
omroepvereniging), abonneerden zich op een socialistisch dagblad, | | | | stuurden hun kinderen naar een socialistische jeugdorganisatie - net
zoals ze voor de oorlog hadden gedaan. Anderzijds waren het de voorvechters
van de ‘doorbraak’ (afkomstig uit de opgeleide midden-
en hogere klassen) die binnen de PvdA in hoge mate de toon aangaven. Banning
bleef de meest gezaghebbende persoon binnen deze vleugel, waarin nog steeds
werd gestreefd naar nationale vernieuwing en doorbraak. Hoewel de PvdA de
‘doorbraak’ nog niet geheel had verwezenlijkt,
hechtten PvdA-propagandisten nog groot belang aan dit principe, niet alleen
wanneer de katholieke bisschoppen hun hiervoor gelegenheid gaven (zoals
gebeurde in 1954), maar tot diep in de jaren zestig.36 PvdA-strategen gingen er
terecht van uit dat de groei van de partij slechts kon geschieden ten koste
van de confessionele partijen. Daarom bleven ze er op hameren dat de
christelijke partijen belast waren met het verleden en ‘de geest
en de taal van onze tijd’ niet begrepen.37 Zo bleven ‘vernieuwing’ en
‘doorbraak’ tijdens de jaren vijftig, ondanks de
teleurstellende resultaten, actuele onderwerpen van discussie doordat het
PvdA-leiderschap het identiteits-bepalende karakter van deze begrippen
onderstreepte.
Maar ook in de Nederlandse Hervormde Kerk werd de
‘doorbraak’ een belangrijk onderdeel van de kerkelijke
identiteit. Voor de oorlog was de NHK een zeer verdeelde kerk, die veel
verschillende godsdienstige overtuigingen overkoepelde, van Staphorster
traditionalisten tot vrijzinnigen als Banning. De NHK was de grootste
protestantse kerk in Nederland. Eens behoorde meer dan de helft van de
Nederlandse bevolking er toe, maar vanaf de jaren twintig nam het ledental
sterk af. De oorlog maakte geen eind aan de kerkelijke verschillen, en er
kwam evenmin een eind aan de kerkverlating. Het leiderschap van de kerk werd
er echter wel door wakker geschud en men ging over tot actie. Gematigde
orthodoxe leiders zoals Kraemer waren er met meer liberale theologen zoals
Banning vast van overtuigd dat de conflicten van de jaren dertig voorbij
moesten zijn. De NHK moest meewerken aan de introductie van een nieuwe
maatschappij in de nieuwe wereld. Onder een nieuw en krachtig leiderschap
benadrukte de NHK ten eerste de oecumene (het eerste congres van de
Wereldraad van Kerken werd in 1948 te Amsterdam gehouden, en een
Nederlander, W.A. Visser 't Hooft, was tot 1966 voorzatter van deze raad),
vervolgens streed de kerk voor een ‘herkerstening’ van
de maatschappij (een idee dat veel in de publiciteit is geweest in het
naoorlogse Nederland), en ten slotte werd de kerk een fel bestrijder van de
verzuiling. De NHK heeft, als inclusieve volkskerk, nooit op dezelfde wijze
als de gereformeerden en de katholieken de verzuiling gestimuleerd. Haar
principiële oppositie kwam echter pas na de oorlog werkelijk van
de grond. | | | | De Nederlanders moesten volgens de hervormde kerk de
onbetekenende verschillen die hen verdeelden vergeten en oog krijgen voor
belangrijker problemen in de wereld. Dit werd nadrukkelijk gesteld in het
rapport Christen-zijn in de Nederlandse samenleving
(1955), waarin ook werd geprobeerd het bisschoppelijk mandement uit 1954 te
weerleggen:
‘Het is onze diepe overtuiging, dat het huidige
tijdsgewricht in West-Europa vraagt om een nieuwe en krachtige uitdrukking
van het menselijk samen-zijn in de wereld, van de solidariteit. Wij zien op
dat punt een duidelijk verschil met de negentiende eeuw...’38
Zo kwam de leiding van de NHK op voor een nieuwe ethiek die aansloot bij de
noden en behoeften van het tijdperk. De kerk klampte zich niet vast aan het
‘negentiende-eeuwse’ model van de maatschappij,
waaraan tot haar spijt nog veel landgenoten waren gehecht. Zowel in politiek
als godsdienst bleef de ouderwetse organisatie van de Nederlandse
samenleving een moeilijk punt, een gemakkelijk doelwit voor vernieuwers.
In de tweede plaats werden door de
‘doorbraak’-ideologie de confessionele partijen
gedwongen zich te verdedigen. De Nederlandse Unie oefende in 1940 grote
aantrekkingskracht uit op katholieken en in 1945 bleken veel katholieke
elites geïnteresseerd in politieke aaneensluiting. Het was daarom
geenszins zeker dat vooraanstaande katholieken zoals de Unie-leider J.E. de
Quay (later KVP-premier) terug zouden keren tot een katholieke partij als
die zou worden heropgericht. Toen dominante katholieke elites vlak na de
oorlog het bestaan van een katholieke partij wenselijk en mogelijk achtten,
werden ze gedwongen tot het doen van verschillende concessies aan de
katholieke vernieuwers. De Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) zou niet
meer terugkomen; in plaats daarvan zou de Katholieke Volkspartij een
vooruitstrevende ‘programpartij’ zijn, open voor allen
die het partijprogramma konden onderschrijven.39 Dit was niet alleen een rechtstreekse imitatie
van het ‘progressieve programpartij’-ideaal van de
PvdA, maar ook een misleidende beschrijving van wat de KVP in werkelijkheid
voorstelde - een partij die zich evenals de RKSP vrijwel exclusief richtte
op katholieken.40
Te zeggen dat de verandering van voornamelijk kosmetische aard was, een
concessie zonder inhoud, is echter niet helemaal juist. De KVP heeft de
overtuiging een ‘volkspartij’ te zijn na 1945 nooit
opgegeven, ook al bleek zij nauwelijks aantrekkelijk voor niet-katholieken.
Hoewel aangenomen mag worden dat haar belangrijkste raison
d'être was de katholieke achterban te voorzien van
goederen en diensten, kan worden opgemerkt dat de KVP-propaganda vaak de
indruk gaf dat het bestaan van een katho- | | | | lieke achterban
vergeleken met de werkelijke roeping van de partij slechts een
bijkomstigheid was. Zelfs vóór de oorlog reageerden
katholieke elites ambivalent op de noodzaak van een louter katholieke
partij41 en na de oorlog kwamen
verwijzingen naar Gods wet en christelijke openbaring nauwelijks meer
voor.42 In plaats daarvan
probeerden ze, op Thomistische wijze appellerend aan de redelijkheid en de
goedheid van de niet-katholieken, open te lijken - een openheid die door
velen uit de linkervleugel van de partij oprecht werd nagestreefd. Hoewel
KVP-politici het bestaan van een katholieke partij nog onmisbaar achtten
voor het vertegenwoordigen van de katholieke belangen, vonden zij het niet
correct de verzuiling openlijk te ondersteunen. Zij gaven er de voorkeur aan
te benadrukken dat ze ‘open’ waren en aan hun eigen
‘doorbraak’ werkten. Voor de katholieken was het
bisschoppelijk mandement - waarover de bisschoppen onderling verdeeld waren
- een niet-gewenste ondersteuning. Het mandement was eigenlijk een anomalie
in een tijd waarin veel katholieke intellectuelen en politici de
ideologische verschillen met hun rivalen probeerden glad te strijken.43
Omdat dit reeds naar voren kwam in de verzuilde jaren veertig en vijftig, is
het goed denkbaar dat het de katholieke politici nog meer moeite kostte om
in de jaren zestig aan het electoraat uit te leggen waarom het op de KVP
behoorde te stemmen.
De twee protestantse partijen voelden zich eveneens door de
‘doorbraak’ bedreigd, al was het om andere redenen. De
Christelijk-Historische Unie (CHU), die gematigder en pragmatischer was dan
de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), nam tegenover de
‘doorbraak’ een dubbelzinnige houding aan. Haar leider
A.D.W. Tilanus was een groot tegenstander van het opgaan van zijn partij in
de PvdA in 1945. En ook de behoedzame voorstellen die vervolgens door de ARP
werden gedaan voor het vormen van een verenigde protestantse partij, werden
door hem verworpen. Het CHU-leiderschap scheen tevreden met de status quo.
Aan de andere kant verwierp de CHU, die een grotendeels hervormde achterban
had, de scheidingen die de verzuiling had gebracht; zij beweerde open te
zijn voor iedereen. In antwoord op een aanval van Banning op de CHU merkte
B. van Haersma Buma in 1960 op dat de partij zich sinds de oorlog had verzet
tegen een coalitie die slechts bestond uit confessionele partijen, dat de
partij zich altijd had gekeerd tegen subculturele afzondering en dat haar
pragmatische flexibiliteit het mogelijk maakte om ‘midden in onze
tijd’ te staan.44
De ARP wees de ‘doorbraak’ om principiële
redenen consequent van de hand en was daarmee de enige grote partij die
hiertoe besloot. Maar de antirevolutionairen waren ook niet aan de macht tot
na de verkiezingen | | | | van 1952, en werden door alle grote partijen
gewantrouwd vanwege hun verzet tegen de welvaartsstaat en hun verdediging
van de geminachte Colijn-jaren. De ARP was bovendien de enige grote partij
die gedurende de gehele naoorlogse periode stemmen verloor; tussen 1948 en
1963 verloor de partij bij elke nationale verkiezing die werd gehouden. De
‘erfgenamen van Colijn’ waren in boze tijden
terechtgekomen en wijdden daaraan veel beschouwingen. Het voornaamste
resultaat van de bezinning binnen de ARP was een geleidelijke, maar
besliste, verwerping van hun vroegere politieke en sociale beleid.45 Hun deelname aan het tweede
kabinet-Drees van 1952 was het eerste teken van deze verschuiving. De
oorzaak van hun verval was volgens de principiële
antirevolutionairen het ‘einde van de ideologie’. Of
een beginselpartij als de ARP in de toekomst nog zou kunnen bestaan werd
door sommigen aan het eind van de jaren vijftig openlijk in twijfel
getrokken.46
De confessionele partijen werden ook in staat van verdediging gebracht door
het gebrek aan levensvatbaarheid van de extreem-rechtse politiek in het
naoorlogse Europa. Om te voorkomen dat zij als te rechts beschouwd zouden
worden, raakten de confessionelen verstrikt in dubbelzinnigheid. Aan de ene
kant verwierpen ze, evenals de liberalen, het
‘progressief-conservatief’-continuüm van de
PvdA, om te vermijden dat ze in de rechterhoek zouden worden geplaatst
waaruit geen weg terug was. Aan de andere kant lieten de confessionelen door
hun eigen taalgebruik dit onderscheid herleven; welbewust omschreven ze
zichzelf als ‘vooruitstrevend’ - een zorgvuldig
gekozen synoniem van ‘progressief’.47 Hun
steun voor open partijen en progressief sociaal beleid was het overvloedige
bewijs, in elk geval voor henzelf, dat zij het vooroorlogse beleid en de
toenmalige ideeën hadden verworpen. Niet alleen de confessionele
partijen lieten het verleden achter zich, ook de liberale partij deed dit.
