|
|
|
| |
| | | |
3 Exodus
‘Vernieuwt u, want het rijk Gods is
nabij...’ - Mattheus 3:2 (vertaling door Edward
Schillebeeckx)1
Op uitnodiging van de KRO verscheen de rooms-katholieke bisschop van
's-Hertogenbosch, Wilhelmus Bekkers, op de avond van 21 maart 1963 op de
Nederlandse televisie. Zijn optreden in Brandpunt die avond
zou veel stof doen opwaaien. Bekkers (1908-1966) was geruime tijd een geliefd
commentator in deze actualiteitenrubriek van de KRO.2 Zijn ongedwongen en
hartelijke manier van doen en zijn ontvankelijkheid voor nieuwe
ideeën maakten van hem een soort mediaheld. Gedurende de tijd dat hij
bisschop was (1960-1966), genoot Bekkers bijzondere populariteit, zowel binnen
als buiten de katholieke kerk. Hij werd gezien als een man die, als geen ander,
de kerk belichaamde die als het ware uit een donkere oertijd opstond en een
nieuw, meer sociaal bewogen tijdperk binnen ging. De bisschop had het Tweede
Vaticaans concilie in 1962 met open armen begroet: ‘de weg naar een
open kerk is nu vrij’.3 Veel mensen gaven hoog op van Bekkers en
noemden hem de Nederlandse versie van Johannes XXIII. In 1966 werd Bekkers door
Het Parool geroemd:
‘Er was geen vraagstuk van de moderne tijd, hoe delicaat
ook, waarover men met hem niet eerlijk en openhartig kon spreken. Moedig vaagde
hij het stof van eeuwen weg; men kan slechts hopen dat zijn geest blijft
voortleven.’4
De uitspraken van Bekkers in de befaamde uitzending van Brandpunt in maart 1963 droegen voor een groot deel bij aan zijn
reputatie. Het onderwerp van deze avond was geboortenregeling. In het begin van
1963 was ‘de pil’ op grote schaal in Nederland
geïntroduceerd. Het was de Nederlandse Vereniging voor Sexuele
Hervorming (NVSH) gelukt duizenden nieuwe leden te werven in haar campagne om
geboortenbeperkende middelen aan te prijzen en te verspreiden.5 Geboortenregeling was reeds door veel
protestanten geaccepteerd.6 Maar het was nog lang niet duidelijk hoe de
‘nieuwe’ katholieke kerk zou reageren op kunstmatige
vor- | | | | men van geboortenbeperking. Een definitieve (en vijandige)
pauselijke reactie op contraceptie (Humanae vitae) zou nog
vijf jaar op zich laten wachten, en hoewel veel katholieke moraaltheologen open
stonden voor vernieuwing, probeerden de hoogwaardigheidsbekleders het onderwerp
te omzeilen. Van Bekkers werd dus verwacht dat hij zich over dit vraagstuk niet
te concreet zou uitlaten.7 Maar tot verrassing en tevredenheid van
de progressieven sprak Bekkers, na overleg met de Nederlandse bisschoppen8, zijn eigen voorwaardelijke, maar
onmiskenbaar positieve, oordeel uit over het gebruik van voorbehoedmiddelen door
echtparen:
‘De spreiding van de geboorten is binnen de
verantwoordelijkheid van de mens komen te liggen (...) Gehuwden - en ook zij
alleen - [kunnen] de vraag beantwoorden wat Gods roeping en levensopdracht voor
hen concreet betekenen, en welke de grootte van hun gezin en hoe de opeenvolging
van de kinderen moeten zijn (...) Dit is hun gewetenszaak, waarin niemand treden
mag...’
‘Als het waar is dat leven en beleving en opvatting ruimte
tot groei hebben (...) dan moeten wij ook durven aanvaarden, dat voor velen
sprake is van een overgangstijdperk. Men is nog niet toe aan een authentieke
beleving en daarmee moet de moraal rekening houden...’9
Bekkers' uitspraken maakten veel indruk. Ten eerste bleek hij niet het prototype
van een traditionele geestelijke die, in de woorden van Godfried Bomans, slechts
met tegenzin zou toegeven dat kinderen niet van de ooievaar afkomstig
waren.10
Vervolgens, en dat was veel belangrijker, vond Bekkers anticonceptie binnen het
huwelijk blijkbaar een zaak van het eigen geweten van katholieken. Zo ontnam hij
de kerkelijke autoriteiten niet alleen het recht zich uit te spreken over
geboortenregeling, maar ook - zoals sommigen dit standpunt nog verder verruimden
- over alle seksueel gedrag. De bisschop werd in de volgende drie jaren dat hij
nog leefde nog milder in zijn oordeel. Dit werd treffend zichtbaar in de
vriendschappelijke en publieke discussie die hij voerde met Mary
Zeldenrust-Nordanus, hoofd van de (ooit antikatholieke) NVSH.11 Het aanzien dat Bekkers
genoot was een belangrijke factor in de snelle aanvaarding van geboortenregeling
onder de rooms-katholieken in het midden van de jaren zestig.12
Toch was Bekkers, ondanks zijn liberale reputatie, niet wezenlijk progressief.
Bekkers werd tot laat in de jaren vijftig beschouwd als een conservatief, een
typisch produkt van zijn katholieke milieu. Zelfs zijn opinie over
geboortenregeling in maart 1963 was gematigd; indirect sprak hij zich uit tegen
het beperken van geboorten en het viel hem niet | | | | gemakkelijk
anticonceptie positief te waarderen. Kunstmatige geboortenbeperking behield een
in moreel opzicht dubieus karakter, maar in een
‘overgangs-tijdperk’ kon persoonlijke discretie worden
toegestaan. Tijdens de herdenkingsbijeenkomst na het overlijden van Bekkers in
mei 1966 zei de progressieve katholieke theoloog Edward Schillebeeckx dat de
bisschop in wezen traditioneel en conservatief was, dat niets hem zo vreemd was
als nieuwlichterij; mensen betekenden voor hem echter meer dan theologische
abstracties.13
Hoe konden Bekkers en (in mindere mate) de andere Nederlandse bisschoppen zulke
invloedrijke en onmisbare hervormers zijn? Waardoor veranderde de Nederlandse
katholieke kerk van een gehoorzame provincie van Rome in een centrum voor
‘ultraprogressieve’ ideeën en praktijken?14 Die zijn belangrijke vragen omdat Bekkers in het
bijzonder - en de Nederlandse bisschoppen in het algemeen - vernieuwing
tolereerden en aanmoedigden op een wijze die afweek van de praktijk in andere
landen.15
Het is duidelijk dat in het midden van de jaren zestig de geestelijke leiders van
de grootste kerken in Nederland (de rooms-katholieke kerk, de
‘midden-orthodoxie’ van de hervormde kerk16 en de gereformeerde kerk) zowel om tactische
redenen als uit overtuiging geloofden dat het ‘conventionele
christendom’ toe was aan een grondige herziening. Het probleem van
een ‘archaïsche’ kerk werd algemeen erkend.
Laat in de jaren vijftig kwam Bekkers tijdens een reis naar Frankrijk tot de
conclusie, dat een groot aantal katholieken voor de kerk verloren zou gaan als
niet spoedig voor een geheel nieuwe aanpak zou worden gekozen.17 Pater Walter
Goddijn, zelf een vooraanstaand vernieuwer in de katholieke kerk, schreef dat de
katholieke geestelijken de oude tradities wilden bewaren, maar dat zij wisten
dat ze moesten veranderen om niet door de gelovigen in de steek gelaten te
worden. Elk uitstel zou de mogelijkheid van de kerk om te behouden
ondermijnen.18 Vernieuwing leek noodzakelijk en ook juist,
en velen hoopten dat tijdige verandering de kerken nieuw leven zou inblazen en
opnieuw bestaansrecht zou geven.
Ongeacht hun godsdienstige overtuiging groeide onder de geestelijken het besef
dat een nieuwe, open wereld was aangebroken en dat de weg terug (als iemand het
ooit al aandurfde om net als de vrouw van Lot terug te kijken) was afgesloten.
Openheid, eenheid, verantwoordelijkheid voor de wereld, volwassenheid - al deze
termen maakten deel uit van het taalgebruik waarmee de overtuiging gestalte
kreeg dat een nieuw tijdperk zich onbetwistbaar en onherroepelijk had
aangediend. Dat was eenvoudigweg de stand van zaken. In de jaren zestig waren de
meeste christenen nog niet bereid de bewering van het Humanistisch Verbond in
| | | | 1966, dat Nederland niet langer een christelijk land was, na te
zeggen.19
Maar velen hadden wel door dat de wereld aan het veranderen was en dat ze beter
hun best konden doen om bij te blijven. De rooms-katholieke theoloog W.H. van de
Pol verwoordde in 1966 de gevoelens over het ‘einde van een
tijdperk’ van zowel katholieken als protestanten:
‘In elk opzicht geldt dat het oude in steeds sneller tempo
de verdwijning nabij is en dat het nieuwe in steeds sneller tempo andere vormen
aanneemt dan wij hadden verwacht. In steeds wijder kring ontwaakt het besef, dat
wij op elk gebied van het menselijk bestaan zijn aangeland bij een keerpunt in
de geschiedenis van onze beschaving. Niet het minst geldt dit ook in
godsdienstig opzicht. Voorstellingen, overtuigingen, leringen en gedragingen,
die kort geleden nog voor vanzelfsprekend werden gehouden, blijken plotseling
uit de tijd te zijn.’
‘Een wereldomspannende en steeds hechter verbonden mensheid
met een allen en alles omvattende wereldcultuur is in wording. Geen enkel aspect
van het menselijk denken en doen kan op de duur hierdoor onbeïnvloed
blijven, ook het godsdienstige niet. Vele eeuwenoude, conventionele vormen van
christendom zijn onhoudbaar en onbruikbaar geworden. Het snel over ons gekomen
maar definitieve einde van een verouderd, conventioneel christendom plaatst alle
christenen van alle kerken en over heel de wereld voor de gemeenschappelijke
taak (...) nieuwe vormen te verschaffen aan het christelijk geloof en
leven...’20
Het conservatisme van hen die de status quo wilden handhaven is gebaseerd op een
besef van geïsoleerdheid, anders gezegd, op het geloof in een
onneembare vesting van geografische, sociale, raciale of ideologische aard. De
meerderheid van de protestantse en katholieke kerkelijke leiders zagen deze
vestingen niet meer - de zuilen brokkelden af, de wereld werd steeds kleiner en
het verleden was eigenlijk irrelevant. Natuurlijk waren er kleine behoudende
groeperingen, vooral in protestantse kringen, die het onvermijdelijke wilden
tegenhouden. De politieke partij van de vrijgemaakt-gereformeerden, het GPV,
maakte de burcht zelfs tot haar symbool.21 Maar het merendeel van
deze al geïsoleerde groeperingen bleef gedurende de jaren zestig van
vrij weinig betekenis en had niet veel invloed op gezaghebbende kerkelijke
leiders. Deze ontwikkelingen weken sterk af van die binnen de Verenigde Staten.
Hoewel daar liberaler protestantse en katholieke kerkelijke leiders evenals Van
der Pol hun twijfels uitten over de toekomst van de kerk (denk aan de
Amerikaanse God-is-dood-theologie), stuitten zij op veel meer verzet onder
traditionele kerkleden. Vooral in katholieke en protestants-evangelische kringen
waren mensen ervan overtuigd dat dit religieuze
‘liberalisme’ bestreden moest en kon worden. Veel
godsdienstige Amerikanen, die deel uit- | | | | maakten van een religieuze
cultuur die zich al lang had aangepast aan het ‘moderne’
Amerikaanse leven, waren minder geschokt door alle veranderingen en voelden zich
niet gedwongen tot het aanvaarden van veel theologische en morele vernieuwingen.
De oude waarheden en gebruiken schenen voor hen even relevant als vroeger, en
conservatieve kerkelijke leiders zouden een belangrijke kern van verzet vormen
tegen godsdienstige en culturele veranderingen.22
Dit betekent niet dat Nederlandse kerkelijke leiders in de jaren zestig alle
uiteenlopende meningen tolereerden, want dat was niet het geval. Dat pater
J.C.J. van Kilsdonk in 1962 onder de kerkelijke tucht werd geplaatst, vanwege
zijn oproep tot ‘loyale oppositie’ binnen de katholieke
kerk, is slechts een bekend voorbeeld van de beperkingen die door de bisschoppen
en (nog vaker) door Rome werden opgelegd.23 Ook de protestanten
konden in de jaren zestig niet elk nieuw idee tolereren. Het zou daarom verkeerd
zijn te veronderstellen dat Nederlandse geestelijke leiders altijd voorop liepen
in de strijd voor veranderende waarden en normen. Maar hun betrekkelijke gebrek aan weerstand tegen deze veranderingen was cruciaal in
het voorbereiden van verdergaande veranderingen. Hun pogingen om een verouderd
verleden de rug toe te keren en bij-de-tijd te zijn brachten echter niet de de
beheersbare, bescheiden vernieuwing die deze kerkelijke leiders voor ogen
hadden. De aanpassing maakte krachten en bewegingen los die steeds moeilijker te
beheersen bleken en die waarschijnlijk de leegloop van de kerken hebben
bespoedigd.24 Deze omwenteling onder
christelijke leiders creëerde zo de noodzakelijke
voorwaarden voor een scala aan culturele, religieuze en sociale
ontwikkelingen aan het einde van de jaren zestig die vaak verstrekkender waren
dan zij zelf hadden gewenst. Door te reageren op de
ontwikkelingen, werden Bekkers en andere geestelijken leidende vernieuwers die
een grote rol speelden in de transformatie van het Nederlandse christendom - en
de rest van de maatschappij - gedurende de jaren zestig.
| |
Doorgaande secularisatie
Tot vroeg in de jaren zestig speelde religie een zeer belangrijke rol in de
Nederlandse samenleving. Hoewel Nederland de reputatie heeft een
‘calvinistisch’ land te zijn25, was in 1960 bijna veertig procent van
de Nederlanders van katholieken huize, een percentage dat door het hoge
geboortencijfer langzaam was gestegen. Het grootste protestantse
kerkgenootschap was de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK), waartoe bijna drie
van elke tien Nederlanders behoorden; een open kerk waarin zowel | | | | vrijzinnige als orthodoxe calvinisten zich thuis voelden. Ongeveer een
tiende deel van de bevolking behoorde tot de kleinere,
orthodox-gereformeerde kerken die de hervormde kerk niet zuiver genoeg
vonden, waarvan de grootste de in 1892 ontstane Gereformeerde Kerk in
Nederland (GKN) was. De gereformeerden in de GKN vormden zeven procent van
de bevolking; alle andere kerkgenootschappen vertegenwoordigden in 1960 elk
minder dan één procent van de Nederlanders.26 Tijdens de volkstelling in 1960 bleek
verder dat ruim eenzesde deel van de bevolking zich tot geen enkele
godsdienst rekende, een hoog percentage vergeleken met elk ander land in
West-Europa.27
Onkerkelijkheid kwam vooral voor in Amsterdam en bepaalde agrarische
gebieden in Noord-Holland, Friesland en Groningen, waar het vrijzinnige
protestantisme (de zogenaamde Erasmiaanse traditie in het Nederlandse
christendom) eens hoogtij had gevierd. In deze regio's was bijna de helft
van de plaatselijke bevolking niet aangesloten bij een kerk, naar Europese
maatstaven een verbijsterend groot aandeel.
Nederland vertoonde binnen West-Europa een ongewoon beeld: de gelovigen waren
er geloviger en de niet-gelovigen waren er ongeloviger. In 1960 ging tachtig
procent van de katholieken minstens eenmaal per week naar de mis. Het
percentage orthodoxe calvinisten dat regelmatig ter kerke toog, oversteeg de
negentig procent.28 In de zuidelijke steden waren zelfs de arbeiders
trouwe kerkgangers; in de industriestad Tilburg was in 1960 slechts 1,2% van
de inwoners onkerkelijk.29 De Nederlandse
katholieken leverden een zeer hoog percentage priesters en missionarissen,
in 1966 was nog steeds negentien procent van alle missionarissen in Afrika
Nederlander.30 Aan de andere kant waren mensen die
vervreemdden van de kerk en geen belangstelling meer hadden voor de formele
godsdienst, veel sneller dan hun Belgische of Duitse buren, geneigd hun
lidmaatschap van de kerk op te zeggen. Er was geen staatskerk, een
maatschappelijke organisatievorm die gewoonlijk leidt tot een wijdverbreide,
doch minimale loyaliteit voor ‘de kerk’.
Kerklidmaatschap werd zodoende eerder beschouwd als een persoonlijke keuze
dan als een gegeven.31 Rond de
eeuwwisseling bestonden sterke katholieke en protestantse subculturen,
waardoor de tegenstelling gelovigen-ongelovigen groot leek te zijn. Aan de
ene kant werden de gelovigen verenigd in godsdienstige gemeenschappen waarin
ideologische bezieling en sociale controle een bijzonder sterke rol
speelden, aan de andere kant riepen Nederlanders zonder sterke kerkelijke
band eigen (vrijwel seculiere) subculturen in het leven.
