|
|
|
| |
| | | |
2 Vlucht naar voren op buitenlands terrein
‘Hoezeer het verkeer de wereld - en niet het minst ons
vaderland - in de laatste halve eeuw veranderd heeft, kan niemand onder woorden
brengen. Niet enkel in handel en bedrijf heeft het gansch ongekend leven gewekt,
maar ook in 't kerkelijke en 't staatkundige, ook in kunst en wetenschap heeft
het zijn invloed doen gevoelen. De gezichtskring van elken afzonderlijken mensch
is er ruimer door geworden, de aarde als geheel veel kleiner, maar tevens veel
productiever. Locomotief en stoomboot, telegraaf en telefoon, rijwiel en auto
hebben grooter verandering veroorzaakt dan alle staatkundige revoluties
tezamen...’ - C. te Lintum, 19131
Op 15 augustus 1962, tien voor half zeven 's avonds, deden de Nederlandse
afgevaardigden in New York schriftelijk afstand van Nieuw-Guinea, de laatste
Nederlandse kolonie in Zuidoost-Azië. Onder de persoonlijke leiding
van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Oe Thant, vergaderden de
betrokken partijen in het kantoor van de Veiligheidsraad om de overdracht van de
soevereiniteit te bekrachtigen. De minister van Buitenlandse Zaken van
Indonesië, dr. Soebandrio, was de enige die zijn land
vertegenwoordigde bij de ondertekening van het akkoord. Hij was verheugd dat
Indonesië de strijd om de onafhankelijkheid eindelijk had gewonnen.
De Nederlandse delegatie bestond uit Jan Herman van Roijen en Carl Schurmann,
beiden ambassadeurs voor Nederland in respectievelijk de Verenigde Staten en de
Verenigde Naties. Zij waren minder geestdriftig, maar toch niet geheel
ontevreden met het resultaat. Besloten was dat, na een korte interimperiode
vanwege een VN-bepaling, ongeveer zevenhonderdduizend Papoea's en
honderdzestigduizend vierkante mijl aan de Republiek van Indonesië
zouden worden overgedragen.2
Ongeacht de overige voordelen waren de Nederlanders met het akkoord in ieder
geval bevrijd van een steeds gevaarlijker wordend conflict met
Indonesië. Nog de dag voor de ondertekening meldden Nederlandse
eenheden de landing van honderden Indonesische parachutisten op Nieuw-Guinea,
een laatste poging van Soekarno om Nieuw-Guinea | | | | te
‘infiltreren’. De president had de Nederlanders onder druk
gezet om hen te dwingen het westelijke deel van het eiland over te dragen, en
zodoende waren sinds de eerste maanden van 1962 reeds vele tientallen
Indonesische en Nederlandse militairen omgekomen in de moerassen van
Nieuw-Guinea. Militaire druk was het laatste middel dat werd aangegrepen in de
tien jaren durende veldtocht van Indonesië om het resterende deel van
Nederlands Oost-Indië in handen te krijgen. Soekarno had al bijna
veertigduizend Nederlandse burgers verbannen en het Nederlandse bezit
grotendeels geconfisqueerd. Toch weigerde de Nederlandse regering, die sterk was
beïnvloed door Joseph Luns (van 1952 tot 1971 de minister van
Buitenlandse Zaken), Nieuw-Guinea over te dragen aan de in Nederland impopulaire
Soekarno. Daardoor zou immers de Nederlandse inspanning om het
zelfbeschikkingsrecht van Papoea's te beschermen worden ondermijnd. Den Haag
hield vol dat dit een zaak was voor de toekomst, te beslechten onder de milde
leiding van Nederlanders zelf of van de Verenigde Naties, maar zeker niet onder
de harde hand van Djakarta. De kracht van dit argument werd in toenemende mate
afhankelijk van de welwillendheid van de Verenigde Staten, die de status quo zo
nodig met militair vertoon zouden moeten garanderen. Luns verzekerde de
Nederlandse regering dat hij hiervoor keiharde garanties had gekregen, eerst van
John Foster Dulles, later ook van John Kennedy. Achteraf bezien lijkt het hoogst
onwaarschijnlijk dat Luns deze garanties ooit kreeg. Hij gaf waarschijnlijk de
vage beloften van Dulles en Kennedy verkeerd weer door ‘wishful
thinking’ of door een bewuste poging de regering te misleiden.3 De annexatie van Goa door
Nehru in december 1961 bleek een weinig hoopgevend voorteken en toen Robert
Kennedy een paar maanden later, in februari 1962, een bezoek bracht aan Den
Haag, werd de Nederlandse politici al snel hun laatste illusies over mogelijke
interventie ontnomen. Kennedy beledigde zijn gastheren door hun mee te delen dat
voor de Amerikanen Indonesië veel belangrijker was dan Nieuw-Guinea.
Zijn boodschap had het bedoelde effect - ‘wij wisten hoe laat het was
in Washington’, wist de bankier-politicus Jelle Zijlstra zich later
te herinneren.4 Vervolgens lieten de Amerikanen het plan van een op handen zijnde
Indonesische invasie uitlekken om zodoende de Nederlanders te overtuigen snel
uit Nieuw-Guinea weg te gaan.5
Toch was de overdracht van Nieuw-Guinea in augustus 1962 voor de Nederlanders
noch geheel ongewenst, noch geheel onverwacht. Vanaf midden jaren vijftig
groeide in Nederland het verzet tegen het behoud van de
koloniën.6 Sinds de PvdA in
1959 de oppositiebanken toegewezen had gekregen, waren veel PvdA-politici (naast
pacifistisch-socialisten en | | | | communisten) er vast van overtuigd dat
de weigering van Luns om de gesprekken met de Indonesiërs te
hervatten onverstandig en gevaarlijk was. In hun ogen was het prijsgeven van de
kolonie onvermijdelijk. Deze gevoelens werden ook binnen confessionele kringen
steeds vaker verwoord, niet in het minst door zendelingen en vertegenwoordigers
van het zakenleven die de relaties met Indonesië zo spoedig mogelijk
wilden herstellen. De meest verbijsterende kentering in de Nieuw-Guinea-kwestie
vond plaats in de Tweede Kamer op 3 oktober 1961 in een toespraak van J.A.H.J.S.
Bruins Slot, fractievoorzitter van de ARP. Siewert Bruins Slot behoorde tot de
partij die zich in 1949 het felst tegen de onafhankelijkheid van
Indonesië had gekeerd, en die de parlementaire ruggesteun vormde voor
het beleid van Luns. Bruins Slot werd altijd gezien als een politicus die
vasthield aan zijn principes, zowel in 1949 als in 1961. Er werd dan ook met
open mond geluisterd toen Bruins Slot er op aandrong dat de regering zonder
voorwaarden te stellen de gesprekken met Soekarno zou aangaan om de mogelijkheid te onderzoeken dat Nieuw-Guinea onder bestuur van
Indonesië kwam. Het christelijke geweten van Bruins Slot werd gekweld
door het hoog oplopende conflict en zijn toespraak was een oprechte oproep tot
verzoening. Daarnaast wees hij er op dat de Papoea's eigenlijk tachtig miljoen
Indonesiërs niet konden negeren en dat de toekomstmogelijkheden van
de Papoea's beperkt waren.7 Wat hij niet direct zei, maar wat wel
uit de strekking van zijn verhaal duidelijk werd, was dat niet alleen de
Papoea's, maar ook de Nederlanders zelf tachtig miljoen Indonesiërs
niet konden negeren en dat er ten aanzien van de hoogstaande beloften aan de
Papoea's misschien water in de wijn gedaan moest worden. Zowel de toespraak van
Bruins Slot als het bezoek van Robert Kennedy toonde de uitzichtloosheid van het
koloniale beleid in Azië, waar de Nederlanders de gebeurtenissen niet
in de hand konden houden.
Uiteindelijk zat er voor de Nederlanders niets anders op dan toe te geven dat ze
eigenlijk waren verslagen en zich te beklagen over de omstandigheden die hen
hadden gedwongen hun beschavingsmissie onder de Papoea's te
beëindigen. In artikelen in de nationale dagbladen van 16 augustus
1962 was over het algemeen de mening dat Nederland geen andere keus was gelaten
dan het akkoord in New York te tekenen.8 En ook al bleef Luns van mening
dat zijn beleid geen mislukking was geworden9, premier J.E. de Quay benadrukte al vroeg in de ochtend
van de zestiende augustus op de Nederlandse televisie de meer gangbare
overtuiging dat de Nederlanders waren overvleugeld en overweldigd. Volgens hem
waren het gebrek aan steun vanuit de NAVO en de op handen zijnde invasie
dwingende redenen om het voor Nederland ongunstig uit- | | | | pakkende
akkoord te ondertekenen. De Quay verzekerde de luisteraars dat vitale nationale
belangen niet werden aangetast en prees de Nederlandse aanwezigheid in
Nieuw-Guinea:
‘Het ging om de toekomst van een volk, waarvoor Nederland
zich verantwoordelijk had gesteld (...) Het werd steeds duidelijker, dat in de
stroomversnelling der tijden na de Tweede Wereldoorlog Nederland niet de
gelegenheid zou krijgen dit program voor Nieuw-Guinea rustig ten uitvoer te
brengen...’10
De toespraak van De Quay onthult meer dan alleen paternalisme. Uit zijn woorden
sprak een diep respect voor de ‘stroomversnelling der
tijden’, de onverbiddelijke stroom die niet kon worden gestuit - hoe
graag de Nederlanders dat ook zouden willen. Ook Bruins Slot herinnerde zijn
geestverwanten er eind 1962 aan dat de huidige wereld volledig verschilde van de
wereld van 1940; de oude leef- en werkpatronen zouden afgedankt moeten
worden.11 De Quay en Bruins Slot
hadden een les geleerd die al sinds 1940 door veel Nederlanders was geleerd: de
nieuwe werkelijkheid liet geen oude patronen en afspraken toe. Gedurende de
jaren veertig en vijftig ontdekten de Nederlandse elites die betrokken waren bij
buitenlandse vraagstukken (politici, diplomaten, dagbladredacteuren, kerkelijke
leiders en woordvoerders van belangengroepen)12 dat hun bescheiden ambities onderworpen waren aan krachten die
buiten hun invloedssfeer lagen. Ontdaan van de bedrieglijke illusie van
onafhankelijkheid en neutraliteit en van de status een koloniale mogendheid te
zijn, was Nederland een kleine provincie geworden in een wereld waarin de
onderlinge afhankelijkheid toenam. Nederlands positie was kwetsbaar tegenover de
grote internationale krachten waar het slechts weinig verweer tegen had.
De Nieuw-Guinea-crisis bleek het omslagpunt te zijn in de naoorlogse metamorfose;
Nederlandse elites zouden langzaam maar zeker het beleid van het verleden achter
zich laten. Binnen een decennium na het Nieuw-Guinea-fiasco hadden de
Nederlanders de reputatie een kortzichtige koloniale mogendheid te zijn van zich
afgeschud en zelfs ingewisseld voor de rol van één van de
meest vooruitstrevende landen in het Westen: Nederland zou een
‘gidsland’ zijn voor de wereld. Deze metamorfose was
grotendeels het gevolg van de ervaringen na 1940. De Nederlandse elites waren
geschokt door de Tweede Wereldoorlog en de wereldwijde dekolonisatie en diep
onder de indruk van de wederzijdse afhankelijkheid van landen. Er leek voor de
elites die het buitenlandse beleid bepaalden geen andere oplossing te zijn dan
het bewust koers volgen van een realistische in overeenstemming met de eisen van
de tijd. Zo kan worden gesproken over een ‘vlucht naar
voren’; de Nederlanders wilden hun beperkte inter- | | | | nationale bevoegdheden compenseren met een ‘up-to-date’
buitenlands beleid. Door dit verlangen het
‘wereldgebeuren’ op de voet te volgen en internationale
ontwikkelingen te anticiperen werden de Nederlanders al spoedig toegewijde
voorstanders van de nieuwste trends in de wereldpolitiek; eerst van de
Noordatlantische Verdragsorganisatie (NAVO) vervolgens van de Europese
Gemeenschap en daarna ook van ontwikkelingshulp. Zelfs het
‘gidsland’-ideaal, dat vaak is beschouwd als een breuk met
het naoorlogse beleid en een terugkeer naar een vooroorlogs patroon, was in dit
opzicht de nieuwste trend voor al die Nederlanders die graag hun inzicht in het
wereldgebeuren wilden aantonen.
Nog in 1946 beschreef de Britse ambassadeur in Nederland, Sir Neville Bland, de
eigenzinnigheid van de Nederlanders als volgt: ‘Het is het oude
verhaaltje. Het lukt de Nederlandse politiek maar niet de bus te halen.
Blijkbaar bewaren ze de dienstregeling niet op een handige
plaats’.13 Maar het duurde niet
lang of de makers van het buitenlands beleid in Nederland wisten niet alleen
goed om te springen met de dienstregeling, zij schenen de tijdschema's zelfs uit
het hoofd te kennen. Ook al mochten ze noch de bussen hun eigen bezit noemen,
noch de dienstregeling zelf bepalen, ze deden er alles aan om bij de tijd te
zijn. Zowel de gebreken uit het verleden (b.v. de vooroorlogse neutraliteit) als
de toenmalige realiteit (b.v. de groeiende Europese eenwording) vormden voor de
Nederlanders krachtige impulsen om voorop te lopen in de richting die de
wereldgebeurtenissen zouden inslaan.
In dit hoofdstuk wordt duidelijk hoe Nederlandse elites, overweldigd door de
‘stroomversnelling der tijden’, hun internationale rol op
het wereldtoneel een totaal andere invulling gaven en hoe ze het beeld van de
eigen natie radicaal veranderden. Aangetoond wordt hoe de Nederlanders, toen zij
begrepen dat zij hun geïsoleerdheid en onafhankelijkheid verloren
hadden, trachtten hun evenwicht te hervinden door zich aan te passen aan de
nieuwe wereldomspannende ontwikkelingen. In hun toegewijde pogingen om meelopers
te zijn, werden de Nederlanders voorlopers in het wereldgebeuren en gaven
uiteindelijk vorm aan het ‘gidsland’-ideaal van de jaren
zeventig.
| |
Van neutraliteit tot NAVO
De hoop van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog neutraal te kunnen
blijven bleek, zoals bekend, ijdel. De tiende mei 1940 vervloog het ideaal
om ‘een licht voor de naties’ te zijn (een uitspraak
van premier De Geer uit 1939). De oude traditie van moreel isolement werd
vernie- | | | | tigd. De Nederlandse regering had lang geweigerd
bondgenootschappen aan te gaan, een niet onverstandige koers voor een klein
land tussen de drie sterkste mogendheden van Europa. In plaats daarvan
vertrouwde men op het internationale recht, de superioriteit van de eigen
principes en het vertrouwen dat de drie buurlanden elkaar van kwalijke
bedoelingen met Nederland zouden weerhouden. Zelfs na oorlog en bezetting
hield deze traditie nog enige tijd stand, Nederlandse diplomaten en politici
waren na 1945 nog niet geheel bereid om de ante
bellum-neutraliteit te verwerpen. Wel was het evident dat nieuwe
veiligheidsmaatregelen noodzakelijk waren. In een memorandum over de
formatie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties schreef de
Nederlandse overheid in 1945:
‘Door de aangrijpende ervaringen van de oorlog, en
vooral de onrechtvaardigheid en wreedheid van de Duitse en Japanse
bezetting, zijn de Nederlandse burgers sceptisch en kritisch geworden en
willen ze daarnaast duidelijke garanties voor de toekomst
verkrijgen.’14
Volgens de politicoloog Hans Daalder wist iedereen dat er na de oorlog iets
zou veranderen; de ‘eschatologische zekerheid’ van
vóór 1940 was verdwenen:
‘Mensen waren bang en probeerden opnieuw grond onder de
voeten krijgen door bovenal realisten te zijn, maar dit realisme was eerder
een houding dan een betere kijk op de werkelijkheid; ze wilden niet langer
bedrogen worden in hun eigen verwachtingen.’15
Deze hang naar realisme en het ‘bovenal realist willen
zijn’ van de Nederlanders waren niet van voorbijgaande aard. In
1948, toen Nederland opnieuw werd geconfronteerd met dreiging uit het
oosten, waren de Nederlandse politici (aangespoord door Amerika) bereid
concrete toezeggingen te doen ten behoeve van de gemeenschappelijke
veiligheid, iets wat enige jaren daarvoor nog ondenkbaar was geweest.16
Toen eenmaal toenadering was gezocht tot de NAVO werd Nederland in woord en
daad één van haar toegewijdste leden. Alfred van
Staden gaf zijn bekende boek over het Nederlandse NAVO-beleid de titel Een trouwe bondgenoot (1974), om de hoge prioriteit die
Nederland gaf aan het Atlantisch bondgenootschap te benadrukken.17 De Nederlanders droegen in de jaren zestig een
hoger percentage van BNP en staatsbudget af aan defensie dan de meeste
bondgenoten: tussen 1960 en 1971 werd 4,4% van het BNP besteed aan defensie.