De roep om een conservatieve partij van P.J. Oud, fractievoorzitter van de
VVD, had geen effect, zelfs niet in zijn eigen partij
(één van de meest anti-socialistische in Europa).
Ondanks hun verbondenheid met het verleden waren de confessionele en
liberale partijen er op uit een vooruitstrevend imago te creëren
door het construeren van een vooruitstrevende retoriek.
In de derde plaats wekte de retoriek en de ideologie van de
‘doorbraak’ de indruk dat het ‘verzuilde
bestel’ in Nederland een anachronisme was geworden. Het is een
van de merkwaardige paradoxen van de jaren veertig en vijftig dat in een
tijd waarin de ‘doorbraak’ niet doorbrak, de meeste
politici bereid waren toe te geven dat de huidige politieke en sociale
ordening eenmaal zou moeten veranderen.
| | | |
Confessionelen waren niet ongevoelig voor de toenemende scherpe aanvallen op
de verzuiling. De uitdrukking ‘verzuiling’, in 1936
door ambtenaren verzonnen om onderscheid te kunnen maken tussen
verschillende subculturele organisaties48, werd niet alleen als neutrale, wetenschappelijke
term gebruikt. Sommige sociologen, onder wie J.P. Kruijt, een voorstander
van de doorbraak, probeerden ‘verzuiling’ te gebruiken
als objectieve term, maar anderen deden weinig moeite hun vijandigheid te
verbergen - de socioloog J.A.A. van Doorn bij voorbeeld noemde haar een
moderne vorm van ‘sociale controle’.49 Toen het gebruik ervan na
1945 toenam, kreeg de term snel een negatieve gevoelswaarde.
‘Verzuiling’ verving het woord
‘hokjesgeest’ uit de jaren dertig als beeldende
verwijzing naar het bekrompen leven in de subculturen.50 Banning noemde verzuiling de grootste binnenlandse vijand; de
PvdA-politicus C. Kleywegt karakteriseerde verzuiling als
‘eigenbelang’ en ‘onverschilligheid voor de
ander, leidend meermalen tot wantrouwen, vijandschap of haat tegen die
ander’.51 Vooral de
niet-kerkelijke pers gebruikte de term op weinig complimenteuze wijze. Laat
in de jaren vijftig verscheen een reeks sociaal-wetenschappelijke artikelen
rond het fenomeen, waarin voor het merendeel, ook in de invloedrijke
bijdragen van Van Doorn, kritisch werd gesproken over de verzuilde
samenleving.52
Uiteraard was ‘verzuiling’ geen geliefd woord bij de
katholieken en (vooral) de gereformeerden, de grondleggers van de verzuilde
samenleving. In de jaren vijftig getroostten zij zich moeite om de
aantijgingen te weerleggen en tot diep in de jaren zestig vermeden veel
wetenschappers en politici uit die kringen het gebruik van de term.
In een culturele omgeving waarin openheid en eenheid modewoorden van de
eerste orde waren, bracht ‘verzuiling’ de
confessionelen meer en meer in verlegenheid. Toen de socialist Jacques de
Kadt in het begin van de jaren zestig de katholieken van
‘apartheidspolitiek’ beschuldigde53, was dit geen
aanklacht waar de katholieke (en de protestantse) elites ongevoelig voor
waren. Al in 1957 noemde de katholieke intellectueel Tellegen de verzuilde
samenleving een anachronisme - zijn oordeel kon al snel rekenen op bijval
van anderen.54 In 1962 merkte Kruijt op dat een op religie gebaseerde
verzuiling nauwelijks meer door iemand werd verdedigd.55 In ieder geval gingen vele confessionele leiders
openlijk met elkaar in debat over de voor- en nadelen van voortgaande
verzuiling.56 De sociologen Kruijt en Walter Goddijn voorspelden dat het
onbehagen van de katholieke en protestantse intellectuelen
‘ontzuiling’ tot gevolg zou kunnen hebben.57
Zodoende functioneerde ‘verzuiling’ slechts als
negatieve benaming, | | | | de term werd onderdeel van de taal van
vernieuwing, die nog sterk aanwezig was in de jaren vijftig. De overtuiging
werd in stand gehouden dat de beste kans voor Nederland om te vernieuwen in
1945 was verspeeld; een opvatting die steeds meer aanhang verwierf in de
jaren zestig. ‘Alle veranderingen, die men nu wil, hadden al
tussen '45 en '50 ingevoerd moeten worden’, merkte de
schaakgrootmeester Jan Hein Donner in 1967 op.58 Het mislukken van de doorbraak op zich cultiveerde een
denkwijze waardoor de afbraak van de verzuilde politiek en maatschappij in
de jaren zestig werd bevorderd. ‘Meer en meer is de
doorbraakgedachte verabsoluteerd tot een idee, waarvan alle heil wordt
verwacht’, schreef de eigenzinnige KVP-intellectueel S.W.
Couwenberg in 1959.59 Tot
het midden van de jaren zestig zouden de subculturen min of meer stand
houden. Maar hun plotselinge verval en - in het geval van de katholieken -
ineenstorting tien jaren later konden voor een deel worden geweten aan de
zwakke ideologische basis waarop zij waren herbouwd.
| |
De moloch van de industriële modernisering
Op hetzelfde moment dat de Nederlandse politici en academici zich
distantieerden van ‘verzuiling’, maakten ze zich sterk
voor de ‘modernisering’ van zowel de economische als
de sociale infrastructuur. Sinds het begin van de jaren dertig kende
Nederland een gemengde economie, maar door de enorme oorlogsschade
(Nederland leed meer schade dan enig ander Westeuropees land), het ophanden
zijnde verlies van Nederlands-Indië en een toenemende
bevolkingsgroei werd door de overheid gestuurde industrialisatie
noodzakelijk. Ook de economische vernieuwers benadrukten de radicale breuk
met de jaren dertig. Het ‘conservatisme, dat niet bereid was
onder de gewijzigde omstandigheden naar nieuwe vormen te zoeken’,
was voorbij, oordeelde een hogere ambtenaar van het Ministerie van
Economische Zaken in 1947.60 Het industrialisatie-project, aangevoerd door de
KVP-minister J.R.M. van den Brink, was ambitieus. Het was zoals Van den
Brinks rechterhand, Winsemius, zei: ‘De meest grootscheepse
speculatie, die ons volk ooit heeft aangedurfd’.61 In 1949, op het moment dat de eerste gelden van het Marshall Plan
Nederland binnenstroomden, ging het project van start.62
Volgens een door Van den Brink opgezet
‘industrialisatie-schema’ zou de werkloosheid worden
weggevaagd en het betalingsevenwicht ten behoeve van de op de export
drijvende Nederlandse economie worden hersteld.63 Om dit doel te
bereiken garandeerde de Nederlandse overheid dat de consumptie laag bleef
(evenals de lonen), terwijl de werkgelegenheid toenam. | | | | Daartoe
verzekerde de overheid zich van de steun van de socialistische, katholieke
en protestantse vakbonden64, en werd een
‘elite-management’-stijl ontwikkeld met
corporatistische elementen65 om het
handelstekort en de industriële ouderwetsheid te boven te komen.
In het begin van de jaren vijftig verplichtte de nationale overheid zich tot
de ‘ontwikkeling’ van acht economisch achtergestelde
regio's in Nederland. Lokaal werden activiteiten uitgevoerd door
economische, politieke en kerkelijke leiders die zich herkenden in de
‘vernieuwingsideologie’, een ideologie die de door de
overheid gestuurde industrialisatie zag als hét middel tegen
sociale crises.66 Midden jaren vijftig
bleken de verstrekkende economische en sociale gevolgen: de omvang van de
Nederlandse dienstensector, havens en industriële produktie nam
indrukwekkend toe.
Nederlandse elites volgden deze snelle industrialisatie niet zonder
bezorgdheid. Natuurlijk waren er leiders die zich richtten op de wonderen
van de Nederlandse technologie, van de automatisering van de Luchthaven
Schiphol tot de constructie van de indrukwekkende Deltawerken in Zeeland.
Mogelijk negatieve gevolgen waren voor hen geen grote zorg. Gerrit van
Veghel heeft een bruikbaar onderscheid gemaakt tussen de pragmatische
politieke en economische elites aan de ene kant, die geneigd waren te denken
dat sociale problemen vanzelf zouden verdwijnen, en de
‘zachte’ elites (sociale wetenschappers, kerkleiders
en professionele welzijnswerkers) aan de andere kant, die zich meer zorgen
maakten om de sociale gevaren die inherent waren aan modernisering.67 Op de Nederlandse markt
verscheen, evenals elders, een grote hoeveelheid boeken die het
lezerspubliek waarschuwden voor de gevaren van technologie en modernisering
en daarbij wezen op de ‘crisis’ van eenzaamheid,
nihilisme en collectivisme.68 Zelfs in de meest optimistische moderniseringsliteratuur
komt deze morele bezorgdheid naar voren.69 De historicus Gerard Alberts heeft dit het
‘compensatie motief’ genoemd - elites zochten morele
compensatie voor hun gedwongen betrokkenheid bij de
modernisering. Verontruste elites geloofden in de ‘moloch van
technologisch determinisme’ die gehoorzaamd moest worden, maar
misschien wel van zijn grootste gevaren kon worden ontdaan.70
Hoop moest dus samengaan met behoedzaamheid.
