|
|
|
| |
| | | |
4 Homo ludens in opstand
‘Mijn God is kennelijk niet de God van Nederland, of zoals
onze grote schrijver Nescio hem in zijn onsterfelijk verhaal Dichtertje noemt: “de God van je tante, die zei, dat je
moest groeten als je langs het huis van je baas kwam, (...) ook al zag je
niemand, je kon nooit weten wie 't zag.”’ - Gerard K.
van het Reve, 19671
Op 4 januari 1964, zaterdagavond om vijf over tien, zond de VARA de derde
aflevering uit van Zo is het toevallig ook nog 's een keer.
Dit satirische televisieprogramma was de Nederlandse versie van That Was The Week That Was (TWTWTW), een produkt van de BBC uit het
begin van de jaren zestig. De programmamakers, aangevoerd door Jan Blokker,
Rinus Ferdinandusse en Dmitri Frenkel Frank, waren geen vaste medewerkers van de
VARA, maar freelancers die genoeg hadden van het fatsoen dat de
omroeporganisaties vertoonden. Hun eerste uitzending had reeds veel brieven
opgeleverd van televisiekijkers. Maar dat bleek nog niets te zijn vergeleken met
de lawine van reacties die loskwam na het programma van 4 januari, dat door
ongeveer viereneenhalf miljoen Nederlanders, bijna veertig procent van de totale
bevolking, werd bekeken.2
Het provocerende gedeelte duurde niet lang; commentator Peter Lohr sprak in de
tale Kanaäns van een nieuwe, oecumenische religie met miljoenen
toegewijde en in vervoering gebrachte discipelen. Die religie, bleek al snel,
was het televisiekijken en het beeld was God. Oud- en nieuw-testamentische
teksten vervlechtend tot een parodie reciteerde Lohr:
‘...in den beginne was het beeld en het beeld was goed en
het beeld is goed. Komt allen tot het beeld, die belast en beladen zijt, want
het beeld zal u rust geven.’
‘Gij zult geen ander tijdverdrijf kennen dat het
kijkbedrijf, gij zult u geen afgodsbeelden maken dan de beelden van het beeld,
gij zult niet naar uwen naasten kijken gelijk uw naaste niet kijkt naar u, maar
bovenal: gij zult de knop geenszins omdraaien, want dit is het beeld een
gruwel.’
| | | |
‘En zo won dit machtig geloof elke dag nieuwe discipelen,
die gelijk met hun broeders en zusters neerknielen voor het beeld, en bidden:
Geef ons heden ons dagelijks programma. Wees met ons, o beeld, want we weten
niet wat we zonder u zouden moeten doen.’3
In Engeland had een vergelijkbare TW3-parodie nauwelijks deining veroorzaakt,
maar in Nederland brak een storm van kritiek los. De programmamakers hadden twee
kardinale regels van de Nederlandse samenleving geweld aangedaan. Meer dan de
Engelsen en de Amerikanen keurden de Nederlanders het bespotten van de
Almachtige af; zelfs hoog opgeleide ongelovigen achtten het ijdel of irrelevant
gebruiken van Gods naam onbehoorlijk. Voor veel Nederlanders was het vergelijken
van de televisie met God regelrechte godslastering.4 Ten tweede braken de
programmamakers met de ongeschreven regel dat de omroeporganisatie van een
bepaalde subcultuur de leden van andere subculturen niet beledigt - een
uitbreiding van het leven-en-laten-leven-pluralisme dat Nederlandse politici in
stand hielden.5 Dat de seculiere, socialistische VARA een godsdienstige parodie
had uitgezonden waarin geen respect was getoond voor de heilige symbolen van