Tot de jaren zestig speelden deze seculiere (voornamelijk liberale en linkse)
groeperingen een ondergeschikte rol in het vaststellen van de poli- | | | | tieke en sociale agenda van de
‘confessionele’ meerderheid. In alle verkiezingen
tussen 1918 en 1967 wisten de confessionele partijen hun meerderheid te
behouden.32 Concreet bood de confessionele
dominantie een ideaal klimaat voor de opbouw en uitbreiding van de zuilen,
een ‘corporatistische’ benadering van sociale
conflicten, de geleidelijke opkomst van de welvaartsstaat en een
‘morele’ wetgeving die de belangen van de
godsdienstige instellingen en het ‘traditionele’ gezin
ten goede kwam. De morele zorgzaamheid van de confessionelen irriteerde
vooral vrijheidsgezinde Nederlanders, maar de meeste liberalen en
socialisten konden zich er wel in vinden. De rooms-katholieken, die door
één kerk, één politieke partij
en een bijna compleet netwerk van verzuilde organisaties werden
vertegenwoordigd, waren in de jaren na de oorlog prominent aanwezig en
vormden de belangrijkste politieke en sociale macht. In hun ijver hun eigen
organisaties op te bouwen overschaduwden ze de onderling verdeelde
protestanten. Het succes van het confessionele streven om de opkomende
welvaartsstaat te veranderen in een groeikern voor verzuilde organisaties
verontrustte verscheidene critici. Zo merkte J.A.A. van Doorn op dat de
invloed van dit ‘eigentijds systeem van sociale
controle’ eerder toe- dan afnam.33
Achteraf we ten we dat hij zich geen zorgen had hoeven maken. Tegen 1956,
toen het bekende artikel van Van Doorn verscheen, was het met de religieuze
subculturen slecht gesteld. Ondanks de sterke positie van de kerken
omstreeks 1960, hadden vele orthodoxe protestanten en katholieken hun kerken
al vanaf het begin van de twintigste eeuw de rug toegekeerd. Maar lange tijd
was deze trend niet goed zichtbaar door het hoge geboortencijfer in deze
kringen. Dat veranderde in de jaren vijftig toen de geboortencijfers omlaag
vlogen.34 Recent onderzoek toont bovendien aan dat de jaren vijftig
geen jaren van blind conformisme waren; door verzet van binnenuit raakten de
subculturen reeds in verval.35 Kerkleden stelden zich
onafhankelijk op in het bepalen van hun morele normen en confessionele
intellectuelen, vertegenwoordigd in de gereformeerde Vrije Universiteit te
Amsterdam en de Katholieke Universiteit van Nijmegen,
distantiëerden zich in toenemende mate van het culturele
isolement. Ondanks de organisatorische uitbouw van de confessionele zuilen,
waren tekenen van verval al in de jaren vijftig manifest geworden.
Het Bisschoppelijk Mandement van 1954, dat rooms-katholieken het lidmaatschap
van verschillende organisaties (waaronder de NVSH) verbood en waarschuwde
tegen het luisteren naar socialistische radio- en televisie-uitzendingen,
was zelf een teken van het pessimisme onder de Nederlandse bisschoppen in
het midden van de jaren vijftig. De stervende | | | | kardinaal De Jong
had zijn kudde gesmeekt één te blijven tegenover de
toenemende dreiging.36 Maar tzijn woorden konden het verval niet
tegenhouden, zo daalde in de jaren vijftig het aantal priesterinzegeningen
in de rooms-katholieke kerk. Ook de synode van de GKN in Leeuwarden
(1955-1956) bemerkte een geestelijke malaise onder de gereformeerde
gelovigen. Een rapport uit 1959 bevestigde dit: het kerkbezoek ging omlaag,
kerkelijke vermaningen verslapten en kerkgangers bleken niet gelukkig met
het gebrek aan ‘relevante’ preken. Daarnaast nam de
belangstelling voor gereformeerde jongerenverenigingen sterk af.37
Secularisatie werd een belangrijk thema in de theologische discussies van de
jaren zestig; de herders maakten zich zorgen over de gevolgen van de
geseculariseerde samenleving voor hun kudde. Tegen het einde van de jaren
vijftig hadden de katholieke geestelijken en intellectuelen het ideaal van
een christelijke samenleving opgegeven.38 Discussies over de
onzekere toekomst van de kerk kwamen midden jaren zestig in het gehele
Westen voor en Nederland was zeker geen uitzondering. Honest to
God (1963) van John A.T. Robinson was vertaald en werd een groot
succes; binnen vier maanden waren zeventigduizend exemplaren verkocht. Onder
katholieken trok Het graf van God: Heeft de kerk een
toekomst? (1966) van Robert Adolfs veel belangstelling.39 In Morgen zal alles anders zijn ging de protestant Thijs Booy ervan
uit dat, tenzij God onverwacht zou ingrijpen, de ontkerstening door zou
gaan.40 Van de
Pol droeg bij aan de discussie met de opmerking, dat het
‘conventionele christendom’ de mensen niet meer
interesseerde en dat het christendom ‘radicaal
vernieuwd’ moest worden wilde er nog iets van overblijven.41 Veel discussie over
secularisatie werden gevoerd in de hervormde kerk. Haar toekomst werd, meer
dan die der katholieke of gereformeerde kerk, bedreigd door de grote
hoeveelheid niet-actieve leden die langzaam maar zeker hun binding met de
kerk verbraken.42 Terwijl in de jaren zestig het percentage van de
Nederlandse bevolking dat zich had aangesloten bij de katholieke of bij de
gereformeerde kerk vrijwel constant bleef, bleek dit in de hervormde kerk
nog maar de helft van wat het een eeuw ervoor was.43 Vooral voor de hervormden waren de
tekenen van het verval in de jaren zestig onmiskenbaar.
Toch hadden theologen zoals Schillebeeckx een afkeer van de algemene en
‘dogmatische’ verwijzingen naar
‘secularisatie’, die volgens hen te eenzijdig waren en
de suggestie wekten dat een ‘toekomst-zonder-God’
onvermijdelijk was.44 De meeste kerkelijke leiders waren er
midden jaren zestig van overtuigd dat kerkverlating slechts tegen te houden
was door snelle en grondige veranderingen. Alleen daardoor zouden kerken
posi- | | | | tieve en noodzakelijke instellingen in de samenleving
kunnen zijn. Dit hield in dat kerken meer seculier en minder devoot in de
samenleving moesten staan en gespitst moesten zijn op de noden van de
‘moderne mens’. Een nieuwe en open opstelling, een
houding die de toenemende eenheid in de wereld weerspiegelde, leek daarom
onontbeerlijk.
| |
Nieuwe oecumene
De godsdienstige verdeeldheid in Nederland, die tot het einde van de jaren
vijftig sterk aanwezig bleef, was een bron van ongenoegen voor steeds meer
geestelijken en kerkleden die zochten naar een versteviging van de band
tussen christenen. De gereformeerde professor K. Dijk wist aan deze
gevoelens goed uitdrukking te geven. Hij vestigde er de aandacht op dat de
kerkelijke kaart van Nederland geen aantrekkelijk beeld gaf. Dijk doelde
niet op de secularisatie, voor hem was de verdeeldheid tussen christenen
zorgwekkend:
‘Er is niet één christelijke kerk
in Nederland (...) De verdeeldheid is bedroevend groot, en wie deze
kerkkaart nauwkeurig bekijkt (...) kan een gevoel van onbehagen niet
onderdrukken. Is dit nu de kerk?’45
Vanaf midden jaren vijftig lieten kerkelijke leiders tamelijk abrupt hun
behoedzame houding ten opzichte van andere denominaties en religies varen.
De aanleiding tot dit gedrag is moeilijk vast te stellen. Naoorlogse
migratie en urbanisatie hebben zeker invloed gehad doordat zij voor veel
kerkleden een einde maakten aan hun isolement. Het is ook mogelijk dat door
de ervaringen in de oorlog, waarin verzetsmensen ongeacht hun
geloofsovertuiging met elkaar konden samenwerken, uiteindelijk de
scheidsmuren zijn verzwakt. Bovendien was het voor kerkelijke leiders steeds
moeilijker om, in een tijd waarin religie en ideologie steeds minder
relevant bleken voor het dagelijks leven, de godsdienstige scheidslijnen te
rechtvaardigen. Maar het belangrijkste was toch dat, na het Hongaarse drama
in 1956 (de laatste grote crisis), een geest van optimisme over West-Europa
kwam die ook kerkelijke leiders in haar greep kreeg. Vrede en vooruitgang
hadden overwonnen, uiteindelijk was alles toch nog goed gekomen. In heel het
Westen hadden samenwerking en eensgezindheid rampspoed op een afstand weten
te houden. Bovendien waren de kerkelijke leiders, in de concensus over het
‘einde-van-de-ideologie’ van de jaren vijftig, tot de
conclusie gekomen dat alle mensen eigenlijk naar hetzelfde streefden: vrede,
gerechtigheid en liefde. De ijver voor wereldwijde samenwerking en
eenwording plaatste subculturele isolatie in een | | | | kwaad
daglicht; volgens enkelen was het zelfs een onvergeeflijke zonde. Om de
grootst mogelijke eenheid te kunnen bereiken moest het oude separatistische
gedachtengoed opzij worden gezet.
Het was dus optimisme (en niet zozeer pessimisme) over de toekomst waardoor
de grote oecumenische beweging in het begin van de jaren zestig werd
gerechtvaardigd. Dit oecumenisch streven was vooral merkbaar in twee tot dan
toe geïsoleerde subculturen: de rooms-katholieke en de
gereformeerde.
Katholieke elites keken na de jaren vijftig steeds vaker om zich heen.
Bernard Alfrink prees een jaar na zijn aantreden als aartsbisschop van
Utrecht, in 1955, de ‘nieuwe tijd’ waarin overal de
‘aanzet tot vernieuwing’ te bespeuren viel. Een paar
jaar later bemerkte hij eveneens de ‘gisting’ van
nieuwe ideeën, ideeën waarvoor hij open stond, al zou
hij ze misschien niet allemaal beamen.46 Onder
Alfrink nam de rooms-katholieke kerk een behoedzame, maar open houding aan
ten opzichte van de samenwerking met andere religieuze gemeenschappen. Dit
werd vergemakkelijkt door Johannes XXIII (1958-1963) en zijn aggiornamento, waarin vooral de nieuwe geest van welwillendheid
ten opzichte van niet-katholieken naar voren kwam (Pacem in
terris). Nederlandse katholieken werden daarnaast
beïnvloed door Pierre Teilhard de Chardin. De convergentietheorie
van Teilhard - waarin de hele schepping zich richt naar
één punt: Jezus Christus - bleek goed aan te slaan in
een land waarin universele samenwerking steeds noodzakelijker leek te zijn.
Van Het verschijnsel mens (1960) werden in de jaren zestig
vierhonderdduizend exemplaren in Nederland verkocht, een ongekend
succes.47 De invloed van
Teilhard was merkbaar in de boeken van A. Fiolet, Verdeelde
christenen in gesprek (1960) en Onvermoed perspectief
op de oecumene (1963), waarin hij sprak van protestanten en
katholieken die naar elkaar toe zouden groeien en elkaar in dit
eenwordingsproces verrijken.48 De oecumenische debatten tijdens
het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), waarbij de Nederlander
Willebrands als secretaris voor Christelijke Eenheid een belangrijke rol
speelde, bleken een belangrijke voedingsbron voor deze gevoelens. In 1965
werd het ‘studie-secretariaat’ Kosmos opgericht om de oecumene te stimuleren. Daniël de
Lange, een bekend vooruitstrevend katholiek, stond aan het roer.49 In Nederland werd deze oecumenische
idee door Bekkers, die erin slaagde contact te leggen met protestanten,
bekend gemaakt bij het publiek. Sommige protestanten noemde hem
‘onze bisschop’ en minstens eenmaal stopte een bus vol
protestanten voor zijn deur om door hem gezegend en begroet te worden.50
Maar het was Alfrink die in 1964 tijdens een toespraak in de Verenigde | | | | Staten de wereldbeschouwing van de Nederlandse bisschoppen in
de eerste helft van de jaren zestig verhelderde:
‘Sinds de tweede wereldoorlog is het zicht op de eenheid
en de verdeeldheid van de christen-wereld in een nieuw stadium gekomen. Door
de ontwikkeling van de wereld en van de mensheid heeft onze horizon zich
verbreed. Wij ervaren thans elke dag dat we niet meer leven in een
christelijke wereld (...) thans is door de ontwikkeling van techniek en
communicatiemogelijkheden de aarde zo klein geworden, dat wij al die
godsdiensten dagelijks ervaren als buren in dezelfde straat...’
‘De verbreding van onze horizon heeft de christenheid
pijnlijk bewust doen worden, dat onze verdeeldheid in de letterlijke zin van
het woord een scandalum is geworden voor de mensheid, een struikelblok voor
de zending die het christelijk geloof in de wereld heeft te
vervullen...’
‘De tijd is voorbij dat de christenen onderling kunnen
mokken over oude grieven tegenover elkander...’51
De Nederlandse katholieken verkortten rooms-katholiek niet
langer tot rooms, maar tot katholiek,
alsof ze de oecumenische universaliteit van hun geloof wilden benadrukken.
Eenzelfde geluid was te horen bij de gereformeerden. Ook de vanouds bestaande
isolatie van de gereformeerde wereld werd aangetast. De pijnlijke
scheuringen in 1926 en 1944 hadden de gereformeerden bovendien een slecht
geweten bezorgd over het verleden.52 In een voorzichtige poging interkerkelijke contacten
te leggen zonden zij waarnemers naar de conferentie van de Wereldraad van
Kerken in New Delhi (1961). Deze gebeurtenis maakte diepe indruk op veel
gereformeerden, ze beseften dat ze hun kleine wereld voor een grote hadden
ingeruild.53 Bovendien namen
in 1961 een aantal vooraanstaande dominees in de gereformeerde kerk deel aan
gesprekken over kerkelijke eenheid met hervormde predikanten. Het initiatief
van De Achttien (negen leden van beide kerken) culmineerde in mei 1962 in
een emotioneel congres voor de protestantse eenheid. De Achttien waren van
mening dat de scheidslijnen van het verleden elke geldigheid hadden
verloren. Eén van hen laakte de ‘oude
kerken’ zoals de NHK en de GKN, die beide nog vast zaten in het
‘leef- en denkpatroon van de burgerij der negentiende
eeuw’.54 Bovendien kwamen zij tot de conclusie dat de oude
dogmatische leergeschillen tussen hervormden en gereformeerden, protestanten
en katholieken, christenen en niet-christenen in vergelijking met de
problemen in de wereld niet meer dan kleinigheiden waren.55
| | | |
In 1966 werden de samensprekingen geformaliseerd in Samen op
weg, een plan om te komen tot kerkelijke eenheid. Hoewel behoudende
(voornamelijk hervormde) kerkleden weerstand boden, werd het plan
geleidelijk aan verder ten uitvoer gebracht. De oecumenische toon van de
gereformeerden in het midden van de jaren zestig week dus radicaal af van de
positie die zij een paar jaar daarvoor hadden ingenomen.
De echte oecumenische uitdaging lag voor de protestanten, zowel voor
hervormden als gereformeerden, in hun houding tegenover rooms-katholieken.
G.C. Berkouwer, een bijzonder invloedrijk gereformeerd theoloog, werd voor
de protestanten afgevaardigd naar het Tweede Vaticaans Concilie. Binnen de
hervormde kerk maakte theoloog Albert van Ruler het katholicisme van het
Vaticaans Concilie meer aanvaardbaar.56 Deze
‘ontmoeting’ verliep echter niet zonder problemen. In
januari 1964 ging prinses Irene, de tweede dochter van koningin Juliana en
prins Bernhard, over tot het katholicisme. Omdat in de Nederlandse grondwet
geen bepaling is opgenomen over de godsdienst van het koningshuis,
creëerde dit op zichzelf geen constitutionele problemen. Maar de
beslissing van Irene om te trouwen met Carlos Hugo de Bourbon Parma vereiste
wel toestemming van de regering en de falangistische politiek van de Spaanse
edelman en de aanspraak die zijn familie maakte op de Spaanse troon baarden
het kabinet zorgen. Na een hooglopend politiek drama besloot Irene afstand
te doen van alle rechten op de troon, zodat de
‘Irene-affaire’ de regering geen zorgen meer hoefde te
baren.57 Maar voor veel protestanten was de bekering van prinses
Irene tot het katholicisme toch een onaangename verrassing. Sinds Willem de
Zwijger was het Huis van Oranje hervormd geweest. Veel orthodoxe calvinisten
vonden de bekering monsterlijk58
en gematigden vonden haar moeilijk te begrijpen. Zelfs de liberale
protestanten waren geschokt, omdat prinses Irene door kardinaal Alfrink werd
herdoopt in een besloten dienst in Rome. De herdoop leek te suggeren dat de
protestantse sacramenten waardeloos waren - het scheen een ontkenning van de
oecumene - en de beslotenheid leek heimelijk en Byzantijns.59 De
bekering van Irene temperde de oecumenische beweging slechts voor korte
tijd. Toen de jongste zus van Irene, Christina (Marijke), zich enige jaren
later eveneens bekeerde tot het katholicisme, verwekte dit nauwelijks
deining.