Uiteraard verschilde dit mengsel van optimisme en behoedzaamheid van persoon
tot persoon. In 1950 meende de vooraanstaande socioloog Sjoerd Groenman dat
de industrialisatie slechts als een verhuizing naar een beter huis moest
worden gezien, de verhuiskosten zouden toenemen, maar deze ongemakken konden
geen reden zijn om het hele project af te zeggen; dit project was
‘noodzakelijk, wenselijk, ja zelfs begeerd’ door de
| | | | Nederlanders.71 In de ogen van anderen bracht de industrialisatie
weliswaar het kwaad met zich mee, maar zij kon niet meer worden vermeden. De
onverbiddelijkheid van de modernisering kon niet pijnlijker gevoeld worden
dan door David Kodde, fractieleider van de kleine calvinistische Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) in de Provinciale
Staten van Zeeland. De geïsoleerde bolwerken van traditie die de
SGP vertegenwoordigde zouden door de modernisering meer en meer met de
buitenwereld verbonden worden. Kodde wist dat het gevaar van
‘wereldgelijkvormigheid’ dichterbij zou komen door de
Deltawerken. Maar toch wees hij het Delta-plan niet af: ‘Zeeland
heeft verandering nodig’, zei hij wijzend op de leegstroom van de
dorpjes als gevolg van de werkloosheid.72 Optimistisch dan wel pessimistisch, de Nederlandse elites
waren ervan overtuigd dat modernisering plaats moest vinden.
De katholieke, socialistische, protestantse en liberale partijen besteedden
veel zorg aan het beperken van de schadelijke effecten van een snelle
modernisering. Zij probeerden het gemeenschapsleven te bevorderen, niet
alleen door het stimuleren van goede familie- en buurtrelaties73, maar
ook door een behoedzame benadering van de moderne uitvindingen die de
gemeenschap bedreigden. Bedreigende vormen van technologische vernieuwing
werden met argusogen bekeken; de Nederlandse elites gaven bij voorbeeld de
televisie in de jaren vijftig het oranje en niet het groene licht.74 Een veilige manier om het gemeenschapsleven te
versterken was voor veel elites het uitbouwen van verzuilde subculturen op
een manier die verenigbaar was met de eisen van de moderne tijd. Als
erfgenamen van een verzuild systeem waren zij gevoelig voor de beschuldiging
van ouderwetsheid en ze trachtten het subculturele systeem met woord en daad
‘modern’ te maken. Subculturele organisaties moesten
worden aangevoerd door nieuwe leiders (sociale wetenschappers en
maatschappelijk werkers) en gesubsidieerd door de overheid. Gaandeweg
veranderden de subculturen door deze verstatelijking.
Bureaucratische professionalisering verving ideologische betrokkenheid als
de belangrijkste identiteit van de elites die aan het hoofd van deze
organisaties stonden.75 Het wekt dus geen verbazing dat veel onderzoekers
het ontstaan van gesubsidieerde subculturele organisaties beschouwen als een
cruciale factor in de ontzuiling gedurende de jaren zestig.
Het zou onjuist zijn te veronderstellen dat het merendeel van de Nederlandse
leiders zich pessimistisch uitliet over de modernisering. Over het algemeen
waren ‘culturele pessimisten’, zoals Huizinga en
andere vooroorlogse doemdenkers, onder hen niet te vinden. Als echte
bekeerden tot de moderniseringsstrategie waren de Nederlandse elites | | | | tamelijk optimistisch over de toekomst en sterk
beïnvloed door sociologen die in het begin van de jaren vijftig
een rooskleurig beeld gaven van de dingen die komen zouden.76 Beleidsmakers
over heel de wereld gingen in de sociologie geloven, zoals ze eens hadden
geloofd in de gouden standaard, en ook Nederlandse elites werden vurige
aanhangers van deze nieuwe wetenschap. Volgens een aantal sociologen uit die
periode was hun invloed in Nederland zelfs sterker dan in andere
landen.77 In een maatschappij waarin
behoedzame elites, gebogen over de uitwerking van een zorgvuldig opgezet
industrialisatie-schema, zich zorgen maakten over de negatieve effecten van
modernisering bleken de sociologen en maatschappelijk werkers onmisbare
profeten en waarzeggers te zijn. Karl Mannheim, Robert K. Merton en - in elk
geval onder de jongere sociologen - Talcott Parsons waren de meest
gezaghebbende internationale goeroes onder Nederlandse sociologen.78 De katholieken richtten snel na de oorlog hun eigen
sociologisch instituut op (Katholiek Sociaal-Kerkelijk Instituut, KASKI),
evenals de PvdA (de Wiardi Beckman Stichting, WBS, die spoedig onder leiding
zou staan van de latere premier J.M. den Uyl). De Nederlandse Hervormde Kerk
volgde dit patroon (Sociologisch Instituut van de Nederlands Hervormde Kerk,
SINKH, geleid door Kruijt), evenals de gereformeerden en de humanisten. Ten
slotte ontstond een overkoepelende ‘neutrale’
organisatie (Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Nederlandse Volk,
ISONEVO). Deze instituten, vooral het KASKI en de WBS, oefenden aanzienlijke
invloed uit op de leiders van hun respectieve subculturen. In 1952
creëerde de overheid het Ministerie van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk werk (CRM), dat onder andere de opdracht kreeg hulp te
verlenen aan mensen die moeite hadden zich aan te passen aan het
moderniseringsproces.79
Sociologen en maatschappelijk werkers waren de sociale ingenieurs die de
hobbelige weg naar modernisering moesten effenen - om zo
‘industrialisatie langs lijnen van geleidelijkheid’
teweeg te brengen, aldus Groenman.80
Welke sociale verbeteringen de sociologen ook tot stand hebben gebracht, hun
geschriften en rapporten hebben in elk geval de aandacht gevestigd op het
‘moderniseringsproces’. Overal leken de dingen te
veranderen en overal gingen mensen er over schrijven. Nergens was dit
duidelijker zichtbaar dan in de discussie over de overwinning van de stad op
het platteland. In slechts negen jaar (1947-1956) verminderde het percentage
Nederlandse arbeiders dat werkzaam was in de landbouw van twintig tot
dertien procent. In 1956 woonde zevenenvijftig procent van de bevolking in
stedelijke gebieden; twintig jaar daarvoor slechts zesen- | | | | dertig
procent. De conclusie die de samensteller van deze statistieken aan de
resultaten verbindt is voorspelbaar:
‘Op het platteland voltrekt zich een economische,
sociale en mentale revolutie, die zelfs insiders telkens weer verrast door
haar omvang en haar tempo (...) Ons leven is opgenomen in een
wereldomvattend proces van technische ontwikkeling en economische
groei.’81
Het platteland was in een ‘stroomversnelling’ gekomen,
een niet altijd even aangenaam, maar zeker noodzakelijk proces van
modernisering.82 Door de
vernieuwingsideologie bevlogen geraakte leiders zagen een taak voor zich
weggelegd in het ondersteunen van de plattelandsbevolking, zodat die het
hoofd zou kunnen bieden aan de moderne wereld. Dit sloeg niet altijd aan.
Ondanks de voorlichtingscampagne in 1957 waarin boeren werden
‘geconfronteerd met de dynamiek van de moderne
tijd’83, waren dezen niet
altijd gelukkig met het moderne leven. Desalniettemin waren de vernieuwers
er vast van overtuigd dat het ouderwetse agrarische leven niet gehandhaafd
kon worden. Volgens de socioloog R. Bergsma waren de opkomst van de
‘croquet-automatieken’ en de
‘patates-frites-kramen’ op het platteland duidelijke
signalen van de moderne tijd; het hele ‘ouderwetse
cultuurpatroon’ zou zich snel terugtrekken.84
Deze verschillende factoren - de veronderstelde noodzakelijkheid van
industrialisatie, de opmerkelijke snelheid waarmee veranderingen
plaatsvonden in de stad en op het platteland en het optimisme over het
creëren van een moderne samenleving die vrij zou zijn van moderne
kwalen - kwamen voort uit één teleologische
vooronderstelling: omvangrijke processen waren Nederland onherkenbaar aan
het veranderen. Ook verdergaande substantiële verandering werd
onvermijdelijk geacht. In de jaren vijftig werd van het
‘oude’ en ‘ouderwetse’ afstand
gedaan om het ‘nieuwe’ en
‘moderne’ te verwerven. De elites geloofden dat het de
‘moloch van de modernisering’ was, en niet zijzelf,
die de hoofdlijnen van het openbare beleid bepaalde. Hun rol was daaraan
ondergeschikt. De troonrede uit 1962 weerspiegelde deze gevoelens:
‘De snelle ontwikkeling op velerlei gebied brengt in
onze samenleving ingrijpende veranderingen teweeg. De Regering tracht waar
nodig aanpassing in het persoonlijk en gemeenschapsleven te
bevorderen.’85
‘De snelle ontwikkeling’ hoefde niet te worden
geïntroduceerd, noch te worden uitgelegd;
‘het’ gebeurde eenvoudig. Het beste wat Nederlandse
leiders doen konden was zich ervan verzekeren dat iedereen, ook zijzelf,
zich zou aanpassen aan wat komen moest.
| | | |
Men zou kunnen stellen dat de drang tot technologische en organisatorische
vernieuwing van de Nederlandse elites losstonden van hun morele en
theologische opvattingen, die traditioneel en conservatief van aard bleven.
De vernieuwing van de jaren veertig en vijftig zou in dat geval een
noodzakelijke voorloper zijn van voortgaande vernieuwing van de jaren
zestig, maar zij bleef wezenlijk verschillend van de politieke, morele en
theologische vernieuwingen die later plaatsvonden. Misschien is dat waar,
maar dit standpunt negeert het feit dat veel Nederlandse elites zelf van mening waren dat modernisering niet alleen de
materiële situatie, maar ook de godsdienstige en morele
gedragspatronen onherroepelijk veranderde. Willekeurig welk sociologisch
onderzoek maakte hen dit duidelijk. Modernisering, de onverbiddelijke
kracht, liet weinig intact van de oude morele constructie. Nederlandse
sleutelelites waren hiervan op de hoogte en, nog belangrijker, ze
accepteerden het als de prijs die de samenleving moest betalen voor
modernisering. Zij wisten dat hun morele en theologische gezichtspunten
grotendeels (maar niet volledig) irrelevant waren voor de processen die zich
rondom hen afspeelden. Deze situatie is goed omschreven in een artikel van
de socioloog P.J. Bouman dat verscheen in het septembernummer uit 1958 van
Wending. Niets kon een halt toeroepen aan de
‘revolutie van manieren en moraal’ die de laatste
decennia plaatsvond en omvatte:
‘...sport en het verenigingsleven, de vrijere omgang der
seksen, het reizen en het kamperen, de radio in ieder gezin, de krant en de
telefoon, de bioscoop en de televisie, de op de techniek gerichte
belangstelling en het verminderde aantal uren in het gezin doorgebracht. Men
kan over dit alles een waarde-oordeel uitspreken. Ieder weet dat voor veel
van deze “vooruitgang” een zware prijs werd bepaald.