anderen, werd door veel Nederlanders beschouwd als een aanval op het burgerlijk
fatsoen.6 In een
hoofdartikel van Elseviers Weekblad werd de programmamakers
een ouderwets, antigodsdienstig vooroordeel verweten, dat in de nieuwe tijd van
oecumene misplaatst was.7
Ook bij de centrum-rechtse regering werden protesten ingediend. De volgende dag,
zondag, lieten enige ministers publiekelijk hun afkeuring blijken. Dat was een
ongewone gebeurtenis, daar de regeringsfunctionarissen in Den Haag de
zondagsrust meestal in acht namen.8 Theo Bot,
KVP-minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, zag zich door de
coalitieleiders al snel gedwongen de VARA te berispen op grond van artikel 20
van het Televisie Accoord. Hoewel hij het voorval scherp afkeurde - hij noemde
het programma ondermijnend voor de goede zeden en de openbare orde9 - weigerde hij verdere stappen te ondernemen, om de zorgvuldig
opgebouwde autonomie van de verzuilde structuren niet aan het wankelen te
brengen, en de VARA ontsnapte aan overheidsmaatregelen.10 De directeur van de VARA, J.W. Rengelink, distantiëerde
zich van de inhoud van het programma, maar stelde zich tegelijkertijd
standvastig op tegenover kritiek van de overheid.11
Nationale en regionale kranten, vooral de kranten met een godsdienstige binding
of een antisocialistische instelling (zoals De Telegraaf),
verwensten de VARA en de programmamakers. Zowel de Nederlandse Hervormde Kerk
als de gereformeerde kerken spraken openlijk hun afkeuring uit. | | | |
Veel gewone Nederlanders waren er nog minder over te spreken. De programmamakers
ontvingen honderden brieven waarin vaak de meest afschuwelijke aantijgingen
werden gedaan, soms zelfs venijnig antisemitisch.12 Vooral de presentatrice van Zo
is het, Mies Bouwman, kreeg veel kritiek te verduren. In 1962 had Mies
Bouwman de televisiemarathon Open Het Dorp van de AVRO
gepresenteerd, waardoor miljoenen guldens werden bijeengebracht voor
gehandicapten. Door haar onbevlekte reputatie was ze één
van de geliefdste mensen in Nederland geworden, een overweldigende ervaring die
haar ertoe bracht mee te doen met het ironische Zo is
het.13 Duizenden
voelden zich verraden toen Bouwman, opkomend na Lohr, leek te meesmuilen. Veel
kijkers beschimpten haar in hun brieven; in één brief werd
ze zelfs een ‘Ielijke, vuile jodin’ genoemd.14 Veiligheidsagenten
moesten worden aangesteld om enkele programmamakers, onder wie Bouwman (die het
programma als gevolg van de dreigingen de rug toekeerde) te beschermen.
Maar de voorstanders van het programma gingen al snel in de tegenaanval. De
vijandige brieven die werden gepubliceerd brachten velen van hen die door de
uitzending waren beledigd, in verlegenheid. Honderden brieven kwamen binnen als
reactie op alle negatieve brieven, om de VARA steun te betuigen.15 Ook enige confessionele geestelijke leiders, zoals bisschop Bekkers
en de gereformeerde dominee Kuitert, maakten zich meer zorgen over hun
schijnheilige kudde dan over het programma. De opwinding nam langzamerhand af en
hoewel verschillende televisieprogramma's nog verontwaardiging zouden wekken,
zou geen enkel programma meer de felle protesten oproepen die oplaaiden na de
Zo is het-uitzending van 4 januari 1964.