In Noorwegen was dit 3,9%, in België 3,4% en in Denemarken
3,1%.18 En het waren de Nederlanders die als
eersten in de NAVO het plaatsen van kernwapens op hun grondgebied | | | | aanvaardden.19 De NAVO was voor de Nederlanders
uiterst voordelig. Zo werden zij voorzien van een verdedigingsalliantie die
de te kwetsbare koers van neutraliteit van voor de oorlog leek te
corrigeren. Door de consensus-voorwaarde die de NAVO aan haar besluitvorming
stelde hadden de Nederlanders bovendien veel meer invloed op
veiligheidsvraagstukken dan een neutraal, klein land ooit in zijn eentje had
kunnen verkrijgen. Voor Luns en andere Atlantici was een stevig verbond met
de Amerikanen en Britten daarnaast de enige betrouwbare manier waarop
Frans-Duitse hegemonie in West-Europa kon worden voorkomen. Bovendien
stelden de meeste makers van buitenlands beleid in Nederland meer vertrouwen
in de Amerikaanse nucleaire paraplu dan in een Westeuropese.20 Recent onderzoek suggereert
nog enkele aanvullende motieven: de NAVO gaf de Nederlandse militairen de
gelegenheid het eigen materieel te testen en te gebruiken21 en de NAVO liet de Nederlandse marine een
bijzondere rol op het wereldtoneel spelen teneinde het verminderde nationale
prestige en het verlies van Indië te compenseren.22
Weliswaar kende de gehechtheid aan de NAVO - en aan de Verenigde Staten -
haar grenzen. Nederland liep nooit echt warm voor de krijgsmacht, het
beschouwde haar volgens lang bestaande traditie als een noodzakelijk
kwaad.23 En tijdens de
Suez-crisis bekritiseerden de Nederlanders de Amerikaanse opstelling en
steunden ze het Brits-Franse beleid.24 Het Nederlandse parlement kreeg NAVO-aangelegenheden
slechts zelden onder ogen, dat werd - evenals het grootste deel van het
buitenlandse beleid - toevertrouwd aan beroepsdiplomaten.25 Toch heeft
de dreiging van de Koude Oorlog de weerstand tegen de NAVO sterk verminderd,
slechts de CPN en de PSP keerden zich tegen de NAVO en haar Koude
Oorlog-beleid.26
Vanaf 1950 had de betrokkenheid bij de NAVO de vooroorlogse neutraliteit
vervangen. B.H.M. Vlekke verwoordde dit in 1952 als volgt:
‘Neutraliteit is in Nederland voorbij. Het gevoelen
neutraal te zijn is dood: het herleefde niet na 1945 en zwakke tendensen in
die richting werden altijd snel terzijde geschoven door een grote
meerderheid van de bevolking...’27
Ook de vooraanstaande PvdA-politicus Ivo Samkalden meende in een terugblik op
het Nederlandse NAVO- en Europa-beleid dat de oorlog een keerpunt was, dat
voorgoed een einde maakte aan het isolationalisme:
‘Na 1945 was de ommekeer voltooid. In plaats van een
beleid van onafhankelijkheid zoals voor 1940, is naoorlogs buitenlands
beleid gedomineerd door het bijna onwankelbare geloof dat dit kleine en
dichtbevolkte land (...) afhankelijk is van de nauwste samenwerking met
andere landen...’28
| | | |
Achteraf hebben veel onderzoekers de aandacht gevestigd op het feit dat de
NAVO eigenlijk een vervolg was op het Atlanticisme dat lang het buitenlandse
beleid en de anti-continentale sentimenten in Nederland had
gekarakteriseerd. Dit zou de sterke gehechtheid van Nederland aan de NAVO
gedeeltelijk kunnen verklaren. Zelf beschouwden de Nederlandse elites na de
oorlog hun deelname aan het Atlantisch bondgenootschap echter als een
radicale breuk met het vooroorlogs beleid - dat immers had gefaald - en als
een noodzakelijk antwoord op de nieuwe naoorlogse
realiteit. Voor de meeste Nederlanders was de NAVO een onmisbaar bestanddeel
van de naoorlogse orde; een verstandige en noodzakelijke correctie op het
vooroorlogse beleid en een ‘natuurlijk’ antwoord op de
uitdagingen van de naoorlogse periode.29 En dit
is precies de wijze waarop de regering de NAVO in 1968 beschreef, toen zij
met succes aan het parlement een aanvullend bedrag van
tweehonderdvijfentwintig miljoen gulden voor defensie vroeg. Sprekend in
ambtenarentaal, gaf de regering aan dat gegeven de gewijzigde omstandigheden
na de oorlog:
‘...het nu achteraf wel eenvoudig als een normale,
gezonde en natuurlijke toedracht van zaken [kan] worden opgevat dat (...)
tussen beide gebieden een defensief bondgenootschap tot stand kwam. Dat zich
in de steeds kleiner wordende wereld van deze twintigste eeuw - waarin de
veiligheid van welk land ook de veiligheid van alle andere begon te raken,
en waarin niettemin nog geen mondiaal stelsel van collectieve veiligheid te
verwezenlijken was - een zekere ontwikkeling in de richting van regionale
defensiegemeenschappen begon af te tekenen, kan in het algemeen niet
verrassend worden genoemd, terwijl in het kader van deze algemene
ontwikkeling de vorming van een Atlantisch bondgenootschap
eigenlijk wel het meest voor de hand lag [originele
cursivering].’30
Voor de Nederlandse regering bleef de NAVO tijdens de jaren zestig
‘een hoeksteen van haar buitenlands beleid’.31 Het Europese beleid in
Nederland was gebaseerd op het Atlantisch beleid en niet andersom, merkte
Van Staden terecht op.32 Veel Nederlandse waren elites er
van overtuigd dat het tijdperk van de Koude Oorlog van een klein land als
Nederland aanpassing vereiste. Pas laat in de jaren zestig zou deze band met
de ‘onbetwistbare’ werkelijkheid worden
losgeweekt.
| |
Nederlands Europeanisme
In weerwil van hun huidige reputatie waren Nederlandse diplomaten, politici
en zakenleiders na de oorlog niet allemaal bevlogen Europeanis- | | | | ten. Recent onderzoek heeft juist de Nederlandse weerstand tegen de
Europese integratie aangetoond en het stralende enthousiasme gerelativeerd
waarmee de Nederlanders naar verluidt het federalistische Europa
begroetten.33 In de jaren
vijftig stond de Nederlandse regering nog niet bekend om haar pro-Europa
houding. De PvdA-premier Willem Drees (1948-1958) en de VVD-minister van
Buitenlandse Zaken Dirk Stikker (1948-1952) waren eigenlijk
anti-federalisten, die bevreesd waren dat door toenemende politieke
samenwerking tussen Westeuropese staten de soevereiniteit van Nederland in
het gedrang zou komen.34
De Nederlandse deelname aan de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
(1951) was tamelijk halfslachtig.35 Zelfs na het Verdrag van Rome (1957)
bleef de Nederlandse regering twijfelen aan de wenselijkheid van verdere
Europese integratie. Luns was, hoewel hij vaak onterecht van
anti-Europeanisme is beschuldigd36, onverzettelijk wanneer de verhouding met
Engeland of Amerika door de Europese samenwerking in gevaar dreigde te
komen. Deze katholieke minister van Buitenlandse Zaken wantrouwde, evenals
veel andere Nederlanders, De Gaulle en diens ambities voor Frankrijk, en was
van mening dat een Frans-Duitse hegemonie in de Europese Gemeenschap
voorkomen kon worden door de Britten toe te laten als lid van de EEG.37 De Nederlandse regering wist begin
jaren zestig door haar vasthoudendheid met succes tegenstand te bieden aan
de plannen van Fouchet voor een Europe des patries, een
politiek bondgenootschap waardoor de grotere Europese landen veel invloed
zouden verwerven.38 De Nederlanders gaven de voorkeur aan een
‘supranationale’ structuur (zodat directe invloed van
grote staten vermeden zou worden), waarbij zoveel mogelijk landen ingelijfd
konden worden (ook Engeland) en die geconcentreerd zou zijn op de
economische en niet op de politieke integratie van West-Europa. Het is
duidelijk dat daardoor de eigen handelseconomie een belangrijke impuls zou
krijgen, reden voor grappenmakers in Brussel om te beweren dat
‘de Nederlanders spreken over supranationalisme, maar wat ze
werkelijk bedoelen is kaas’.39 Het zou dus onjuist zijn om te veronderstellen dat
de Nederlandse regering in de jaren vijftig en zestig nationale belangen
opofferden voor het grotere goed van Europa.
Niettemin boekte het Nederlandse Europeanisme (in zowel de idealistische als
de pragmatische verschijningsvorm) uiteindelijk de overwinning, ondanks
sterk verzet van Drees en zijn kabinetten. In Nederland was de steun onder
de bevolking voor het Europese federalisme in de jaren vijftig groter dan in
enige andere lidstaat. Alle grote politieke partijen schaarden zich achter
politieke en economische integratie. Ook het socia- | | | | listische
Nederlands Vakverbond (NVV) was een groot voorstander van Europa.40 Het Nederlandse parlement telde menige federalist die
veranderingen in de grondwet, waardoor de Nederlandse soevereiniteit een
weinig zou worden beperkt ten gunste van supranationale organisaties, van
harte ondersteunde.41 Midden jaren vijftig kon de Europese zaak zelfs
rekenen op de steun van enkele gezaghebbende leden van het kabinet: van
Marga Klompé (Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,
KVP)42, en Sicco Mansholt
(Landbouw, PvdA). Nog belangrijker was de steun van Jan Willem Beyen
(Buitenlandse Zaken, zonder partij), wiens gematigde pro-Europa-houding bij
de ministeriële kandidatuur aan de kritische blik van Drees was
ontsnapt.43 Het Plan-Beyen uit 1952, waarin de roep om
‘algemene economische integratie’ klinkt, diende later
als het uitgangspunt voor de Messina Conferentie van 1955 en uiteindelijk
voor het Verdrag van Rome (1957).44
De sleutel voor het succes van de Europeanisten was hun vermogen het Europese
debat te domineren. Al spoedig (rond 1950) achtten anti-Europeanisten zoals
Drees of lauwe aanhangers zoals Luns het beter hun gevoelens over Europa
niet uit te spreken. Wendy Asbeek Brusse toonde aan dat de PvdA met haar
krachtige pro-Europa-slogans een verkeerd beeld gaf van de onenigheid binnen
de partij, om nog maar niet te spreken van het verzet van Drees.45 Maar haar bewering kan ook
worden omgedraaid: waarom probeerde een sterk verdeelde partij de indruk te
wekken dat ze pro-Europa was? Waarom kon Drees niet openlijk zijn twijfels
uiten? En waarom waren alle grote partijen voorstanders van Europa?
Het antwoord is slechts ten dele te geven door te wijzen op de populariteit
van de ideeën die door pro-Europa-ideologen als de PvdA-politicus
Marinus van der Goes van Naters of de gezaghebbende intellectueel Henri
Brugmans naar voren werden gebracht. Deze hartstochtelijke
‘federalisten’ vormden in de politiek een
luidruchtige, maar kleine groep en hun enthousiasme voor een Verenigde
Staten van Europa deed de meer gematigde en pragmatische Europeanisten zoals
Beyen terugdeinzen.46 Europa als
‘Heimat’ was nooit zo aanlokkelijk voor de
Nederlanders. Maar de pro-Europeanisten stimuleerden en koesterden twee
opvattingen die in de jaren vijftig bijzonder veel indruk maakten, namelijk
dat de weg naar de Europese Gemeenschap met een omvangrijke politieke en
economische structuur (1) noodzakelijk, en (2) onvermijdelijk was.
Het was de nuchtere stem van de noodzakelijkheid die samen met het
moralistische elan voortdurend opklonk uit de discussies over Europa in | | | | de jaren vijftig. Anti-Europese gevoelens leken daardoor een
zonderling en onrealistisch antwoord op de nieuwe werkelijkheid. Het was
niet moeilijk een pleidooi voor Europa te houden. Want de Nederlanders
waren, evenals de andere landen in West-Europa, afhankelijk van de politieke
en economische besluiten van hun grotere buurlanden. Vooral de handel met
Duitsland was van levensbelang voor de Nederlandse economie. In de ogen van
veel Nederlandse politici zou een los verbond van Europese staten met zo min
mogelijk invoerbarrières ideaal zijn. Maar met een Europese
Gemeenschap die gebaseerd was op de Frans-Duitse samenwerking kon Nederland
het risico niet nemen verdreven te worden van de Duitse markt. Met enige
aarzeling sloot de Nederlandse regering zich dus in 1951 aan bij de EGKS. Ze
was ervan overtuigd dat de overeenkomst weinig méér
kon betekenen dan het in stand houden van de noodzakelijke handelsrelaties
op het continent; de Nederlanders werden zo gedwongen mee te werken aan de
Europese integratie. Ook Drees begreep heel goed dat Nederland afhankelijk
was. Hij gaf in 1957 een groep Groningse zakenlieden zonder omwegen te
kennen dat de Nederlanders, omdat zij uitermate afhankelijk waren van de
handel met het buitenland, nooit geheel zeker konden zijn van de gevolgen
die de internationale handel met zich mee zou kunnen brengen.47
Nederlandse politici en diplomaten, ook zij die een snelle verwezenlijking
van de Europese unie weinig kans gaven, waren het er over eens dat er vrij
weinig keus was.48 De soevereine
staat was, volgens de federalist Johan Linthorst Homan in 1955, een
belemmering geworden voor de ‘nieuwe weg’ die door de
indrukwekkende wereldwijde en continentale ontwikkelingen was gebaand.49 E.N. van Kleffens, die tijdens
de oorlog minister van Buitenlandse Zaken was, benadrukte in een geschrift
over de Europese samenwerking uit 1959 in krachtige termen de (morele)
noodzaak van deze samenwerking:
‘Dit is een nieuwe toestand. Ook vroeger was er
internationale samenwerking (...) maar (...) essentieel was het niet. Het
nieuwe is, dat samenwerking nu een volstrekte noodzakelijkheid is geworden.
Vroeger was er doorgaans een alternatief: op eigen gelegenheid handelen. Dat
alternatief is er nu niet meer. Wij moeten samenwerken.
Voor het eerst sinds de kruistochten zit er weer een actieve Europese
solidariteitsdwang in de lucht.’50
Deze solidariteitsdwang werd eerder ook al verwoord door Siewert Bruins Slot,
die met zijn boek Bezinning en uitzicht (1950) veel indruk
maakte op de orthodoxe protestanten van de jaren vijftig. Deze protestanten
keken (om nader te verklaren redenen) vol wantrouwen naar de | | | |
Europese Gemeenschap (en het Atlantisch bondgenootschap), maar Bruins Slot,
zelf een gematigde federalist, stelde eenvoudigweg dat Nederland geen keus
had en dat de omstandigheden internationale samenwerking afdwongen.51
Solidariteitsdwang kwam de voorstanders van Europa goed uit. Jean Monnet,
één van de grondleggers van de Europese Gemeenschap,
wist hoe belangrijk dwang was: ‘Mensen aanvaarden verandering
slechts wanneer ze worden geconfronteerd met noodzaak’.52
Integratie kreeg ook een klank van onvermijdelijkheid. Een klank die ook
doorklonk in toespraken van prins Bernhard. De prins was erevoorzitter van
de Europese Beweging in Nederland en verkreeg in 1960 de Europa Prijs voor
zijn inspanningen voor het propageren van de Europese eenheid. In een rede
voor de Rotary-club van 1956 zei hij:
‘De Europese gedachte toch is een begrip dat de geesten
in ons werelddeel en ook daarbuiten steeds meer bezig gaat houden en ook moet bezighouden.
Maar het is nu eenmaal zo - de hele wereldgeschiedenis door - dat
een ontwikkeling naar nieuwe vormen, die eenmaal in beweging is, niet meer
kan worden gestopt, om van terugkeer naar de oude situatie maar helemaal
niet te spreken. De klok kan niet worden teruggedraaid.