Nederlanders hielden elkaar in de jaren zestig regelmatig voor dat sectarisch
denken onder protestanten en katholieken tot het verleden behoorde. Zo
portretteerde het protestantse weekblad De Spiegel de
geschorste hervormde dominee Taverne als een sectarisch en antikatho- | | | | liek fanaticus. Een achtentwintigjarige die een ingezonden brief
schreef waarin hij Taverne verdedigde, kreeg door de redactie als commentaar
toegevoegd: ‘Moet dat 28 geen 82 zijn?’.60 Er werd hard aan gewerkt om de sectarische
structuren af te breken. Toen later in de jaren zestig bleek dat paus Paulus
VI steeds minder voelde voor het aangaan van nauwere banden met
protestanten, lokte dit bij Nederlanders dan ook scherpe kritiek uit; in
Nederland was de oecumenische geest al uit de fles. Een opmerkelijke
oecumenische stap was de aansluiting in 1968 van de Nederlandse katholieke
kerk bij de Nationale Raad van Kerken - een stap die nooit werd overwogen
door de katholieke kerk in de Verenigde Staten. En in 1971 bereikten de
grootste drie kerken overeenstemming over gemengde huwelijken, terwijl die
in de jaren vijftig nog sterk werden ontmoedigd.61
De versnelde ‘convergentie’ van de christelijke
modaliteiten was een trend die in heel West-Europa en Noord-Amerika vanaf
het eind van de jaren vijftig waarneembaar was. Maar in Nederland, waar de
verzuiling niet meer theologisch gerechtvaardigd kon worden, werd de
oecumene met een bijzonder elan nagejaagd.
| |
Einde van de ‘emancipatie’
Tot 1960 werd subculturele organisatie verdedigd en gestimuleerd op grond van
de bewering dat deze vorm van samenhang de enige wijze was waarop
ondervertegenwoordigde groeperingen sociale en economische vooruitgang
konden boeken. Aan het eind van de negentiende eeuw werden zo de
sociaal-democratische arbeiders, de gereformeerde ‘kleine
luyden’ en de ondervertegenwoordigde rooms-katholieken door hun
leiders aangemoedigd om zich te emanciperen door middel van
groeps-solidariteit. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog schenen deze
emancipatiebewegingen hun doel te hebben bereikt. De socialistische zuil
vertoonde tekenen van afbraak, toen de socialistische jeugdorganisatie werd
opgeheven en de socialistische kranten hun band met de PvdA verbraken.62 De gereformeerde J.P.A. Mekkes merkte
in 1961 teleurgesteld op dat overal, ook in zijn eigen kring, de
‘geëmancipeerde christenen hun wortels
verloochenden’.63
Vooral in de katholieke kerk was veel nadruk gelegd op emancipatie en hier
zou het ‘einde van de emancipatie’ de grootste
gevolgen hebben. In tegenstelling tot de gereformeerden, die
‘soevereiniteit in eigen kring’ beschouwden als de
beste manier om een christelijke maatschappij te ordenen, zagen de meeste
katholieken verzuiling meer als een middel tot | | | | een sociaal-economische doel.64 Toe het midden van de eeuw gingen
katholieken gemiddeld minder lang naar school en hadden een lager inkomen
dan hun niet-katholieke medeburgers. G.H.L. Zeegers, directeur van het
sociologisch onderzoeksinstituut KASKI, meldde dat katholieken volgens de
statistieken qua onderwijs en inkomen nog steeds onder het gemiddelde
lagen.65
Daarom kon de KVP in 1953 nog steeds spreken over de
‘emancipatie’ die nog bereikt moest worden.66
Rondom 1960 bleek de katholieke ‘emancipatie’ echter te
zijn ‘voltooid’. Door de onderwijsrevolutie en de
ongekende welvaart in de naoorlogse periode voelden katholieken zich niet
langer tweederangs burgers. In de jaren vijftig waren er bijna evenveel
katholieken als protestanten in Nederland; hun politieke macht was nooit
groter geweest. Carl Romme, de leider van de KVP, sprak zelfs de hoop uit
dat Nederland eens een katholieke meerderheid zou kennen.67 Maar tegelijkertijd ging het
katholieke gezag door het eigen succes teloor. De groepssolidariteit die tot
in de jaren vijftig de krachten had gebundeld, leek haar nut te hebben
verloren. Al in 1950 had de priester-socioloog Goddijn de verwezenlijking
van de ‘emancipatie’ voorspeld en de schadelijke
effecten die zij zou hebben op de katholieke zuil.68 Een onderzoek in het begin van
de jaren zestig onthulde dan ook dat katholieke leken voelden dat zij
volwassen waren geworden, zij hadden het voogdijschap van Moeder Kerk niet
meer nodig.69 In de loop van de
jaren zestig werd ‘het einde van de emancipatie’
steeds vaker een platitude voor het verklaren van de veranderingen in de
katholieke wereld en voor het betogen dat katholieke organisaties niet
langer nodig waren. Katholieke leiders wisten steeds minder goed om te gaan
met de verzuiling.
De katholieke bisschoppen schenen zelf niet langer geïnteresseerd
te zijn in het in stand houden van de katholieke zuil. In 1960 publiceerden
zij een aantal geschriften waarin ze de zelfstandigheid en volwassenheid van
de katholieke organisaties benadrukten; het was naar hun mening niet langer
nodig dat de kerk daar leiding gaf.70 In 1964 droegen
de bisschoppen de ‘K’-organisaties op afstand te doen
van hun gesloten ‘negatief’ imago en een open en
‘positief’ imago te ontwikkelen, zodat iedereen zich
welkom zou weten. Slechts op het gebied van het onderwijs bleven de
bisschoppen wijzen op de noodzaak van afzonderlijke katholieke
organisaties.71 In 1965 herriepen ze
vervolgens het Bisschoppelijk Mandement van 1954, zodat de laatste
theologische belemmering voor nauwere samenwerking met de socialisten was
verwijderd. Tegen 1966 waren de bisschoppen dus van mening geworden dat
geïsoleerde organisaties niet langer mogelijk en ook niet meer
wenselijk waren.72 Toen de bis- | | | | schoppen
hun steun hadden ingetrokken, gingen de katholieke organisaties een onzekere
toekomst tegemoet.73
| |
‘Het verleden is voorbij’
Al deze ontwikkelingen versterkten het besef dat een radicaal nieuw tijdperk
was aangebroken in de geschiedenis van de kerken. Pogingen van Alfrink en
andere kerkelijke leiders om enige waardering voor de beste tradities te
behouden, leken weinig succes te hebben. Zelfs degenen die er nog waardering
voor konden opbrengen, voelden zich gedwongen ‘het
nieuwe’ in deze tradities te benadrukken.
De wereld moest volgens de vernieuwers opnieuw beschouwd worden, bevrijd van
de last van dode tradities. Daniël de Lange karakteriseerde
progressieve katholieke bladen (De Nieuwe Eeuw, De Bazuin, Te
Elfder Ure, G-3) als organen die zich vrij wilden maken van het
‘sociaal-gestandaardiseerde christendom’ en die
probeerden ‘het evangelie in de tijd zijn actualiteit te
hergeven’.74 De Nederlandse auteurs van de bijzonder
populaire Nieuwe Catechismus van 1966, waarvan in 1970
reeds vijfhonderdduizend exemplaren waren verkocht75 en die later in vele talen werd vertaald, richtten zich met hun
catechismus op volwassenen en niet op kinderen. Katholieke volwassenen
moesten opnieuw onderwezen worden in de eeuwige waarheden, die door hen
waren verwoord in eigentijdse taal waarin ‘ouderwetse
verklaringen’ werden vermeden.76 De tijd was ook voorbij dat de bisschoppen de
levensstijl en de dogma's bepaalden. In 1965 vroegen de bisschoppen aan
Walter Goddijn van het PINK, het pastoraal instituut van de rooms-katholieke
kerk in Nederland, om een Pastoraal Concilie in te stellen waarin
voornamelijk leken zitting zouden hebben. Dit was nog nooit eerder gebeurd,
omdat de kerkelijke wetten niet voorzagen in dergelijke raden. Daarnaast
zouden voor deze Raad ook niet-katholieken worden uitgenodigd om hun mening
te geven. Hoewel Alfrink benadrukte dat de Raad niet om de kerkelijke
hiërarchie heen kon, was het duidelijk dat de bedoeling van de
bisschoppen was de leken een nieuwe rol te laten vervullen in de kerkelijke
beslissingen. De paters Goddijn verwoordden het zo:
‘Een traditionele en hiërarchieke
kerkstructuur, het feodale stelsel van orden en kongregaties, een
paternalistische zielzorg passen eenvoudig niet meer in een moderne,
industriële en pluralistische samenleving van volwassen, vrije en
verlichte mensen.’77
Ook bij de gereformeerden was het einde van de
‘verouderde’ wereld | | | | onderwerp van
bezinning. In 1959 probeerde de synode van de GKN zich te verzoenen met de
nog orthodoxer vrijgemaakt-gereformeerden, die in 1944 uit de kerk waren
getreden na een leergeschil over de betekenis van de doop.78
De verschijning van het boek De kogel door de kerk in 1965
bleek een andere mijlpaal in de opgang naar de nieuwe tijd. Het boek was
samengesteld door studenten aan de Vrije Universiteit
(één van hen was Koosje Koster, die al snel provo
werd) en bevatte interviews met vooraanstaande ex-gereformeerden.79 Het lokte veel boze
reacties uit van mensen die het een onaangename vorm van journalistiek
vonden80, maar het bevorderde ook de discussie over
het verdwijnen van de oude calvinistische wereld. In 1966 verscheen een boek
waarin vooraanstaande personen in Nederland werden geïnterviewd
onder de titel Is de gereformeerde wereld veranderd?81 Geconcludeerd
werd dat er inderdaad veel veranderd was. In 1966 beschreef Harry M.
Kuitert, de gezaghebbendste gereformeerde theoloog in de jaren zeventig en
tachtig, de verdwijnende wereld van de gereformeerden als ‘een
gesloten geheel, iets aparts, eigens, iets van isolement, en
óók: iets van pretentie’. Maar hij voegde
daaraan toe:
‘Welnu, dat alles is voorbij (...) tot verdriet van
sommigen, tot vreugde van anderen, maar of nu het een het geval is of het
andere: in ieder geval onherroepelijk (...) De gereformeerde wereld
verdwijnt omdat de gereformeerden meer in de wereld zijn komen te staan
(...) Er is geen gereformeerde wereld meer mogelijk, al zouden we het nog zo
graag willen; er is alleen nog maar een wereld, één
wereld, waarin ook nog al dan niet overbodige gereformeerden
zijn.’82
Tijdens de synode van Amsterdam (1967) zagen afgevaardigden kans niet alleen
de recente, maar ook de oude geschiedenis te herijken.
Geïnformeerd over moderne wetenschappelijke ontwikkelingen leek
het de synode niet meer mogelijk het letterlijke bestaan van de sprekende
slang in de Hof van Eden te verdedigen. Daarmee namen zij afscheid van de
vasthoudendheid van de synode van Assen (1926), die aan de letterlijke en
historische benadering van de eerste hoofdstukken van Genesis had
vastgehouden en daardoor scheuring en conflict teweeg had gebracht.83
In 1967 geneerden veel (maar toch niet alle) gereformeerden zich voor 1926;
het leek tijd voor noodzakelijke bijstellingen. Opnieuw bleek het verschil
tussen de wereld van gisteren en de wereld van vandaag.
| |
Ontzuiling
Doordat professionalisme al enige jaren belangrijker was geworden dan
ideologische overtuiging, waren verzuilde organisaties sterk veranderd. | | | | Psychologen, sociologen, maatschappelijk werkers, bestuurders,
technici, journalisten en wetenschappers hadden de taak overgenomen van
geestelijken en politici. Deze nieuwe professionelen, vaak jonge mensen,
voelden zich meer verantwoordelijk voor de uitoefening van hun beroep dan
voor het verdedigen van de oude ideologie. Bovendien namen de jeugdige
elites door hun onzekerheid over hun toekomstige positie en hun kansen op
promotie een kritische houding aan ten opzichte van de oudere generatie, die
nog steeds de belangrijkste posities in de verzuilde organisaties bezet
hielden.84
Hun kritiek werd gevoed door de discussies aan het eind van de jaren vijftig
en door de twijfels van de oudere generatie over de kans dat deze
organisaties in de toekomst zouden kunnen overleven. Zo ging in de loop van
de jaren zestig, zonder veel droefheid, de Katholieke Geitenfokkers
Vereniging (die nu geregeld wordt geciteerd als het meest absurde
voortbrengsel van het verzuilde tijdperk) op in een
‘algemene’ organisatie zonder confessionele
identiteit.
In deze omgeving vond de ‘ontzuiling’ van christelijke
organisaties zeer snel plaats. Dit betekende niet zozeer dat deze
organisaties formeel hun christelijke basis verloochenden, als wel dat hun
godsdienstige identiteit zo vaag werd dat zij niet langer aan een bepaalde
subcultuur dienstbaar waren. Deze ontwikkeling was ook zichtbaar in de
vakbonden. In 1963 veranderde de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB) in het
Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV), in een poging alle soorten werknemers
te verenigen in de arbeidersachterban van de KAB. Ineens werd dit vakverbond
met zijn vierhonderdduizend leden geconfronteerd met een moeilijke, dubbele
taak: representant zijn van de uiteenlopende belangen van zijn leden (die in
de loop van de jaren zestig nog meer uiteen gingen lopen) en voldoen aan de
opdracht van de Nederlandse bisschoppen om een positieve en open katholieke
identiteit te ontwikkelen. Het ontwikkelen van een nieuwe identiteit was
voor het NKV een onmogelijke opdracht: de enige mogelijkheid om deze
verschillende belangen in één ideologie te verbinden,
door een beroep te doen op de katholieke overtuiging van de leden, was juist
uit handen geslagen. Tegen het einde van de jaren zestig twijfelde een grote
meerderheid van zowel de leden als de leiders van het NKV aan het nut van
een katholiek vakverbond en Alfrink en bisschop Ernst van Breda vielen haar
hierin bij. Innerlijk verdeeld, maakte het NKV een draai naar links en, toen
het ledental stagneerde, ging het gesprekken aan met het grotere
socialistische vakverbond NVV. Dit contact resulteerde eerst in een
federatie (1976) en later in een fusie (1981).85 Het grootste protestantse vakverbond, het
Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV), dat veel kleiner was dan het NVV en
het NKV, | | | | behield zijn eigen identiteit en besloot op het
laatste moment toch niet mee te doen aan de federatie van 1976. Een groot
deel van zijn achterban, dat zich niet onder druk gezet wist door
bisschoppen, wilde een verbond met een christelijk signatuur behouden. Maar
deze identiteit kon alleen in stand worden gehouden door zich te richten op
een tamelijk beperkte achterban (van grotendeels ‘witte
boorden’), die zich op professionele en godsdienstige gronden
verzette tegen fusie met andere vakbonden. Het CNV bleef bestaan als een
algemene christelijke organisatie, maar kon alleen overleven door zich te
specialiseren.
Ook de ontzuiling van twee nationale dagbladen is illustratief. Begin jaren
zestig leefde onder de journalisten van De Volkskrant de
vraag naar het nut van een katholieke krant, een discussie die voornamelijk
plaatsvond tussen de verschillende generaties.86 In september 1965
haalde de krant zonder veel beroering de katholieke aanduiding weg uit het
impressum. De hoofdredacteur J.M.M. van der Pluym verzekerde de lezers dat
er niets was veranderd, maar gaf de volgende economische en ideologische
redenen voor de verandering:
‘Het had zin in een tijd, dat het bijvoegsel
“katholiek” voor katholieken de voornaamste reden was
om zich als abonnee op te geven (...) Deze zin heeft het echter al vele
jaren verloren. Onze krant was dan ook nog een van de weinige, die zich met
dit etiket tooide.’
‘We groeien in ons land gelukkig naar verhoudingen,
waarin confessionele en andere tegenstellingen steeds meer wijken voor
oprecht besef van eenheid in verscheidenheid en medemenselijkheid. Dit is
een proces, waarin de gehele wereld deelt, doch dat uiteraard dicht bij huis
moet beginnen.’87
Van der Pluym ontkende dat sprake was van ontzuiling, het was eerder
‘aanpassing bij een reeds gegroeide mentaliteit’.