De aanval van ‘bekrompen, christelijk Nederland’, zoals
één van de VARA-aanhangers de boze briefschrijvers
karakteriseerde16, was afgeslagen en in diskrediet
gebracht. De Zo is het-affaire bleek in dit opzicht een
keerpunt. De milde, vaag-christelijke, burgerlijke cultuur van de naoorlogse
periode gaf snel terrein prijs aan de vrijere en minder eerbiedige culturele
norm die door de programmamakers naar voren was gebracht. Commentatoren
ontdekten al snel dat de ‘conservatieve’, protesterende
Nederlanders aan de verliezende kant stonden in deze culturele strijd. De
katholieke wetenschapper B. Delfgaauw schreef de venijnige reacties toe aan de
onzekerheid van de gelovigen die werden geconfronteerd met steeds meer ongeloof
en met veranderingen in hun eigen kerken.17 Ook Harry
Mulisch gaf zijn mening te kennen. In een weerlegging van de kleinerende
opmerkingen die veel christenen plaatsten over Zo is het,
schreef de zesendertigjarige auteur:
| | | |
‘Het is úw taak om met die haat van uw
medestanders in het reine te komen en de werkelijke achtergronden ervan op te
sporen (...) En u zult dat moeten doen in het sombere besef, dat uw jarenlange
pogingen om het christendom weer op de been te helpen, ongedaan zijn gemaakt. U
bent oude mensen. Uw gekwetstheid en uw haat zijn ons te oud. Zelfs uw goede
eigenschappen, die vooral uit voornemens bestaan, zijn ons te oud. U bent te oud
voor ons. Nog 25 jaar en u bent goddank uitgestorven.’18
Mulisch geeft hier uitdrukking aan de ‘grote scheiding’ van
de jaren zestig, die alternerend wordt beschreven als een wereldomspannend
conflict tussen links en rechts, tussen jong en oud, tussen tegencultuur19 en status quo - anders gezegd, tussen
opstandelingen en ‘het systeem’. Het is niet onlogisch de
heibel rond Zo is het te zien als de eerste strijd in een
reeks scherpe culturele en politieke conflicten waardoor Nederland (en het
Westen in het algemeen) in de jaren zestig werd bevangen. Populaire
verhandelingen over de jaren zestig interpreteren dit conflict dan ook als ten
diepste een generatieconflict.20 Dat er stevige botsingen plaatsvonden kan
niet worden ontkend, maar was er werkelijk sprake van een diepe culturele kloof?
Of zou het juist de overeenkomst tussen de dominante cultuur
en de tegencultuur kunnen zijn waardoor wordt verklaard (a) de opkomst van de
tegencultuur in de jaren zestig en (b) haar aanzienlijke succes in het
veranderen van het culturele klimaat?
In Nederland speelden verschillende factoren een rol in het welslagen van deze
tegencultuur, die misschien in andere landen minder duidelijk naar voren kwamen.
Ten eerste richtte de Nederlandse politieke cultuur, volgens eeuwenoude
traditie, zich niet op het uitsluiten, maar op het incorporeren van
minderheidsgroeperingen in haar pluralistische consensussysteem (zie inleiding).
Protestbewegingen als de provo's, kabouters en Dolle Mina's, om nog niet te
spreken van meer apolitieke groeperingen, zagen talloze (soms ongewenste)
mogelijkheden om in de dominante cultuur te integreren.
Ten tweede was de tegencultuur, die zich vooral in Amsterdam manifesteerde,
minder politiek-geladen dan de tegenculturen die zich in
Berlijn, Parijs, San Francisco en New York deden gelden. Hoewel speelse
elementen een groot deel van de tegencultuur in het Westen karakteriseerde, werd
het vaak vervlochten met een ‘revolutionaire’ politiek.
Dit was niet zozeer het geval in Nederland, waar het spel overheerste. De
eigenaardige kracht van de Nederlandse protesttraditie, die in haar utopische
doelstellingen zowel minder theoretisch als minder totalitair was, droeg daar
sterk aan bij. De Nederlandse bescheidenheid, van essentieel belang voor de
concensuspolitiek, zet niet werkelijk aan tot felle protesten of | | | |
pretentieuze doelstellingen; droge humor en zelfspot worden meer gewaardeerd.