Onontkoombaar is ons opgelegd de taak te streven naar meer
samenwerking in groter gemeenschappen. Dat is de essentie van de Europese
gedachte.’53
Het is niet duidelijk of de ‘essentie van de Europese
gedachte’ duidt op de samenwerking in gemeenschappen of op de
overtuiging dat een dergelijk proces onontkoombaar was. In een brochure van
1961 van de Europese Beweging werd in elk geval een ‘groot
vertrouwen in de onherroepelijkheid van het proces’ van Europese
eenwording uitgesproken.54 In de jaren vijftig waren zowel
Arnold Toynbee als Teilhard de Chardin op het toppunt van hun roem en hun
invloed in Nederland was niet te verwaarlozen.55 Het
welhaast Hegeliaanse geloof in een zich ontvouwende Europese unie werd door
de koningin verwoord in de troonrede van 1963, die opende met de volgende
woorden:
‘In deze tijd van dynamische ontwikkeling groeit het
bewustzijn van onderlinge afhankelijkheid en neemt ook het verlangen naar
samenwerking toe. In dit bewustzijn en in dit verlangen vindt het streven
naar vereniging van de vrije Europese landen zijn uitgangspunt. Het is voor
ons Koninkrijk van veel belang, dat het-geen in de Verdragen van Rome en van
Parijs [het NAVO-verdrag] is neergelegd in zijn geheel wordt
verwezenlijkt.’56
| | | |
Waren meer sceptisch ingestelde politici op dezelfde wijze overtuigd van de
noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid van de integratie? Het antwoord luidt
zowel bevestigend als ontkennend. Zo gingen Beyen en Luns er niet van uit
dat de Europese Gemeenschap moest beschikken over een
bepaalde structuur op een bepaald tijdstip. Natuurlijk was de Europese
politieke en economische eenheid niet volledig gedetermineerd: niemand kende
de tijd van haar komst, noch hoeveel uitverkorenen er zouden zijn; niemand
kon voorspellen wat de vorm van de supranationale structuur zou zijn of
welke richting het gemeenschappelijke beleid zou nemen. En inderdaad leek in
de jaren zestig en zeventig een eventuele oplossing een zaak van de verre
toekomst te worden vanwege de moeilijkheden rond verdergaande integratie.
Maar niemand twijfelde werkelijk aan de richting van de ontwikkelingen:
komen zou zij, en komen moest zij.57
Geconcludeerd kan worden dat de Nederlandse diplomaten en politici zich,
ondanks aanloopproblemen, meteen goed hebben aangepast aan de situatie en
door hun vasthoudendheid hun stempel hebben gedrukt op de Europese
Gemeenschap.58 Nederlandse
beleidmakers hadden van de noodzaak om de gemeenschappelijke markt te
accepteren een deugd gemaakt en het Nederlandse publiek leek deze houding
over te nemen. In 1962 waren de Nederlanders de meest pro-Europese bevolking
binnen de EEG; zevenentachtig procent steunde de Europese eenheid, een
percentage dat hoog zou blijven59 -
zelfs al voelden veel Nederlanders zich het minst bevoordeeld door deze
eenheid.60
| |
Kwijnende nationale identiteit
Met de toenemende Europese en internationale samenwerking kwijnden nationale
identiteiten in grote delen van Europa na de Tweede Wereldoorlog weg, niet
in het minst in Nederland. Hoewel de Nederlanders nooit bijzonder
nationalistisch zijn geweest, heerste tot het begin van de twintigste eeuw
een milde vorm van cultureel nationalisme, opgewekt door belangrijke
politieke en culturele personen.61 De vernieuwers van 1945 hoopten nog dat de liefde
voor het vaderland opnieuw zou opleven; zij betreurden het gebrek aan
patriottisme62, het gemis aan
nationale eenheid63 en de aanwezigheid van teveel niet-Nederlandse kenmerken in
de volkspsyche.64 Hun pogingen om het Nederlandse
patriottisme weer nieuw leven in te blazen leken echter weinig weerklank te
vinden in het naoorlogse Nederland. Uit een onderzoek in 1948 bleek dat de
Nederlanders in vergelijking met de bevolking van andere westerse landen
niet | | | | zo nationalistisch waren65, en dit gevoel
verdween in de loop van de jaren zestig steeds meer.66
Drie verschillende factoren waren in het spel bij het verval van het
nationalisme.67 Ten eerste verwierpen Nederlanders,
evenals andere Europeanen, het nationalisme als een gevaarlijke en
afstotelijke denkwijze;68 zij gaven
steeds vaker de voorkeur aan ideologieën die de landen zouden
verenigen in plaats van onderling verdelen. De federalist Max Kohnstamm
merkte op:
‘In concentratiekampen en gevangenissen leken woorden
die eens bezielend waren, zoals “voor God, Nederland en
Oranje”, hol te klinken, terwijl andere, zoals rechtvaardigheid
en menselijke waardigheid, niet gebonden aan enige natie, in kracht en
betekenis leken te groeien.’69
Nederlanders stelden, evenals andere Europeanen, na de oorlog meer prijs op
waarden die nationale aangelegenheden overstegen. Intellectuelen en
schrijvers in Nederland toonden in de jaren vijftig en zestig zeer weinig
interesse in de problemen van hun land en verkozen hun aandacht te wijden
aan vraagstukken van universeel belang (zie hoofdstuk vier).70 Dit kwam voornamelijk naar voren in een groeiende geestdrift
voor Europeanisme en ontwikkelingshulp (zie hieronder).
Ten tweede, en dit kan kort worden aangestipt, was het verlies van
Indonesië en Nieuw-Guinea niet bevorderlijk voor de groei van het
nationale zelfbewustzijn. De historicus Hans Righart heeft dit reeds
aangetoond.71
Nederland kon zich er niet meer op beroepen een
‘wereldmacht’ te zijn.
Ten slotte waren, in tegenstelling tot de Britten en de Fransen die een sterk
nationalisme behielden72, veel Nederlandse politieke en intellectuele
leiders er van overtuigd dat de kleinheid en afhankelijkheid van Nederland
hen ertoe dwongen een internationaal karakter te ontwikkelen en het
nationalisme naar het verleden te verwijzen. Zij bleken niet bereid
nationalistische gevoelens te stimuleren.73 In een wereld
waarin de landen steeds meer onderling afhankelijk werden, waren
nationalistische gevoelens niet alleen ‘fout’, maar
zelfs absurd. Nederlanders misten de positie om chauvinisme op te kunnen
wekken door economisch of cultureel beleid. Zo werd de Nederlandse situatie
- binnen de sociologie - in de jaren vijftig door Johan Goudsblom vergeleken
met spiegelend glas: de Amerikaanse ideeën kwamen wel binnen,
maar door de taalbarrières kwamen de eigen ideeën er
niet uit.74 De
concurrentiestrijd speelde ook een belangrijke rol. Om in een onderling
afhankelijke wereld te kunnen concurreren moesten leerlingen op de
middelbare school Engels leren, en | | | | velen leerden daarnaast ook
Frans en Duits. De Amerikaanse cultuur werd vaak beschouwd als een
‘superieure politieke en industriële
cultuur’75, Amerikaanse marketing- en bedrijfsmethoden werden op grote
schaal overgenomen en Amerikaanse muziek en films domineerden. Vanaf 1960
werden de in het buitenland geproduceerde programma's op de Nederlandse
televisie ondertiteld, in tegenstelling tot de Franse en Duitse televisie
waar het geluid nagesynchroniseerd werd.
Door het toenemende internationalisme ging het verlangen om de
eigenaardigheden van de Nederlandse cultuur en geschiedenis in stand te
houden, langzamerhand verloren. Etnografische belangstelling voor oude
Nederlandse gewoonten verminderde, evenals (vooral in de scholen) het zingen
van traditionele liederen.76 Eén van
de belangrijkste vragen die werden gesteld tijdens een serie op de radio
over het Wilhelmus was, of dit ‘middeleeuwse’
volkslied (uit 1570) niet uit de tijd was voor ‘de moderne mens
in een complexe maatschappij’.77 Zelfs de
viering van het honderdvijftigjarig bestaan van de onafhankelijke
Nederlandse staat wekte weinig belangstelling. De linkse socialist Han
Lammers noemde het ‘een vreemd gedoe (...) omdat geen mens het
belang ervan inzag’.78 Het was voor
geschiedenisdocenten in de jaren zestig een open vraag wat het nut was van
het bestuderen van de vaderlandse geschiedenis; de meeste docenten op de
middelbare school bleken meer tijd te besteden aan de algemene geschiedenis
dan aan de Nederlandse geschiedenis.79 In 1964 stelde Max Goote, de
inspecteur-generaal voor Onderwijs, zelfs voor om alle
geschiedenis te verwijderen uit het onderwijsprogramma. Volgens hem was
geschiedenis van weinig waarde in een dynamische wereld.80
Deze omstandigheden stimuleerden de vaderlandsliefde niet, zelfs niet binnen
de politieke partijen. De precieze inhoud van nationalistische gevoelens
liep enigszins uiteen al naar gelang de verschillende subculturen in
Nederland, maar vanaf het begin van de jaren vijftig verminderde de aandacht
voor elke vorm van verzuild patriottisme. Voor socialisten en katholieken
was het niet moeilijk de nationalistische gevoelens te vervangen door
geestdrift voor bestaande internationale verbanden, respectievelijk in het
socialistische internationalisme en een rooms-katholiek Europa.81 Liberalen en orthodoxe protestanten
waren echter over het algemeen meer op hun hoede wanneer internationale
betrekkingen ter tafel kwamen. De liberalen waren vanouds gericht op de
zeehandel en op Engeland en moesten gedurende de jaren vijftig weinig hebben
van ‘Europa’. Liberalen waren de erfgenamen van het
burgerlijk nationalisme van de negentiende eeuw, dat de Nederlandse natie
beschouwde als een vrijheidsbaken in de wereld.82
Zij gaven deze vrijheid niet graag op voor | | | | een organisatie
zoals de NAVO of de EEG die de Nederlandse commerciële of
politieke onafhankelijkheid bedreigde. Maar toen de liberalen begin jaren
zestig de voordelen van de continentale handel ontdekten, werden zij steeds
meer pro-Europa. Vanaf het begin van de jaren zeventig was de VVD zelfs de
vurigste EEG-aanhanger in Nederland.83
Ook de orthodoxe protestanten werden in hun nationalistische gevoelens
belemmerd. Hun nostalgische kijk op het verleden scheen weinig of niets meer
van doen te hebben met de zorgen van hun tijd. Nog steeds werd God gedankt
voor het protestantse Huis van Oranje dat hen in de zestiende eeuw had
verlost van roomse tirannie. Vele protestanten waren ervan overtuigd dat
Nederland gekenmerkt was ofwel door een wezenlijk protestants karakter,
ofwel door het calvinisme als de rijkste grondtoon van de natie.84 Er waren zelfs calvinisten die Nederland een tweede
Israël noemde.85 Maar in een periode dat het historisch
bewustzijn afbrokkelde, de onderlinge afhankelijkheid groeide en -
waarschijnlijk nog belangrijker - dat het oecumenisch streven toenam, werden
vraagtekens gezet bij deze ‘christelijk-historische’
kijk op de Nederlandse natie en dergelijke gedachten werden steeds minder
verwoord.86 Deze visie verdween
geleidelijk naar de marges van de Nederlandse politieke cultuur. Het werd
aan de twee kleine calvinistische partijen, de SGP en het GPV, overgelaten
deze gevoelens te vertolken. Nationalistische gevoelens binnen de achterban
van de protestantse CHU en de ARP werden steeds vaker vertaald naar het meer
universele moralisme van ontwikkelingshulp, waarvoor veel gereformeerden en
hervormden zich beijverden.
Zelfs de monarchie verloor haar waarde als symbool van nationale eenheid.
Koningin Juliana bleef weliswaar gedurende haar hele regeringsperiode
(1948-1980) geliefd87, en
veel mensen zouden geïrriteerd raken door het gebrek aan respect
dat de provo's en andere tegenculturele bewegingen toonden voor de monarchie
(zie hoofdstuk vier). Maar het is niet zeker dat de Nederlanders het Huis
van Oranje in de jaren zestig beschouwden als een onaantastbaar nationaal
symbool. Velen zeiden zonder aarzeling dat ze Juliana
graag mochten, maar dat ze niet veel gaven om de monarchie zelf of om de
leus ‘Voor God, Nederland en Oranje!’ Hoewel
koninginnedag (30 april) met steeds meer overgave werd gevierd, was het niet
veel méér dan het grootste Dionysische volksfeest van
het jaar. Enige vooraanstaande Nederlanders vreesden dat ‘het
Koninklijk Huis’ een aflopende zaak was, een zinloos overblijfsel
van een voorbij tijdperk (zie hoofdstuk vijf).
Vaderlandslievende gevoelens bleven weliswaar voortbestaan onder de orthodoxe
protestanten en onder het lezerspubliek van De Telegraaf
(zie | | | | hoofdstuk vijf). Deze krant bekritiseerde bij voorbeeld in
1967 de provo's omdat zij geen Nederlanders waren, maar
‘wereldburgers’.88
Ook de bejaarde historicus Pieter Geyl (1887-1966) betreurde het gebrek aan
belangstelling voor de Nederlandse cultuur89, en Luns, de
minister van Buitenlandse Zaken, bleef eveneens een ongegeneerd nationalist
met een grenzeloos vertrouwen in de kracht en de betekenis van
Nederland.90 Maar slechts weinig politieke en culturele elites probeerden
in de jaren zestig vaderlandslievende gevoelens aan te wakkeren. Over het
algemeen hadden de Nederlanders hun belangstelling voor de traditionele
uitingen van hun nationale identiteit verloren. Toen het
geïllustreerde weekblad De Spiegel in 1969
vroeg of ‘het Vaderland’ nog steeds
betekenis had, was dit een open vraag.91
Nederlandse elites waren er dus van overtuigd dat zij zich beter konden
richten op grensoverschrijdende ontwikkelingen dan pogingen in het werk te
stellen om de grootsheid van hun eigen geschiedenis nieuw leven in te
blazen. De nationale identiteit ging door de ervaringen na de oorlog en de
noodtoestand in de wereld langzaam maar zeker ten onder. Hoe ingrijpend deze
verandering was werd door Cornelis Rijnsdorp, een gereformeerde
cultuurhistoricus, bondig samengevat in 1972:
‘Het kleine Nederland, vijfjaar door Hitler-Duitsland
bezet geweest, verloor zijn koloniën en werd zich zijn
betrekkelijke machteloosheid bewust. Wij zijn niet langer het
Israël van het noorden.’92
Maar vooral in de naoorlogse relatie met Duitsland kwamen pijnlijk de
moeilijkheden naar voren die Nederland na 1945 ondervond met het
instandhouden van een nationalistische identiteit en patriottische
gevoelens. Aan de ene kant stonden de Nederlanders het zichzelf toe om na
vijf jaar Duitse bezetting (één van de meest
meedogenloze in West-Europa) haatgevoelens te koesteren tegen Duitsland en
nationalistische gevoelens voor hun eigen land. In 1945 eisten veel
Nederlanders luidruchtig substantiële annexaties van het Reich. Maar de Geallieerden waren daarvoor niet
ontvankelijk, en velen geneerden zich toen hen in 1949 een onbetekenende
zeventig vierkante kilometer werd toegekend.93 Het einde van de territorale ambities maakte echter geen
einde aan de herdenking van de oorlog; elk jaar op 4 mei betrachtte het land
twee minuten stilte waarbij de koningin een krans legde bij het Nationale
Monument in Amsterdam (opgericht in 1955). Gezien de verschrikkingen van de
oorlog was het niet verwonderlijk dat de Nederlanders de gedachtenis daaraan
in stand hielden94 - de belangstelling nam gedurende de jaren zestig zelfs toe.
Tussen 1960 en 1965 werd de Tweede Wereldoorlog herdacht middels een | | | | zeer populaire televisieserie (De Bezetting) van Lou de Jong,
een Nederlandse jood wiens eigen familie de Holocaust niet had
overleefd.95 Toen de koninklijke
familie in juli 1965 de verloving van prinses Beatrix met de Duitse
diplomaat Claus von (nu: van) Amsberg aankondigde,
ontstond er grote opschudding, want Amsberg was aangesloten geweest bij
zowel de Hitlerjeugd als (in het laatste oorlogsjaar) het Duitse leger.
Hoewel het Nederlandse Parlement met een ruime meerderheid het huwelijk
goedkeurde, was de keus van de prinses voor veel Nederlanders een tijdlang
moeilijk te verteren (zie hoofdstuk vijf).96 In 1966 veroorzaakte de
vrijlating om gezondheidsredenen van Willy Lages, hoofd van de Amsterdamse
Sicherheitsdienst, door de joodse minister van
Justitie, Ivo Samkalden, bijna een rel. Publiek verzet verijdelde in 1972
pogingen om de drie overgebleven oorlogsmisdadigers die nog gevangen werden
gehouden, in vrijheid te stellen (de twee die toen nog in leven waren
mochten in de jaren tachtig gaan).97 Vijandige gevoelens tegenover de Duitsers
verdwenen nooit geheel. Een enquête aan het eind van de jaren
vijftig geeft aan dat de houding tegenover Duitsland negatiever was dan
tegenover enig ander buurland98, een
houding die de navolgende decennia in stand zou blijven.