Maar wij weten ook, dat men de wijzers van de klok niet kan terugdraaien. We
kunnen slechts proberen enige excessen te voorkomen.’86
De ‘moloch van de modernisering’ had de Nederlandse
elites doeltreffend weten te overtuigen van de begrensdheid van hun
keuzemogelijkheden.
| |
Het jeugdprobleem
Nergens bleek de toekomst ongrijpbaarder dan bij de opkomst van het
‘jeugdprobleem’. Al voor de oorlog was bezorgdheid
ontstaan over een op moreel gebied onverschillige jonge generatie, maar na
1945 benadrukten onderwijsgevenden (zoals Van der Leeuw) het probleem door
te stellen dat de bezetting vooral de jongeren geestelijk had beschadigd.
| | | | Deze vrees culmineerde in een omvangrijk rapport,
gepubliceerd in 1952, waarin minutieus de oorzaken en gevolgen van een
‘maatschappelijk verwilderde’ jeugd werden
uiteengezet.87 Deze angsten verminderden naarmate de oorlog verder in het
verleden kwam te liggen, maar verdwenen niet. In 1955 introduceerde Jan
Vrijman de nozems, als onderwerp van een aandachttrekkend artikel over de
‘onbegrijpelijke’ jongelui in Amsterdam.88 De typische nozem was een tiener
uit de arbeidersklasse die verzot was op rock-'n-roll en zich verre hield
van enig ideaal anders dan dat van lol hebben. Dit was een afschrikwekkend
beeld voor de fatsoenlijke representanten van de middenklasse, die tot in de
jaren zeventig dit woord gebruikten om te verwijzen naar alle jonge
relschoppers (ook de provo's zouden later nozems genoemd worden). Maar een
wellicht nog grotere zorg voor de middenklasse was de toestand van haar
eigen kinderen, die zelf een stuitend gebrek aan idealisme tentoonspreidden.
Onverschilligheid ten opzichte van ideologie of (binnen de kerken) geloof en
theologie was duidelijk waarneembaar bij de tieners en jonge volwassenen van
het midden van de jaren vijftig. De socialisten werden genoodzaakt hun
jongerenorganisatie wegens gebrek aan belangstelling te ontbinden. In de
KASKI-rapporten van de jaren vijftig konden de katholieke elites onder
andere lezen dat het wekelijkse misbezoek onder de jeugd sterk afham.89 Kerkleiders namen de tekenen des tijds serieus,
maar het was voor hen moeilijk om iets anders te doen dan zich aan te passen
aan deze nieuwe ontwikkeling. Een rapport van 1954 van de Gereformeerde
Kerken in Nederland (GKN) over de jeugd in Amsterdam drukte het zo uit:
‘En nu dreigt het grote gevaar, dat de Kerk de indruk
maakt (en niet ten onrechte), dat zij achter de feiten aanloopt, eerst
veroordeelt en dan, als zij tegen de werkelijkheid niet meer op kan, zo
ongeveer de houding aanneemt van: “dan moeten wij het maar
accepteren”. Dit is noch voor de Kerk, noch voor de jonge mensen profijtelijk!’90
Profijtelijk of niet, ‘dan moeten wij het maar
accepteren’ werd naarmate de jaren vijftig vorderden meer en meer
de houding tegenover de jongere generatie waarin kerkleden en elites
berustten. De jongeren, die financieel zelfstandiger en minder goedgelovig
waren dan hun ouders, weigerden de rolverdeling te volgen die traditioneel
voor hen was vastgelegd. Deze ‘nieuwe volwassenen’,
zoals Johan Goudsblom hen noemde in zijn baanbrekend rapport uit 1959, waren
zelf het produkt van de moderniteit. Goudsblom beschouwde, evenals veel
andere naoorlogse sociale wetenschappers, ‘het
jeugdprobleem’ als een modern probleem, ontstaan | | | | uit
een onpersoonlijke, gedifferentieerde samenleving.91 Volgens hem
leken ze veel op hun ouders, maar ze waren toleranter en sceptischer, en
minder vatbaar voor ‘blind idealisme’.92 De oorlog had de
oudere generatie in alle landen in diskrediet gebracht en zowel oud als jong
in Nederland bevonden de oudere generatie schuldig.93 Het moest de moderne jeugd in ieder geval worden toegestaan
haar eigen gang te gaan. In het midden van de jaren vijftig was deze
boodschap overgenomen door veel vooraanstaande Nederlanders die in contact
stonden met de jeugd. Deelnemers aan het nationale congres ‘Jeugd
1955’ waren er getuige van dat de leiders van vroeger (zoals de
alomtegenwoordige Banning) de zelfstandigheid van de leiders van morgen
uitriepen.94 Volwassenen die eens gewend waren
hun kinderen als marionetten te behandelen, gaven hun nu zelf de touwtjes in
handen, zoals de historicus Piet de Rooy het omschreef.95 De ‘moderne jeugd’ had een eigen weg
gekozen naar volwassenheid en dat moest worden gerespecteerd.96
Dat de jeugd zoveel ruimte werd gegeven is goed zichtbaar in de omwenteling
in de onderwijskundige theorie en praktijk, een verandering waaraan in
recente literatuur veel aandacht is besteed. Nieuwe onderzoeken hebben laten
zien hoe in de jaren vijftig de pedagogiek veranderde, zelfs in
confessionele kringen.97 Evenals in andere westerse landen werd de jeugd aangemoedigd
haar eigen meningen te verwoorden, beïnvloed door de Nederlandse
vertalingen van de werken van de populaire Amerikaanse arts Benjamin Spock.
Onder pedagogen van alle ideologische overtuigingen werd het de norm om
kinderen op moderne wijze op te voeden. Twee katholieke kindertijdschriften
veranderden hun naam in 1958 om zich aan te passen aan deze
‘nieuwe’ benadering. Okki
presenteerde zichzelf als ‘het moderne katholieke
kindertijdschrift’, terwijl de redacteuren van Taptoe hun tijdschrift omschreven als ‘fris, modern,
katholiek en boeiend’.98 De herwaardering
van de mening van tieners kwam deels voort uit hun betere opleiding, het
gevolg van de naoorlogse onderwijsrevolutie. In de jaren vijftig was het
voor de beschaafde middenklasse-ouders modieus om hun kinderen op
positievere wijze groot te brengen (minder dwang, meer discussie).99 Deze nieuwe trend was ook
van grote invloed op de duizenden onderwijzers en pedagogen die in de jaren
vijftig afstudeerden en een baan vonden. Evenals de opstellers van het
PvdA-rapport van de onderwijscommissie uit 1956 konden zij niet veel
waardering opbrengen voor de oude onderwijsmethoden. In hun ogen waren deze
niet in staat gebleken zich de ‘moderne onderwijskundige en
psychologische inzichten’ eigen te maken, waartoe ook de
erkenning van een ‘maatschappij-in-verande- | | | | ring’ behoorde.100
Nieuwe methoden moesten worden ontwikkeld om de jeugd voor zich te winnen,
waarbij men hoopte dat door een meer begrijpende benadering de jongeren
bereid zouden worden dezelfde waarden en prioriteiten aan te hangen als hun
ouders.101
De noties ‘generatiekloof’ en
‘jeugdprobleem’ werden in de jaren vijftig door de
sociale wetenschappers en de pedagogen volledig geaccepteerd en - evenals
‘het moderniseringsproces’ - aangenomen als
onbetwistbare waarheden. Hoewel hun kijk op de jeugd zelden overeenkwam met
de wijze waarop de jongeren zichzelf zagen, bleven intellectuelen,
kerkelijke leiders, leraren en ouders de ‘moderne
jeugd’ beschouwen als een kracht waar moeilijk greep op te
krijgen was. Ze geloofden dat zij goed naar hen moesten luisteren en op hun
behoeften reageren teneinde de ‘moderne jeugd’ in de
samenleving te kunnen opnemen. Voor veel oudere mensen werd de jeugd de
belichaming van hun onvermogen de toekomst te beheersen, een toekomst die zo
heel anders zou zijn dan het verleden. Erkenning van het jeugdprobleem
sterkte hen in ieder geval wel in het ongemakkelijke besef dat de tijden
onverbiddelijk veranderden. Dit ongemakkelijke gevoel bracht de oude elites
niet tot totale overgave van de oude waarden en normen, dat tonen de
conflicten van de jaren zestig aan. Maar het betekende wel dat de oude
elites werden verscheurd tussen het vasthouden aan hun eigen waarden en
normen en het laten geschieden van wat komen moest. In 1960 gaf Banning,
zonder dit te beogen, uiting aan dit tegenstrijdige gevoel:
‘...welk toekomst-ideaal moeten wij de jonge generatie
meegeven opdat zij hun politieke malaise leren overwinnen? Antwoord: geen
enkel. Een jonge generatie heeft aan haar situatie een eigen ideaal voor de
toekomst te ontworstelen; het beste wat ouderen daarbij kunnen doen is hen
daarvoor toe te rusten met nuchtere werkelijkheidszin, diepe vrijheidsliefde
en zedelijk normbesef.’102
| |
‘Morgen zal alles anders zijn’
Omgeven door ruïnes, geschokt door bloedbaden en in de schaduw van
Stalin werden ‘geestelijke’ waarden (religie,
anti-materialisme, arbeid) door Nederlanders snel gezien als een soort
talisman tegen toekomstige rampen. Zelfs in het begin van de jaren zestig
was de herinnering aan moeilijke tijden nog vers. In zijn kersttoespraak in
1960 drukte prins Bernhard de luisteraars op het hart om van de
‘strijd’ een deugd te maken.103 Maar in 1963 was van deze strijd
weinig meer te merken; rijkdom en nieuwe mogelijkheden waren de maatschappij
deel geworden. Nederland bleek rijker te zijn dan het dacht toen de grote
gasbel die in | | | | 1959 in Slochteren was ontdekt een overvloedige
energiebron en een waardevol exportprodukt binnen handbereik bracht. De
economie kwam tot bloei en in 1963 en 1964 stortte het stelsel van
zorgvuldig beheerste loonplafonds ineen. Tussen 1959 en 1962 waren de lonen
reeds tweeëntwintig procent gestegen, maar na 1963 was de
Nederlandse arbeidsmarkt getuige van een loonexplosie; in 1964 gingen de
lonen met zeventien procent omhoog (deels te danken aan een afname van het
zwart verdienen ten gunste van het legaal verdienen), gevolgd door een
periode waarin de lonen per jaar tien procent stegen.104 Nog
in 1957 was slechts vier procent van de Nederlandse huishoudens in het bezit
van een televisie, acht procent bezat een auto en drie procent een koelkast.