Een zekere speelsheid verzachtte dus de politieke praktijk.21 Nog belangrijker
was dat Nederland, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, Frankrijk en
West-Duitsland, geen land was met een aanwijsbare sociale, politieke of
economische crisis.22
De provo Duco van Weerlee merkte dit ook op, toen hij in 1966 schreef dat het
huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg een godsgeschenk was voor de
provo's; als Claus niet had bestaan, zei hij, dan was het noodzakelijk geweest
om hem uit te vinden.23 Ook
was er geen onaangenaam, onbeslist verleden of heden dat in landen als Amerika
(Vietnam) en de Bondsrepubliek (het Nazi-verleden) aanleiding gaf tot
polarisatie. Eigenlijk werd Nederland door veel jongeren beschouwd als een
onbeduidend landje, niet waard om tegen te protesteren in een wereld die zo vol
was van groter onrecht. In plaats daarvan concentreerden zij zich op de
kleinburgerlijkheid van de Nederlanders. Nederland was een land dat niet zo zeer
gerechtigheid, als wel cultuur miste. In deze omgeving was de tegencultuur
minder bedreigend, omdat zij de politieke geslepenheid miste die, impliciet of
expliciet, inherent was aan de tegenculturele bewegingen elders. Hierdoor werd
de tegenculturele beweging voor het Nederlandse burgerlijke gezag
aanvaardbaarder.
Ten derde, en dat is het belangrijkste punt, kon de Nederlandse tegencultuur munt
slaan uit de overtuiging van veel Nederlandse geestelijken, intellectuelen en
politici dat Zo is het en de provo's, ondanks hun
twijfelachtige aanpak, eigenlijk gelijk hadden met hun kritiek op de Nederlandse
samenleving. Voor de Nederlandse gezagdragers, die hun best deden om open te
zijn, gold de samenleving als te materialistisch, te bekrompen en te
kleinburgerlijk. De televisierel van januari 1964 scheen dit beeld slechts te
bevestigen. De tegencultuur maakte dus gebruik van de zelfkritiek van de
dominante cultuur en bouwde daarop voort. Jonge tegenculturele opstandelingen
waren, in dit opzicht, weinig meer dan de radicale incarnaties van de
burgerlijke zelfkritiek.
Het onderscheid tussen de ‘dominante’ cultuur en de
‘tegencultuur’ was dus niet altijd even goed te maken. Dit
blijkt alleen al uit de leeftijd van de programmamakers van Zo is
het; de meesten waren boven de dertig. Tot welke
‘generatie’ behoorden zij eigenlijk? Waren zij deel van de
gevestigde orde, waren zij ‘dertig-plus’-journalisten, of
maakten zij deel uit van de jeugdrebellie?24 Omdat ze zowel
tot de oudere als tot de jongere generatie behoorden, werd de kritiek van
protestgroeperingen door Nederlanders in leidinggevende posities vrij goed
ontvangen. Die waren niet alleen bestand tegen de ‘opstand van de homo ludens’25, ze pasten zich
| | | | zelfs aan. Zo kon Nederland in het algemeen, en Amsterdam in
het bijzonder, de speeltuin van Europa worden.
| |
Een nieuw kosmopolitisch ideaal
Hoewel enkele Nederlandse calvinisten in het midden van de eeuw Nederland nog
steeds aanprezen als het Israël van het Westen, beschouwden veel
Nederlandse kunstenaars het al snel als het land van de Filistijnen, een
land verstoken van esthetische smaak en culturele verfijndheid. Na de oorlog
leek de Nederlandse creativiteit nog steeds voornamelijk tot uitdrukking te
komen in twee zeventiende-eeuwse steunpilaren: het landschapschilderij en
het sonnet. Parijs diende, net zoals het dat was voor Van Gogh en Van
Dongen, als vluchthaven voor naoorlogse Nederlandse dichters, kunstenaars en
schrijvers - van wie Simon Vinkenoog waarschijnlijk de bekendste was.