Hoewel hij verklaarde dat de krant katholiek zou blijven, was er binnen een
paar jaar vrijwel niets meer van de katholieke identiteit te bespeuren. De Volkskrant was in staat gebleken de
commerciële overgang te maken van een verzuilde naar een
seculiere krant; veel andere katholieke bladen troffen het minder goed en
werden gedwongen zich op te heffen. Trouw, het grootste
protestantse dagblad, bleef een herkenbaar protestantse krant. Toch
veranderden in de loop van de jaren zestig onder leiding van Siewert Bruins
Slot (tot 1971) zowel de theologische als de politieke overtuigingen. In de
jaren zeventig werd het in deze krant, met uitzondering van de
overlijdensberichten en de wekelijkse pagina met kerknieuws, steeds
moeilijker het godsdienstige karakter te onderscheiden.88 Ook Trouw overleefde de ontzuiling, | | | | maar andere protestantse bladen, zoals het weekblad De Spiegel, gingen ten onder.89
De christelijke universiteiten kregen, evenals veel universiteiten in
Amerika, te maken met een sterk groeiend aantal studenten en faculteitsleden
waardoor de religieuze identiteit van deze instellingen verwaterde. Onder de
universiteiten werd de Katholieke Universiteit van Nijmegen (KUN) eind jaren
zestig het Nederlandse centrum van het studentenradicalisme dat was
overgewaaid uit Duitsland (zie hoofdstuk vijf). Buiten de theologische
faculteit was in 1970 van de katholieke identiteit van de KUN weinig meer te
merken, hoewel de universiteit een sterk regionaal karakter behield en
voornamelijk studenten van het katholieke zuiden aantrok. De studenten
trokken echter de aandacht door hun vijandigheid tegenover het godsdienstige
milieu waarin zij waren opgegroeid.90 De Vrije Universiteit (VU)
in Amsterdam behield daarentegen haar gereformeerde karakter, maar
veranderde tussen 1960 en 1970 van een orthodoxe universiteit (met gebed
vóór de colleges) in een
‘moderne’ universiteit. De VU bekommerde zich steeds
minder om het bevorderen van de gereformeerde dogma's en droeg bij aan een
‘horizontaler’ christendom waarin de strijd tegen
armoede en onrecht werd benadrukt.91 Een sprekend
voorbeeld van deze verandering is het ere-doctoraat dat de VU op 20 oktober
1965 verleende aan Martin Luther King. Hieruit sprak een betrokkenheid bij
sociale gerechtigheid en ‘revolutie’ die een paar jaar
daarvoor nog afwezig was.92
Vooral bij de omroeporganisaties was zichtbaar dat hun bestuurders
afhankelijk waren van de technische kennis van de jongere collega's,
collega's die kritisch stonden tegenover de status quo. Hoewel de
omroepraden de gewaagde programma's van deze jongere programmamakers wilden
beteugelen, zwichtten zij over het algemeen snel voor de wensen van hun
collega's.93 Maar de veranderingen werden
niet alleen door jonge programmamakers in de hand gewerkt. Onder leiding van
Harry van Doorn, een man van middelbare leeftijd, nam de Katholieke Radio
Omroep (KRO) een kritische houding aan ten opzichte van de kerk en de KVP
(Van Doorn werd later lid van de PPR). Zo werd tegen het einde van de jaren
zestig Brandpunt één van de
televisieprogramma's die graag heilige huisjes omvergooiden. De KRO bleef
als katholieke organisatie echter duidelijk herkenbaar, vooral na 1970 toen
conservatieve katholieken binnen de KRO meer van zich lieten horen.94 De protestantse tegenhanger, de NCRV, toonde daarentegen
voor de protestantse zuil en haar leiders eerder onverschilligheid dan
afkeer. Haar godsdienstige programma's verdwenen steeds meer naar de
achtergrond, een reden voor con- | | | | servatieve protestanten om de
NCRV te verlaten. Geïnspireerd door hun eigen bron voor
vernieuwing, de Amerikaanse evangelische beweging, richtten zij in 1970 de
Evangelische Omroep (EO) op.95
Het interessantste voorbeeld van ontzuiling in de jaren zestig was de
ommezwaai die de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep (VPRO) maakte. Sinds
zijn oprichting in 1926 had de VPRO een traditie van mild nonconformisme
opgebouwd. In de jaren zestig verloor de VPRO leden en werden zijn oudere,
traditionele leden vervangen door een jonge, niet-religieuze generatie van
nonconformisten die het grootste deel van de programma's van de VPRO voor
hun rekening namen. In 1967 verrasten zij Nederland met de eerste
naaktscène op de televisie: een naakte vrouw die Trouw las. In 1968 braken bij de VPRO heftige discussies los
tussen gealarmeerde protestantse oudgedienden en de nieuwe avantgarde die,
overigens zonder succes, tijdens een ledenvergadering de leiding in handen
probeerde te nemen. Maar dank zij vooraanstaande, gematigde personen binnen
de VPRO kreeg de avant-garde toch de overhand. Ds. I.J. van Houte, directeur
van de VPRO van 1961-1968, had getracht de vrijdenkende,
‘creatieve’ krachten in de samenleving in contact te
brengen met zijn organisatie. Zijn opvolger, H.K. Roessingh, was een
pragmaticus. Volgens hem had de VPRO geen keus. Om te overleven moest deze
zich richten op zoveel mogelijk groepen in de samenleving.96 Zo
werd omstreeks 1968 de band met de liberale protestanten verzwakt en werd
aan de programmamakers veel meer vrijheid gegeven. VPRO was niet langer een
afkorting, de letters hadden geen betekenis meer. In de jaren zeventig werd
de omroeporganisatie een gezelschap van linkse intellectuelen.97
De gebeurtenissen rond de VPRO vertonen alle elementen van het
ontzuilingspatroon in de jaren zestig: jonge professionelen die geen
godsdienstige bindingen wilden, een oudere generatie die tegenstand bood,
interne conflicten, en een gematigd leiderschap dat van doorslaggevende
betekenis bleek omdat het vond dat de substantiële vernieuwing
goed, noodzakelijk of beide was. De rol van het bestuur was echter niet
alleen van centrale betekenis in de structurele hervormingen, maar ook op
zedelijk niveau.
| |
De revolutie in de zeden
Multatuli (1820-1887) schreef dat ‘er buiten Azië
weinig landen zijn, waar de zeden groter dwingelandij uitoefenen dan in
Nederland’.98 Door de vooraanstaande plaats van de
confessionelen in het openbare en het | | | | persoonlijke leven
bleven de geboortencijfers hoog, het aantal scheidingen en abortussen laag,
kwamen protestants-katholieke huwelijken nauwelijks voor en werd nauwkeurig
toezicht gehouden op onzedelijke activiteiten (zoals dansen en naar de film
gaan).99 Nog in de jaren
vijftig onderstreepten christen-socialisten, zoals Banning, het belang van
goede zeden voor de samenleving.100 In 1953 zei Romme dat het gezin behoorde tot
‘de beste Nederlandse cultuurmonumenten’, en de
socioloog K. Ishwaran uit India vestigde in 1959 de aandacht op het hechte
familieleven in Nederland.101
Maar deze wereld wankelde en tussen midden jaren vijftig en midden jaren
zestig - enkele jaren voor de seksuele revolutie - begonnen geestelijken en
christelijke intellectuelen hun twijfels te uiten over de toekomst en het
nut van de traditionele zeden die zij eens met zoveel vuur hadden verdedigd.
Waarom gebeurde dit?
Het was voor deze christelijke leiders duidelijk dat de maatschappij aan het
veranderen was: geboortencijfers gingen al enkele decennia omlaag en hoewel
in de jaren vijftig minder huwelijken werden ontbonden dan in de jaren
veertig, was het aantal echtscheidingen toch veel groter dan
vóór de oorlog.102 De jeugd was onafhankelijk, sceptisch en op
seksueel en moreel gebied vrijer dan ooit.103 Rein Schippers, theoloog aan de
Vrije Universiteit, merkte de verschuiving in de zeden op: ‘Er
verandert zoveel en het gaat zo snel’. Volgens hem bevond de
gereformeerde moraal bewoog zich tussen ‘verstarring’
en ‘verwarring’.104 Schippers roerde hiermee een belangrijk thema aan dat
vanaf de jaren veertig tot de jaren zeventig een punt van discussie was en
protestanten, katholieken en anderen in de greep had. Moraal was niet langer
een in de religie gewortelde zekerheid, de scheiding tussen goed en kwaad
vervaagde en mensen werden geconfronteerd met nieuwe situaties en
uitdagingen waarvoor de oude moraal geen bevredigend antwoord had. Bovendien
leken de Nederlanders, nu zij welvarender en onafhankelijker waren, hun
eigen moraal te bepalen. Zij bevonden zich in het
‘overgangs-tijdperk’ van Bekkers. Geestelijken,
ouders, docenten en andere gezagdragers werden gedwongen hierover na te
denken en erop te reageren. Ze beseften meer en meer dat de traditionele
moraal de strijd tegen de moloch van de moderniteit verloor en dat zij zich
moesten aanpassen. De Nederlandse Hervormde Kerk had bij voorbeeld al vroeg
geboortenbeperking en scheiding toegestaan. En gereformeerden waren in het
begin van de jaren zestig over het algemeen van oordeel dat er niet veel
meer over was van de ‘gereformeerde zede’ - het morele
systeem dat eens hun leven sterk had bepaald.105
| | | |
De meeste protestantse en katholieke geestelijken bleven weliswaar de
relativering van de traditionele seksuele zeden, overspel, abortus en
echtscheidingen verwerpen. De kerken gaven hun leden geen carte
blanche. In alle toonaarden klonken tot diep in de jaren zestig de
protesten van katholieken en protestanten over het verval van de zeden.
Kerkleden deden langer over het accepteren van seks
vóór het huwelijk, pornografie en abortus en een
aantal bleef op deze punten onvermurwbaar.106 Het waren de hoogopgeleide en
niet-kerkelijke Nederlanders die in de voorhoede stonden van de morele
veranderingen.107 De grootste kerken hadden echter de wil verloren om de
morele code, die tot in de jaren vijftig een principekwestie was geweest,
dwingend op te leggen. Veel kerkelijke leiders waren ontvankelijk voor een
meer relativerende moraliteit, of dit nu was uit overtuiging, uit twijfel,
uit pragmatisme, of uit angst om ouderwets gevonden te worden. In de jaren
zeventig schrapten confessionelen ‘zedelijkheid’ uit
de openbare retoriek, zij werd te ouderwets bevonden om nog bruikbaar te
zijn. De instellingen die bolwerken van verzet tegen morele verandering
hadden kunnen zijn, bleken vaak niet verder te komen dan verdedigende en
halfhartige pogingen om enige oude zeden in stand te houden. Deze houding
heeft er waarschijnlijk mede toe bijgedragen dat de seksuele moraal in
Nederland was gaan lijken op die van de omringende landen, zoals bleek uit
statistisch onderzoek.108
Toen het de theologen en geestelijken duidelijk was geworden dat de
maatschappij veranderd was herzagen zij, onder invloed van de nieuwe
oecumenische beweging, hun standpunten over moraal en ethiek radicaal. De
buitenwereld was niet langer vol van atheïsten, ketters en
nihilisten. Zoals de katholieke moraaltheoloog Theo Beemer in 1966 uitlegde:
‘Er is immers vandaag een geheel nieuwe bewustwording
van de geschiedenis, de eenheid en de lotsverbondenheid van het mensdom: een
concrete universaliteit treedt als het ware in de plaats van de abstracte
universaliteit van “de aan allen gemeenschappelijke menselijke
natuur”. Wij zijn wereldburgers en kunnen meeleven met alles wat
zich onder de zon bij de mensen afspeelt.’109
In de jaren vijftig was een begrip opgekomen dat de theologische en morele
discussies van de volgende decennia zou beheersen: solidariteit. Solidariteit met alle mensen leek, eerder dan te leiden
tot moreel nihilisme, de weg te banen naar een ethiek die dieper, breder en
menselijker was dan de moraal-theologische systemen die van oudsher door de
kerken waren opgelegd. Het kleinburgelijke wetticisme en de veroordelende
morele uitspraken van vroeger konden niet langer de basis vormen voor de
nieuwe moraal. De katholieke moraal uit het verleden zou voortaan | | | | worden afgeschilderd als een verdorde moraal, in navolging van
de beschrijving die Gerard van der Kroon ervan gaf in een
‘documentaire’ uit 1965:
‘Ze was dor en droog en bood de gelovigen heel weinig
inspiratie. In de loop der jaren was ze verschrompeld tot een sexuele
moraal, opgesloten in een codex van wetten en geboden. De woestijn was
zó verdroogd dat er onmerkbare scheurtjes optraden, die zich
langzaam verbreedden en in de laatste jaren de oorzaak werden van de grote
aardverschuivingen, met name op het terrein van de
geboorteregeling.’110
De dienstbaarheid aan anderen verving de individuele gehoorzaamheid aan
morele normen als maatstaf voor goeddoen. Al in de jaren vijftig maakten de
katholieke moraaltheologen, binnen en buiten Nederland, deel uit van de
eerste katholieke elites die een meer genuanceerde benadering van de moraal
voorstonden. Tegen de jaren zestig gingen de katholieke moraaltheologen,
waaronder Beemer, een stap verder. Zij verwierpen de absolute moraal van het
verleden en bevorderden een ethiek van medemenselijkheid.111 Al in 1962 had de NHK zich uitgesproken tegen kernwapens
en in 1963 sprak de GKN zich uit tegen het materialisme van de consument dat
de maatschappij in haar ogen te gronde richtte. Jojada Verrips verhaalt van
het kleine dorpje Ottoland waar een jonge gereformeerde dominee in 1967 de
dorpelingen geld liet inzamelen voor hongerige Pakistani, een nieuwe en nog
niet geheel geaccepteerde prioriteit voor de gemeente.112 Daarnaast stond vanaf
laat jaren zestig de vredesbeweging op de kerkelijke agenda en groeide
binnen de kerken de belangstelling voor de protesten tegen de Vietnamoorlog.
In afwezigheid van fel verzet veranderde het zedelijke klimaat in Nederland
snel. De veranderingen in Margriet, het grootste
vrouwenblad in Nederland, zijn illustratief Van oudsher stond het blad onder
beheer van een katholieke staf en droeg het een christelijk karakter.
Mevrouw Van Eysden was lid van de staf en had de sfeer drukkend gevonden.
Maar al snel veranderde de situatie en werd zij met een ander probleem
geconfronteerd:
‘Zonder dat ik er iets van wist zat er een meneer van
christelijke huize op de drukkerij, die was zo stijf als ik weet niet wat,
en die had opdracht om er van alles uit te gooien wat niet christelijk leek
(...) Maar tegen het einde ging het mij te ver. Ineens mocht alles in Margriet. Zo eind jaren vijftig begin jaren zestig
verschenen artikelen over de menopauze en over seks, met tekeningen. Er was
toen helemaal geen censuur van de directie meer. Ik zei: dit gaat te
ver.’113
Van Eysden ging in 1964 weg, ervan overtuigd dat haar collega's haar te | | | | ouderwets vonden. De openhartige artikelen in Margriet zouden
nog openhartiger worden.
Seksuele openhartigheid was ook een befaamd kenmerk van de
kunstenaar-schrijver Jan Wolkers. Wolkers groeide op in een gereformeerd
gezin. In verschillende boeken, waaronderzijn veelgelezen autobiografie Terug naar Oegstgeest (1965), heeft hij de repressie die
hij daar ondervond beschreven. Seks, religie, geweld en de dood maakten zijn
boeken krachtig en veelgelezen. Maar hij riep ook veel weerstand op onder
gereformeerden die zijn expliciete beschrijvingen immoreel en zijn
portrettering van hen karikaturaal vonden. Niettemin schreef de
gereformeerde pers Wolkers meestal niet af; velen (o.a.
tijdschriftredacteuren en dominees) waren ervan overtuigd dat Wolkers in
zijn oordelen over hun gereformeerde cultuur een kern van waarheid
aanroerde. Daarnaast wilden zij seks niet in elke vorm van kunst verwerpen,
zoals de gereformeerden in het verleden wel hadden gedaan.114 De
reactie was opvallend mild voor een kerk die eens bekend stond om haar
strikte moraal en orthodoxie. De leiders van de Bond van Gereformeerde
Jeugdverenigingen nodigden Wolkers zelfs uit om te spreken op hun landelijke
bijeenkomst te Leeuwarden in 1967.115 De ‘gereformeerde
zede’ scheen te zijn vergeten.
Binnen de rooms-katholieke kerk zorgde het Pastoraal Concilie voor de
grootste opschudding. Sinds 1966 was het Pastoraal Concilie van de
Nederlandse Kerkprovincie bezig in commissies rapporten over een breed scala
aan onderwerpen voor te bereiden, om die te behandelen tijdens de plenaire
vergaderingen tussen 1968 en 1970. Hoewel de achterban tijdens de plenaire
bijeenkomsten de toon zou zetten, speelden de katholieke intellectuelen, die
door de bisschoppen waren aangetrokken, een zeer invloedrijke rol in het
opstellen van de rapporten.116 En
ook niet-katholieken maakten deel uit van de commissies en hadden daarin een
belangrijke inbreng.117 Het
oordeel van het Pastoraal Concilie over seksueel gedrag vertoonde samenhang
met opvattingen die al in de jaren vijftig naar boven waren gekomen:
individuele verantwoordelijkheid (‘de mens is zedelijk
autonoom’), een verwerping van verboden ten gunste van een meer
positieve benadering (het imperatief om lief te hebben), en een oproep aan
de kerk om de noodzakelijke veranderingen te voltrekken in een tijd waarin
zoveel veranderde.118 Aan het einde van de
jaren zestig stelden de meeste katholieke intellectuelen zich ten doel
vérgaande hervormingen tot stand te brengen, zelfs al zou dat
uitlopen op een conflict met Rome; zo verwierp het Pastoraal Concilie
openlijk het standpunt van paus Paulus VI in de encycliek Humanae vitae.
De opmerkelijkste gebeurtenis in deze periode was de voorzichtige | | | | goedkeuring door de bisschoppen van het rapport van het Pastoraal
Concilie over de beëindiging van het verplichte ambtscelibaat
voor priesters. Aan de ene kant namen al enkele jaren meer priesters ontslag
dan er werden vervangen en was tegen het einde van de jaren zestig het
aantal ontslagnemingen tot alarmerende hoogte gestegen.119 Bovendien toonde
een PINK-rapport uit 1968 aan dat slechts vijf procent van de Nederlandse
katholieke geestelijken de handhaving van het ambtscelibaat voorstond.120 Aan de andere kant had de paus reeds in
1967 beschouwingen over het opheffen van het verplichte celibaat afgewezen.