Een decennium later was dit respectievelijk tachtig, vijfenveertig en
vijfenvijftig procent.105 Tegelijk met de welvaart kwam ook een dooi in de Koude Oorlog;
na het voorbijgaan van de Cubaanse kemwapencrisis (1962) was in de kranten
een optimistischer toon merkbaar.106 Ten slotte was 1963 het jaar waarin ‘de
pil’ in Nederland werd geïntroduceerd, met
verstrekkende consequenties. Plotseling hadden de oude deugden hun
relevantie verloren, de wereld leek vrijer en stralender dan ooit tevoren.
Soberheid en ascese, begrippen waar de populaire tijdschriften enkele jaren
daarvoor bol van stonden, waren niet meer in trek. Rond 1960 namen
gezinsbladen als Katholieke Illustratie en De
Spiegel (protestants) afstand van hun vrome toon en traditionele
lay-out en kozen in plaats daarvan voor kleurenfoto's van (vaak exotische)
vakantieoorden. Ook boeken veranderden van stijl en inhoud; de moralistische
novellen van de jaren vijftig werden vervangen door moreel-neutrale
verhalen.
Zo verwijderde het verleden zich snel, vooral het recente verleden bleek voor
zowel jong als oud rap uit het zicht te verdwijnen. Dat bekende politici het
toneel verlieten en plaats maakten voor nieuwe, versterkte het besef dat een
tijdperk was afgesloten. Zo maakte de inaugurele rede van John F. Kennedy
veel indruk op de Nederlanders; evenals de Amerikanen interpreteerden zij
die als een teken dat een nieuwe tijd was aangebroken. Ook in Nederland
traden nieuwe politici aan. Mannen die lange tijd het gezicht van de
partijen hadden bepaald trokken zich terug uit het openbare leven: Drees van
de PvdA (1959), C.P.M. Romme van de KVP (1961), Tilanus van de CHU (1963),
Oud van de VVD (1961) en Jan Schouten van de ARP (1957). Bij de nieuwe
generatie politieke woordvoerders ontbrak weliswaar het charisma van een
Kennedy, maar toch waren hun opvolgers op eigen manier geschikte
‘moderne’ vervangers die de politiek
‘zakelijk’ aanpakten.
In deze dagen rolde een grote hoeveelheid boeken van de pers die de | | | | hoogtijdagen van de verzuiling en de liberale economie tot
onderwerp had. De jaren twintig en dertig werden met al hun eigenaardigheden
tegen het licht gehouden. Deze populaire boeken wilden aantonen hoezeer elke
subcultuur in een kwart eeuw tijd was veranderd. Vooral de liberalen en de
katholieken moesten het ontgelden. Het populaire boek van Michel van der
Plas Uit het rijke roomsche leven (1963) haalde welbewust
niet alleen de meest bizarre, maar ook de meest onplezierige aspecten van
het katholieke leven naar boven (zoals de katholieke kijk op protestanten,
joden en kunst), opdat de lezers zouden zeggen: ‘Nooit
meer’. De jonge, aankomende VVD-politicus H.J.L. Vonhoff
beschreef in De zindelijke burgerheren uit 1965 de
vooroorlogse liberalen als bekrompen, oude patriciërs. Hij
verzekerde zijn lezers (die toch allen potentiële liberale
kiezers waren) dat het tijdperk van deze heren ‘verleden tijd,
voltooid verleden tijd’ was.107 In
1964 verschenen twee boeken over de protestanten met titels die beide het
mannelijke karakter van deze zuil benadrukten; Parade der
mannenbroeders van Van Kaam en Het beeld der
vad'ren van De Gooyer. Een zekere toon van nostalgie kon de boeken niet
worden ontzegd, maar gezien de titels was ook satire niet ver te zoeken.
Deze periode zou in de ogen van de lezers misschien een beetje
‘potsierlijk’ zijn, waarschuwde De Gooyer zijn lezers,
maar ze zouden er waarschijnlijk toch niet aan ontkomen er ook
‘met een beetje vertedering naar te kijken’.108 Alleen de socialisten uit de jaren twintig en dertig werden met
wat meer sympathie geportretteerd door drie bekende linkse intellectuelen,
Igor Cornelissen, Ger Harmsen en Rudolf de Jong in De taaie
rooie rakkers (1965). Het lukte de rode zuil echter niet aan satire
te ontsnappen. De komedie Zo is het toevallig ook nog 's een
keer van de VARA gaf een aflevering de titel ‘Het rijke
rode leven’ mee, waarin filmclips van socialistische volksdansen
en andere ouderwetse aspecten van het leven in de jaren dertig werden
getoond.109 Reagerend op de populariteit van Uit het rijke roomsche leven schreef S.U. Zuidema, een
gereformeerde filosoof:
‘Wij distantiëren ons van ons voorgeslacht,
maken hen lachwekkend, of schamen ons voor hen, bevuilen hun nest tot
meerdere zelfrechtvaardiging van onze “sociale”
bewogenheid, grote-wereld-politiek, ons anti-kolonialisme tot aan de grens
van wat een dagblad in Nederland de
“weg-met-ons-mentaliteit” pleegt te
noemen?’110
Zuidema had gelijk, niettegenstaande zijn gemelijke toon. De bovengenoemde
boeken vestigen niet alleen de aandacht op de enorme afstand tussen 1939 en
1964, maar ook maken ze een stereotype van het verleden; de ouderwetsheid
van dat tijdperk was volkomen vreemd aan de toen- | | | | malige waarden
en normen. De ouderwetsheid was op z'n best irrelevant en op z'n slechtst
schadelijk, maar in elk geval uit de tijd. En veel oudere
elites begrepen dit even goed als de nieuwe leiders, die met veel kabaal in
het midden van de jaren zestig de macht in Nederland wilden grijpen.
Begin jaren zestig was van deze machtsovername nog niet veel te bespeuren.
Toeristen kwamen nog steeds onder de indruk van het conservatisme, de rust
en de godsdienstigheid van het land. Een jonge generatie kon samen met
oudere critici, en niet geheel zonder reden, nog steeds klagen over het
bekrompen conservatisme en de kleinburgerlijkheid van hun eigen land. Nog in
1966 sprak de filmcriticus Constant Wallagh venijnig over Holland en
‘...ons drassige polderklimaat, de eeuwige mist boven
Den Haag, de penny-wise and pound-foolish atmosfeer van ons zakenleven (...)
de calvinistische angst voor dramatische fantasie. Staphorst is groter dan u
denkt...’111
Toch konden de elites, ook voordat de grote culturele veranderingen plaats
zouden vinden, zich niet meer geheel scharen achter de politieke, sociale en
godsdienstige orde. Zij leken de bewakers van waarden zonder toekomst te
zijn. De oude politiek en het geloof waren aangetast door de vooroorlogse
periode, aangevallen door de doorbraakideologie verzwakt door het
onvermijdelijke moderniseringsproces, in de steek gelaten door
‘de jongere generatie’, overweldigd door de voorspoed
en daarbovenop kwetsbaar gebleken voor karikaturale vertekening. De oude
orde was heel broos, niet in het minst door de wijdverspreide verwachting
dat er geen toekomst in zat. Morgen zal alles anders zijn
was zowel de titel van als de verwachting weergelegd in een boek geschreven
door de voormalige secretaris van koningin Wilhelmina, Thijs Booy.112 Hoewel zijn
hartstochtelijke geschrift niet direct de gevoelens van genuanceerd denkende
personen vertolkte, gaf het uitdrukking aan de overtuiging van de meeste
godsdienstige en politieke elites dat er nog veel zou veranderen omdat er al
zoveel was veranderd. Als de Nederlandse elites één
ding van hun naoorlogse ervaringen hadden geleerd, was het om van de nood
een deugd te maken. En zoals we zullen zien stond de geestdrift van Booy
voor het onvermijdelijke niet op zichzelf.
Kort gezegd moeten de markante hervormingen en de revolutionaire bewegingen
van later, in de jaren zestig, worden gezien als een actieve aanval op de
instituten en ideeën die veel Nederlandse gezagdragers al eerder
hadden bestempeld als te ouderwets voor het ‘moderne’
leven. Veel (maar niet alle) voorstellen tot vernieuwing en verandering
waren reeds | | | | eerder naar voren gebracht. Weliswaar kwamen de
schokkende gebeurtenissen na 1965 voor de heersende elites als een
onaangename verrassing; de veranderingen kwamen en gingen op een volstrekt
onvoorspelbare wijze. Zelfs de scherpzinnige Joop den Uyl, die in de jaren
vijftig de meest gezaghebbende sociale wetenschapper binnen de PvdA was en
van 1973 tot 1977 premier van het meest linkse kabinet in de Nederlandse
geschiedenis, kon de loop die de jaren zestig zouden nemen niet voorspellen.
Maar Den Uyl kon, evenals veel andere elites, zich wel snel aanpassen aan de
nieuwe realiteit; niet alleen omdat hij voelde uit welke richting de wind
woei, maar vooral omdat hij reeds geloofde in de noodzakelijke vernieuwing
van de Nederlandse samenleving.
|
1‘Openingscollege op 1 october 1945’
herdrukt in Pieter Geyl, Historicus in de tijd (Utrecht:
W. de Haan, 1954), 93.
2Uit de reportages van
november 1961 in De Volkskrant, De Nieuwe Rotterdamsche Courant
(NRC), Trouw, Algemeen Handelsblad, De Telegraaf, Het Vrije Volk, Het
Parool en zoals die zijn gecorrigeerd door G.C.J.J. van den Bergh
e.a. in Staphorst en zijn gerichten (Meppel: Boom, 1980),
160-166. Sommigen denken dat Staphorst onterecht zoveel aandacht kreeg.
Laatstgenoemde boek is één van de pogingen om
Staphorst zijn goede naam terug te geven.