Aan de andere kant was openlijke vijandigheid tegenover Duitsland geen
houding die de Nederlanders zich konden veroorloven. Enquêtes
wezen uit dat vanaf het begin van de jaren vijftig de haatgevoelens ten
opzichte van de Duitsers aanmerkelijk afnamen. In 1947 karakteriseerde
drieënvijftig procent van de Nederlandse ondervraagden zijn
houding tegenover Duitsland als onvriendelijk, vijf jaren later was dit
gedaald tot dertig procent en in 1971 koesterde slechts twaalf procent
onvriendelijke gevoelens tegenover Duitsland. Het percentage van de
ondervraagden die Duitsland vriendelijk waren gezind steeg van
negenentwintig (1947), via eenenveertig (1952), tot zesentachtig
(1971).99
Het staatsbezock van president Heinemann in 1969, het eerste in zijn soort,
stuitte op weinig weerstand.100 Deze vriendelijkheid in de jaren vijftig en
zestig heeft een aantal redenen. Zij kan deels zijn ontstaan door het
voorzichtige politieke optreden van West-Duitsland in die jaren en de
toenemende pro-Europagevoelens in Nederland. Zij kan ook zijn voortgekomen
uit de heroverweging van het Nederlandse aandeel tijdens de Tweede
Wereldoorlog; in de jaren zestig verschoof de aandacht van de Duitse
laakbaarheid naar de Nederlandse laakbaarheid in oorlogsmisdaden. Jacques
Presser toont in zijn boek De ondergang (1965) pijnlijk
aan hoe weinig hulp de Nederlandse joden kregen van hun niet-joodse buren
(meer dan honderdduizend van de honderdveertigduizend joden in Nederland
over- | | | | leefden de oorlog niet). Dit boek bleek slechts het
eerste van een grote hoeveelheid literatuur waarin de rol van de
Nederlanders in de bezettingstijd kritisch onder de loep werd genomen.101 Ook de jongere actievoerders waren minder
geïnteresseerd in de rol van de Duitsers. Zij maakten de oorlog
los uit de geschiedenis om zo het ‘fascistische’ en
collaboratoire karakter van de burgelijke autoriteiten in de jaren zestig te
benadrukken.102
Maar de voornaamste oorzaak van deze veranderde houding was waarschijnlijk de
grote economische macht van Duitsland. Al snel na de oorlog realiseerden
politici en zakenmensen zich dat de levensvatbaarheid van hun land
afhankelijk was van de voorspoed in Duitsland. Duitsland speelde een
onmisbare rol in de Nederlandse handel en het toerisme. Vanaf de jaren
vijftig werden de Nederlandse stranden overspoeld met rijke Duitsers
(achthonderdduizend per jaar in het midden van de jaren zestig103). In 1969 waren de Duitsers voor drieëntwintig procent
van de Nederlanders de gewildste klanten (slechts de Amerikanen scoorden
hoger met achtentwintig procent).104 Voor de Nederlandse import-exportinkomsten via
de Maas en de Rijn was Duitsland van nog groter belang. In 1964 verleende de
havenstad Rotterdam - die in 1940 was gebombardeerd om Nederland tot
overgave te dwingen - een subsidie van honderdduizend gulden voor de
‘Duitsland Week’-festiviteiten, die voor het eerst
sinds de Tweede Wereldoorlog over de Duitse grens werden gehouden.105 Critici fulmineerden tegen deze
ongewone vriendelijkheid voor de moffen en tegen de ‘Zimmer-zu-vermieten’-vaderlanders106, maar de verleidingen van de commercie
waren te groot voor een langdurige openlijk vijandige houding. De meeste
Nederlandse politici, beleidsmakers en zakenmensen waren er in elk geval van
overtuigd dat anti-Duitse sentimenten een luxe waren die zij zich niet
konden veroorloven.
Evenals de toenemende vriendelijkheid van de Nederlanders kan evenals hun
voortdurende antipathie misschien worden verklaard vanuit de economische
betekenis van Duitsland voor Nederland. Men zou kunnen zeggen dat juist omdat zakenmensen en politici gedwongen waren een zekere
eerbiedige vriendelijkheid te tonen, de Nederlandse burgers hun tamelijk
sterke gevoelens van afkeer tegenover de Duitsers behielden. Het
belangrijkste overblijfsel van het Nederlandse nationalisme leek niet meer
gebaseerd te zijn op pro-Nederlands patriottisme, maar op
anti-Duitsland-gevoelens. Evenals de anti-Amerika-gevoelens in Canada waren
deze een soort ondefinieerbare wrokgevoelens, die niet opbouwend gebruikt
konden worden en waarvoor weinig officiele uitlaatkleppen aanwezig waren.
Dit was één van de minder geslaagde kanten in een | | | | grotendeels succesvolle metamorfose waarin de Nederlanders
nationale identiteit en betrokkenheid vervingen door een sterke gerichtheid
op internationale ontwikkelingen.
| |
Het verre koloniale verleden
De Nederlanders waren voor de oorlog erg gehecht aan
Nederlands-Indië, zowel in economisch als in psychologisch
opzicht. In 1938 werd eenzesde van het Nederlandse vermogen
geïnvesteerd in Nederlands-Indië107 en zagen veel
Nederlanders een nationale ‘roeping’ in het propageren
van welvaart voor haar bevolking.108 De meeste
Nederlandse politici erkenden in 1945 dat Indonesië een bepaalde
vorm van onafhankelijkheid toegestaan moest worden, maar zij weigerden
hardnekkig te voldoen aan de voorwaarden die Soekarno stelde,
geërgerd door het verdrag dat Soekarno tijdens de oorlog had
gesloten met de Japanners. De Nederlanders hielden vast aan Indië
uit angst voor economisch verval en het gereduceerd worden ‘tot
de rang van Denemarken’. Zij probeerden een
‘middelgrote mogendheid’ te blijven.109 Toen Willem Schermerhorn in 1946 sprak over de
historische noodzakelijkheid van dekolonisatie wilden vele Nederlanders daar
geen gehoor aan geven.110 Bijna vijfduizend Nederlanders zouden
begraven worden op Java, slachtoffers van een gewelddadige guerillaoorlog
die voortduurde tot 1949 en uiteindelijk tevergeefs bleek te zijn.111 Dit was relatief gezien een groter
verlies aan mensenlevens dan tijdens de Vietnamoorlog onder de Amerikanen
werd geleden. Als gevolg van de onafhankelijkheid hadden zich begin jaren
vijftig weer een kwart miljoen mensen uit Indonesië in Nederland
gevestigd.112 Daaronder waren duizenden anti-Soekarno gezinde Zuidmolukkers die
zich verzekerd wisten van de Nederlandse belofte steun te verlenen voor het
terugkrijgen van hun vaderland.
Dekolonisatie was dus een pijnlijke zaak voor de Nederlanders, ook al was er
sprake van economisch herstel zonder Indonesië. Het
creëerde een ‘trauma’ dat, in de woorden
van Lijphart, leidde tot de ‘pathologische gevoelens van
zelfrechtvaardiging, wrok en pseudo-morele veroordelingen’ die de
Nieuw-Guineakwestie beheersten tot 1962.113 Er waren
ook maar weinig Nederlanders bereid openlijk te spreken over het falen van
de Nederlandse strijdmacht in de politionele acties van 1948-1949.114 Maar men was wel genegen het verlies te
aanvaarden als het resultaat van krachten die Nederland niet in de hand had
gehad. Nergens was deze berusting duidelijker merkbaar dan in Balans van beleid (1961), geschreven door Nederlanders die
carrière hadden gemaakt in Oost-Indië. In deze | | | | tamelijk laat verschenen verdediging van het kolonialisme
spraken de auteurs hun waardering uit voor het goedertieren Nederlandse
bewind in Indonesië en betreurden het dat de missie door de
Tweede Wereldoorlog, door krachten die het niet kon beteugelen, zo wreed was
afgebroken. ‘Mijn indruk is, dat wij een spel hebben moeten
spelen dat boven onze krachten ging’, concludeerde de historicus
I.J. Brugmans.115
De discussie over het koloniale verleden, al op een laag pitje in 1962,
doofde steeds verder uit. ‘Het grote zwijgen’
verwijderde het Indonesische verleden uit het Nederlandse geheugen.116 Toen de Tweede Kamer zich in de lente van
1963 boog over ontwikkelingshulp voor Indonesië, was iedereen het
erover eens dat het voormalige conflict als afgesloten diende te worden
beschouwd.117 De Nederlanders leken te lijden aan een
collectief geheugenverlies. De Telegraaf had zich tot
augustus 1962 altijd fel gekeerd tegen Soekarno en de Indonesische regering.
Maar in mei 1963 presteerde de krant het om in een artikel over de
‘onbezorgde’ en ‘jongensachtige’
Indonesische leider, deze te beschrijven als een ‘een bewegelijk
en geïnteresseerd gastheer’ met veel bewondering voor
Rembrandt. Het artikel bevatte geen spoor van de oude vijandschap of van
ironie.118 De enkele keer dat een functionaris zich
uitsprak over het koloniale verleden, gebeurde dit gewoonlijk schuldbewust;
zo veroordeelde Bruins Slot het anti-zelfstandigheidsbeleid van de ARP in de
jaren veertig als een politieke en theologische vergissing.119 Echte beschuldigingen van
oorlogsmisdaden werden slechts door enkelen geuit, zoals door de criminoloog
J.B. Charles, de journalist H.J.A. Hofland en de schrijver Harry
Mulisch.120
‘Het grote zwijgen’ over het koloniale verleden heeft
veel aandacht gekregen van commentatoren, die de stilte meestal weten aan
een sublimatieproces, waarin de Nederlanders weigerden ofwel hun verlies,
ofwel hun misdaden tegen de mensheid onder het koloniale bewind onder ogen
te zien. Het bewijs dat vooraanstaande personen in pers en overheid het niet
toestonden dat het publieke debat over de minder verheffende aspecten van
het Nederlandse koloniale verleden op gang zou komen, is niet moeilijk te
vinden. Al in 1952 wilden twee sociologen (onder wie J.A.A. van Doorn) een
rapport publiceren over de Nederlandse oorlogsmisdaden die zij in
Indonesië op het spoor waren gekomen, maar het lukte hen niet een
uitgever te vinden. Het project leed een kwijnend bestaan totdat laat in de
jaren zestig een open discussie mogelijk werd.121
De directeur van de VARA - nog een voorbeeld - drukte alle voorstellen, die
midden jaren zestig werden gedaan om een documentaire te maken over het SS Imhoff, de kop in. Toen dit Nederlandse schip in 1942 -
op weg naar Aus- | | | | tralië - door de Japanners tot zinken
werd gebracht, lieten de Nederlandse overlevenden wraakzuchtig de Duitse
krijgsgevangenen aan boord zodat ze verdronken.122 Protesten tegen het koloniale verleden leidden in
1965 tot een aandachttrekkende mini-beeldenstorm. Twee provo's uit Coevorden
hadden het stadsmomument beschadigd, het beeld van generaal Joannes
Benedictus van Heutsz (1851-1924), bevelhebber in Nederlands
Oost-Indië en rond de eeuwwisseling leider van een bloedige
campagne om het Nederlands bewind in Atjeh en over Sumatra te vestigen.
Rechter C.W. Baron van Dedem veroordeelde de beide jongeren (waaronder Relus
ter Beek die in 1989 minister van Defensie zou worden) tot het betalen van
een boete van vijftig gulden en hij voegde hen toe dat zij, gezien hun
jeugdige leeftijd, niet in staat waren de Atjeh-oorlogen van generaal Van
Heutsz op hun waarde te schatten.123 Uit deze
voorbeelden blijkt de onwil om de negatieve kanten van het Nederlandse
koloniale verleden onder ogen te zien.
Maar sublimatie is niet voldoende om ‘het grote
zwijgen’ te kunnen verklaren. Nederlanders wilden het pijnlijke verleden niet onder ogen zien, maar zij hoefden het ook niet. De naoorlogse situatie was zo
volledig verschillend van de koloniale periode dat het gemakkelijk kon worden onderdrukt. Kinderen uit het voormalige
Oost-Indië groeiden op in Nederland, hun nieuwe vaderland, en
wisten weinig over het land dat hun ouders hadden verlaten.124 Het contact met
Indonesië verminderde toen Soekarno in 1954 de
Nederlands-Indonesische Unie verbrak. Er was geen taaleenheid, geen
militaire verantwoordelijkheid, geen culturele verbondenheid of wezenlijk
economisch belang waardoor het koloniale verleden levend had kunnen blijven.
Er was geen historische schandvlek die, zoals in Duitsland, niet kon worden
genegeerd; het kwaad gebeurde lang geleden, in een ver land, onder duistere
omstandigheden en het trof vooral niet-Europeanen. Nederland kende geen
grote groepen binnen zijn grenzen die van zins waren om de blanken te
herinneren aan koloniale misstappen in het verleden, zoals in Amerika het
geval was. Uitgezonderd de rijsttafel125 bleek het koloniale verleden van weinig betekenis voor de
meeste Nederlanders. Als verklaring voor het gebrek aan aandacht van de
Nederlanders voor hun koloniale verleden schreef de historicus H.L.
Wesseling, ‘niemand had het nodig (...) het koloniale verleden
was eenvoudig opzij gezet, verwijderd, uitgewist’.126 De stilte vanwege verbolgenheid werd voor een
groot deel aangevuld door de stilte vanwege onverschilligheid.
Twee voorbeelden geven aan dat niet alleen sublimatie, maar ook afstand van
invloed was op de manier waarop de Nederlanders met het | | | |
koloniale verleden omgingen. In januari 1969 - in dezelfde tijd dat de
oorlogsmisdaden van de Amerikanen in Vietnam werden onthuld127 - begon Achter het
Nieuws (VARA) met een serie over de wreedheden die door de
Nederlandse militairen in Indonesië waren begaan. De
hoofdaanklager was dr. J.E. Hueting, zelf getuige van de barbaarse
vergrijpen die door naar zijn schatting tienduizend Nederlandse militairen
tegen burgers werden begaan of toegelaten.128 Toen de televisieserie in juni werd afgerond, was
volgens de programmamaker, Herman Wigbold, het bewijs geleverd dat het
Nederlandse koloniale leger misdaden had begaan. Zo bleek dat kapitein
Raymond Westerling (met anderen) opdracht had gegeven tot de systematische
executie van minstens drieduizend burgers op Zuid-Celebes in 1946 en 1947 -
mogelijk op bevel van hogerhand.129 De serie
veroorzaakte een storm van heftige ontkenningen door woedende burgers,
voormalige militaire officieren (van wie één niet kon
geloven dat Nederlandse soldaten vrouwen en kinderen konden doden130) en voormalige
politici (zoals Drees), die loochenden dat van hogerhand bevel was gegeven
tot de excessen of dat sprake was geweest van oorlogsmisdaden.131 Meteen na de uitzendingen
in januari gaf de Nederlandse regering opdracht tot het onderzoeken van de
beschuldigingen. De in juni 1969 gepubliceerde
‘Excessen-nota’ ondersteunde de meningen van de
voormalige politici; executies hadden niet systematisch plaatsgevonden - er
werden slechts honderdtien afzonderlijke incidenten geteld.132 Maar de belangrijkste landelijke dagbladen gaven, na
aanvankelijk verzet tegen de aanklachten, al snel toe dat de Nederlanders
onomstotelijk schuldig waren aan oorlogsmisdaden in
Indonesië.133 Toen de
KVP-premier Piet de Jong met het rapport op de televisie verscheen, uitte
hij kritiek op de verstrekkende conclusies van Achter het
Nieuws, maar gaf toe dat de aanklachten het Nederlandse zelfbeeld
een flinke deuk hadden gegeven:
‘Zuid-Celebes, Bondowoso, Malang. Er zijn beschamende
dingen gebeurd. De geestelijke volksgezondheid eist dat we het erkennen en
geen poging doen om het goed te praten.’134
Vooraanstaande Nederlandse politici waren dus bereid toe te geven dat het op
moreel gebied niet altijd even vlekkeloos was verlopen, maar dit gaf geen
aanleiding tot heftige publieke discussies. Vergeleken met de debatten over
de Duitse bezetting bleef de onthulling van de vroegere excessen in
Indonesië zonder veel effect. Het publiek bleek, te oordelen naar
de waardering voor het VARA-programma en het aansluitende debat in de
nieuwsbladen, niet bijster geïnteresseerd.135 Zelfs ‘linkse’
Nederlanders toonden weinig belangstelling. Bovendien werd geen van | | | | de schuldigen ooit vervolgd, zelfs kapitein Westerling niet.
Tegen de zomer van 1969 was de hele affaire in het vergeetboek geraakt.136 Het onderwerp kon geen belangstelling meer
wekken in een land waarvan het koloniale verleden zo ver was weggezakt.