Nederlandse kunstenaars en schrijvers wilden de Nederlandse
‘kleinburgerlijkheid’, die zij zo verafschuwden,
overstijgen en lieten zich sterk inspireren door Franse26, Duitse
en Amerikaanse artiesten. Nederland werd een land waar, om een deskundige te
citeren, een ‘geweldige openheid’ was voor
buitenlandse invloeden.27
Maar in de jaren vijftig was er verandering op til. Een nieuwe generatie
vernieuwende dichters ontving, waarschijnlijk tot haar eigen verbazing,
ineens in brede kring erkenning en roem. Gezamenlijk stond zij bekend als de
Vijftigers. Vinkenoog, Remco Campert, en Lucebert
(Lubertus Jacobus Swaanswijk), om slechts de bekendsten te noemen, maakten
deel van hen uit. De aanspraak van de Vijftigers op
vernieuwing werd in twijfel getrokken28; zij waren voornamelijk
modernisten die symmetrie en traditionele lyriek verwierpen. De Vijftigers kwamen in opstand tegen het
‘provincialisme’ van de Nederlandse samenleving - dat
zij met modernistische, ‘internationale’
ideeën en technieken probeerden te bestrijden - en tegen de
sociale gelijkvormigheid in Nederland, die in hun ogen werd gesymboliseerd
door het sonnet.29 Hun rode draad
was persoonlijke vrijheid. Al snel ontvingen ze loftuitingen van critici en
lezerspubliek en werden ze geaccepteerd door de literaire gevestigde orde
(een prestatie waardoor jongere dichters en lezers hen spoedig begonnen te
wantrouwen30). Totdat ze in de jaren
zestig door de opkomst van een nieuwe generatie
‘realistische’ dichters, zoals Armando, Cornelis B.
Vaandrager en Hans Verhagen (die veel minder werden gelezen dan de Vijftigers)31, aan het oog werden onttrokken,
vonden deze vrijgevochten dichters weerklank bij een groot lezerspubliek,
waaronder duizenden leerlingen die hun poëzie lazen in goedkope
pocketboeken met een grote oplage. Het is moeilijk | | | | voor te
stellen dat aan het einde van de jaren vijftig beatnikdichters gelezen
zouden worden op Amerikaanse scholen; dat het wel gebeurde in Nederland
geeft aan hoe vroeg opstandige ideeën en stijlen al binnen de
‘dominante’ cultuur werden geaccepteerd.
In het begin van de jaren zestig namen prozaschrijvers het vaandel (en de
aandacht van de media) over van de dichters. Al in de jaren vijftig bestond
een getalenteerde ‘realistische’ traditie, met Anna
Blaman, Willem Frederik Hermans en Gerard K. van het Reve in de
voorhoede.32
Deze realisten presenteerden zichzelf als iconoclasten; Hermans werd
aangeklaagd voor (en vrijgesproken van) het beledigen van Nederlandse
katholieken in 1951, en tegen Van het Reve werd in 1966 een proces
aangespannen wegens godslastering (zie hoofdstuk vijf).33 Ondanks dat
overschaduwde Jan Wolkers hen allen in grootschalige populariteit en
ongekend succes. Hoewel veel Nederlanders de seks- en sterfscènes
schandalig vonden, werden Kort Amerikaans (1962)34 en
andere boeken van zijn hand grif gelezen, vooral door de jongeren (zie
hoofdstuk drie). Het succes van Wolkers werd slechts door Jan Cremers Ik Jan Cremer (1964) overtroffen. Deze
‘schelmenroman’, waarin de hoofdfiguur zichzelf zonder
remmingen opdringt aan een wereld die hem moreel kapotgemaakt heeft, was
controversieel vanwege de seksuele grofheid en de scatologische
onbehouwenheid. Zelfs de redacteur W.H. Nagel (van de De Bezige
Bij) vond het persoonlijk te ver gaan: ‘zes pagina's
over schijten’ vond hij te veel.35 Maar het boek was een geweldig succes, vooral
onder de jongeren; De Bezige Bij verkocht de fenomenale
hoeveelheid van tweehonderdduizend exemplaren in twee jaar tijd36, en het boek van Cremer was het gesprek van de dag.