Maar het standpunt van de paus kon het Pastoraal Concilie niet overtuigen en
januari 1970 besloot het bij stemming het verplichte celibaat af te
schaffen. Een paar dagen later, op 19 januari 1970, stemden de bisschoppen
hiermee voorzichtig in, hoewel zij er meteen aan toevoegden dat een
dergelijk voorstel alleen kon worden uitgevoerd in internationaal verband en
na raadpleging van de paus. Deze opmerkelijke concessie bleek ook de laatste
te zijn voordat de pauselijke curie haar macht weer over de Nederlandse
katholieke kerk zou doen gelden. Maar het toont aan hoe zeer de bisschoppen,
evenals veel protestantse geestelijke leiders, bereid waren zich aan te
passen aan de veranderende morele normen. Deze aanpak werd door de meeste
Amerikaanse kerken, die de noodzaak van het bijstellen van de moraal niet
inzagen, afgewezen.
| |
Christenen en de tweede feministische golf
De houding van de confessionelen tegenover vrouwenemancipatie schommelde lang
tussen ambivalentie en vijandigheid. Dit gold vooral voor katholieken en
gereformeerden. Confessionele overheden, overtuigd van de heiligheid van het
gezin, stonden het getrouwde vrouwen tot midden jaren vijftig niet toe te
werken als ambtenaren (inclusief onderwijzend personeel); vrouwelijke
ambtenaren werden na hun huwelijk automatisch ontslagen. Tot het midden van
de jaren vijftig bleef deze restrictie van kracht, toen werd ze ingetrokken;
vrouwen werden ‘handelingsbevoegd’. Aan getrouwde
vrouwen werd het bezit van eigendom en wettelijke rechten volledig
toegekend; zij waren niet langer afhankelijk van hun echtgenoten.
Vrouwenorganisaties, waaronder het katholieke Vrouwendispuut, hadden heftig geprotesteerd tegen de beperkende wetten
en zij werden daarin ondersteund door alle (toen zeven) vrouwelijke
parlementariërs. Ook werkgevers, die een tekort aan
arbeidskrachten voorzagen, ijverden voor de afschaffing van de restricties.
Toch groeide het aantal verdienende vrouwen slechts langzaam; in 1960 | | | | ontving zestien procent van de Nederlandse vrouwen loon uit
arbeid - dat was ongeveer de helft van het gemiddelde in
geïndustrialiseerd Europa.121 In 1966 was dit percentage
gestegen tot drieëntwintig procent,
negenhonderdachtentwintigduizend vrouwen, van wie slechts negentien procent
was getrouwd, een getal dat nog ver beneden het percentage werkende vrouwen
in de Verenigde Staten lag.122
Na de jaren vijftig veranderde de confessionele zienswijze over vrouwen snel.
Al in 1951 bepleitte Frits Buytendijk in De vrouw dat
meisjes en jongens gelijke kansen moesten hebben om zichzelf volledig te
kunnen ontplooiien. Het boek werd in brede kring gelezen en was zeer
invloedrijk onder hoogopgeleide katholieken. In het begin van de jaren
zestig betoogden de opstellers van het katholieke rapport Welvaart, welzijn en geluk dat, uitgezonderd in de technologie, de
wereld nergens zo snel veranderde als onder vrouwen en in man-vrouwrelaties
in het algemeen.123 Zelfs de (meestal
gereformeerde) aanhangers van de ARP, die op dit punt waarschijnlijk de
meest conservatieve grote partij was, namen een andere houding aan. In 1953
mochten ook vrouwen actief meewerken in de partij en een decennium later
werd de eerste vrouw door hen afgevaardigd naar het parlement. Gematigde
gereformeerde theologen zoals Schippers vonden gelijke kansen op de
arbeidsmarkt zowel redelijk als rechtvaardig:
‘Indien de ontwikkeling van onze moderne maatschappij
aan een vrouw goede mogelijkheden van arbeid en ontplooiing biedt, zijn er
geen bijbelse gronden, om haar het recht te ontzeggen daar gebruik van te
maken. Integendeel zou deze vorm van emancipatie door de christelijke
gemeente in de wereld moeten worden toegejuicht.’124
Christelijke schrijvers en denkers, vooral onder katholieken, spraken meer en
meer over het belang van zelfontplooiing als een centraal doel in het leven
van zowel vrouwen als mannen.125
Uiteraard wisten niet-kerkelijke individuen en organisaties hier nog
duidelijker stem aan te geven. Zo pleitte de NVSH later in de jaren vijftig
voor de ‘zelfbevrijding’ van vrouwen om vorm te kunnen
geven aan hun eigen (erotische) bestaan. In deze ‘nieuwe
levensstijl’ waren mannen en vrouwen ‘eigensoortig en
gelijkwaardig’. Maar deze inzichten werden al snel overgenomen
buiten de NVSH, bij voorbeeld door bekende katholieke
‘deskundigen’ zoals Buytendijk en de radio- en
televisiepsychiater Kees Trimbos.126 De door
confessionelen beheerste nationale overheid werd betrokken bij vormingswerk
om de zelfrealisatie van vrouwen te bevorderen. Een rapport uit 1963, dat
werd overhandigd aan de staatssecretaris van Sociale Zaken, verzocht de
overheid dringend een klimaat te | | | | creëren waarin
‘het voor de vrouw gemakkelijker zal zijn tot een
levensverrijkende oplossing van haar problematiek van vrouw-zijn te
komen’. Een rapport van de Gezinsraad van 1966, opgesteld in
opdracht van de overheid, besloot met de wens dat vrouwen en mannen gelijke
kansen zouden krijgen tot zelfontplooiing, kansen die zouden zijn
‘aangepast aan beider specifieke eigenschappen en
begaafdheden’. Het rapport pleitte onder andere voor betaald
zwangerschapsverlof en voor gelijke betaling van gelijk werk.127
Door de aandacht voor persoonlijke groei was onderwijs een belangrijk thema.
Hoewel vrouwen meestal niet werden aangemoedigd om evenals mannen hun studie
te vervolgen, werd hun welzijn en ontwikkeling wel op nieuwe wijze
onderstreept.
Het vermogen welzijn te creëren zelf werd beschouwd als een
vrouwelijke vaardigheid. In de katholieke ideologie brachten mannen door hun
arbeid welvaart, maar had de samenleving de verzorgende rol van de vrouw
nodig om die leefbaar te maken. Katholieken vervatten de welvaartsstaat niet meer uitsluitend in termen van
materiële vooruitgang, maar vervingen hem door de verzorgingsstaat.128 Het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk
Werk (CRM), een voortbrengsel van de KVP uit de jaren vijftig, was hiervan
een duidelijk voorbeeld. Het stond verschillende malen onder leiding van
Marga Klompé (1912-1986), een gezaghebbend KVP-politicus (en de
eerste vrouwelijke minister) die zich actief betoonde onder katholieke
vrouwen. Het ministerie verspreidde de boodschap dat vrouwen een rol moesten
spelen in de maatschappij en dat mannen en vrouwen samen zouden moeten
werken - als gelijken - om met succes hun taak te volbrengen.129
In het begin van de jaren zestig was het besef van gelijkheid tussen mannen
en vrouwen zo wijdverbreid, dat veel invloedrijke personen ervan uitgingen
dat de ‘emancipatie’ reeds bereikt was.130 Traditionele
vrouwenorganisaties beraadden zich op ontbinding, daar hun doelstelling -
gelijkheid voor de wet - was bereikt en er voor vrouwen
alléén niets meer te doen was om de
samenleving te verbeteren.131 Zelfs tamelijk behoudende
christenen schenen de notie van gelijkwaardigheid grotendeels te hebben
geaccepteerd; in 1967 besloot de Gereformeerde Synode van Amsterdam, na
stemming, alle kerkelijke ambten, waaronder het predikambt, open te stellen
voor vrouwen.132
Maar dit bleek slechts het begin te zijn. In hetzelfde jaar lanceerde Joke
Kool-Smit (1933-1981) ‘de tweede feministische golf’
in Nederland, toen het literaire blad De Gids haar essay
‘Het onbehagen bij de vrouw’ publiceerde, in een
uitgave die geheel was gewijd aan allerlei soorten onbehagen.133 Hoewel Het misverstand vrouw van
Betty Friedan de Neder- | | | | landse feministen hielp met het
afbakenen van hun problemen, was Kool-Smit de eerste Nederlandse vrouw die
bondig uitdrukking gaf aan de oorzaak van hun onbehagen:
‘Afgezien van het formele - kiesrecht - wilden de
feministen drie dingen: dat de vrouw een vrij mens zou worden, dat ze haar
potenties zoveel mogelijk zou verwerkelijken en dat ze een volwaardig lid
zou worden van de maatschappij. Op geen van deze drie gebieden is het ideaal
van de feministen bereikt, op geen van deze drie gebieden ook zijn vrouwen
zover gekomen als theoretisch mogelijk was geweest.’134
Kool-Smit sprak zich vooral uit tegen de paternalistische abortuswetten en
het gebrek aan beloning voor huishoudelijk werk. In oktober 1968 was ze
één van de oprichters van Man Vrouw Maatschappij
(MVM), een organisatie bestaande uit zowel mannen als vrouwen.135 MVM was een
coherente groepering die zich vooral richtte op wettelijke
arbeidshervorming: gelijke lonen, zwangerschapsverlof en vijf-urige
werkdagen om een gelijke werkverdeling tussen mannen en vrouwen veilig te
stellen.136
MVM vertoonde in veel opzichten een klassiek liberaal feminisme, een
feminisme dat al snel overschaduwd zou worden door socialistische en
radicale varianten in de jaren zeventig. De ideeën van MVM'ers
zoals Kool-Smit en de socialiste Hedy d'Ancona verschoven in het begin van
de jaren zeventig eveneens in een radicaler richting. Maar het feminisme
begon in Nederland, evenals elders, niet zozeer omdat hun idealen in de
samenleving in twijfel werden getrokken, maar omdat de praktijk weerbarstig
bleek. ‘De tweede feministische golf’ zou veel minder
kans gehad hebben in een culturele context waarin formele gelijkheid tussen
de seksen niet grotendeels een gegeven was.137 Joke Kool-Smit merkte in
1969 het belang van een gegeven, egalitaire ideologie op: in haar abstracte
vorm was zij nauwelijks toereikend, maar zij zaaide twijfel onder hen die
niet in de praktijk brachten wat ze preekten, en gaf hoop op
verandering.138
De algemene aanvaarding, ook onder confessionelen, van de noodzaak tot
vrouwelijke zelfontplooiing en gelijkheid tussen de seksen was dus een
belangrijke voorwaarde voor de tweede feministische golf. In het begin van
de jaren zestig hadden de confessionelen grotendeels afstand gedaan van het
ideologische verzet tegen de feministische eis tot gelijkheid. Een aantal
personen - zoals zij die afkomstig waren uit
‘progressieve’ katholieke kringen - raakten zelfs
betrokken bij de tweede feministische golf als gevolg van
‘moderne’ katholieke gedachten over gelijkheid.139 En hoewel confessionelen in de jaren
zeventig vaak weerstand boden tegen de feministische voornemens, was hun
voorzichtige, weifelende verzet (met | | | | de abortuskwestie als een
mogelijke uitzondering) slechts een zwakke nagalm van hun standpunten van
enige decennia daarvoor en gedeeltelijk te wijten aan hun eigen geloof dat
de strijd voor gelijkheid tussen de seksen reeds was
gestreden.
| |
Eschatologische verwachtingen
In beschrijvingen van de jaren zestig wordt vaak onvoldoende rekening
gehouden met de belangrijke plaats die de eschatologie (de leer van de
eindtijd) inneemt in het definiëren van de verwachtingen in deze
periode. In tegenstelling tot de orthodox-christelijke eschatologie, die is
geconcentreerd op de wederkomst van Christus, neigde de naoorlogse
eschatologie ertoe zich meer te richten op het bereiken van gerechtigheid en
vrede en definieerde zij het komende koninkrijk in concreter en wereldlijker
termen. Duitse theologen liepen voorop: Karl Rahner en J.B. Metz genoten
veel aanzien onder katholieken en Jürgen Moltmann onder
protestanten (Moltmanns Theologie van de Hoop verscheen
midden jaren zestig en was zeer invloedrijk). Deze nieuwe eschatologie werd
uiteraard gedragen door de overtuiging dat een radicaal andere toekomst
mogelijk was. Van Niftrik zei in 1965 dat
‘geschiedenis’ (in de zin van beweging en
ontwikkeling) ‘natuur’ (statische normativiteit) in de
moderne theologie had vervangen140: God werkt door de menselijke geschiedenis om zijn wil
tot uitvoering te brengen.141 Nooit eerder leek Gods koninkrijk zo snel
naderbij te komen als in de jaren zestig. ‘We leven in het
tijdperk van de grote verandering’ verklaarde
een aantal ‘radicale’ antirevolutionairen in
1967.142
De grootste Nederlandse kerken haastten zich, evenals veel kerken elders, dus
allemaal op weg naar het einde. Alles bewoog en niets stond stil. Het thema
van het Tweede Vaticaanse Concilie liet deze nieuwe beleving duidelijk zien:
‘Gods volk onderweg’.143 Het gebruik van
religieuze metaforen die zelfvoldaanheid suggereerden werd niet meer
geaccepteerd. Veeleer domineerde, in de woorden van een commentator,
‘het Exodus-motief.’144 Christenen bevonden zich, evenals alle anderen,
in de woestijn, strijdend voor en zoekend naar het beloofde land van recht
en vrede. Zelfs orthodox-hervormde theologen zoals Van Ruler verwoordden een
eigen visie op een ‘theocratie’, waarin door
bemiddeling van de kerk de verzoening tussen God en de schepping in de
toekomst zou worden gerealiseerd.
Terwijl de Nederlandse kerkelijke leiders hun best deden hun bereidheid te
tonen om met de Almachtige naar een nieuwe toekomst op weg | | | | te
gaan, legden deze eschatologische inzichten de basis voor een hele school
van ‘progressief-christelijke’ en
‘christelijk-radicale’ ideologieën. Het was
heel normaal om te spreken over ‘nieuwe wegen’ die
zouden leiden naar nieuwe bestemmingen.145 In het invloedrijke NHK-rapport Klare wijn (1967) over de Bijbel betoogden de auteurs:
‘Het heidendom is in wezen conservatief, de Bijbel is in
wezen progressief. Men versta deze woorden natuurlijk niet in de geijkte,
burgerlijk-politieke zin. Nee: de Naam schept
geschiedenis. Abraham trekt uit het in zichzelf besloten Babylonische
heidendom en de God Israëls trekt een spoor door de wereld der
volken...’
Zij concludeerden:
‘...van het evangelie uit mag zich een vooruitstrevende
houding ontplooien. We hebben de toekomst voor ons, de toekomst, waarin de
verhoogde Heer, door zijn Woord en Geest, bezig is de oude wereld ook
werkelijk te vernieuwen. Er is geen plaats voor teleurgestelde
verwachtingen, want als christelijke kerk gaan wij niet een verre en
ongewisse, maar nabije en zekere toekomst tegemoet...’146
Vergelijkbare woorden kwamen uit de mond van de gereformeerde W.C.D.
Hoogendijk, een man wiens theologische en politieke inzichten in de loop van
de jaren zestig radicaal veranderden. Volgens hem richtte het evangelie zich
tegen de gevestigde orde vóór sociale vernieuwing. Hij
ijverde, evenals een aantal andere antirevolutionairen, voor de evangelische
vernieuwing van de maatschappij.147 Kleine, maar befaamde oecumenische groeperingen
zoals Sjaloom (opgericht in 1963) waren bereid zich
radicaal te verzetten tegen de gevestigde demonische machten. Deze
groeperingen bleven getalsmatig slechts klein, maar hun oproep tot radicaal
getuigen en burgerlijke ongehoorzaamheid had tegen de jaren zeventig veel
invloed in de grote kerken.
Het duurde niet lang of deze radicale godsdienst leidde tot radicale vormen
van politiek. In 1968 richtten christelijke radicalen, vooral afkomstig uit
het katholieke kamp, hun eigen partij, de Politieke Partij
Radikalen (PPR) op (zie hoofdstuk zes). En ook in de Wereldraad van
Kerken maakte een ‘theologie van de revolutie’ haar
entree. De eerste geluiden van de bevrijdingstheologie werden binnen de
katholieke kerk in Zuid-Amerika en Europa gehoord. In enkele christelijke
kringen in Nederland was het modieus geworden om over
‘revolutie’ te spreken, niet over de zuiver
geseculariseerde revolutie van Marx, maar over een door God gestuurde
wervelwind die de Dag des Heren in zou luiden.148 Sommige theologen gingen
zelfs met marxisten een ‘constructieve dialoog’ aan
over de toekomst van de maatschappij. De eschatologische veranderin- | | | | gen in de kerken anticipeerden op én liepen parallel
aan de meer bekende seculiere revolutionaire bewegingen van het eind van de
jaren zestig, zodat de ontwikkeling en aanvaarding van revolutionaire
inzichten plaatsvonden in een bredere culturele context.
Niet alle christenen waren gelukkig met deze ommezwaai in de theologie;
orthodoxe protestanten waren het meest sceptisch. Zo schreven in 1967
vierentwintig hervormde dominees een ‘open brief’
waarin zij het ‘naïeve optimisme’ van de
nieuwe theologie verwierpen. Tegen het begin van de jaren zeventig vormden
zich verschillende orthodoxe groeperingen om te protesteren tegen de
veranderingen.149 Veel dominees en kerkleden verzetten zich tegen
té revolutionaire en té confronterende geluiden. Toch
was het moeilijk om te ontkomen aan dit nieuwe thema, dat geregeld opdook in
confessionele geschriften tijdens de jaren zestig. Het nieuwe accent op het
aardse karakter van Gods komende koninkrijk had daarnaast onmiskenbaar
effect op de traditionele theologische leerstellingen. Zo verminderde het
geloof in traditionele christelijke leringen, vooral in hel en duivel, sterk
onder kerkleden aan het eind van de jaren zestig.150
Deze veranderingen in eschatologie, ethiek en geloofkomen duidelijk naar
voren in het denken van Herman Wiersinga, een eigenzinnige dominee in de
GKN. Gedurende de tijd dat hij dominee was op Curaçao (1961-1966)
begon Wiersinga te twijfelen aan het christelijke leerstuk van de
verzoening, waarin de offerdood van Christus aan het kruis voor eens en
altijd verzoening bracht tussen God en de mensheid. Wiersinga, die zich
bewust was geworden van het sociale onrecht in de wereld, achtte het
onmogelijk dat er ‘vertikale’ verzoening zou zijn
vóórdat de mensheid
‘horizontale’ verzoening had bereikt.151 In
zijn in 1971 gepubliceerde proefschrift betoogde Wiersinga dat de dood van
Jezus slechts het begin was van de verzoening. Het was de taak van de mensen
om haar volledig teweeg te brengen door te vechten tegen ‘de
strukturen’ en vóór vrede en recht.152 Ook hier verschoof de aandacht van het
verleden (de dood van Christus) naar de toekomst (het antwoord van de mens).