3Hoewel de man en de vrouw de
beschuldigingen ontkenden hebben ze de straf aanvaard; Maarte werd
uiteindelijk weer herenigd met haar man en Derk zette zijn bloeiende bedrijf
voort in Staphorst.
4C.H.M. Palm, ‘Costumes in Staphorst, a Village in the
Eastern Netherlands’, Internationales Archiv
für Ethnographie, 50 (1964), 1, 43-59; Van den Bergh,
Staphorst en zijn gerichten, 18.
5Uit de
ingezonden brieven die in november 1961 in de bestudeerde kranten
verschenen. Van den Bergh betwist dat deze praktijken alleen voorkwamen in
Staphorst; hij wijst op vergelijkbare gebeurtenissen in Limburg tijdens de
jaren vijftig.
6NRC, 16
november 1961; Telegraaf, 14 november 1961; Trouw, 21 november 1961; Volkskrant, 17 november
1961.
7‘Vandaag deed ik een stap terug de Middeleeuwen
in...’, schijnt Paula James te hebben geschreven in de London Daily Mirror, geciteerd in Trouw,
21 november 1961. Ook wordt de bezorgdheid voor de internationale reputatie
verwoord in de NRC, 15 november 1961.
8‘Dezer dagen’, NRC, 17 november
1961.
9Geciteerd in J.H. Kruizinga, Nederland door een
vreemde bril (Assen: De Torenlaan, [1962]), 151-152. De
Nederlanders kenden Shackford in 1961 voor zijn inspanningen de Willem de
Zwijger-prijs toe.
10‘Dezer
dagen’, NRC, 17 november 1961.
11De meeste Nederlanders met wie ik sprak over
het opnemen van de ‘Staphorster affaire’ in dit boek,
lieten mij weten dat Staphorst niet is zoals de rest van Nederland.
12Opiniepeiling door UNESCO waarin aan
de Nederlanders werd gevraagd om zich op twaalf voorgeschreven kenmerken te
vergelijken met Amerikanen, Russen, Britten, Fransen en Chinezen. De
Nederlanders deelden zichzelf uiteraard hoog in, boven alles waren ze
vredelievend (68% was daarvan overtuigd), hardwerkend (62%), intelligent
(49%) en progressief (43%). Geciteerd in Alphons Chorus, De
Nederlander, uiterlijk en innerlijk (Leiden: Sijthoff, 1964),
159-160.
13De Anti-Revolutionaire Partij, in de Tweede Kamer met
zeventien van de honderd zetels vertegenwoordigd, steunde deze nieuwe
coalitie niet. Toch nam Gerbrandy, een eigenzinnige antirevolutionair,
plaats in dit kabinet. Een jaar later werd hij premier in Londen, waar
het kabinet gedurende de oorlog was gezeteld. Ook de communisten, de
nationaal-socialisten en de kleine calvinistische partijen ondersteunden
de regering niet.
14Dit gevoelen werd in het grootste deel van
de illegale pers geuit. Het citaat is van een links-socialistisch
pamflet, ‘Om Neerland's toekomst’, geschreven in
de zomer van 1943, 4. Zie voor dezelfde ideeën in een
behoedzamere vorm Trouw, ‘Onze politiek in
de toekomst’ (1943). Trouw overleefde de
oorlog, evenals het meer naar links hellende verzetsblad
‘Vrij Nederland’. Beide bladen functioneerden op
hun eigen wijze als zelfbewuste dragers van vernieuwing.
15Willem Banning, Als een goed instrument (Amsterdam:
Ploegsma, 1946), 91-92, geschreven tijdens de herfst van 1942 in Sint
Michielsgestel.
16Gerardus van der
Leeuw, Balans van Nederland (Amsterdam: H.J. Paris,
1945), 3.
17W.P.J. Pompe, Bevrijding, bezetting, herstel, vernieuwing
(Amsterdam: Vrij Nederland, 1945).
18Hendrik Kraemer, Op welken grondslag? Een woord tot het Nederlandsche
volk (Amsterdam: Vrij Nederland, 1945), 31.
19Tekst
van het manifest herdrukt in W. Banning, J. Barents, (red.), Socialistische documenten (Amsterdam: De
Arbeiderspers, 1952), 219-226. Zie ook Willem Schermerhorn, Willem
Banning, Voor het voetlicht (Amsterdam: NVB, [1945]),
5-25.
20W. Banning, De dag van morgen (Amsterdam: Ploegsma, 1946), 37; zie
ook Van der Leeuw, Balans van Nederland.
21Jan Bank, Opkomst en ondergang van de Nederlandse Volksbeweging
(NVB) (Deventer: Kluwer, 1978); Madelon de Keizer, De
gijzelaars van Sint-Michielsgestel: Een elite-beraad in
oorlogstijd (Alphen aan den Rijn: Samsom, 1979). Beide boeken
zwakken de veronderstelling af dat de inzichten van deze elites een
grote en brede populariteit genoten.
22Vooral dit aspect heeft zich de laatste vijfentwintig jaar mogen
verheugen in wetenschappelijke belangstelling. De ‘seksuele
politiek’ van deze vernieuwers is belicht in twee recente
publikaties, Hansje Galesloot, Margreet Schrevel, (red.), In fatsoen hersteld: Zedelijkheid en wederopbouw na de oorlog
(Amsterdam: SUA, [1989]), en Herman de Liagre Böhl en Guus
Meershoek, De bevrijding van Amsterdam: Een strijd om macht
en moraal (Zwolle/Amsterdam: Waanders/Gemeentearchief, 1988).
De politieke standpunten van deze vernieuwers, in het bijzonder hun
conservatisme, hun anti-democratische geest en hun corporatisme, worden
behandeld door De Liagre Böhl en Meershoek; Jacques S. Hoek,
Politieke geschiedenis van Nederland: Oorlog en
herstel (Leiden: Sijthoff, 1970); H.J.A. Hofland, Tegels lichten of ware verhalen over de autoriteiten in het land
van de voldongen feiten (Amsterdam: Contact, 1972); J. Bosmans,
‘Het maatschappelijk-politieke leven in Nederland
1945-1980’, in J.A. de Jonge, Geschiedenis van
het moderne Nederland: Politieke, economische en sociale
ontwikkelingen (Houten: De Haan, 1988), 562-608.
23E. van Raalte,
(samenst.), Troonredes, openingsredes, inhuldigingsredes,
1814-1963 (Den Haag: Staatsuitgeverij, 1964), 266.
24Voor een diepgaander analyse van de redenen waarom zoveel
prominente CHU'ers uit de partij traden, zie Jan Wieten, Dagblad en doorbraak: De Nederlander en de nieuwe Nederlander
(Kampen: J.H. Kok, 1986). De euforie van het PvdA-congres kan worden
opgemerkt in Het nieuwe begin: Verslag van het
stichtingscongres van de Partij van de Arbeid, Amsterdam, 9 februari
1946 en W. Thomassen, (samenst.), Opening van
zaken: Een en ander over de voorbereiding ener Partij van de
Arbeid (Amsterdam: 1946).
25Uit statistieken verzameld door
Bosmans, ‘Het maatschappelijk-politieke leven in
Nederland’, 568-569.
26Geyl,
Historicus in de tijd, 97.
27De historicus Ernst Kossmann noemde
de naoorlogse periode ‘jaren van tucht en ascese’
en J.C.H. Blom toonde in de jaren zeventig overtuigend aan dat de Tweede
Wereldoorlog niet gezien moest worden als een politiek en sociaal
keerpunt in de Nederlandse geschiedenis. Zie ‘Jaren van tucht
en ascese:. Enige beschouwingen over de stemming in herrijzend Nederland
(1945-1950)’, in P.W. Klein, G.N. van der Plaat, (red.), Herrijzend Nederland: Opstellen over Nederland in de
periode 1945-1950 (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1981),
125-158.
28De Indische socioloog K. Ishwaran was
laat in de jaren vijftig zeer onder de indruk van de stabiliteit van het
Nederlandse gezinsleven, het vormde de these van zijn goed ontvangen Family life in the Netherlands (Den Haag: Van Keulen,
1959). Zie Galesloot en Schrevel, In fatsoen
hersteld.
29Geciteerd in M.W. Braams, ‘Wending’, 1946-1956: Nieuwe opvattingen over
de verantwoordelijkheid van christenen in politiek en
samenleving (Utrecht: Utrechtse Historische Cahiers, 1989),
35.
30H.M. van Randwijk, ‘Nabeschouwing’, in
J.J. van Bolhuis, e.a., Onderdrukking en verzet: Nederland
in oorlogstijd, vol. 4 (Arnhem/Amsterdam: Van Loghum
Slaterus/Meulenhoff, 1954), 775-778.
31Tot de jaren zestig waren de Nederlandse
intellectuelen geneigd om de jaren veertig en vijftig te beschouwen als
een stap verder dan de ‘conservatieve’ jaren
dertig, zie W. ten Have in ‘De geschiedschrijving over crisis
en verzuiling’, in W.W. Mijnhardt, e.a., Kantelend geschiedbeeld: Nederlandse historiographie sinds
1945 (Utrecht: Aula/Spectrum, 1983), 284. Zelfs
‘progressieve’ sociologen als J.P. Kruijt en
Walter Goddijn beschouwden in 1962 het jaar 1945 als een keerpunt waarin
de ‘doorbraak’ de negentiende eeuwse
‘antithese’ aan het wankelen begon te brengen. Zie
J.P. Kruijt, Walter Goddijn, ‘Verzuiling en ontzuiling als
sociologische proces’, in A.N.J. den Hollander, e.a., Drift en koers: Een halve eeuw sociale verandering in
Nederland (Assen: Van Gorcum, 1962), 234-235. In de jaren
zeventig en tachtig overheerste de
‘restauratie’-these, waarin wordt gesteld dat pas
in de jaren zestig de consensus in de Nederlandse samenleving afbrak,
maar recent hebben wetenschappers deze stelling krachtig bestreden. Naar
hun mening is het sociaal conformisme wat aan de periode vlak na de
Tweede Wereldoorlog wordt toegeschreven, op z'n minst een
‘ongenuanceerd en daarom vals beeld’ (Hans
Daalder, ‘Zestig jaar Nederland (1926-1986)’, in
J.H.J. van den Heuvel, e.a., Een vrij zinnige verhouding:
De VPRO en Nederland, 1926-1986, Baarn: Ambo, 1986, 25-26).