In al deze literaire doorbraken was maar weinig
‘geëngageerdheid’ te bespeuren, weinig
protest tegen sociaal en politiek onrecht. Hoewel een aantal schrijvers het
leed dat de oorlog teweeg had gebracht laakten, bekritiseerden zij slechts
zelden de maatschappij waarin ze leefden. Volgens een commentator
verschilden Nederlandse intellectuelen in dat opzicht sterk van hun
Belgische, Franse en Amerikaanse collega's. Harry Mulisch, die in de loop
van de jaren zestig steeds meer politiek geladen boeken schreef, was de
enige uitzondering van betekenis.37 Maar zelfs Mulisch richtte zich vooral op de
internationale politiek; hij was tegen het eind van de jaren zestig een fel
verdediger van Fidel Castro. Slechts één van zijn
boeken in de jaren zestig was gewijd aan binnenlandse politiek, Bericht aan de rattenkoning (1966).38 Hoewel in de loop van de jaren zestig
‘engagement’ steeds meer een literair thema werd39, kwam een stroom van krachtige protesten in de Nederlandse
samenleving nooit van de grond. De literair-criti- | | | | cus Aad Nuis
schreef in 1968 dat Nederlandse schrijvers waren geïnteresseerd
óf in hun innerlijke strijd óf in de problemen van de
wereld, maar niet in de Nederlandse samenleving, waarvan Nuis zelf dacht dat
zij ‘wel een geschikt doelwit voor tirades over haar
bekrompenheid’ zou zijn.40 Nuis streed voor
binnenlandse politieke vernieuwing; zijn verwijt is dus begrijpelijk. Maar
in de ogen van de meeste literatoren was de Nederlandse samenleving uiterst
provinciaal en saai; zij waren bereid om de bekrompen bewoners te tergen,
maar er leek bar weinig te zijn in Nederland waarover werkelijk iets zinvols
viel te schrijven. Cremer verliet Nederland in 1965 en vertrok naar New
York, klagend over de ‘spruitjeslucht’, waarmee hij
doelde op de verziekte, kleinburgerlijke deugdzaamheid van Nederland.41 De Nederlandse auteurs van de jaren vijftig en zestig uitten
vaker culturele minachting dan politieke woede; een houding die door veel
Nederlanders zou worden overgenomen.
Nederlandse naoorlogse kunstenaars waren meer in politiek
geïnteresseerd, een resultaat van de invloed van de
internationale kunstwereld. Maar ook bij hen kwam het kosmopolitisch ideaal
sterk naar voren en zij vermeden over het algemeen de zware politieke teneur
die vaak in modernistische kunst te signaleren is. Meer dan elders had de
kunst in Nederland een sterk traditionele inslag behouden, zelfs over de
jaren vijftig heen42, ondanks de pogingen
van de Nederlandse kunstenaars van COBRA om een avant-garde-beweging in hun
eigen land tot bloei te brengen.43 De musea schrokken terug voor
abstracte, experimentele kunst en de meeste kunstacademies hadden een zeer
traditionele aanpak.44 De enige moderne Nederlandse
schilders in de jaren vijftig waren humanistische
‘realisten’ die vorm wilden geven aan het lijden dat
door de oorlog was teweeggebracht. Het bolwerk van modernisme in Nederland
was het Stedelijk Museum van Amsterdam, dat onder leiding stond van Willem
Sandberg (1945-1962) en een aanzienlijke subsidie ontving van de
gemeente.45 Sandberg was een uitgesproken kosmopoliet; een man
met een brede interesse en een zeer uitgebreid netwerk van buitenlandse
contacten. Hij had zich tot doel gesteld de nieuwste doorbraken in de
kunstwereld binnen de muren van het Stedelijk Museum te brengen.46
Links als hij was, zag hij kunst als een uiting van protest tegen de status
quo, en organiseerde hij in 1959 ‘Vitaliteit in de
kunst’, een expositie van internationale expressionisten.