Wiersinga werd door velen binnen de GKN veroordeeld als een dwaalleraar,
maar hij werd nooit bestraft. Zijn plaatselijke kerk weigerde hem onder
tucht te plaatsen en uiteindelijk kwam hij er af met een berisping.153
De eigen theologische omslag van Wiersinga is symbolisch voor de reeks
veranderingen die plaatsvond binnen de kerken in de jaren zestig: grotere
onzekerheid over het belang van het verleden en de waarheid van eens
geopenbaarde dogma's, een gericht zijn op de toekomst, en meer
belangstelling voor het immanente dan voor het transcendente. Volgens | | | | veel ‘radicale’ kerkleden gingen de
veranderingen niet ver genoeg om de instituten, die in hun ogen hopeloos
‘conservatief’ waren, te verbeteren. Toch waren de
veranderingen tamelijk grondig. Aan de ene kant werden veel christenen door
de verschuiving binnen theologie en eschatologie voorstanders van bijna
utopische ideeën die zij enkele jaren daarvoor nog verworpen
zouden hebben en werden de poorten van het paradijs geopend voor veel
gelovigen die zich gevangen voelden in de dode orthodoxie van hun jeugd. Aan
de andere kant, en dat is nog belangrijker, werd bijgedragen aan een klimaat
waarin veel mensen, zowel geestelijken als kerkleden, weinig weerstand boden
aan verandering, omdat ook zij geloofden dat de oude manier van leven in de
moderne, dynamische wereld niet langer kon worden gehandhaafd. Zij hadden
hun vertrouwen in een stabiele wereld met eeuwige wetten verloren, en de weg
terug was afgesloten.
| |
Post-christelijk Nederland
Tussen eind jaren vijftig en eind jaren zestig waren de grootste kerken en de
subculturen die zij representeerden haast onherkenbaar veranderd. De
progressieve hier-en-nu-houding van de christelijke theologen, geestelijken
en kerkleden werd zelfs opgemerkt buiten confessionele kringen. De uit de
rechtervleugel afkomstige socialist Jacques De Kadt sprak in 1965
geringschattend over het ‘het mode-modernisme’ van de
kerken en het ‘neo-marxisme van de dominees, de
jezuïeten en soortgelijke rare kwanten’ in de
kerkleiding.154 De Kadt was niet de enige die het
bewuste modernisme van de kerken en de daarmee gepaard gaande afkeer, die
veel gelovigen uitten ten opzicht van hun verleden, opmerkte. PvdA-leider
Joop den Uyl, zelf een ex-gereformeerde, zei over de leden van de Vrije
Universiteit: ‘Driekwart van hun intellectuele energie besteden
ze aan de afrekening met het verleden, en maar een klein stukje van hun
intellect is vrij voor het werkelijk nieuwe’.155 Al te lang geleefd
hebbend in het land van hun voorouders, stelden kerkleiders alles in het
werk om van hun instituten de moderne, progressieve krachtcentra te maken
die naar hun mening noodzakelijk waren voor zowel het kerkelijk voortbestaan
als voor de dienstbaarheid aan de wereld. Hun eerste doel was bij te raken
en bij te blijven. De kerkelijke leiders schoven dus op in een meer
‘wereldlijke’ richting. De historicus Otto de Jong
merkte daarover in 1966 op dat kritiek werd geuit die eens alleen bij het
vrijzinnige christendom werd gehoord, bij voorbeeld die van ‘de
verwerping van verouderde concepten’.156 Veel Nederlandse godsdienstige elites
wierpen hun voormalige | | | | overtuigingen overboord om zienswijzen
te omhelzen die de geest van openheid en eenheid, die heel de wereld in zijn
greep had, beter weerspiegelden.
In het aanbrengen van deze veranderingen reageerden Nederlandse bisschoppen,
dominees en gezaghebbende kerkleden op druk van buitenaf. Maar naarmate de
jaren zestig vorderden werd het duidelijk dat zij de kerken ook leidden langs nieuwe wegen. Pater Walter Goddijn, hoofd van de
organisatie van het Pastoraal Concilie, sprak zich hierover in 1966
duidelijk uit: ‘Er is een grote tyrannie van de gelovigen. Ze
houden verdomd veel tegen’. Ideeën werden naar zijn
mening aan de top geboren.157 Goddijn gaf stem aan een belangrijk thema: Nederlandse
geestelijken hoopten dat als zij hervormingen
introduceerden, de godsdienst zou herleven en relevant blijven. Dus met
zowel weerzin als enthousiasme en uit zowel pragmatische als
principiële overwegingen maakten zij een begin met de
opmerkelijke metamorfose van het Nederlandse christendom en daarmee tevens
van de Nederlandse samenleving.
Toch bleken hun pogingen de kerken te redden slechts te leiden tot verdere
achteruitgang. In 1966 ging vierenzestig procent van de roomskatholieken
wekelijks naar de mis; slechts acht jaar later, in 1974, was dit gedaald tot
vijfendertig procent.158 Tegen het einde van de jaren zestig, na het organiseren van
een grote campagne om het aantal kerken te vermeerderen, was de hervormde
kerk gedwongen het aantal ‘predikantsplaatsen’ te
verminderen vanwege gebrek aan fondsen en interesse.159 De gereformeerden bleven tamelijk
stabiel, maar vanaf 1974 zette het numerieke verval in en kwam er een
teruggang in bijeenkomsten rond bijbelstudies en gebed, de vitale uitingen
van het godsdienstig leven.160 In 1979 werd het aantal niet-kerkelijke Nederlanders
vastgesteld op eenenveertig procent van de bevolking, een dramatische
toename ten opzichte van de achttien procent van 1960.161
Toegevoegd aan de plotselinge neergang van confessionele, verzuilde
organisaties leken de jaren zeventig ‘het einde van een
christelijke natie’ in te luiden, zoals de atheïsten
Martin van Amerongen en Igor Cornelissen in 1972 verheugd verklaarden.162
Was deze afname in godsdienstige uitingen ontstaan ondanks of dank zij de
aanpassingen van de Nederlandse religieuze elites? Het antwoord is niet
gemakkelijk te geven. Enerzijds werden zij evenals hun tegenhangers elders
geconfronteerd met de gevolgen van de welvaartsstaat, de verstedelijking en
het daarmee gepaard gaande verlies aan sociaal toezicht, en het groeiend
individualisme - krachten die de traditionele godsdienst geen goed doen.
Nederlandse kerkelijke elites kwamen terecht in een netelige situatie,
waarin zij moesten kiezen voor hen die verdergaande | | | |
hervormingen wilden of voor degenen die vernieuwingen wilden afremmen. Hun
bewegingsvrijheid was beperkt en vereiste zowel handigheid als het vermogen
om compromissen te sluiten. De noodzaak van die handigheid werd buiten
Nederland niet altijd begrepen. Na het begin van de jaren zestig kreeg het
Vaticaan steeds meer problemen met de heterodoxie in Nederland. Dit
culmineerde in het kerkelijk onderzoek van Schillebeeckx.163 Paus Paulus VI
en de curie besloten na de uitingen van het Pastoraal Concilie in 1969 en
1970 dat de zaken in Nederland uit de hand waren gelopen. Zij onderhielden
particuliere en besloten contacten met conservatieve rooms-katholieke
groeperingen zoals Confrontatie en het St.
Michiels Legioen, wier invloed steeds gering was geweest onder de
Nederlandse geestelijken. Door de benoeming van nieuwe, behoudende
bisschoppen in 1971 (Simonis, Rotterdam) en 1972 (Gijsen, Roermond) ging het
Vaticaan in het selectieproces voorbij aan de voorstellen van de Nederlandse
bisschoppen.164 Ook werden oecumenische diensten
aan banden gelegd. De pogingen van Rome om de touwtjes opnieuw in handen te
krijgen en de lichte last van de Nederlandse bisschoppen te verzwaren,
werden niet gewaardeerd.165 Na vijftien jaar Alfrink werkte dit
de grote vervreemding die Alfrink en zijn bisschoppen zo moeizaam hadden
geprobeerd te vermijden, alleen maar in de hand.
Anderzijds leerden de Nederlandse katholieken onder het toeziend oog van
Alfrink (hij ging in 1976 met pensioen) een kerk verwachten zonder muren,
zonder theologische of morele grenzen en zonder opgelegde beperkingen. Dit
werd duidelijk op het Pastoraal Concilie, waar de meeste afgevaardigden de
wens uitten dat alle van buitenaf opgelegde beperkingen aan kerkleden zouden
worden opgeheven.166 Dat dit niet de bedoeling van Alfrink
was maakt het verhaal alleen maar fascinerender. De Nederlandse bisschoppen
- en hun protestantse tegenhangers - hadden geprobeerd hun kerken te
versterken door deze open, relevant en sociaal betrokken te maken, door
kerkleden met een kritisch oog te laten kijken naar het verleden en hun blik
te richten op de toekomst. Dean Kelley heeft echter aangetoond dat (in
Amerika) ‘exclusieve’ kerken voor een deel groeien
omdat zij mensen voorzien van een huis en een identiteit. Mensen worden
eerder aangetrokken door kerken met een hoge dan met een lage drempel. In de
jaren zestig bloeiden de orthodoxe kerken in de Verenigde Staten, terwijl de
vrijzinnige gemeenschappen in ledental afnamen.167 De kracht van de
Nederlandse kerken was grotendeels gebaseerd op hun verzuilde isolatie en
hun onbuigzame principes. De ‘open’ kerken van de
jaren zestig vonden respect in de ogen van buitenstaanders, maar leverden
weinig nieuwe aanwas op. In een tijd van sterke oecu- | | | | menische
gevoelens, toen goedheid en waarheid niet langer exclusief besloten lagen in
een bepaald geloof, was er minder, niet meer, reden om
zich bij een kerk aan te sluiten of er lid van te blijven. Ethiek, moraal en
zelfs geloof waren mogelijk zonder kerk. Kerken konden in een wereld waar
openheid en solidariteit bejubeld werden alleen maar verliezen. De kerken
konden hun leden niet de openheid en tolerantie geven die zij hen hadden
beloofd en brachten daardoor desillusie, vervreemding en onverschilligheid
teweeg.
|
1E. Schillebeeckx, ‘Het
nieuwe Godsbeeld, secularisatie en politiek’, Tijdschrift voor Theologie, 1968, 1, 45.
2Voor
een overzicht van Bekkers en Brandpunt, zie Mirjam
Prenger, ‘Van familiemagazine naar actualiteitenrubriek: KRO's
Brandpunt in maart 1963’, Media Geschiedenis, 2 (1990), 157-185.
3W. Bekkers,
‘De weg naar een open kerk is nu vrij’, in Uitgelezen: De Gelderlander-Pers, 1962 (z.p.: Gelderlander
Pers, 1962), 231-235.
4Geciteerd in ‘Mgr.
W.M. Bekkers, bisschop van 's-Hertogenbosch, overleden’, Katholiek Archief, 21, 21 (27 mei 1966)629.
5De NVSH, oorspronkelijk de Neo-Malthusiaanse Vereniging, was
klein, totdat zij zich laat in de jaren vijftig op dit onderwerp richtte en
sterk begon te groeien.
6De Nederlandse Hervormde Kerk
gaf in 1952 haar goedkeuring aan het gebruik van deze vorm van
anticonceptie.
7Volgens de journalist D. de
Vree van de KRO. De Vree koesterde de hoop dat de bisschop zich niet aan
deze stilzwijgende afspraak zou houden. Geciteerd in Trouw, 21 maart 1963.
8Jan Bank, ‘Televisie in de jaren
60’, in H.W. von der Dunk, e.a., Wederopbouw,
welvaart en onrust: Nederland in de jaren vijftig en zestig
(Houten: De Haan, 1986), 111. Bank vermeldt dat Bekkers overleg pleegde met
zijn mede-bisschoppen, hoewel de bisschoppen over deze kwestie geen
overeenstemming konden bereiken.
9Grote delen van zijn toespraak zijn geciteerd in
‘Kerk laat ruimte voor groei naar volheid der liefde’,
De Volkskrant, 22 maart 1963.
10Godfried Bomans, ‘Natus non
Nato’, De Volkskrant, 23 maart 1963.
11Zie Mary Zeldenrust, Gesprekken met Mary
Zeldenrust (Weesp: De Haan, 1984), 73-85, voor een gepubliceerde
discussie tussen Zeldenrust en Bekkers.
12Jan Bank, ‘“Verzuiling”: A
confessional road to secularization, emancipation and the decline of
political catholicism, 1920-1970’, in A.C. Tamse, C.A. Duke,
(red.), Britain and the Netherlands: Church and state since the
Reformation (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1981), 225.
13‘Mgr. W.M. Bekkers, bisschop
van 's-Hertogenbosch, overleden’, Katholiek
Archief, 27 mei 1966, 632-633.
14Desmond Fisher in het voorwoord van Michel van der Plas,
Henk Suer, (red.), Those Dutch Catholics (New York:
Macmillan, 1968), 7.
15De opmerkelijke en invloedrijke rol die de
Nederlandse bisschoppen in de veranderingen speelden wordt belicht door John
A. Coleman, The evolution of Dutch Catholicism, 1958-1974
(Berkeley/Los Angeles/Londen: University of Califonia Press, 1978) vooral
98-101. Ook Walter Goddijn beweert dat katholieke elites (bisschoppen,
theologen, pers) samenwerkten om verandering te bewerkstelligen, in The deferred revolution: A social experiment in church
innovation in Holland, 1960-1970 (Amsterdam: Elsevier, 1975)
128-129.
16Het is veel moeilijker om generaliserend over de hervormde kerk
te spreken, dan om zo over de katholieken of de Gereformeerden te spreken,
omdat de structuur van deze kerk veel gedecentraliseerder is. De
Gereformeerde Bond was minder betrokken bij al deze veranderingen dan de
confessioneel-hervormden die het midden-orthodoxe deel van de kerk
vertegenwoordigden.
17Voor korte impressies van Bekkers' verandering, zie Coleman, The evolution of Dutch Catholicisim, 110-115; Nico van
Hees, ‘Everyone's bishop’, in Van der Plas en Suer,
Those Dutch Catholics, 63-86.
18Goddijn, The deferred
revolution, 39.
19‘Humanistisch Verbond bestaat 20
jaar’, Het Vaderland, 19 februari 1966.
20W.H. van de Pol, Het einde van het conventionele christendom (Roermond/Maaseik:
J.J. Romen en Zonen, 1966), 8-10.
21Verscheidene
kleine Gereformeerde kerken en de orthodoxe vleugel van de hervormde kerk
werden door de veranderingen nauwelijks beïnvloed. Verontruste
conservatieven binnen de katholieke en de grote protestantse kerken lieten
in de jaren zestig wel van zich horen, maar hun gezamenlijk geluid werd pas
in de jaren zeventig een kracht van betekenis.
22Robert
Booth Fowler, A new engagement: Evangelical political thought,
1966-1976 (Grand Rapids: Eerdmans, 1983).
23Van Kilsdonk
was een Jezuïet die zich scherp had uitgelaten over de pauselijke
curie. De Jezuïetenorde reageerde fel op Van Kilsdonk en op
andere Jezuïeten zoals Nico van Hees, redacteur van De Nieuwe Linie, wiens theologische en politieke standpunten niet
meer toelaatbaar werden geacht. Van Hees verliet de Jezuïeten, de
Jezuïeten trokken zich terug uit De Nieuwe
Linie, waarop het blad al snel de banden met de katholieke kerk verbrak
en een vooraanstaand links tijdschrift werd.
24Tot nu toe hebben academici het verhaal
van de secularisatie, deconfessionalisatie en ontzuiling - de belangrijkste
oorzaken van veranderingen in de jaren zestig - grotendeels vanuit een
sociologisch gezichtspunt benaderd. Zie bij voorbeeld Eric H. Bax, Modernization and cleavage in Dutch society (Aldershot:
Avebury, 1990); J.E. Ellemers, ‘Pillarization as a process of
modernization’, Acta Politica, XIX (1984),
129-144; C.P. Middendorp, Ontzuiling, politisering en
restauratie in Nederland: De jaren 60 en 70 (Meppel: Boom, 1979).
Vooral Ellemers heeft over dit onderwerp veel gepubliceerd. Hoewel deze
benadering nuttig kan zijn, denk ik dat het opmerkelijkste aspect van deze
kerkelijke veranderingen in de jaren vijftig en zestig de weloverwogenheid
is waarmee, in elk geval door de kerkelijke leiders, deze veranderingen in
gang zijn gezet. Dit hoofdstuk besteedt dus minder aandacht aan de
sociologische inschatting van de werkelijkheid, dan aan het
‘dit-is-wat-er-met-ons-gebeurt’-besef dat leefde onder
de Nederlandse elites in deze periode.