Volgens Daalder was de mate van overeenstemming in de jaren 1945-1960
niet zo groot als velen veronderstelden; noch het buitenlands beleid
noch het sociaal-economisch beleid was vrij van conflicten. En vooral
onderzoek naar pedagogiek in de jaren vijftig bracht een zichtbare breuk
met het verleden aan het licht. De bekendste verwerpingen van de
conformisme- en consensus-theorie zijn Siep Stuurman, ‘Het
zwarte gat van de jaren vijftig’, Kleio, 25
(1984), 8, 10-12, en Tjitske Akkerman en Stuurman, (red.), De zondige Riviera van het Katholicisme (Amsterdam: SUA,
1985).
32Bosmans,
‘Maatschappelijk-politiek leven in Nederland’,
586.
33Ton Anbeek, Na de oorlog:
De Nederlandse roman, 1945-1960 (Amsterdam: Synthese, 1986),
7-36.
34Braams, ‘Wending’ 1946-1956 en gebaseerd
op mijn eigen studie van het tijdschrift, 1957-1963.
35Zie O. Noordenbos, ‘De nieuwe stem in
eenentwintig jaren’. De Nieuwe Stem, 22
(1967), 730-750.
36Zie Herman de Liagre Böhl, ‘Willem Banning en de
Partij van de Arbeid en de verloren strijd om de doorbraak’,
Het twaalfde jaarboek voor het democratisch
socialisme (Amsterdam: Wiardi Beckman Stichting/De Arbeiderspers,
1991), 47-81. Zie voor zowel de moralistische toon als voor een
meeslepende verdediging van de ‘doorbraak’, Willem
Banning, Ons socialisme (Amsterdam: Partij van de
Arbeid, 1954), geschreven als protest tegen het bisschoppelijk
mandement, en H. Vos, e.a., Het mandement en de Partij van
de Arbeid (PvdA, z.p., 1954). Dat de
‘doorbraak’ tot midden jaren zestig zo belangrijk
was voor de identiteit van de PvdA is zichtbaar in N. Cramer,
‘Doorbraak in duplo’, Socialisme en
Democratie (1966), 685-691.
37G.E. van Walsum, ‘Bracht de doorbraak
desillusie?’, Socialisme en Democratie, 16
(1959), 638.
38K.H. Miskotte, e.a., ‘Christen-zijn in de
Nederlandse samenleving’, in Documenten
Nederlandse Hervormde Kerk, 1945-1955 (Den Haag, Boekencentrum,
[1955]), 446. Het rapport werd geschreven door bekende personen binnen
de NHK en de CHU, een partij die grotendeels uit hervormden
bestond.
39‘Resolutie’, KVP-partijbijeenkomst, 22 december
1945, herdrukt in Parlement en Kiezer, XLII
(1958-1959), 114.
40Henri Lenferink, ‘De
terugkeer van een Katholieke Eenheidspartij na de Tweede
Wereldoorlog’ Jaarboek, Katholiek Documentatie
Centrum (1980), 80-117; J. Bosmans,
‘“Beide er in en geen van beide er
uit”. De rooms-rode samenwerking, 1945-1952’, in
Klein en Van der Plaat, Herrijzend Nederland, 29-54.
Volgens Lenferink gaven de meeste oprichters van de partij de voorkeur
aan de naam ‘Christelijke Volkspartij’, maar
praktische motieven (namelijk protestantse reacties) weerhielden hen
hiervan.
41Herman Bakvis, Catholic
power in the Netherlands (Kingston/Montreal: McGill-Queen's
University Press, 1981), 64-75.
42‘Algemeen Staatkundig
Program’ van de KVP (1956), in Parlement en
Kiezer, XLII (1958-1959), 114-138;
‘Verkiezingsmanifest 1959’, Parlement
en Kiezer, XLIII (1959-1960), 138-140.
43Bosmans beweert terecht dat de betekenis van het
bisschoppelijk mandement is overschat; in een tijd van toenemende
samenwerking en in een periode waarin de bisschoppen zich steeds minder
uitspraken kwam het mandement als een schok. ‘Het
maatschappelijk-politieke leven in Nederland’, 586.
44B. van Haersma Buma,
‘Nogmaals: politieke malaise en confessionele
partijen’, Wending, 15, 7 (september 1960),
409-413.
45Doeko Bosscher, Om de erfenis van
Colijn: De ARP op de grens van twee werelden, 1939-1952 (Alphen
aan den Rijn: Samsom, 1980).
46Gebaseerd op een systematisch
onderzoek van het ARP-orgaan Anti-Revolutionaire
Staatkunde, 1958-1964.
47S.W. Couwenberg, De strijd tussen
progressiviteit en conservatisme: Sociologische en
cultuurhistorische belichting van een veel omstreden
tegenstelling (Den Haag: Pax, 1959), 16-17; 350-351.
48Volgens Piet
de Rooy in een gesprek; zie zijn Werklozenzorg en
werkloosheidsbestrijding, 1917-1940 (Amsterdam, Van Gennep
1979), 235.
49J.P. Kruijt, e.a., ‘Verzuiling’, Socialisme en Democratie, 14 (1957). 1-79; J.P.
Kruijt, ‘Levensbeschouwing en groepssolidariteit in
Nederland’, Sociologisch Jaarboek, XI
(1957), 29-65; J.A.A. van Doorn, ‘Verzuiling: een eigentijds
systeem van sociale controle’, Sociologische
Gids, 3 (1956), 41-49. Volgens Van Doorn was verzuiling het
combineren van een traditionele ideologie met een moderne organisatie,
dat steeds meer invloed uitoefende.
50J.C.H. Blom, Verzuiling in Nederland en in het
bijzonder op lokaal niveau, 1850-1925 (Amsterdam: SUA, 1981),
7.
51W. Banning, ‘De
roeping van een klein volk’, in Nederland,
plaats en roeping te midden der natiën (Lochem: De
Tijdstroom, 1955), 52; Kleywegt geciteerd in J.J. Gielen,
‘Zuilvorming en verzuiling’, Katholiek Staatkundig Tijdschrift 14, 5 (juli 1960), 143.
Gielen, een KVP'er, probeerde zelf onderscheid te maken tussen
‘zuilvorming’ (goed) en
‘verzuiling’ (slecht).
52Laat in de jaren vijftig verscheen
een golf van academische (anti)verzuilingsliteratuur: Sociologische Gids, 3 (1956), 41-80; Sociologisch
Jaarboek, XI (1957); en Socialisme en
Democratie, XIV (1957), 1-79. Een klassiek werk is van de hand van
J.P. Kruijt, Verzuiling (Zaandijk, 1959).
53J. de Kadt, Ketterse kanttekeningen
(Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1965), 158.
54Ed Simons, Lodewijk Winkeler, Het verraad der clercken: Intellectuelen en hun rol in de
ontwikkelingen van het Nederlandse katholicisme na 1945 (Baarn:
Arbos, 1987), 207. Dit boek is het meest beknopte overzicht van de
veranderingen in de rooms-katholieke kerk na de Tweede
Wereldoorlog.
55J.P. Kruijt, ‘De begrippen verzuiling en
ontzuiling’, Socialisme en Democratie, 19
(1962), 795.
56Zie vooral de discussies in Pacificatie en de zuilen (Meppel: Boom, 1965). Voor
een vergelijkbare kritiek op de verzuiling in de CHU, zie I.N.T.
Diepenhorst, ‘The morning after...’, Christelijk Historisch Tijdschrift, 10, 3 (mei 1965),
1-11.
57Kruijt en Goddijn, ‘Verzuiling en
ontzuiling’, 247.
58Jan
Hein Donner in een interview met Kees Tamboer, ‘Explosief
Amsterdam’, Het Vrije Volk, 24 april
1967.
59Couwenberg, De
strijd tussen progressiviteit en conservatisme, 343.
60F.A.G. Keesing geciteerd
in J.R.M. van den Brink, Zoeken naar een
‘heilstaat’: Opbouw, neergang en perspectief
van de Nederlandse welvaartsstaat (Amsterdam/Brussel: Elsevier,
1984), 435.
61A. Winsemius geciteerd in C.P.M. Romme, Katholieke politiek (Utrecht/Antwerpen: Spectrum, 1953),
30.
62Per hoofd van de bevolking ontvingen de Nederlanders in
vergelijking met de andere Europese landen de grootste hoeveelheid
Marshallhulp, toe te schrijven aan de grootschalige vernietiging van de
Nederlandse infrastructuur in het laatste jaar van de oorlog.
63J.R.M. van den Brink, ‘Nota inzake de industrialisatie van
Nederland’, Handelingen der Staten Generaal,
Tweede Kamer (Den Haag: Staatsuitgeverij, 1949-1950), bijlage
IV, 24. Hoewel Van den Brink beïnvloed was door de
socialistische planeconomie, nam hij daar enige afstand van om zowel
ideologische als opportunistische redenen.
64W.F. de Gaay Fortman,
‘Labor relations in the Netherlands today’, Delta, 3 (1960), 3, 30-40; John P. Windmuller, Arbeidsverhoudingen in Nederland, vol. 2
(Utrecht/Antwerpen: Spectrum, 1977), 137-143.
65Ken Gladdish, Governing from the centre: Politics and policy-making in
the Netherlands (Londen: Hurst, 1991), 33-49.
66Gerrit van Veghel,
‘Beheerste modernisering na de Tweede Wereldoorlog. Zuid-Oost
Drenthe als ontwikkelingsgebied’. Lezing op het PdlS,
Universiteit van Amsterdam, 9 maart 1992.
67Van Veghel, ‘Beheerste modernisering na de
Tweede Wereldoorlog’.
68Voor bekende boeken over
de ‘crisis’, zie S.W. Couwenberg, De
vereenzaming van de moderne mens: Een nieuwe formulering van het
sociale vraagstuk (Den Haag: Pax, 1957); H. Brugmans, Crisis en roeping van het Westen (Haarlem: Tjeenk
Willink), 1952); Hendrik van Riessen, The society of the
future (Philadelphia: Presbyterian and Reformed Publishing,
[1953]). Van Riessens boek werd vier maal herdrukt in het
Nederlands.
69Zie bij
voorbeeld de klassieker van Johan van Veen, Dredge, drain,
reclaim: The art of a nation (Den Haag: Martinus Nijhoff,
1962).
70Uit een gesprek met Gerard Alberts, Amsterdam, 14 november
1991. Alberts treft voorbereidingen voor de publikatie van een boek over
mathematische modellen in naoorlogs Nederland. Zie voor de symbolische
betekenis van Moloch, de god van de Ammonieten, Leviticus 18:21.