De terroristische acties van Zuidmolukse jongeren midden jaren zeventig waren
een tweede symptoom van het geheugenverlies. Als een grotendeels
christelijke bevolkingsgroep genoten Zuidmolukkers een speciale plaats onder
het Nederlands bewind en verzetten zij zich tegen de gecentraliseerde
Republiek die werd bestuurd door de Javanen. Een aantal kwam in 1950 in
opstand tegen Djakarta, maar toen hun verzet op niets uitliep vluchtten
twaalfduizend Zuidmolukkers en Ambonezen naar Nederland, in de hoop dat de
Nederlanders hen zouden bijstaan in de strijd. De Nederlandse regering
hoopte dat zij rustig terug zouden keren naar Indonesië en deed
weinig moeite om de ‘staatloze’ vluchtelingen te
integreren in de maatschappij, zodat hun gevoel van
geïsoleerdheid en verlatenheid werd versterkt. In de jaren
zeventig bleek een aantal jonge Molukkers door middel van geweld de aandacht
te willen vestigen op hun eisen; de treinkapingen van 1975 en 1977 waren
daarvan het gevolg. Hoewel deze terroristische acties reden gaven tot enige
bezinning in Nederland, onderstreepten hun irreële eisen voor
veel Nederlanders slechts de afstand tot hun koloniale verleden.
De Nederlanders werden dus steeds verder afgesneden van hun verleden, en
hadden zo een groot deel van hun nationaliteitsgevoel verloren. Zij bleken
niet in staat om, zogezegd, een bruikbaar verleden te vinden. Maar dat
weerhield hen er niet van om nieuwe taken en identiteiten te zoeken. Hierin
toonden ze zoveel geestdrift dat sommige waarnemers suggereerden dat de
Nederlanders hun nationaliteitsgevoel nooit waren kwijt geraakt.
| |
Ontwikkelingshulp
In de jaren zestig was Nederland goed op weg om in het geven van hulp aan
arme landen één van de vrijgevigste landen in de
wereld te worden. In de jaren vijftig werd de Nederlandse regering een
toegewijde deelnemer aan ontwikkelingsprojecten van de Verenigde
Naties.137 Nog tot vroeg in de jaren zestig
was de Nederlandse ontwikkelingshulp bescheiden en grotendeels beperkt tot
de eigen koloniën (Nieuw-Guinea, de Antillen en Suriname), een
situatie die door vele parlementariërs werd betreurd.138 Maar
vanaf 1965 schoot de bijdrage omhoog, van tweehonderdmiljoen naar bijna
tweemiljard gulden tien jaren later.139 De ministers die verant- | | | | woordelijk waren
voor ontwikkelingshulp (een portefeuille die in 1965 werd
gecreëerd140) hadden grote plannen;
B.J. Udink (1967-1971; CHU) wilde één procent van het
netto nationale inkomen afdragen; Jan Pronk (1973-1977; PvdA) verhoogde dit
tot anderhalf procent, een percentage dat in 1980 werd bereikt en slechts
door Noorwegen werd overtroffen.141
Hoe indrukwekkend de uitstroom van kapitaal ook lijkt, de uitstroom van goede
intenties was nog adembenemender. Alle politieke partijen wilden nog meer
geven en hun betrokkenheid bij dit project bewijzen. Aad Nuis, een
politicoloog die het werkelijke bedrag dat de Nederlandse regering aanbood
bekritiseerde, leverde in 1968 het volgende commentaar:
‘Alle serieuze opinievormers bepleiten verhoging van de
Nederlandse bijdrage aan de bestrijding van de wereldarmoede, en alle
serieuze politici zijn het daarmee eens. Ze verdringen elkaar zelfs om de
eerste te zijn, als kleine jongens bij de springplank in het zwembad.
Niemand springt...’142
Ook al droeg de Nederlandse regering niet zoveel af als Nuis wilde, haar relatief hoge bijdrage vraagt om nadere verklaring.
Volgens A.E. Pijpers kon de smaad van de dekolonisatie een reden zijn
geweest voor de ijver waarmee de Nederlanders zich wierpen op
ontwikkelingshulp; naar zijn mening diende ontwikkelingshulp ter
‘compensatie’.143 Maar er waren ook andere redenen.
Het traditionele Nederlandse moralisme, pijnlijk getroffen door een slecht
geweten over de oorlog en de Holocaust, speelde waarschijnlijk ook een rol.
Deze moralistische (en soms paternalistische) drijfveer is duidelijk
waarneembaar in de taal van de meeste beleidsstukken over ontwikkelingshulp.
Een antirevolutionair rapport uit 1959 benadrukte de door God gegeven
verantwoordelijkheid om ‘solidariteit met onze
medemens’ te tonen en het rapport van de PvdA uit 1963 wees op de
plicht van het internationale, democratische socialisme om honger en armoede
in de wereld met wortel en tak uit te roeien.144 De
Christelijk-Historische Unie gaf haar rapport over ontwikkelingshulp (1963)
zelfs een vooroorlogse smaak door het beklemtonen van de speciale, morele
rol van Nederland op het wereldtoneel.145 Aan de andere kant hebben een aantal critici later met enig
recht betoogd dat de Nederlandse ontwikkelingshulp
‘neo-koloniale’ economische doelen beoogde.146 Voordat Udink minister voor
Ontwikkelingshulp werd was hij directeur van de Centrale Kamer van
Koophandel, en als minister probeerde hij ontwikkelingshulp aan te prijzen
als aantrekkelijk voor de internationale zakenbelangen.147 Het Nederlandse zakenleven had
aanzienlijk geïnvesteerd in de armere landen148 en
ontving vele subsidies voor het uitvoeren | | | | van ontwikkelingshulp
projecten. De twee drijfveren waren volgens veel voorstanders van
buitenlandse hulp, zoals Udink, niet onverenigbaar. Geld verdienen en het
goede doen gingen vaak hand in hand en vormden een dubbele aansporing tot
ontwikkelingshulp.
Maar de Nederlandse bevlogenheid voor ontwikkelingshulp in de jaren zestig en
zeventig was ook een geheel post-koloniaal project. Deze
hulp toonde aan dat Nederland de provinciale kortzichtigheid van het
verleden van zich had geworpen en vat had gekregen op belangrijke,
wereldwijde problemen. Het bewustzijn van deze omslag ging vergezeld van het
besef dat de wereld kleiner werd. Deze opvatting werd door de KVP in een
beleidsstuk over ontwikkelingshulp uit 1966 verwoord, waarbij de auteurs
zich expliciet beriepen op Teilhard:
‘Er valt een groeiend bewustzijn te constateren, dat de
wereld feitelijk steeds meer één wordt, toegroeit naar
een planetaire samenleving, een bewustwording ook dat deze ontwikkeling
gewenst is.’149
De aansporing tot ontwikkelingshulp stond in het licht van het besef dat
Europa steeds minder belangrijk en Afrika en Azië steeds
belangrijker aan het worden waren. In de jaren vijftig had de opkomst van
nieuwe onafhankelijke staten de aandacht van vele westerlingen getrokken en
zeker van veel Nederlanders. Politici, kerkelijke leiders en intellectuelen
zagen ontwikkelingshulp als een onderdeel van het onverbiddelijke
wereldgebeuren, waarin Nederland om zowel altruïstische als
economische redenen een grote rol moest spelen.
Dit motief voor ontwikkelingshulp kwam vaak in combinatie met een besef van
crisis naar voren. De meeste politieke beleidsstukken benadrukten dat de
‘gezamenlijke toekomst’ van de mensheid op het spel
stond. De troonrede van 1967 sprak over een wereldsituatie ‘die
ons dwingt niet alleen de ontwikkeling van onze eigen samenleving te
bevorderen, maar ons ook in te spannen op die gebieden waar wij iets voor
anderen kunnen betekenen’.150 Ook het invloedrijke boek Inclusief denken (1966) van Feitse Boerwinkel toonde aan
dat het noodzakelijk was om het denken over bij voorbeeld de armere landen
een nieuwe vorm te geven:
‘...laat zien dat de discrepantie tussen onze rijke
landen en de hongergebieden evenzeer een kanker is, die ons wereldlichaam te
gronde zal richten als er niet op deskundige wijze een eind aan wordt
gemaakt. En laat daarbij zien dat voorziening in de behoefte van deze
ontwikkelingslanden voor ons een binnenlandse aangelegenheid is geworden,
even goed dus een zaak voor onze Regering als de verzorging van bepaalde
ontwikkelingsgebieden in eigen land...’151
Ook een uitgave van het ministerie van Buitenlandse Zaken uit 1965 over | | | | ontwikkelingshulp accentueerde de Nederlandse
verantwoordelijkheid voor het verlichten van de nood in de Derde Wereld:
‘Steeds meer breekt het inzicht baan, dat de vrede en
welvaart voor de hele wereld in grote mate afhangen van de hoop of wanhoop
van degenen, die nu in armoede gevangen zijn.’152
Deze gevoelens werden eveneens verwoord in de beleidsnota van de minister
voor Ontwikkelingssamenwerking, Theo Bot (1965-1966). De inleiding gaf aan
dat tachtig nieuwe staten (tweederde van de wereldbevolking) moesten worden
ingepast in een internationaal bestel dat zelf ‘in volle beweging
is tengevolge van de ontzagwekkende na-oorlogse evolutie van wetenschap en
techniek’.153 Egbert de Vries, een
gezaghebbend voorvechter op het gebied van ontwikkelingshulp, benadrukte in
een artikel in 1966 dat de Nederlanders zich moesten aanpassen aan nieuwe
tijden. Hij maakte zijn lezers duidelijk dat zoals aan de Atlantische en
Europese samenwerking niet kon worden ontkomen, ook ontsnappen aan de
gevolgen van deze ‘wereldverschijnselen’ niet mogelijk
was. De wereldvrede stond op het spel:
‘In een dynamische wereld raakt de tegenstelling
ontwikkeld - onderontwikkeld verouderd. Het gaat eerder om de tegenstelling
dynamisch - traditioneel (...) Wij zijn allen tezamen “men in
rapid social change”, met alle spanningen en potenties van dien.
Voor de mensheid, met wie wij ontegenzeggelijk op leven en dood betrokken
zijn, zijn deze ontwikkelingsvraagstukken de
allerbelangrijkste.’154
Het is dus niet zo opzienbarend dat prins Bernhard in een lezing voor de
Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand (NOVIB) in 1963 kon
zeggen: ‘de internationale hulpverlening aan de
ontwikkelingslanden is het meest centrale vraagstuk van onze
tijd’.155 Soms was het taalgebruik van de
‘noodzaak’ zo bombastisch omdat het de bedoeling was
publieke steun en donaties te verkrijgen voor ontwikkelingshulp, op andere
momenten weer om een gevoel van eigenwaarde te versterken. Maar er lijkt
weinig reden te zijn om te twijfelen aan de oprechtheid van de uitingen.
Nederlandse politici en intellectuelen leken in gelijke mate ervan overtuigd
dat investeringshulp de enige weg was om gespannen verhoudingen in de wereld
te voorkomen, en dat grote inkomensverschillen uiteindelijk niet alleen de
arme landen, maar ook de geïndustrialiseerde landen te gronde
zouden richten. Ontwikkelingshulp, als hét centrale vraagstuk in
het naoorlogse Nederland, werd door Nederlanders dus gezien als een absoluut
noodzakelijke concessie aan de opkomende Derde Wereld.
| |
| | | |
‘Gidsland’
Het bewustzijn van de nieuwe wereldwijde problemen kreeg ook gestalte in
andere politieke en culturele veranderingen. Aan het einde van de jaren
zestig nam in Nederland, evenals in andere Europese landen, de kritiek op de
naoorlogse status quo toe. Dit kwam in het buitenlandse beleid tot uiting in
het uiteenvallen van de consensus rond de Koude Oorlog. De Nederlandse
politici raakten minder overtuigd van de noodzaak tot militaire waakzaamheid
en de defensie-uitgaven daalden, in navolging van een algemenere trend, van
negentien procent van het staatsbudget in 1962 tot dertien procent in
1972.156 De
begroting voor defensie werd nog zorgvuldiger en kritischer dan voordien
door het parlement gecontroleerd. De NAVO werd, vooral door links, steeds
vaker onder vuur genomen, vooral toen ook aan Portugal en Griekenland het
lidmaatschap werd aangeboden.157 Toch bleef de meerderheid van de
bevolking de NAVO steunen.158
De protesten tegen kernwapens, een vorm van verdediging waarover de
Nederlandse Hervormde Kerk zich al in 1962 afkeurend had uitgesproken,
vonden steeds meer weerklank onder grote delen van de bevolking en onder
politici zelf. Verzet tegen de Vietnamoorlog begon in 1965 en breidde zich
na 1970 snel uit, zelfs onder politici van de grote partijen en onder
dagbladredacteuren.159 In
1967 bekritiseerde de Tweede Kamer, zeer tegen de zin van Luns, de
bombardementen in Noord-Vietnam. De Nederlandse regering onthield zich
echter van openlijke kritiek tot december 1972. Toen lokten bombardementen
op Hanoi dan ook de grootste protestactie uit sinds de oorlog, gehouden in
Utrecht op 6 januari 1973. Tegelijkertijd nam de kritiek op de
‘gewelddadige’ Amerikaanse samenleving toe, zoals dat
ook gebeurde in andere landen. Deze kritische houding werd mede aangewakkerd
door Pressers boek Amerika: Van kolonie tot wereldmacht
(1965; eerste druk in 1949), waarin onder andere het Amerikaanse
anticommunisme op de hak werd genomen.160 Ook in het radioprogramma Amerika in termijnen van Abram de Swaan kwamen kritische
noten voor; daarin werden bij voorbeeld racisme en corruptie in de
Amerikaanse samenleving onder de loep genomen.161
Als uitvloeisel van de interesse voor ontwikkelingshulp kwam er steeds meer
aandacht voor wereldproblemen. Het idealisme voor Europa nam af naarmate
Nederlanders de grenzen van hun continent overschreden (in dat idealisme
voelde je, volgens een commentator, de jaren vijftig nog162). In
het parlement was de Europese integratie alleen voor de meer conservatieve
partijen (VVD, CHU, KVP) nog een geliefd onderwerp.163 Veel
progressieven bekeken de EEG met argusogen, want die was in hun ogen | | | | een conservatief bolwerk, opgeworpen om de radicale
herverdeling van economische macht in de wereld te verhinderen. Vroeg in de
jaren zestig waren allerlei maatschappelijke organisaties acties begonnen
tegen apartheid164 - een breuk met de goedgunstige houding die vroeger
tegenover hun bloedverwanten in Zuid-Afrika werd ingenomen.165 Deze groeperingen bleken een cruciale
rol te spelen in de boycotten tegen Zuid-Afrika in de jaren zeventig. Ook
het Angola Comité van Sietze Bosgra ontwikkelde rond deze tijd
allerlei activiteiten en kwam uitgebreid in de publiciteit.166 Omroeporganisaties begonnen een
sterke ‘geopolitieke belangstelling’ te tonen. Dit
gold vooral voor de VPRO, toentertijd de stem van de meer linkse
elites.167 Ten slotte raakten de Nederlanders steeds meer betrokken bij de
wereldwijde ecologische problemen. Als of het warme broodjes waren ging de
helft van de wereldoplage (één miljoen exemplaren) van
het ingetogen rapport De grenzen van de groei (1972) van
de Club van Rome over de Nederlandse toonbanken.168
Het opzienbarendste aspect van deze vlaag van interesse voor wat er in de
wereld speelde was de rol van het publiek, dat tot die tijd tamelijk
gereserveerd stond tegenover ‘het buitenland’. Onder
invloed van dit nieuwe activisme schoten belangengroeperingen die zich
richtten op buitenlands beleid als paddestoelen uit de grond.169 Wat S.W. Couwenberg, een gematigd pragmaticus, daarover
schreef in 1971 is in dit opzicht illustratief. Volgens hem waren in het
‘moderne, democratische levensbesef’ de mensen zich
bewust geworden van het ‘wereld-gebeuren’, het proces
van groeiende globale eenheid ‘waar alles met alles samenhangt en
waarvoor de mens zelf zich verantwoordelijk weet en voelt’, een
proces waarin zij ook wilden participeren.170 Voor Couwenberg, evenals voor anderen,
stond het vast dat globalisering en participatie in het
‘wereld-gebeuren’ natuurlijk onderdelen waren van het
groeiende besef van de onderlinge afhankelijkheid in de wereld.
Deze globaliseringsgedachte kwam in 1972 sterk naar voren in de gecombineerde
politieke campagne van PvdA, D'66 (nu D66) en PPR. In hun programma werd
opgeroepen tot een nieuw buitenlands beleid tegen de internationale
gevestigde orde in.171 Nederland kon de
wereldgemeenschap een betere weg tonen. Joop den Uyl, die in 1973 premier
werd, noemde Nederland daarom een ‘gidsland’.172 De
‘gidslanders’ riepen de Nederlanders op om een
leidende rol op zich te nemen in het veranderen van de wereld, om een
lichtend voorbeeld te zijn. Simon Vinkenoog (1928-), waarschijnlijk de
beroemdste ‘beatnik’-dichter van Nederland, verwoordde
in een gedicht in de late jaren zestig deze roeping:
| | | |
‘Zeg Nederland, weet je eigenlijk wel waarover ik het heb,
zeg Nederland, heb je je geweten nog behouden -
of heb je je ziel verpand aan 't gemak, je natje en je droogje
en de koninklijke nutteloze goudgele papierbedrukte miljoenen?