25Men kan in navolging van Simon Schama spreken van een
‘cultureel’ calvinisme dat zo breed is
gedefinieerd, dat het gelijk is geworden aan een soort burgerlijke
samenleving, of van een ‘calvinistisch’
katholicisme, waarin de Nederlandse katholieken de morele strakheid en
vroomheid van hun calvinistische buren overnamen. Maar beide definities
zijn naar mijn mening te veelomvattend om ze te kunnen gebruiken in dit
boek; zie ook G.J. Schutte, Het calvinistisch
Nederland (Utrecht: Bijleveld, 1988). Daarom zal ik
‘calvinisme’ gebruiken in de beperkte,
godsdienstige betekenis.
26De lutheranen, remonstranten, mennonieten, joden en
een aantal orthodoxe calvinistische kerken waren de omvangrijkste van
deze kerkgenootschappen.
27C.N. Impeta, Kaart van
kerkelijk Nederland (Kampen: Kok, 1961), 23. Impeta baseerde
zich op het cijfermateriaal uit Het nieuwe kerkelijk
handboek. De statistieken zijn van 1958 en verschillen
enigszins van de volksstellingstatistieken van 1960.
28Frank Huggett, The
modern Netherlands, (New York: Praeger, 1971), 88; G.A. Irwin,
‘Patterns of voting behaviour in the Netherlands’,
in Richard T. Griffiths, (red.), The economy and politics
of the Netherlands since 1945 (Den Haag: Martinus Nijhoff,
1980), 211.
29H. Faber, T.T. ten Have en
R. Dijk, Ontkerkelijking en buitenkerkelijkheid in
Nederland (Assen: Van Gorcum, 1970), 30.
30Geciteerd in Jan Rogier,
‘Pater Goddijn: Er is een grote tyrannie van de gelovigen. Ze
houden verdomd veel tegen’, Vrij Nederland,
26 november 1966.
31O. Schreuder,
‘Christelijk en on-christelijk Nederland: een
diagnose’, Nederlands Theologisch
Tijdschrift, 37, 1 (januari 1983), 20-39.
32Drees was de eerste niet-kerkelijke
premier (1948-1958) van Nederland; hij was lid van het Humanistisch
Verbond, een kleine organisatie die in 1946 was opgericht tot stichting
van niet-godsdienstige mensen.
33J.A.A.
van Doom, ‘Verzuiling: een eigentijds systeem van sociale
controle’, Sociologische Gids, 3 (1956),
41-49.
34Geciteerd in Anneke Ribberink,
‘Afscheid van een truttigheidsimago. Vrouwengeschiedenis en
de jaren vijftig’, Groniek, 106 (1989),
53-54.
35Tjitske Akkerman, Siep
Stuurman, (red.), De zondige Riviera van het
katholicisme (Amsterdam: SUA, 1985).
36Daniël de Lange,
‘Religion in the Netherlands: Churches in crisis - Dutch
Catholicism’, Delta, 9, 4 (winter
1966-1967), 22.
37J. Plomp, Een kerk in beweging: De
Gereformeerde Kerken in Nederland na de Tweede Wereldoorlog
(Kampen: J.H. Kok, 1987), 60-64; 70-71.
38Ed Simons en
Lodewijk Winkeler, Het verraad der clercken: Intellectuelen
en hun rol in de ontwikkelingen van het Nederlandse katholicisme na
1945 (Baarn: Ambo, 1987), 242.
39Jan Roes, ‘R.K. Kerk Nederland,
1958-1973’, Jaarboek Katholiek Documentatie
Centrum, 1973 (Nijmegen: KDC, 1973), 76.
40Thijs Booy, Morgen zal alles
anders zijn (Amsterdam: W. ten Have, 1967), 180.
41Van de Pol, Het einde van het
conventionele christendom, 61-63.
42Veel hervormden voelden er niets
voor hun overtuiging een volkskerk te zijn te laten vallen en de synode
van 1952 bevestigde dit kerkelijk ideaal. Maar tegen 1960 werd dit
ideaal door de hervormde theoloog J.C. Hoekendijk aangevallen. Hij
beschouwde, geïnspireerd door Dietrich Bonhoeffers idee van
een ‘religieloos christendom’, de volkskerk een
anachronisme, een aspect van ‘christendomheid’ dat
achtergelaten diende te worden in een wereld waarin ‘de derde
man’ (de persoon die door een vaag christendom werd gevormd)
vervangen was door ‘de vierde man’ (de persoon
zonder religieuze wortels). Slechts door elk idee van een onafhankelijke
en geïsoleerde kerk te verwerpen, kon de kerk een toekomst
hebben. Zijn these werd scherp aangevallen door G.C. van Niftrik, een
barthiaan van de oude school in de hervormde kerk, die deze verwerping
van de culturele taken van het christendom beschouwde als het einde van
het christendom zelf. Het debat over de volkskerk was nog niet ten
einde; kerkgang en lidmaatschap bleven achteruitgaan in de hervormde
kerk.
43Uit het bevolkingsonderzoek van 1879 bleek dat 54% van de bevolking
behoorde tot de hervormde kerk. In het bevolkingsonderzoek van 1971
bleek dit gedaald tot 23%.
44E. Schillebeeckx,
‘Zijn er crisis-elementen in katholiek-kerkelijk
Nederland?’, Katholiek Archief, 21, 11 (18
maart 1966), 348; en Schillebeeckx, ‘Het nieuwe
godsbeeld’, 46.
45Dijk,
in Impeta, Kaart van kerkelijk Nederland, 5.
46J.A.
Bornewasser, ‘Bernardus Alfrink, hoeksteen van een
kerkprovincie’, in J. Bluyssen, e.a., Alfrink en
de kerk, 1951-1976 (Baarn: Ambo, 1976), 69.
47Gertjan Dijkink, Beleidenissen: Politieke en ambtelijke cultuur in Nederland,
1965-1990 (Groningen: Styx, 1990), 25.
48A. Fiolet, Verdeelde christenen in gesprek (Hilversum: Paul Brand, 1960);
en Onvermoed perspectief op de oecumene; poging tot
integratie van het katholiek en reformatorisch belijden
(Hilversum: Paul Brand, 1963).
49Roes, ‘R.K. kerk Nederland,
1958-1973’, 124.
50Van Hees, ‘Everyone's Bishop’,
73.
51Bernardus Alfrink, ‘Gedachten over
oecumene’ [Uitgesproken in Washington voor Pax Romana op 24
juli 1964], in Alfrink, Vragen aan de kerk: Toespraken van
Kardinaal Alfrink in de jaren van het Concilie (Utrecht/Baarn:
Ambo/Bosch en Keuning, 1967), 213-214.
52‘Waarom één?’, in De
Achttien, Van kerken tot kerk (Amsterdam: W. ten Have,
1961), 24.
53Plomp beschouwt 1961 als het keerpunt
voor de GKN, deels vanwege de ervaring in New Delhi ( Een
kerk in beweging, 84). Voor het meest recente overzicht zie
H.C. Engedijk, De Gereformeerde Kerken in Nederland, deel
2: 1936-1975 (Kampen: J.H. Kok, 1992).
54De Achttien, Nieuw land (Amsterdam: W. ten Have, 1965), 130; zie ook
‘Gereformeerde dominee Sillevis-Smit: Gereformeerd-zijn is
een sta-in-de-weg’, De Spiegel, 15 juli
1967.
55De Achttien, ‘Waarom
één?’, 17.
56A.A. van
Ruler, Reformatorische opmerkingen in de ontmoeting met
Rome (Nijkerk: Callenbach, 1965).
57Zie Dick Schaap, Bert Pasterkamp,
(samenst.), De zaak Irene (Amsterdam: ABC Boeken,
1964).
58De nationale pers
schonk aandacht aan een orthodox-protestantse gemeenschap in Zeeland,
waar de naam van de ‘Prinses Irene School’ werd
veranderd als gevolg van deze affaire. De anti-katholieke SGP beweerde
steunbetuigingen te ontvangen van hen die misnoegd waren over de milde
reacties van de andere protestantse partijen op de bekering; geciteerd
in Jan Zwemer, In conflict met de cultuur: De bevindelijk
gereformeerden en de Nederlandse samenleving in het midden van de
twintigste eeuw (Kampen: De Groot Goudriaan, 1992), 276.
59Voor reacties, zie Schaap en Pasterkamp, De
zaak Irene, 33-49; 59-70. Alfrink antwoordde dat er geen
getuigen waren die konden aangeven op welke wijze Irene in 1939 was
gedoopt, zodat hij besloot dat een
‘voorwaardelijke’ doop noodzakelijk was.
60Dick Dijs, ‘De beeldenstorm van ds.
Taverne’, De Spiegel, 18 november 1967
(Taverne werd geïnterviewd omdat hij een oecumenische dienst
had verstoord); brief in De Spiegel, 6 januari 1968.
Vele oudere burgers klaagden over de wijze waarop zij werden
afgeschilderd.
61F.
Haarsma, ‘Developments in the spiritual life of Holland,
particularly in the Roman-Catholic church, in the past ten
years’, Dutch Studies, 3 (1977), 112;
M.J.M. Loertzer, ‘Zeker zou Jezus niet komen op
de bruiloft van diegenen, die een gemengd huwelijk
sluiten’, ongepubliceerde doctoraalscriptie (Leiden:
Universiteit van Leiden, mei 1991).
62Herman de Liagre Böhl, ‘Willem
Banning in de Partij van de Arbeid: Een verloren strijd om de
doorbraak’, Het twaalfde jaarboek voor het
democratisch socialisme (Amsterdam: Wiardi Beekman Stichting/De
Arbeiderspers, 1991), 72.
63J.P.A. Mekkes,
‘Heeft “christelijke politiek” een
zin?’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 31
(1961), 156-158.
64De gereformeerde
filosoof Herman Dooyeweerd - hij was waarschijnlijk de enige Nederlandse
filosoof uit de twintigste eeuw met internationale bekendheid - heeft
deze theorie uitgewerkt. Zie ook H.E.S. Woldring, D.Th. Kuiper, Reformatorische maatschappijkritiek (Kampen: J.H. Kok,
1980) voor een overzicht van de ontwikkeling van de gereformeerde
maatschappijkritiek.
65Geciteerd in W. Goddijn, Katholieke minderheid en protestantse dominant (Assen: Van
Gorcum, 1957), 48-49. Goddijn deelde de mening van Zeegers en van vele
KVP-politici dat de emancipatie nog steeds niet was afgerond.
66Commissie Van der Grinten, Staatkundige
eenheid der katholieke Nederlanders (Den Haag: Centrum voor
Staatkundige Vorming, 1953).
67Geciteerd in Simons en Winkeler, Het verraad
der clercken, 224.
68Geciteerd in Ernest Zahn, Regenten, rebellen en
reformatoren: Een visie op Nederland en de Nederlanders
(Amsterdam: Contact, 1991), 176.
69C.J. Straver, Een andere
tijd vraagt een andere kerk: Verslag van een peiling
(Hilversum/Antwerpen: Paul Brand, 1963), 25-35.
70De twee
rapporten waren het resultaat van de bevindingen van de
commissie-Beaufort uit 1951 (!), De katholieke sociale
organisaties van deze tijd, en het uit verschillende delen
bestaande Welvaart, welzijn en geluk (1960-1965), door
twee ‘progressieve’ katholieken, Ponsioen (een
academicus) en Veldkamp (een KVP-politicus). Zie Roes, ‘R.K.
Kerk Nederland, 1958-1973’, 134-135.
71Simons en Winkeler, Het verraad der clercken, 226-230.
72‘Herderlijk schrijven
aan de katholieken in Nederland over de deelname aan de oecumenische
beweging’, Analecta van het Aartsbisdom
Utrecht, 39 (1966), 207.
73Herman Bakvis heeft reeds gewezen
op de centrale rol die de bisschoppen speelden in het in stand houden
van de katholieke zuil. Om meer ruimte te geven aan de wens tot grotere
openheid trokken zij hun steun voor katholieke organisaties in. Zie
Herman Bakvis, Catholic power in the Netherlands
(Kingston/Montreal: McGill-Queen's University Press, 1981), 119-121.
Bakvis betoogt dat de bisschoppen de regels veranderden (dat deden ze
vaker) om zo scheuring en een voortschrijdende verbreding van de
generatiekloof te vermijden.
74Daniël de
Lange, ‘De functie van de binnenkerkelijke kritiek in
Nederland’, in H. Goddijn en W. Goddijn, (red.), De kerk van morgen: Een postconciliair toekomstbeeld van de
katholieke kerk in Nederland (Roermond/Maaseik: J.J. Romen en
Zonen, 1966), 114.
75Roes, ‘R.K. Kerk Nederland, 1958-1973’,
111.
76De Nieuwe Catechismus: Geloofsverkondiging voor
volwassenen (Utrecht, 1966). De catechismus, die door de
Nederlandse bisschoppen was goedgekeurd, werd in 1968 door de Commissie
van Kardinalen om verschillende redenen niet juist bevonden. De
schrijvers van de catechismus antwoordden op de beschuldigingen in 1969
met hun Witboek over De Nieuwe Catechismus (Utrecht,
1969), waarin ze volhielden dat alleen de verouderde verklaringen waren
aangepakt, maar dat de essentiële geloofswaarheden overeind
waren gebleven.
77Goddijn en Goddijn,
‘De tweede emancipatie’, in De kerk
van morgen, 13.
78De vrijgemaakten verwierpen het
verzoenende voorstel omdat het te beperkt en te laat was. Na 1960
groeiden de twee denominaties steeds verder uit elkaar doordat de veel
grotere GKN theologisch rekkelijker werd en de vrijgemaakten een eigen orthodoxe subcultuur opbouwden.
79Koosje Koster, W.J. van Bennekom, e.a., De kogel door de kerk (z.p., 1965).
80In antwoord daarop publiceerden boze
tegenstanders De kogel geketst, waarin mensen die
trots waren op hun gereformeerd-zijn werden
geïnterviewd.
81George Puchinger, Is de gereformeerde
wereld veranderd? (Delft: Meinema, 1966).
82H.M. Kuitert,
‘Kroniek: Is de gereformeerde wereld veranderd?’,
Gereformeerd Theologisch Tijdschrift (1966),
209-210. Dit is een herdruk van een rede gehouden op 9 september
1966.
83Het geschil in 1926 werd de Geelkerken-affaire
genoemd, naar de gereformeerde dominee die het letterlijke bestaan van
de sprekende slang in twijfel had getrokken. Geelkerken en zijn
navolgers, die vooral uit Amsterdam afkomstig waren, stapten uit de GKN.
Het geschil omvatte uiteraard meer dan alleen de kwestie rond de
sprekende slang, het ging in de grond om de historiciteit van de
erfzonde en de betrouwbaarheid van de Bijbel als historisch boek.
84J.E. Ellemers, ‘Ontwikkeling
van de samenleving’, in G.A. Kooy, J.H. de Ru, H.J. Scheffer,
(red.), Nederland na 1945: Beschouwingen over ontwikkeling
en beleid (Deventer: Van Loghum Slaterus, 1980), 20-21.
85Jan
Peet, ‘Tussen aanpassing en vernieuwing: Hoofdlijnen in de
geschiedenis van het Nederlands Katholiek Vakverbond,
1963-1981’, in Jan Roes, (red.), Katholieke
arbeidersbeweging: Studies over KAB en NKV in de economische en
politieke ontwikkeling van Nederland na 1945 (Baarn: Ambo,
1985), m.n. 133-142.
86Interview met Jan Bank, 19 februari 1992, Café Welling,
Amsterdam. Bank, hoogleraar in geschiedenis, begon zijn loopbaan als
journalist bij De Volkskrant.
87J.M.M. van der Pluym,
‘Vernieuwing’, De Volkskrant, 25
september 1965.
88Redacteur Bruins Slot veranderde zelf sterk gedurende de
jaren zestig en werd veel actiever op politiek gebied. Zie J.A.H.J.S.
Bruins Slot, En ik was gelukkig (Baarn: Bosch en
Keuning, 1972), 195-212. Deze veranderingen worden ook in het boek, dat
recent over Trouw verscheen, naar voren
gehaald.
89De Spiegel overleefde de ontzuiling niet. In 1968, in
een tijd van dalende aanmeldingen, nam een jonge hoofdredacteur de
leiding over die een ‘nieuw begin’ wilde maken.
Hij verwierp de sentimentele trouw aan het verleden en dacht dat de tijd
was aangebroken om de christelijke identiteit van De
Spiegel af te schudden, want buitenstaanders beschouwden deze
identiteit als ‘vervelend, saai, vormelijk, schijnheilig,
oerconservatief, onverdraagzaam...’ ( De
Spiegel, 6 januari 1968). Binnen twee jaar bezweek het blad; het
was er niet in geslaagd nieuwe abonnees te winnen en had veel oude van
zich vervreemd. Een zelfde verhaal kan worden verteld van de
tegenhangster van De Spiegel, de Katholieke Illustratie.
90Zie A.F.
Manning, Katholieke Universiteit Nijmegen, 1923-1973: Een
documentenboek (Bilthoven: Ambo, 1974); E. Schillebeeckx, e.a.,
Democratisering en identiteit: Beschouwingen over de
Katholieke Universiteit Nijmegen, 1968-1983 (Nijmegen/Baarn:
Katholiek Studiecentrum/Ambo, 1983).
91Voor een
geschiedschrijving van de VU, zie Wetenschap en rekenschap,
1880-1980 (Kampen: J.H. Kok, 1980).
92Geciteerd in Ada P.