71Sjoerd Groenman,
‘Industrialisatie langs lijnen van
geleidelijkheid’, Sociologisch Bulletin, 4
(1950), 33.
72Jan Zwemer,
In conflict met de cultuur: De bevindelijk
gereformeerden en de Nederlandse samenleving in het midden van de
twintigste eeuw (Kampen: De Groot Goudriaan, 1992),
402-404.
73Zie bij voorbeeld J.P. Kruijt, ‘Sociale en
culturele problemen van de moderne grote stad’. Sociologisch Bulletin, 10 (1956), 84-94, m.n. 93.
74Henri Beunders, ‘Media en
sociaal-culturele verandering: televisie als voorbeeld’, in
Henk Kleijer, Ad Knotter, Frank van Vree, (red.), Tekens en
teksten: Cultuur, communicatie en maatschappelijke veranderingen
vanaf de late middeleeuwen (Amsterdam: Sociaal
Wetenschappelijke Studies, 1992), 223-234. Van de voorzichtige steun aan
televisie getuigen de troonrede van 15 september 1962, en A. Dronkers,
‘De kerk en het nieuwe psychologische klimaat der moderne
massamedia’, Wending, 17 (1962), 7,
430-440.
75Zie voor het verloop van dit
proces Marja Gastelaars, Een geregeld leven: Sociologie en
sociale politiek in Nederland, 1925-1968 (Amsterdam: SUA,
1985), 95-122.
76Ed Jonker, De sociologische verleiding:
Sociologie, sociaal-democratie en de welvaartsstaat,
(Groningen: Wolters-Noordhoff/Forsten, 1988), 109.
77J.A.A. van Doorn, ‘The
development of sociology and social research in the
Netherlands’, Mens en Maatschappij, 1956,
219, 222; J.A. Ponsioen, ‘Theoretische vraagstukken bij de
studie van sociale verandering’, Den Hollander, Drift en koers, 12.
78Voor de invloed van Mannheim, zie Jonker, De sociologische verleiding, 44-47; voor de invloed
van Merton, Jan Verhoogt, ‘Sociology and progress: A
worldview analysis of the crisis of modern society’, in Paul
A. Marshall, e.a., Stained glass: Worldviews and social
science (Lanham: University Press of America, 1989),
119-139.
79Voor een karakteristieke
beschrijving van de manier waarop Nederlandse sociologen
‘asociaal’ gedrag probeerden te bestrijden, zie
H.P. Milinowski, Sociale aanpassing, niet aanpassing,
onmaatschappelijkheid: Een bijdrage tot de discussie over
probleemgezinnen (Arnhem: Van Loghum Slaterus, 1961). Deze
tamelijk paternalistische pogingen om tot sociale aanpassing te komen
worden door Gastelaars naar voren gehaald in Een geregeld
leven. Volgens haar is de sociologie een middel in de handen
van de bourgeoisie om de arbeidersklasse te kunnen beheersen.
80Groenman,
‘Industrialisatie’, 133-139.
81M.W. Schakel, ‘De
landbouw en het platteland in een veranderende samenleving’,
Anti-Revolutionaire Staatkunde, 31 (1961),
141-142.
82G.J. ter Brugge, S. Herweijer,
‘Het platteland in stroomversnelling’, Wending, 16 (1961-1962), 336-344.
83J.P.A. van den Ban,
‘Plattelandsvernieuwing en de bevolking’, Wending, 16 (1961-1962), 752.
84R. Bergsma, Op weg naar een nieuw
cultuurpatroon (Assen: Van Gorcum, 1963), 9, 207.
85Van Raalte, Troonredes, openingsredes, inhuldigingsredes, 1814-1963 (18
september 1962), 340.
86P.J. Bouman, ‘Sociaal-culturele
achtergond’, Wending, 13 (1958), 7,
369.
87Maatschappelijke
verwildering der jeugd: Rapport betreffende het onderzoek naar de
geestesgesteldheid der massajeugd (Den Haag: Staatsuitgeverij,
1952).
88Jan Vrijman, ‘De nozems eisen het volle
pond’, Vrij Nederland, 3 september 1955. De
herkomst van ‘nozem’ is onduidelijk, maar er wordt
beweerd dat het een acroniem is van ‘Nederlands Onderdaan
Zonder Enige Moraal’.
89G. Dierick, A. Maes, J. Tettero, Dertig
jaar KASKI-onderzoek, 1946-1976 (Nijmegen: Dekker en De Vegt,
1977), 1-38; Daalder, ‘Zestig jaar Nederland
(1926-1986)’ in: J.H.J. van de Heuvel, Een vrij
zinnige verhouding: De VPRO en Nederland 1926-1986 (Baarn:
Ambo, 1986), 36.
90Rapport inzake de situatie van het leven
van de jeugd in Amsterdam, geciteerd in J.C. Sturm, Een goede gereformeerde opvoeding (Kampen: J.H. Kok,
1988), 235.
91Volgens Ruud Abma, Jeugd en tegencultuur: een theoretische
verkenning (Nijmegen: SUN, 1990), 22-23.
92Johan Goudsblom, De nieuwe volwassenen
(Amsterdam: Salamander/Querido, 1959), 153-159.
93Gerard C. de Haas, Andere tijden, andere zeden:
Jeugdgedrag en jeugdcultuur na 1945 (Bilthoven: Ambo, 1971), 7,
12.
94Willem Banning, e.a., Verslag van het congres ‘Jeugd 1955’
(z.p., [1955]), 13, 138-141.
95Piet de Rooy, ‘Jugendpolitik in den Niederlanden,
1945-1955’, in Horst Lademacher, Jac Bosmans, (red.), Tradition und Neugestaltung: Zu fragen des Wiederaufbaus in
Deutschland und den Niederlanden in der frühen
Nachkriegszeit (Münster: Regensberg, 1992),
248-249.
96De woorden zijn afkomstig van de titel van een publikatie
van Het Mgr. Hoogveld Instituut, Moderne jeugd op haar weg
naar volwassenheid (Den Haag: Staatsuitgeverij, 1953).
97A. Dieleman, ‘De
katholieke pedagogiek op weg naar haar volwassenheid’, in F.
Meijers, M. du Bois-Reymond, Op zoek naar een pedagogische
norm: Beeldvorming over de jeugd in de jaren vijftig: het
massajeugdonderzoek (1948-1952) (Amersfoort/Leuven: Acco,
1987), 117-130; Helène Vossen, ‘De eerste jaren
van de Mater Amabilis School. Meisjesonderwijs en
gezinspolitiek’, in Comenius 17, 5 (1981),
1; Sturm, Een goede gereformeerde opvoeding,
233-238.
98Advertentie van
het Nederlands Talen Instituut in Katholieke
Illustratie, 92, 3 (18 januari 1958), 17.
99Een sprekend voorbeeld was het verschijnen van een
serie artikelen in het tamelijk conservatieve protestantse weekblad De Spiegel, oktober 1962, waarin een poging werd
gedaan om de verantwoordelijkheid voor communicatiestoornissen bij de
ouders te leggen en meer begrip op te brengen voor ‘de
jeugd’ en haar interessen.
100Langs
nieuwe wegen: Rapport van de onderwijscommissie van de Partij van de
Arbeid (Amsterdam West: Partij van de Arbeid, 1956), 9.
101Voor een onthullend onderzoek naar deze
ontwikkeling binnen katholieke scholen die aanvankelijk waren opgericht
voor het opleiden van meisjes uit de lagere standen, zie
Helène Vossen, Mater Amabilis en Pater Fortis
onder vuur: Van katholieke levensscholen naar vormingswerk,
1947-1974 (Amsterdam: SUA, 1994).
102Willem Banning,
‘Is er politieke malaise?’, Wending, 14 (februari 1960), 831-832.
103Prins Bernhard, ‘Kerstviering 1960’, in Max Nord,
(red.), Prins Bernhard: Vijftig toespraken (Amsterdam:
W. ten Have, 1961), 204-205.
104Th.J.A.M. van Lier, ‘“Regeren zonder
socialisten valt mee.” De Tweede-Kamerfractie van de Partij
van de Arbeid tussen Drees en Nieuw Links (1959-1966)’, in
J.T.J. van den Berg, e.a., Tussen Nieuwspoort en Binnenhof:
De jaren 60 als breuklijn in de naoorlogse onwikkelingen in politiek
en journalistiek (Den Haag: SDU, 1989), 85; J.J. Woltjer, Recent verleden: De geschiedenis van Nederland in de
twintigste eeuw (Amsterdam: Balans, 1992), 320-321.
105Han Lammers,
André van der Louw, Tom Pauka, (red.), De meeste
mensen willen meer (Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1967),
112.
106H.J.A. Hofland,
Opmerkingen over de chaos (Amsterdam: De Bezige
Bij, 1964), 7.
107Michel van
der Plas, Uit het rijke roomsche leven (Utrecht: Ambo,
1965), 20; H.J.L. Vonhoff, De zindelijke burgerheren: Een
halve eeuw liberalen (Baarn: Hollandia, 1965), 268.
108Ben van Kaam, Parade der
mannenbroeders, protestants leven in Nederland, 1918-1938
(Wageningen: Zomer en Keunings, 1964); A.C. de Gooyer, Het
beeld der vad'ren: Een documentaire over het leven van het
protestants-christelijke volksdeel (Utrecht: Ambo, 1964),
24.
109Igor Cornelissen, Ger Harmsen, Rudolf
de Jong, (samenst.), De taaie rooie rakkers: Een
documentaire over het socialisme tussen de twee wereldoorlogen
(Utrecht: Ambo, 1965); Rinus Ferdinandusse, Jan Blokker, Dmitri Frenkel
Frank, (samenst.), Zo is het toevallig ook nog 's een
keer (Amsterdam: Van Ditmar, Polak en Van Gennep, 1966), 17-21. De
makers van dit programma waren freelancers en geen vaste
VARA-medewerkers. Toch blijft het opvallend dat de VARA bereid was een
zelf-parodie uit te zenden.
110S.U. Zuiderna,
‘Antirevolutionaire politiek in de welvaartsstaat en de
welvaartsstaat in de Antirevolutionaire politiek’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 34 (1964), 188.
111Constant Wallagh,
‘Film kijken en maken in Nederland’, in Han
Lammers, J. van den Berg, (red.), Wat denken wij eigenlijk
wel? (Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1966), 238.
112Thijs Booy, Morgen zal alles anders
zijn (Amsterdam: W. ten Have, 1967).
|
|