Nederland, je kunt alle noden lenigen,
Nederland, er bestaan geen problemen -
ze kunnen alle uit de wereld geholpen worden,
Nederland, maak je nuttig, Nederland -
de wereld wacht op bevrijding.
Nederland, ga vóór...’ 173
Het ‘gidsland’-ideaal was eigenlijk de specialiteit van
de Politieke Partij Radikalen (PPR), opgericht in 1968
door veelal katholieke christen-radicalen die hun buik vol
hadden van de lauwe gematigdheid van de grote christen-democratische
partijen. Onder Bas de Gaay Fortman, telg uit een gerespecteerde
ARP-familie, behaalde de PPR in 1972 een grote overwinning door zeven (van
de honderdvijftig) zetels in de Tweede Kamer in de wacht te slepen en in het
kabinet-Den Uyl een plaatsje te veroveren (1973-1977). Het was De Gaay
Fortman die een bekend artikel schreef over het
‘gidsland’-beleid, ‘De vredespolitiek van
de radicalen’ (1973), waarin hij onder andere het grondvesten van
een kernwapenvrij gebied in Nederland bepleitte.174
Binnen het kabinet-Den Uyl was de geestdriftigste voorstander van het
‘gidsland’-concept Jan Pronk(PvdA), toen en ook later
minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Samen met de minister van
Buitenlandse Zaken, Max van der Stoel (PvdA), was Pronk, die ten tijde van
zijn benoeming pas drieëndertig jaar oud was, verantwoordelijk
voor de veelgeroemde nieuwe benadering van het buitenlands beleid. Pronk
verwierp het voormalige ontwikkelingsbeleid en benadrukte politieke
‘bevrijding’ door landen zoals Cuba en Noord-Vietnam
op de hulplijst te plaatsen. Hij beijverde zich voor een radicale
herstructurering van de wereldeconomie en dreigde een eigen
ontwikkelingsbeleid onafhankelijk van de Europese Gemeenschap te gaan
voeren.175 De minister verduidelijkte zijn verrassend bescheiden
doelstellingen in een interview in 1973:
‘In mijn politieke visie moet deze regering een
katalysator zijn in het proces van veranderingen (...) We moeten door onze
voorstellen en manier van zeggen wel laten zien, dat het anders kan. Als de
voorstellen het niet halen is het niet zo erg. Het gaat er vooral om, dat
men zich ervan bewust wordt, dat een ander beleid mogelijk
is.’176
| | | |
Pronk en andere tamelijk linkse idealisten probeerden niet alleen de wereld
te verbeteren, maar ook hun eigen land te veranderen. Van der Stoel riep in
het midden van de jaren zeventig dan ook op tot een
‘wereldomvattende binnenlandse politiek’, opdat
Nederlandse gewoonten en waarden een wereldomvattende solidariteit zouden
tonen.177
Zowel het ontwikkelingshulpbeleid als het bewustzijn van wat er in de wereld
gebeurde, groeiden in de jaren zeventig, maar uiteindelijk bleek er geen
sprake te zijn van een radicale verandering in het buitenlandse beleid. Het
grootste deel van het kabinet-Den Uyl bleef trouw aan het economie- en
defensiebeleid dat na 1945 was vastgesteld. Van der Stoel was, ondanks al
zijn socialistische idealisme, ongegeneerd een Atlanticist die zich stoorde
aan Pronks weinig tactische benadering van internationale contacten. Maar
het ‘gidsland’-ideaal was wél de bakermat
van de invloedrijke vredesbeweging die, als in geen ander land, er bijna in
slaagde om de plaatsing van kernraketten in Nederland vroeg in de jaren
tachtig te verijdelen.
Aan de invloed van dit ‘gidsland’-ideaal in het
Nederlandse buitenlandse beleid zijn veel beschouwingen gewijd. De meeste
commentatoren zien het fenomeen als een voortzetting van de vooroorlogse
traditie van moralistische neutraliteit. De Nederlanders waren immers reeds
lang voorvechters van een morele wereldorde geweest, getuige de Verenigde
Naties en het internationale Hof van Justitie.178 Van recenter datum is de
verklaring van Abram de Swaan dat het Nederlandse verlangen om
‘wereldburgers’ te zijn voortkwam uit een besef van
nationale machteloosheid.179 Hoe overtuigend deze
interpretaties ook zijn, zij gaan voorbij aan het thema dat al sinds 1945
door de Nederlandse elites werd bezongen: het kleine Nederland moet krachtig
en realistisch reageren op de overweldigende wereldomspannende
ontwikkelingen wanneer het nog enige invloed wil doen gelden op de gang van
zaken in de wereld. De meeste ‘gidslanders’ hebben
nooit direct gezegd dat Nederland een in moreel opzicht superieur land was.
Zij vonden alleen maar dat de Nederlanders juist vanwege de kleinheid en
kwetsbaarheid van hun land in staat waren te zien wat er met de wereld aan
de hand was en konden proberen er iets aan te doen.180 De Nederlanders liepen niet langer
meer achter op het schema, zij liepen vóór. Het
‘gidsland’-concept moet dus niet alleen worden
gecategoriseerd als een uitbreiding van het vooroorlogse moralistische
idealisme, maar ook als een variant op het naoorlogse realisme.
De Nederlandse elites, die zich omgeven voelden door wereldmachten, hebben in
een poging hun land aan de eisen en de realiteit van ‘de
stroom- | | | | versnelling der tijden’ aan te passen,
enkele opmerkelijke prestaties geleverd. Hoewel eerst met tegenzin, werd
Nederland later de trouwste bondgenoot van de NAVO en
één van de meest pro-Europese landen in de Europese
Gemeenschap, terwijl alleen de Scandinaviërs de inzet voor
ontwikkelingshulp wisten te overtreffen. Nederland werd daarnaast
één van de minst nationalistische landen in Europa en,
tegen de jaren zeventig, het enfant terrible van het
Atlantisch bondgenootschap, toen de regering onder zware publieke druk de
plaatsing van kernwapens in Nederland uitstelde. Al deze ontwikkelingen
werden in gang gezet na 10 mei 1940. Nederlandse elites probeerden de
nederlaag te boven te komen door goed acht te geven op internationale
processen, en door aanpassing en reactie hun land weer mogelijkheden te
geven daarop invloed uit te oefenen. Hoewel de Nederlanders hun neiging om
te moraliseren niet verloren, werden zij vooral behendige en flexibele
medespelers die zich mee lieten slepen in het grote wereldgebeuren - waar
het hen ook mocht brengen. Daarom konden de Nederlanders zowel
‘de Bulgaren van de NAVO’ zijn op het hoogtepunt van
de Koude Oorlog181, als de
dragers van de anti-kernwapen ‘hollanditis’ in het
spoor van de détente182, en zowel betrokken Europeanisten in de hoogtijdagen van
Europa als pleitbezorgers voor de Derde Wereld in een tijd van ongekende
welvaart en schuldgevoelens. In al deze gevallen wilden de Nederlandse
elites in het buitenlands beleid laten blijken dat Nederland, ondanks zijn
geringe omvang, een niet te verwaarlozen kracht was op het wereldtoneel, een
motiefwaar veel commentatoren reeds de aandacht op hebben gevestigd. Door
nauwgezet de snelle veranderingen in het wereldgebeuren te registreren
slaagden de Nederlanders erin bijna iedereen voorbij te streven in het
voldoen aan de eisen van de tijd en werden zij zodoende vaak voorlopers in stromingen die het wereldgebeuren bepaalden.
Dirk Stikker, die in zijn carrière werkzaam is geweest als
directeur van Heineken, minister van Buitenlandse Zaken, ambassadeur in
Londen en secretaris-generaal van de NAVO, doorzag dit motief scherp. Hij
wees er in 1966 op dat de Nederlanders niet waren als de Engelsen, die de
geschiedenis nog steeds beleefden als deel van het heden en trots waren op
hun geïsoleerdheid en onafhankelijkheid:
‘Wij, Nederlanders, zijn er ons daarentegen levendig van
bewust, dat wij thans een bescheiden rol op het wereldtoneel spelen.
Desondanks borrelen wij over van energie en zoeken in de snel veranderende
wereld naarstig naar nieuwe taken.’183
|
1C. te
Lintum, Een eeuw van vooruitgang, 1813-1913 (Zutpen, W.J.
Thieme, 1913), 224-225.
2Diverse artikelen in de New York Times, 16 augustus 1962. Het uit negenentwintig
punten bestaande akkoord, gebaseerd op een voorstel van de Amerikaan
Ellsworth Bunker, was een compromis dat vooral voor Indonesië
gunstig uitpakte. Binnen negen maanden zouden ze Nieuw-Guinea ontvangen van
de VN. De VN zou het van 1 oktober 1962 tot 1 mei 1963 besturen. Uiterlijk
in 1969 zou het de Papoea's worden toegestaan over hun eigen toekomst te
beslissen.
3J.G. de Beus, Morgen bij het aanbreken van de
dag (Rotterdam: Ad. Donker, 1977).
4Jelle Zijlstra, Per slot van
rekening: Memoires (Amsterdam/Antwerpen: Contact, 1992),
158.
5Dat Kennedy het plan voor
de invasie van Indonesië in Nieuw-Guinea liet uitlekken werd pas
openbaar in 1977, met de publikatie van De Beus' Morgen bij het
aanbreken van de dag.
6Arend Lijphart, The
trauma of decolonization: The Dutch and New Guinea (New
Haven/Londen: Yale University Press, 1966), 192.
7Handelingen der
Staten Generaal, Tweede Kamer, Zitting 1961-1962, deel I (Den Haag:
Staatsuitgeverij, 1962),49-50.
8Uit een studie
naar alle belangrijke nationale kranten van 16 augustus 1962 en uit
‘Persspiegel’, Katholieke
Volkskrant, 17 augustus 1962.
9‘Ook Indonesië deed water in de wijn’, Trouw, 17 augustus 1962, waarin Luns wordt geciteerd in
een interview met de televisiepersoonlijkheid G.J.B. Hilterman. In latere
jaren zou Luns de betekenis van het Nieuw-Guinea-debâcle
bagatelliseren, volgens Frits Boersma, Dagboek van Nederland:
Geschiedenis gezien door ooggetuigen (Amsterdam/Brussel: Elsevier,
1984), 398.
10‘De rede van prof.
de Quay’, Katholieke Volkskrant, 16 augustus
1962.
11J.A.H.J.S. Bruins Slot, En ik
was gelukkig (Baam: Bosch en Keuning, 1972), 42. De oorspronkelijke
tekst kan worden gevonden in ‘Mijn keuze’, Trouw, 18 december 1962.
12Het kan
nuttig zijn een onderscheid te maken tussen formele (ambtenaren en
diplomaten) en informele elites (politici en woordvoerders van
belangenpartijen, hun invloed nam toe na 1945). Zie voor een nadere
verklaring van dit onderscheid P.R. Baehr, e.a., Elite en
buitenlandse politiek in Nederland (Den Haag: Staatsuitgeverij,
1978).
13Geciteerd in Cees Wiebes,
‘Diplomatieke of militaire oplossingen:
Nederlands-Indonesië’, Internationale
Spectator, 43, 2 (februari 1989), 144.
14Geciteerd in Ivo
Samkalden, ‘A Dutch retrospective view on European and
Atlantic co-operation’, Internationale
Spectator, 19 (1965), 627.
15Hans Daalder, ‘The Netherlands and the
world’, in J.H. Leurdijk, (red.), The foreign
policy of the Netherlands (Alphen aan den Rijn: Sijthoff en
Noordhoff, 1978), 79. Dit artikel werd de eerste maal gepubliceerd in
1953.
16Voor een kort en recent overzicht zie H.A. Schaper,
‘Het Nederlandse veiligheidsbeleid, 1945-1950’, in
N.C.F. van Sas, (red.), De kracht van Nederland
(Haarlem: H.J.W. Becht, 1991), 150-170.
17Alfred van Staden, Een trouwe bondgenoot:
Nederland en het Atlantisch Bondgenootschap (1960-1971) (Baarn:
Anthos, 1974).
18Van Staden, Een trouwe
bondgenoot, 176.
19Ken Gladdish, Governing
from the centre: Politics and policy-making in the Netherlands
(Londen: Hurst, 1991), 169.
20Zie het provocerende artikel van J.L. Heldring,
‘Europe: A “Greater
Holland”?’, Internationale
Spectator, 19 (1965), 538-548.
21J.W. Honig, ‘The Dutch as allies: Image and
reality’, Internationale Spectator, 43
(1989), 701-705.
22Alfred E. Pijpers, ‘Dekolonisatie,
compensatiedrang en normalisering’, in Van Sas, De kracht van Nederland, 207-210. Pijpers betoogt dat zowel in
het Nieuw-Guineabeleid (tot 1962) als in de ontwikkelingshulp
compensatie werd gezocht voor het verlies van Oost-Indië en
dat het streven naar compensatie slechts recent is afgenomen.
23J.C.H. Blom, ‘A necessary
evil. The armed forces and society in the Netherlands’, in
G.J.A. Raven en N.A.M. Rodger, (red.), Navies and armies.
The Anglo-Dutch relationship in war and peace, 1688-1988
(Edinburgh: John Donald Publishers, 1990), 84-104.
24Duco Hellema,
Negentien zesenvijftig (Amsterdam: Jan Mets,
1990).
25Philip Everts, Guido Walraven, (red.), The
politics of persuasion: Implementation of foreign policy by the
Netherlands (Aldershot: Avebury, 1989), 41.
26Verzet tegen de NAVO was niet
algemeen binnen de CPN. Nog tot 1971 was 59% van de CPN-kiezers ervan
overtuigd dat Nederland lid moest blijven van de NAVO. Geciteerd in A.J.
Vermaat, ‘Verkiezingsonderzoek 1971’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 42 (1972), 200-214.
27B.H.M.
Vlekke, ‘A Dutch view of the world situation’, International Affairs, 28, 3 (1952), 414.
28Samkalden,
‘A Dutch retrospective view’, 626.
29In een
enquête uit 1969 (NIPO enquête 1281) bleek
vijfenzestig procent van de ondervraagden de NAVO te steunen, dertien
procent wilde de organisatie verlaten; in F.M. Rosschar, (samenst.), Buitenlandse politiek in de Nederlandse publieke
opinie (Den Haag: Nederlands Instituut voor Vredesvraagstukken,
1975), 93. Dit beeld wijzigde de jaren daarna nauwelijks.
30W. den Toom, J. Luns,
‘Nota inzake het NAVO- en het defensiebeleid’, Handelingen der Staten Generaal, Tweede Kamer, Zitting
1967-1968, nr. 9635, 13.
31Den Toom, Luns, ‘Nota inzake het NAVO-en
het defensiebeleid’, 9.
32Van Staden, Een
trouwe bondgenoot, 26.
33Zie bij voorbeeld Richard T.
Griffiths, (red.), The Netherlands and the integration of
Europe, 1945-1957 (Amsterdam: NEHA, 1990).
34Wendy Asbeek Brusse,
‘The Dutch socialist party’, in Richard T.
Griffiths, (red.), Socialist parties and the question of
Europe (Leiden/New York/Keulen: Brill, 1993), 109-110.
35Een recente
ontwikkeling in de Nederlandse geschiedschrijving is het benadrukken van
de weerzin die de Nederlandse regering had tegen de EGKS en de EEG, veel
ministers waren ervan overtuigd dat het voor Nederland slechts weinig
voordeel kon opleveren.
36Zie bij voorbeeld
Marinus van der Goes van Naters, Met en tegen de tijd: Een
tocht door de twintigste eeuw (Amsterdam: Arbeiderspers, 1980),
210-225; 234-238.
37Zie Hans Nijenhuis, ‘De Nederlandse
tactiek in de onderhandelingen over een Europese politieke unie
(1960-1962): Nee tegen De Gaulle!’, Internationale Spectator, 41 (1987), 41-49. Zie voor een
uitstekend overzicht van het Nederlandse Europees beleid Susanne Jonas
(Bodenheimer), ‘The denial of grandeur: The Dutch
context’, in J.H. Leurdijk, (red.), The foreign
policy of the Netherlands (Alphen aan den Rijn: Sijthoff en
Noordhoff, 1978), 235-284.
38Dit was een groot succes voor
Luns. De andere vijfEEG-landen hadden het eerste Plan-Fouchet al
voorwaardelijk aangenomen en op de Nederlanders werd begin 1962 zware
druk uitgeoefend om de tweede, gewijzigde versie te accepteren. De
Gaulle had laten weten dat hij geen verdere wijzigingen zou toestaan. De
andere EEG-landen begonnen daarop meer naar het Nederlandse standpunt
over te hellen, zodat het voorstel effectief werd onderuit
gehaald.
39Robert S.
Wood, ‘Europe and the communitarian image in Dutch foreign
policy’, Internationale Spectator, 26
(1972), 831.