Bolhuis, Johan Knigge, Rein Tromp, (red.), Het nieuws
opnieuw bekeken: Een overzicht van veertig jaar gereformeerde
journalistiek (Groningen: De Vuurbaak, 1984), 118.
93Herman Wigbold, ‘The shaky
pillars of Hilversum’, in Anthony Smith, (red.), Television and public life: Studies in six European countries
(New York: St. Martin's Press, 1979), 206. Mirjam Prenger, die een
studie doet naar de Nederlandse televisie in de jaren zestig, bevestigt
dit; in 1966 probeerde de top van zowel de KRO als de VARA bepaalde
programma's te reguleren, maar de richtlijnen werden al snel overtreden
en nooit meer opgelegd. Zie ook Kees van der Haak en Johanna Spicer, Broadcasting in the Netherlands (Londen/Henley/Boston:
Routledge and Kegan Paul, 1977).
94J.J. Woltjer, Recent verleden: De
geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw (Amsterdam:
Balans, 1992), 342. Voor een geschiedschrijving van de KRO over deze
periode, zie A.F. Manning, Zestig jaar KRO: Uit de
geschiedenis van een omroep (Baarn: Ambo, 1985),
241-333.
95Dick Dijs,
‘Rebellen in radioland’, De
Spiegel, 23 september 1967. In 1967 besteedde de NCRV zes van haar
negenendertig radio-uren aan religieuze uitzendingen. De traditionelere
katholieken probeerden ook hun eigen omroeporganisatie op te zetten,
maar dit mislukte vanwege gebrek aan steun.
96J.C.H. Blom, ‘“Het geloof van de radio
op vrijdagavond”. Aspecten van de geschiedenis van de
Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep, 1926-1968’, in J.H.J.
van den Heuvel, e.a., Een vrij zinnige verhouding: De VPRO
en Nederland, 1926-1986 (Baarn: Ambo, 1986), 120-138.
97In 1969 verloor de VPRO nog steeds leden. De voorzitter Jan
Kassies riep de VPRO op zich te richten op een ‘fundamentele
maatschappij-kritiek’. Hoewel de critici, die opmerkten dat
de doelgroep dan slechts klein zou zijn, gelijk hadden, bleek deze
loyaal en de VPRO overleefde. ‘Situatie VPRO gezond maar
weinig rooskleurig’, Het Parool, 16 juni
1969.
98Geciteerd in H.J.A.
Hofland, Opmerkingen over de chaos (Amsterdam: De
Bezige Bij, 1964), 112.
99De invloed van confessionelen hing
uiteraard af van de regio, in Amsterdam was hun overwicht bij voorbeeld
veel minder groot. Toch kan in de afname van het aantal (op godsdienstig
gebied) ‘gemengde’ huwelijken na de Tweede
Wereldoorlog, hun invloed worden opgemerkt.
100Willem Banning,
Ons socialisme (Amsterdam: Partij van de Arbeid,
1954), 60
101C.P.M. Romme, Katholieke politiek (Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum,
1953), 16; K. Ishwaran, Family life in the Netherlands
(Den Haag: Van Keulen, 1959)
102G.A. Kooy,
‘Ontwikkelingen met betrekking tot de intieme
levenssfeer’, in Kooy, e.a., Nederland na
1945, 51-5
103Sociologen zoals Norbert Elias hebben deze ontwikkelingen
geïnterpreteerd als zijnde onderdeel van een eeuwenlang
proces van formalisering en informalisering. Eén van Elias'
Nederlandse studenten, Cas Wouters, heeft de informalisering rond seks
en dood in Nederland bemerkt vanaf 1930 in Van minnen en
sterven: Informalisering van omgangsvormen rond seks en dood
(Amsterdam: Bert Bakker, 1990).
104R.
Schippers, De gereformeerde zede (Kampen: J.H. Kok,
1954), 50.
105A.J.
Kret, ‘Zedelijk leven’, in Berghuis, Anti-revolutionair bestek, 191. Dominee Kret betreurde deze
ontwikkeling en zag het als de taak van de ARP de moraal te
verbeteren.
106Vooral
de abortuskwestie zou tot midden jaren zeventig nog veel verdeeldheid
zaaien. Zie hoofdstuk vijf en zes.
107Henk J. de Feijter, Voorlopers bij demographische veranderingen (Den Haag: NIDI,
1991).
108In 1968 hield het
tijdschrift Margriet een enquête over seks.
De resultaten en de vergelijking met een onderzoek uit 1981 zijn te
vinden in G.A. Kooy, Sex in Nederland: Het meest recente
onderzoek naar houding en gedrag van de Nederlandse bevolking
(Utrecht/Antwerpen: Spectrum, 1983). De NVSH-statistieken uit 1969 zijn
verzameld in NVSH, Seksinfo: Facetten van de seksuele
problematiek (Utrecht: Rijksuniversiteit Utrecht, 1969).
109T. Beemer, ‘De crisis van de
moraaltheologie’, in Goddijn en Goddijn, De kerk
van morgen, 53.
110Gerard van der
Kroon, In de woestijn van de moraal: Een documentaire over
de katholieke moraal in Nederland in de jaren 1945-1965
(Utrecht: Ambo, 1965), 7-8.
111Voor de ontwikkeling van de katholieke moraaltheologie, zie
Simons en Winkeler, Het verraad der clercken, 63-72;
163-168.
112J. Verrips, En boven de polder de hemel: Een
antropologische studie van een Nederlands dorp, 1850-1971
(Groningen: Wolters-Noordhoff, 1978), 195
113C. Brinkgreve, M. Korzec, ‘Margriet weet raad’: Gevoel, gedrag,
moraal in Nederland, 1938-1978 (Utrecht/Antwerpen: Spectrum,
1978), 33.
114Nienke Wessels, Calvinisten over Wolkers:
Reacties in calvinistische kringen op het literaire werk van Jan
Wolkers in de periode 1961-1966, ongepubliceerde
doctoraalscriptie (Amsterdam: Vrije Universiteit, 1982).
115‘Pittige discussies op Leeuwarder jeugddag’, Trouw, 5 mei 1967.
116Simons en Winkeler, Het verraad der clercken, 279; 284; 452n.
117Kooy, ‘Ontwikkeling
met betrekking tot de intieme levenssfeer’, 54.
118Zie vooral Pastoraal Concilie
van de Nederlandse Kerkprovincie, Deel 4: Derde plenaire
vergadering - Zedelijke levenshouding, huwelijk en gezin, jeugd
(Amersfoort: Katholiek Archief, 1969), 6-87.
119Het totale aantal priesters daalde van 13.570 (1965) tot
11.189 (1974). Na 1968 oversteeg het aantal ontslagnemingen door
priesters het aantal inwijdingen; in 1965 waren er 237 inwijdingen, in
1972 slechts 27! Geciteerd in F. Haarsma, ‘Developments in
the Spiritual Life of Holland’, 115
120Ambtscelibaat in een veranderende kerk:
Resultaten van een onderzoek onder alle priesters, diakenen en
subdiakens in Nederland (Amersfoort: Katholiek Archief/PINK,
1969), m.n. 169-174. Het rapport bepleitte de beëindiging van
het verplichte celibaat.
121Geciteerd in
Anneke Ribberink, ‘Afscheid van een truttigheidsimago.
Vrouwengeschiedenis en de jaren vijftig’, Groniek, 106 (1989), 43
122Statistieken van de
Nationale Vrouwenraad, geciteerd in Algemeen Dagblad,
9 november 1966. De cijfers onthullen ook andere aspecten van de
Nederlandse samenleving, zo was het aantal werkende, gescheiden vrouwen
heel laag (22.500).
123Geciteerd in Jet Bussemaker,
‘Welvaart, welzijn en sekse. Grondslagen van de
verzorgingsstaat’, Tijdschrift voor
Vrouwenstudies, 13, 2 (1992), 219.
124Schippers, De gereformeerde zede,
62.
125Voor de opkomst van
de ‘individuele ontplooiing’ en de rol van
vrouwen, zie J.C.H. Blom, ‘Het harmonisch gezin’,
Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis
der Nederlanden, 108 (1993), 28-50.
126Saskia
Poldervaart, ‘Het verdwijnen en weer opkomen van het
vrouwenvraagstuk. De politieke vrouwenorganisaties en de vrouwenbeweging
in de periode 1948-1973’, Tijdschrift voor
Vrouwenstudies, 13, 2, (1992), 164-165.
127W. de Ru Schouten, ‘Nuttig rapport van de
Gezinsraad’, NRC, 8 oktober 1966.
128Bevindingen van
Bussemaker, ‘Welvaart, welzijn en sekse’,
218-234.
129Bussemaker, ‘Welvaart, welzijn en
sekse’, 218-234.
130Dit was de mening van de socialistische wetenschapper Hilda
Verwey-Jonker, ‘De emancipatiebewegingen’, in Den
Hollander, Drift en koers, 117-125. De Nederlandse
schrijfster Hella Haasse merkte in 1958 op dat de progressieve sociale
wetgeving in Nederland belette dat vrouwenemancipatie werd gekoppeld aan
sociale kwesties. Zie Haasse, ‘Dutchwoman’, Delta, 1, 3 (1958-1959), 89.
131Poldervaart,
‘Het verdwijnen en weer opkomen van het
vrouwenvraagstuk’, 165-171.
132Technisch gesproken was de stemming
van de synode uit 1967 een voorlopige uitslag, die bevestigd moest
worden in 1969. In 1970 werden in de GKN alle ambten formeel voor
vrouwen opengesteld. De hervormde kerk had al enige jaren daarvoor
vrouwen toegelaten tot het ambt. De Gereformeerde Bond in de hervormde
kerk, die van de losse structuur van de NHK profiteert, bevestigt nog
steeds geen vrouwen in de kerkelijke ambten.
133Joke Kool-Smit, ‘Het onbehagen bij de
vrouw’, De Gids, 130, 9/10 (november 1967).
Het essay van Kool-Smit was het enige werk dat blijvende roem en invloed
zou behalen.
134Kool-Smit, ‘Het onbehagen bij de
vrouw’, 267-268.
135In MVM hadden een groot aantal mannen zitting genomen, maar
hoewel ze de organisatie nooit zouden verlaten, namen vrouwen steeds
meer de leiding op zich, daar ze de mannen wantrouwden vanwege de
autoritaire trekjes die ze in hen ontdekten.
136Anneke Ribberink, ‘Radicaal
maar toch redelijk. Het ontstaan van de actiegroep Man Vrouw
Maatschappij (MVM)’, Amsterdams Sociologisch
Tijdschrift, 16, 3 (1989-1990), 31-51.
137Dit
heeft veel overeenkomst met de zienswijze van Marijke Mossink en Saskia
Poldervaart: pas wanneer mannen en vrouwen samen in ogenschouw werden
genomen (en elkaar niet beschouwden als de geheel
‘andere’) was de opkomst van een kritische houding
tegenover mannelijke onderdrukking mogelijk, zoals dat gebeurde in 1967.
Marijke Mossink, ‘Mannen over de taak der vrouw voor de
vrede’, Het twaalfde Jaarboek voor
Vrouwengeschiedenis (Nijmegen: SUN, 1991), 126-127;
Poldervaart, ‘Het verdwijnen en weer opkomen van het
vrouwenvraagstuk’, 178-182.
138Joke Kool-Smit, ‘De
man, de vrouw en de symmetrie’, in Kool-Smit, Hé zus, ze houen ons eronder (Utrecht/Antwerpen:
Bruna, 1967), 82-83.
139Bussemaker, ‘Welvaart, welzijn en
sekse’, 218-234.
140G.C. van Niftrik,
‘De geschiedenis van een domineesdochter’, in Ex auditi verbi: Theologische opstellen aangeboden aan
Prof. dr. G.C. Berkouwer (Kampen: J.H. Kok, 1965), 117-123. Van
Niftrik leverde kritiek op diegenen die ethiek niet in de natuur wilden
gronden.
141Zie bij voorbeeld
Daniël de Lange, Het woord in de tijd: Een
luisterproef (Baarn: Bosch en Keuning/Oekumenisch Aktie
Centrum, 1969), 87.
142W. Albeda, e.a., ‘Over
christelijke politiek en christelijke partijvorming’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 37 (1967), 102.
143Zie
H.A.M. Fiolet, ‘Vaticanum II als uitgangspunt van een
vernieuwde geloofsbezinning’, in Fiolet e.a., Revolte in de theologie, 104-115.
144C.
Augustijn, ‘Politiek relevante ontwikkelingen in de
theologie’, Anti-Revolutionaire Staatkunde,
41 (1971), 204.
145Voor een
nauwkeurig voorbeeld hiervan, zie de openingsrede van kardinaal Alfrink
tijdens de plenaire vergaderingen van het Pastoraal Concilie, 3 januari
1968 in W. Goddijn, e.a., Pastoraal Concilie van de
Nederlandse Kerkprovincie, vol. 2 (Amersfoort: Katholiek
Archief, 1968), 89-96.
146Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk, Klare wijn: Rekenschap over geschiedenis, geheim en gezag
van de Bijbel (Den Haag: Boekencentrum, 1967), 245, 251-252.
Het hele rapport is een klassieke tekst wat betreft de thema's van dit
hoofdstuk; noties over het einde van het tijdperk, over solidariteit en
oecumenische gedachten zijn door heel het rapport te vinden.
147W.C.D. Hoogendijk,
De samenleving vernieuwen (Den Haag: ARJOS, 1967),
21-23; 49-58.
148Voor
invloedrijke katholieke, hervormde en gereformeerde varianten op de
revolutie, zie De Lange, Het woord in de tijd; G.H.
ter Schegget, Beroep op de stad der toekomst: Ethiek van de
revolutie. (Haarlem: De Erven F. Bohn, 1971); J. Verkuyl, H.G.
Schulte Nordholt, Verantwoorde revolutie: Over middelen en
doeleinden in de strijd om transformatie van samenlevingen
(Kampen: J.H. Kok, 1968). Steeds vaker verwerkten christelijke theologen
joods-messiaanse gedachten in hun toekomstverwachtingen; dit is bij
voorbeeld evident bij Ter Schegget.
149A.J. Raster, De
Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795 (Kampen: J.H. Kok, 1974),
358-359.
150In 1970 geloofde drieëndertig procent van alle kerkleden in
het bestaan van de duivel en eenendertig procent geloofde in het bestaan
van de hel, in 1966 waren dit respectievelijk nog drieenvijftig en
achtenveertig procent. De aanvaarding van andere minder onplezierige
leerstellingen gingen minder dramatisch omlaag. Geciteerd in Middendorp,
Ontzuilling, politisering en restauratie in
Nederland, 183.
151Interview met Herman Wiersinga, 19 november 1992.
152Herman Wiersinga, De verzoening in de
theologische discussie, proefschrift (Amsterdam: Vrije
Universiteit, 1971); zie ook Wiersinga, Verzoening als
verandering: Een gegeven voor menselijk handelen (Baarn: Bosch
en Keuning, 1972).
153De pijnlijke herinneringen aan 1944 (de
kerkscheuring) bleken in zijn voordeel uit te pakken. Het feit dat de
GKN Wiersinga's standpunten, hoewel ze die niet omhelsde, wel
tolereerde, toont aan hoe sterk de GKN zelf was veranderd, zowel in
theologie als in gedrevenheid.
154De Kadt, Ketterse
kanttekeningen, 9-10.
155Geciteerd in Martin van Amerongen, Igor Cornelissen, Tegen de revolutie: Het evangelie! Het kerkvolk in de
Nederlandse politiek of: Het einde van een christelijke natie
(Amsterdam/Brussel: Paris-Manteau, 1972), 149.
156Otto de Jong, ‘Religion in the Netherlands: Churches in
crisis - Dutch protestantism’, Delta, 9, 4
(winter 1966-1967), 14.
157Rogier,
‘Pater Goddijn’ Vrij Nederland,
26 november 1966, 9. Volgens Pater Goddijn gaf een hechte traditionele
achterban deze elites juist gelegenheid hun experimenten uit te
voeren.
158Haarsma,
‘Developments in the spiritual life of Holland’,
123.
159Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf
1795, 366-367.
160Gerard Dekker, De stille revolutie (Kampen: J.H. Kok, 1992),
58-60.
161Dekker, De stille revolutie, 34.
162Van Amerongen, Cornelissen, Tegen de
revolutie: Het evangelie!, omslag; 7-11.
163Zie voor een korte beschrijving van de
affaire-Schillebeeckx, Simons en Winkeler, Het verraad der
clercken, 236-237. Het onderzoek van Schillebeeckx, professor
in Nijmegen, vond in beslotenheid plaats - een belediging voor
katholieken die openheid en democratie waren gaan waarderen. De hele
theologische faculteit diende bij Rome protest in.
164Later werd Simonis aartsbisschop
van Utrecht en verving hij Willebrands als hoofd van de Nederlandse
bisschoppen. De robuuste woorden en daden van Gijsen om de kerk weer
terug te brengen naar een traditionelere katholicisme maakten hem niet
geliefd en hij nam in 1993 ontslag, waarschijnlijk onder druk van een in
verlegenheid gebracht Vaticaan.
165Nog in 1969 had ruim
tachtig procent van de Nederlandse katholieken een goede dunk van
Alfrink en zijn bisschoppen.
166Het duidelijkste voorbeeld was
‘Sleur de kerk uit haar sleur’, een zeer kritische
verklaring van de katholieke jeugd, die werd behandeld op de plenaire
vergaderingen. Het officiële rapport over de jeugd werd als
gevolg hiervan verworpen.
167Dean Kelley, Why conservative churches are growing
(Macon: Mercer University Press, 1986).
|
|