40Zie bij voorbeeld de toespraken en resoluties door de
Nederlandse Vereniging van Vakbonden (NVV) in D. Spierenburg, e.a., De integratie van Europa (Amsterdam: NVV, oktober
1954).
41Deze bescheiden beperkingen
werden, constitutioneel dan wel informeel, in alle zes lidstaten van de
EGKS gemaakt. Zie Johan Linthorst Homan, De spanning tussen
economische en politieke factoren (Den Haag: Martinus Nijhoff,
1955), 34-37.
42Voor de visie van deze katholieke vrouwen,
zie Ineke Jungschleger, Claar Bierlaagh, Marga
Klompé: Een gedreven politica haar tijd vooruit
(Utrecht/Antwerpen: Veen, 1990), 83-87.
43Tussen 1952 en 1956 had Nederland twee
ministers van Buitenlandse Zaken, Beyen en Luns, een onpraktische
regeling, getroffen op politieke gronden. De beide mannen verdeelden de
taken en Beyen specialiseerde zich in Europese zaken. Deze werkverdeling
bleek niet voor herhaling vatbaar, in 1956 werd Beyen niet meer
vervangen.
44Marcel Ermers en
John Kragt, ‘Tussen tradities en tractaten: minister Beyen
van Buitenlandse Zaken en de Europese integratie’, Internationale Spectator, 45 (1991), 288-292.
45Wendy Asbeek Brusse, ‘The Dutch socialist
party’ in Griffiths, (red.), Socialist parties
and the question of Europe.
46Jan Willem Beyen, Het spel en de knikkers: Een kroniek van vijftig jaren
(Rotterdam: Donker, 1968), 224-225.
47Willem Drees, De ontwikkeling in Nederland
sinds 1945 en de perspectieven (Amsterdam: Strengholt, 1957),
34.
48Zie ‘Een
enquête over Europa's ontwikkeling’, Internationale Spectator, 14 (1960), 299-328, vooral het
commentaar van H.W. van Doorn en G.B.J. Hilterman.
49Linthorst Homan, Europese
integratie, 200-204; 250-251.
50E.N. van
Kleffens, ‘De politieke aspecten’, in Pieter Geyl,
e.a., Vier maal Europa (Alphen aan den Rijn: Samsom,
1960), 34.
51J.A.H.J.S. Bruins Slot, Bezinning en
uitzicht: De motieven der huidige wereldontwikkeling en onze roeping
daarin (Wageningen: Zomer en Keunings, [1950]).
52Jean Monnet, Memoirs (Garden City:
Doubleday, 1978), 286.
53Prins Bernhard,
‘De Europese gedachte’, in Max Nord, (red.), Prins Bernhard: Vijftig toespraken (Amsterdam: Ten
Have, 1961), 134-138.
54Europese Beweging, Een wegwijzer door de Europese integratie (Den Haag:
Europese Beweging, 1961), 6.
55Voor
meer informatie over de rol van Teilhard, zie hoofdstuk vier.
56‘Troonrede, 17 september 1963’, in E. van Raalte,
(samenst.), Troonredes, openingsredes, inhuldigingsredes,
1814-1963 (Den Haag: Staatsuitgeverij, 1964), 342.
57Zie Europese Unie: Rapport van de adviescommissie Europese Unie
(Den Haag: Staats-uitgeverij, 1975), 64.
58R. Cohen, ‘The
Netherlands and European integration’, Internationale Spectator, 43 (1989), 706.
59Zie Petrus Arsene
Cornelis, Europeans about Europe: Young intellectuals of
six countries express their attitudes about the unification of
Europe (Amsterdam: Swets en Zeitlinger, 1970), 14-19.
60Volgens een enquête uit
1969; Rosschar, Buitenlandse politiek, 288. Zie ook
Ronald Inglehart, ‘An end to European
integration?’, ASPR, 61, 1 (maart 1967),
92; geciteerd in Marcel van Herpen, ‘De Nederlander en de
Europese Gemeenschap’, Internationale
Spectator, 35 (1981), 79. Van Herpen voegt hier meteen aan toe dat
de Nederlanders eveneens het meest gebrekkig zijn
geïnformeerd over de EEG binnen de Gemeenschap.
61Zie Henk te Velde,
Gemeenschapszin en plichtsbesef: Liberalisme en
nationalisme in Nederland, 1870-1918 (Den Haag: Sdu Uitgeverij,
1992); Roel Kuiper, Zelfbeeld en wereldbeeld:
Antirevolutionairen en het buitenland, 1848-1905 (Kampen: J.H.
Kok, 1992).
62Hendrik Kraemer, Op
welken grondslag: Een woord tot het Nederlandsche volk
(Amsterdam: Vrij Nederland, 1945), 40-43.
63Gerardus van der Leeuw, Balans van Nederland (Amsterdam: H.J. Paris, 1945),
23.
64)J.S. Bartstra, W.
Banning, (red.), Nederland tussen de natiën
(Amsterdam: Ploegsma, 1946), 10.
65Arend
Lijphart, The politics of accommodation: Pluralism and
democracy in the Netherlands (Berkeley/Los Angeles/Londen:
University of California Press, 1975), 22.
66De afwezigheid van nationalisme wordt vaak toegeschreven aan de
‘zuilen’, die het bestaan van
één enkele nationale identiteit verhinderden en in
plaats daarvan een dwarsdoorsnede aan identiteiten stelden. Daarom
betekende de teloorgang van de zuilen tegelijk de neergang van het
verzuilde patriottisme. Zie N.C.F. van Sas, ‘Woord
vooraf’, en J.L. Heldring, ‘Nederland en de
wereld’, in Van Sas, De kracht van
Nederland, 12; 232-235.
67Ook P.B.M. Blaas heeft onderzoek
gedaan naar de oorzaken van de neergang; zie zijn Anachronisme en historisch besef: Momenten uit de ontwikkeling van
het Europees historisch bewustzijn (Den Haag: Universitaire
Pers Rotterdam, 1988), 97.
68De NSB zich had zich
geprofileerd als een nationalistische partij, waardoor zij de
Nederlanders had voorzien van een negatief beeld.
69Max
Kohnstamm, ‘The European tide’, Daedalus, 93 (1964), 84-85.
70Aad Nuis, Twee schelven hooi: Opmerkingen over
poëzie en politiek (Amsterdam: Meulenhoff, 1968),
91. Dit bleek ook uit een enquête onder studenten aan de
universiteit in 1969. De meeste studenten waren
geïnteresseerd in buitenlandse kwesties die niets met
Nederland te maken hadden; zie Rosschar, Buitenlandse
politiek, 267-268. Zie ook E.H. Kossmann, ‘Some
questions concerning Dutch national consciousness’, Dutch Crossings, 34 (april 1988), 3-14. Pas de laatste
jaren lijkt hier onder Nederlandse academici verandering in te
komen.
71Hans Righart, Het einde
van Nederland (Utrecht/Antwerpen: Cosmos, 1992), 110.
72Ook de Fransen en de Britten
namen enige afstand van hun verleden, zoals J.H. Plumb en Stanley
Hoffman beiden op eigen wijze hebben betoogd. Vervreemding van het
verleden was een Europees verschijnsel. Maar relatief
gezien werd het verleden door hen beter beschut dan door de
Nederlanders.
73Zie Marcel
van Herpen, ‘De Nederlander en de Europese
Gemeenschap’, en T.E. Timman, ‘Europese
verkiezingen en het Nederlandse nationalisme’, Intermediair, 15, 4 (26 januari 1979).
74Johan Goudsblom, ‘Dutch and
American sociology in the Fifties: A view from behind the one-way
mirror’, in Rob Kroes, e.a., Anti-Americanism in
Europe (Amsterdam: Amerika Instituut, 1986), 112-120.
75Maarten van Rossum,
‘Le défi Européen’, in Rob
Kroes, e.a., Image and impact: American influences in the
Netherlands since 1945 (Amsterdam: Amerika Instituut, 1981),
18.
76Wouter Gortzak,
‘Vrijheid onder voorbehoud’, in Han Lammers, J.
van den Berg, (red.), Wat denken wij eigenlijk wel?
(Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1966), 100.
77‘Radio-uitzendingen over het volkslied’, Samenklank, 20 (1966), 4, 105; herdrukt in CRM Documentatie, 2. (1966), 15.
78Lammers, Hinderlijk volgen, 46.
79D.J. Roorda, P.
Geyl, e.a., ‘Hoe werd de vaderlandse geschiedenis bij het
V.H.M.O. tot een probleem?’, Kleio
Didactica, 1965.
80Geciteerd in Righart, Het einde van
Nederland, 112; en in Roorda en Geyl, ‘Hoe werd de
vaderlandse geschiedenis bij het V.H.M.O. tot een probleem?’,
19.
81Voor een vergelijking van de visies op de Nederlandse natie
in de verschillende subculturen, zie H.J.G. Waltmans, De
Nederlandse politieke partijen en de nationale gedachte
(Sittard: Alberts', 1962).
82Zie
J.C.H. Blom en C.J. Misset, ‘Een onvervalschte Nederlandsche
geest’, in E.K. Grootes, J. den Haan, (red.), Geschiedenis, godsdienst, letterkunde (Roden: Nehalennia,
1989), 221-232; Pieter Geyl, ‘Liberty in Dutch
History’, Delta, 1 (1958), 3, 11-21.
83C.M.
Lesterhuis, ‘Van wantrouwen tot geestdrift: De VVD en
Europa’, Internationale Spectator, 36
(1982), 230-238.
84Waltmans, De Nederlandse politieke
partijen, 31-32. De christelijk-historische en de
antirevolutionaire protestanten verschilden enigszins over de vraag in
hoeverre Nederland een protestantse natie was. De CHU meende dat het
karakter van de hele natie protestants was; de ARP oordeelde in
navolging van Abraham Kuyper dat het de rijkste toon was van drie
grondtonen, het humanisme van Erasmus, het rooms-katholicisme en het
calvinisme. Zie J.H. Prins, ‘Inleiding’, in W.P.
Berghuis, e.a., Anti-Revolutionair bestek: Toelichting op
het beginsel - en algemeen staatkundig program van de
Anti-Revolutionaire Partij (Aalten: De Graafschap, 1964), 9-10;
CHU-program, Parlement en kiezer, 1970-1971,
137-148.
85De calvinistische SGP
bracht deze overtuiging in haar programma van 1965 opnieuw naar voren,
Beginselprogram der Staatkundig Gereformeerde
Partij (Den Haag: SGP, 1965), 31-35. De SGP (nu de oudste partij in
Nederland, opgericht in 1918) is zo gehecht aan dit principe dat zij
onverzettelijk elke samenwerking met rooms-katholieken afwijst. Zij ziet
de zeventiende eeuw nog steeds als
‘Israël-Neêrlands
glorietijd’.
86Bij de ARP verwaterde deze visie begin
jaren zestig toen het calvinisme veranderde van ‘de
grondtoon’, tot ‘een grondtoon’. De
veranderingen verliepen langzamer binnen de CHU, maar toch geeft het
partijprogramma van 1970 blijk van deze nieuwe oecumene. Zie Hans van
Spanning, De Christelijke-Historische Unie: Enige
hoofdlijnen uit haar geschiedenis, vol. II, proefschrift
(Leiden: Rijksuniversiteit, 1980), 327-330.
87In 1957 deed het VPRO-programma
‘Dag, Koninginnedag’, dat werd uitgezonden op de
verjaardag van Wilhelmina (31 augustus), veel stof opwaaien door de
anti-monarchistische anarchisten die erin naar voren kwamen.
88A.
Viruly, ‘Zijn Provo's Nederlanders?’ De Telegraaf, 25 april 1967 [Provo Archief, Doos 16].
89Geyl was
een groot voorstander van de ‘groot
Nederland’-theorie, die voor het eerst aandacht trok in de
jaren twintig met een aanval op de visie dat er een aanzienlijk verschil
bestond tussen Nederland en Vlaanderen. De laatste jaren van zijn leven
wijdde hij zich aan het aanwakkeren van de belangstelling voor de
culturele en historische grootheid van de Lage Landen. Zie bij voorbeeld
‘Het groot-Nederlands cultuurprobleem’, in Historicus in de tijd, 172-175.
90Joseph Luns in Michel van der Plas,
Ik herinner mij (Leiden: Sijthoff, 1971),
238-247.
91‘Vaderland: u nu nog, in 1969?’, De
Spiegel, 8 maart 1969, 18-25.
92C.
Rijnsdorp, ‘De “c” in de
politiek’, Anti-Revolutionaire Staatkunde,
42 (1972), 50.
93Deze
aanwinst bestond hoofdzakelijk uit de twee kleine dorpen Elten en
Tüddern aan de grens met Limburg en Gelderland. In 1963 gaven
de Nederlanders het geannexeerde gebied weer terug aan de Federale
Republiek. Zie H.A. Schaper, ‘Wij willen zelfs niet
Mönchen-Gladbach. De annexatiekwestie 1945-1949’,
Internationale Spectator, 39 (1985),
261-272.
94Zie voor de meest beknopte studie
naar het ‘onverwerkte verleden’ David Barnouw,
e.a., (red.), 1940-1945: Onverwerkt verleden. Lezingen van
het symposium georganiseerd door het Rijksinstituut voor
Oorlogsdocumentatie, 7 en 8 mei 1985 (Utrecht: HES,
1985).
95De Jong is dé Nederlandse
deskundige op het gebied van de oorlog en heeft daarover een tiendelig
werk geschreven - een ongeëvenaarde prestatie in de
historiografie van de Tweede Wereldoorlog.
96Deze
gevoelens verdwenen vrij snel. Prins Claus bleek volgens de meeste
Nederlanders een sympathieke man te zijn en na een paar jaar kwam zijn
oorlogsverleden zelden meer ter sprake.
97Zie Peter Romijn,
Snel, streng en rechtvaardig: Politiek beleid inzake de
bestraffing en reclassering van
‘foute’Nederlanders, 1945-1955 (Houten:
De Haan, 1989). Veel Nederlanders geloofden dat oorlogsmisdadigers,
waaronder Duitsers, er te gemakkelijk van af kwamen in de jaren veertig.
Romijn betoogt dat naoorlogse juristen door deze
‘mythe’ onterecht werden veroordeeld. Ik ben hem
erkentelijk voor de informatie verkregen in een interview, 17 maart
1993, Amsterdam.
98Jürgen C.
Hess en Friso Wielenga, ‘Veertig jaar na dato: voltooide
Nederlands-Duitse normalisering?’, Internationale Spectator, 39 (1985), 690-691.
99Statistieken verzameld in Hess en
Wielenga, ‘Veertig jaar na dato’, 690-691.
100NIPO
enquête 1308, Rosschar, Buitenlandse
politiek, 96.
101Enkele kritische boeken, die verschenen
vóór het boek van Presser, oefenden ook veel
invloed uit, bij voorbeeld J.B. Charles, Van het kleine
koude front (1962), Adolf Johan Rüter, Rijden en staken: De Nederlandse Spoorwegen in oorlogstijd
(1960) en L.M.H. Joosten, Katholieken en fascisme in
Nederland (1964). Eén van de beste boeken over de
oorlog verscheen juist na Pressers boek, B. Sijes, De
arbeidsinzet (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1966) over de
gedwongen arbeid. De kritiek in deze boeken was mild vergeleken met de
uitkomsten van een aantal studies die in de jaren zeventig
verschenen.
102Eén van de eerste
invloedrijke bijdragen waarin deze nieuwe benadering naar voren komt, is
van de hand van Martin van Amerongen, ‘Over de fouten niet
dan goeds’ in Lammers en Van den Berg, (red.), Wat denken wij eigenlijk wel?, 8-17.
103L. Aletrino, ‘Mogen wij nog anti-Duits
zijn?’, in Willem Drees, e.a., Mogen wij nog
anti-Duits zijn? (Amsterdam: Scheltema en Holkema, 1965),
41.
104NIPO
enquête 1304, Rosschar, Buitenlandse
politiek, 96.
105Aletrino, ‘Mogen wij nog anti-Duits
zijn?’, 48-49.
106Aletrino, ‘Mogen wij nog anti-Duits
zijn?’, 41.
107W. Brand, ‘The legacy of empire’, in
Richard T. Griffiths, (red.), The economy and politics of
the Netherlands since 1945, 261.
108Zie voor een
klassiek voorbeeld W.H. van Helsdingen, (samenst.), Daar
werd wat groots verricht: Nederlandsch-Indië in de XX
eeuw (Amsterdam: Elsevier, 1941), 526-528.
109H. Baudet, ‘Nederland en de rang van
Denemarken’, Bijdragen en mededelingen
betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 90 (1975),
430-442.
110Paul van 't Veer,
‘De dekolonisatie en de Nederlandse buitenlandse
politiek’, in Van Sas, (red.), De kracht van
Nederland, 193.
111Hans Jacobs, Jan Roelands, Indisch ABC:
Een documentaire over historie en samenleving van
Nederland-Indië-Indonesië (Amsterdam: De
Arbeiderspers, 1970), 234.
112J.A.A. van Doorn, W.J. Hendrix, Ontsporing van geweld: Over het Nederlands/Indonesisch
conflict (Rotterdam: Universitaire Pers Rotterdam, 1970),
48.
113Lijphart,
The trauma of decolonization, 285.
114Van Doorn, Hendrix, Ontsporing van
geweld, 160.
115H. Baudet, I.J. Brugmans, (red.),
Balans van beleid: Terugblik op de laatste halve eeuw
van Nederlandsch-Indië (Assen: Van Gorcum, 1961),
359.
116Het grote zwijgen betrof niet
alleen het koloniale verleden, maar ook de Nederlandse oorlogsmisdaden,
zowel in de jaren veertig als daarvoor (zo doodden de Nederlanders
ongeveer honderdduizend Indonesiërs in de Atjeh-oorlog die
voortduurde tot 1906).
117Lammers, Hinderlijk
volgen, 22.
118Geciteerd in H.J.A. Hofland, Opmerkingen over de chaos (Amsterdam: De Bezige Bij,
1964), 99-100. Luns was iemand die niet wilde lijden aan het
geheugenverlies van De Telegraaf. Luns en Soekarno
hebben elkaar slechts eenmaal ontmoet, in 1964. Bij deze gelegenheid zei
Soekarno opgetogen: ‘U bent helemaal niet de persoon die ik
dacht dat u was!’. Enige jaren later schreef Luns:
‘Maar [Soekarno] was precies wie ik dacht dat hij
was’.
119‘Wij hadden het mis!’ De
Spiegel, 11 juni 1966, 6-10.
120Deze kritiek is te vinden in bij
voorbeeld Charles, Volg het spoor terug; Hofland, Opmerkingen over de chaos; Mulisch, Bericht aan de rattenkoning.
121Van
Doorn, Hendrix, Ontsporing van geweld, xiv-xv.
122Wim
Hazeu, Wat niet mocht... (Amsterdam: De Harmonie,
1982), 24, 30.
123‘Dat
was paatje’, Haagse Post, interview met
Tilly van der Weyden-van Heutsz, 2 oktober 1965; ‘Boete voor
“happening” tegen generaal van Heutsz’,
kranteartikel uit 1965 [Provo Archief, Doos 21].
124Dit blijkt duidelijk uit de interviews met Indonesische
kinderen die opgroeiden in Nederland, in Hans Jacobs en Jan Roelands,
Indisch ABC: Een documentaire over historie en
samenleving van Nederland-Indië-Indonesië
(Amsterdam: De Arbeiderspers, 1970), 235-236.
125De
‘Indonesische’ rijsttafel is eigenlijk een
Nederlandse uitvinding - een overvloedige feestmaaltijd om de
indrukwekkende eetlust van de negentiende-eeuwse Europeanen te
stillen.
126H.L. Wesseling, ‘Post-imperial
Holland’, Journal of Contemporary History,
15 (1980), 139.
127Hoewel een aantal historici een lijn trokken tussen de
wreedheden van de Amerikanen in Vietnam en de Nederlanders in
Indonesië, is geen van de hoofdrolspelers in deze
geschiedenis (J.E. Hueting, de aanklager; Herman Wigbold, de
programmamaker; verdedigende politici als premier De Jong) hierop
ingegaan. Dit suggereert dat zij de oorlogsmisdaden meer zagen als een
zaak die rechtgezet moest worden, dan als een relevante parallel met het
Amerikaanse gedrag. Het is echter wel waarschijnlijk dat de
gebeurtenissen in Vietnam beschouwd kunnen worden als achtergrond voor
de onthullingen in januari 1969.
128‘Dr. Hueting overtuigd van oorlogsmisdaden in
Indonesië’, Het Parool, 20
januari 1969.
129Westerling werd
geïnteviewd in de uitzending van 30 juni 1969. Zie Achter het Nieuws in Zuid-Celebes [tekst van
programma, 30 juni 1969] (Hilversum: VARA, 1969). Zie daarnaast Eelke de
Jong, ‘Westerling 1969 over Westerling 1946-47’,
De Spiegel, 15 februari 1969.
130‘Oud-brigade generaal
Roelofsen: Oorlogsmisdaden in Indië fabels’, De Telegraaf, 29 januari 1969.
131Willem Drees, ‘Slechts twee concrete gevallen van
misdaden in Indonesië mij bekend’, Het Parool, 20 januari 1969.
132Geciteerd in Mirjam Prenger, ‘Achter
het nieuws’ en de oorlogsmisdaden in
Indonesië, niet-gepubliceerd onderzoek (Amsterdam:
1992), 9.
133Prenger, ‘Achter het nieuws’, 7-8.
134Geciteerd in ‘Vrijmoedig commentaar’, De Tijd, 3 juni 1969.
135Jan Bank, ‘Televisie in de jaren 60’,
in H.W. von der Dunk, e.a., Wederopbouw, welvaart en
onrust: Nederland in de jaren vijftig en zestig (Houten: De
Haan, 1986), 117; Prenger, ‘Achter het Nieuws’,
4-5. Ongeveer 3 miljoen kijkers volgden de serie, niet ongewoon voor de
uitzendingen van Achter het Nieuws. De onthulling van
Hueting in De Volkskrant vlak voor de uitzending had
dus weinig effect.
136Van Doorn en Hendrix, Ontsporing van
geweld, 276.
137J.J. Woltjer, Recent
verleden: De geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw
(Amsterdam: Balans, 1992), 289.
138L.J. van der Brug, ‘Nederland en de
ontwikkelingslanden’, Anti-Revolutionaire
Staatkunde 34 (1964), 45. De parlementariërs
waardeerden de nota over ontwikkelingshulp van 1962 waarin werd
gestreefd naar het afdragen van 1% van het nationale inkomen, maar
bekritiseerden het gebrek aan daadkracht van de regering.
139Hans Beerends,
30 jaar Nederlandse ontwikkelingshulp, 1950-1980: Zin,
onzin, effekten, perspektieven (Utrecht: Landelijke Vereniging
van Wereldwinkels, 1981), 40-44. Eigenlijk nam tussen 1961 en 1966 de
ontwikkelingshulp als percentage van het GNP significant af, zie G. van
der Meer, ‘Historische ontwikkeling van de
UNCTAD’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 42
(1972), 395.
140Deze nieuwe positie bleef,
om administratieve en budgettaire redenen, een open portefeuille; de
bekleders waren ministers voor (en niet van) ontwikkelingssamenwerking.
141Gladdish, Governing from the centre, 175-176.
142Nuis, Twee schelven hooi, 13.
143Pijpers,
‘Decolonisatie, compensatiedrang en
normalisering’, 206.
144W.F.
de Gaay Fortman en J.H. Prins, Rapport inzake samenwerking
met minder-ontwikkelde gebieden (Den Haag: Anti-Revolutionaire
Partij-stichting, 1959), 26; Max van der Stoel, (samenst.), Hulp aan ontwikkelingslanden: Rapport van het Koos Vorrink
Instituut (Amsterdam: De Arbeiderspers, 1963), 8.
145De Savornin
Lohman Stichting, Nederlands taak inzake samenwerking met
de ontwikkelingslanden (Den Haag: Van Keulen, 1963),
103-111.
146Zie bij voorbeeld: W.F. Wertheim,
‘Ontwikkelingshulp als neo-kolonialisme’, De Nieuwe Stem, 22 (1967), 461-483; Beerends, 30 jaar Nederlandse ontwikkelings-hulp, 1950-1980;
Paul Hoebink, Geven is nemen: De Nederlandse
ontwikkelingshulp aan Tanzania en Sri Lanka (Nijmegen: Derde
Wereld Publikaties, 1988).
147Beerends, 30 jaar Nederlandse
ontwikkelingshulp, 49-50.
148In 1967 kwam driekwart van alle Nederlandse investeringen in
het buitenland terecht in ontwikkelingslanden, vooral in
Latijns-Amerika, volgens Huub A.J. Coppens in ‘Nederland in
de internationale politiek: Meeloper of dissident?’, Internationale Spectator, 29 (1975), 470.
149Centrum voor Staatkundige
Vorming, Nederland en de internationale
ontwikkelingssamenwerking (Den Haag: [KVP], 1966), 16.
150‘Troonrede 1967’, Parlement en
kiezer, 1967-1968, 293.
151Feitse Boerwinkel, Inclusief denken: Een andere tijd
vraagt een ander denken (Hilversum/Antwerpen: Werkgroep
2000/Paul Brand, 1966), 56.
152Ministerie van Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingshulp (Den Haag: Staatsuitgeverij, 1965),
18.
153Theo Bot, Nota hulpverlening aan minder ontwikkelde landen (Den Haag:
Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1966), 7.
154E. de Vries,
‘De organisatie van de Nederlandse ontwikkelingshulp gezien
tegen nationale en mondiale achtergrond’, Internationale Spectator, 20 (1966), 765-766.
155‘Ieders hulp is
nodig in strijd tegen de honger’, De
Volkskrant, 22 maart 1963.
156Philip Everts, Guido Walraven, (red.),
The politics of persuasion: implementation of foreign
policy by the Netherlands (Aldershot: Avebury, 1989), 20. In
termen van het BNP daalde het percentage van 4,4% tot 3,4%.
157Het protest tegen het
lidmaatschap van Portugal was de oorzaak van één
van de eerste rellen in de jaren zestig. Deze opstand vond plaats in
juli 1963 bij het Olympisch Stadion in Amsterdam waar een
NAVO-bijeenkomst werd gehouden.
159Voor een veroordeling van
het Amerikaanse oorlogsbeleid in die tijd, zie M.B.H. Visser, e.a., De kwestie Vietnam, feiten en achtergronden
(Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1966). Voor een overzicht van de
Nederlandse reacties op de oorlog, zie Peter van Eekert, Duco Hellema,
Adrienne van Heteren, Johnson Moordenaar! De kwestie
Vietnam in de Nederlandse politiek, 1965-1975 (Amsterdam: Jan
Mets, 1986); voor een korte, maar krachtige samenvatting van de reacties
van de redacteuren, zie Rob Kroes, ‘The great Satan versus
the evil empire: Anti-Americanism in the Netherlands’, in Rob
Kroes, Anti-Americanism in Europe, 42-45.
160Jacques
Presser, Amerika: Van kolonie tot wereldmacht, vierde
druk (Amsterdam/Brussel: Elsevier, 1976). Doordat Presser in 1970
overleed zijn alle aanvullingen bij de derde druk door Rob Kroes in een
naschrift toegevoegd. Amerika was een veelbesproken onderwerp. Ook
andere schrijvers, zoals Godfried van Benthem van den Bergh, Bart
Landheer en J.W. Schulte Nordholt lieten zich over de Amerikaanse
‘crisis’ uit.
161Abram de Swaan, Amerika in termijnen: Een ademloos verslag
uit de USA (Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1967). Dit boek is
geen geheel identieke weergave van het VPRO-radioprogramma.
162P.J.A. Idenburg, ‘Buitenlands beleid nieuwe
stijl’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 40
(1970), 124. J.L. Heldring merkte in ‘Dezer
dagen’, NRC, 1 september 1969 op, dat de
Europeanen niet langer nieuwe ideeën voortbrachten en dat
vooral de jeugd niet meer geïnteresseerd was in Europa. Ook
de Europese Beweging hield zich in deze tijd iets rustiger.
163R.A.H. Schipper, e.a., ‘Over welk buitenland debatteert de
Kamer?’, NRC, 15 januari 1972.
164Zie bij voorbeeld Margrit de
Sablonière, Apartheid (Amsterdam: Querido,
1960) en Aad Nuis, e.a., Apartheid: Feiten en
commentaren (Amsterdam: H.J. Paris, 1965), waarin vooraanstaande
personen als Presser en Bruins Slot een aanval deden op
apartheid.
165Zie J.W. van der Meulen, ‘Nederland en de
apartheid’, in M. van Leeuwen, e.a., Het woord
is aan Nederland: Thema's van buitenlands beleid in de jaren
1966-1983 (Den Haag: Staatsuitgeverij, 1983), 72-103; J.H. de
Graaff, ‘De Nederlandse publieke opinie over apartheid,
1948-1963: van begrip tot verwerping’, Internationale Spectator, 39 (1985), 679-685; en G.J. Schutte,
Nederland en de Afrikaners: Adhesie en aversie
(Franeker: Wever, 1986).
166Zie het populaire boek van S. Bosgra en B. Dijk, Kolonialisme en vrijheidsstrijd in Angola, Mozambique,
Guinee-Bissau (Amsterdam/Brussel: Parijs/Manteau, 1972). De
eerste druk verscheen in 1969.
167A.C. Zijderveld, ‘Vrij
zinnig eigenzinnig: De cultuur en traditie van de VPRO’, in
J.H.J. van den Heuvel, e.a., Een vrij zinnige verhouding:
De VPRO en Nederland, 1926-1986 (Baarn: Ambo, 1986),
171.
168Vermeld in Gertjan Dijkink, Beleidenissen: Politieke en
ambtelijke cultuur in Nederland (Groningen: Styx, 1990),
25.
169Everts en Walraven, The politics of
persuasion, 43. In dit boek wordt betoogd dat deze vorm van
activisme ongekend was, onvergelijkbaar met de neutraliteit van voor de
oorlog.
170S.W.
Couwenberg, ‘Participatie aan het
wereld-gebeuren’, Civis Mundi, 1971, 151.
Couwenberg staat positief tegenover deze ontwikkeling, onder voorwaarde
dat het publiek voldoende over de wereldzaken is
geïnformeerd.
171Zie hun Keerpunt
'72: Kernpunten voor een nieuw beleid, een nieuw bestel, een nieuwe
democratie (z.p., PvdA, 1972), 37-43.
172Geciteerd in J.L. Heldring, ‘Between
dreams and reality’, in J.H. Leurdijk, The
foreign policy of the Netherlands, 321.
173Simon Vinkenoog, Wonder boven wonder:
Gedichten 1965-1971 (Amsterdam: De Bezige Bij, 1972),
46-47.
174Bas de Gaay Fortman, ‘De vredespolitiek van de
radicalen’, Internationale Spectator, 27
(1973), 109-113.
175Zie Ernest Zahn, Regenten,
rebellen en reformatoren: Een visie op Nederland en de
Nederlanders (Amsterdam: Contact, 1991), 250-251; Dick Bol,
‘Minister Pronk en de doos van Pandora’, Internationale Spectator, 30 (1976), in het bijzonder
501-503.
176‘Wie geen risico's
neemt kiest voor de status quo’. Hervormd
Nederland, 2 juni 1973.
177Mient Jan Faber van de Interkerkelijke
Vredesbeweging (IKV) zei in 1981, dat het bestrijden van de kernwapens
slechts het begin was van het opbouwen van een geheel nieuwe cultuur.
Geciteerd in J.C. Boogman, ‘De Nederland-Gidsland-conceptie
in historisch perspectief’, Ons Erfdeel, 27
(1984), 2, 169.
178Zie
bij voorbeeld Albert E. Kersten, ‘In de ban van de
bondgenoot’ [en de reactie van P.R. Baehr], in Barnouw, Onverwerkt verleden, 99-132; J.L. Heldring,
‘Dutch foreign policy: Back to neutrality?’, Delta, 15 (1972), 1, 5-13, één
van de vele bijdragen die Heldring aan dit onderwerp heeft gewijd;
Voorhoeve, Peace, profits and principles, 246-250;
Boogman, ‘De Nederland-gidsland-conceptie’,
161-170; E.H. van der Beugel, ‘Nederland en de westelijke
samenwerking’. Internationale Spectator, 21
(1967), 8-26; artikelen van de hand van Bodenheimer, Leurdijk, Heldring
en Van der Beugel in Philip Everts, (red.), Controversies
at home: Domestic factors in the foreign policy of the
Netherlands (Dordrecht: M. Nijhoff, 1985); zie Jason, 1980, 5, voor de standpunten van L.J. Wecke, Van der Stoel,
Voorhoeve en H.N. Boon over het ontstaan van het
‘gidsland’-ideaal.
179Abram de Swaan,
‘Platform Holland: Dutch society in the context of global
cultural relations’, Internationale
Spectator, 43 (1989), 722.
180De Gaay Fortman, ‘De vredespolitiek van de
radicalen’, 112.
181Bas de Gaay Fortman verzon de term
‘Het Bulgarije van de NAVO’ in ‘Van het
Bulgarije van de NAVO naar de
“hollanditis”’, Internationale Spectator, 35 (1981), 617-621.
182Walter Laqueur,
‘Hollanditis: A new stage in international
neutralism’, Commentary, augustus 1981,
19-28.
183Dirk
U. Stikker, Memoires: Herinneringen uit de lange jaren
waarin ik betrokken was bij de voortdurende wereldcrisis
(Rotterdam/Den Haag: Nijgh en Van Ditmar, 1966), 220.
|
|