Na 1960 bleef het Stedelijk Museum van Amsterdam de trend bepalen, zo opende
het in 1964 de eerste Europese pop-art-tentoonstelling. Maar tegen die tijd
was het Stedelijk Museum niet meer het enige bolwerk van moderne (op dat
moment eigenlijk ‘antimoderne’) kunst. Ineens was
cre- | | | | ativiteit ‘in’. De in Nederland
invloedrijke ‘Nul Beweging’47, bestaande uit bekende
dichters en kunstenaars, wilde de afstand tussen kunst en realiteit
tenietdoen; creativiteit zou alle mensen aan moeten spreken. Kunst was
gedemocratiseerd: het appreciëren van kunst, het aanschaffen van
kunst en zelfs het vervaardigen van kunst oefenden ineens grote
aantrekkingskracht uit op duizenden nieuwelingen. De ontwikkelingen binnen
het kunstleven in Leiden zijn illustratief. In 1961 kon in het lokale museum
nog ‘Negen tekenaars van Leiden’ met keurige
conventionele landschappen worden bezichtigd.48 Al snel zouden de Leidse
kunstenaars hun stijl veranderen. Als één man leken
zij op zoek te zijn naar nieuwe vormen van expressie.49 Twee
veelbelovende kunstenaars, Jan Maaskant en Kees Buurman, beiden opgegroeid
in een calvinistisch milieu waar weinig aandacht was voor kunst, namen
afstand van de figuratieve schilderkunst en drukten zich tegen 1967
uitsluitend uit in abstracte vormen. De beeldend kunstenaar Maaskant
streefde naar koele, geometrische rationaliteit en Buurman liet zich
inspireren door het Zen Boeddhisme.50 Leiden was geen bakermat van de
nieuwe avant-garde; volgens Buurman waren de kunstenaars in Leiden eerder
gedreven door de wens bij te blijven bij de ontwikkelingen die zich elders
voordeden.51
Nederlandse kunstenaars probeerden dus te wedijveren met de grote,
wereldwijde avant-garde-beweging, waarvoor de in nevelen gehulde
Nederlanders te lang blind waren gebleven. Het begin van de jaren zestig was
een renaissance voor de Nederlandse conservators en kunstenaars die werelden
hadden ontdekt buiten de smalle grenzen van hun eigen land en reikhalzend
uitkeken naar de nieuwste stijlen uit Amerika, Duitsland en Frankrijk.52
Door deze renaissance stimuleerden Nederlandse kunstenaars de sociale
waardering voor creativiteit en een kosmopolitische instelling. In een
maatschappij met vrije tijd en financiële zekerheid viel de
nadruk op het belang van creativiteit in goede aarde. Tegen het midden van
de jaren zestig maakten vooraanstaande politici zich sterk voor de
ontwikkeling van een ‘culturele democratie’, waarin
gewone mensen, vervreemd van zichzelf in een bureaucratische, moderne
wereld, vrij zouden zijn om zichzelf op creatieve wijze te uiten.53
Avant-garde-denkbeelden over kunst waren dus doorgedrongen tot in de
gematigde middenklasse. In hun ‘geweldige openheid’
voor nieuwe stijlen en in de nadruk die zij legden op creativiteit,
verschilden de Nederlandse kunstenaars en literaire elites met eens zozeer
van de onverstoorbare Nederlandse burgers als zij zelf soms veronderstelden.
Het ideaal van ‘openheid’ - en de schaamte over het
Nederlandse provincialisme - dat vanaf het einde van de jaren | | | |
vijftig zo sterk naar voren kwam in de retoriek - werd door hun
kosmopolitische houding weerspiegeld en versterkt. Ook in andere landen
namen mensen een meer kosmopolitische instelling aan, maar doordat de de
Nederlanders leden onder een ‘kleinburgerlijk’
verleden waren zij geneigd er veel meer nadruk op te leggen.
| |
Burgerlijke antiburgerlijkheid
Het wezen van de Nederlandse burgerlijkheid was legendarisch, of dat nu
terecht is of niet. Het is geen toeval dat De val van
Albert Camus zich afspeelt in mistig Amsterdam, waar de hoofdpersoon zijn
Parijse toehoorder berispt om zijn kijk op de Nederlanders:
‘U bent al net als alle anderen, u denkt, dat deze brave
lieden een volk vormen van staalmeesters en kooplieden, die een plaatsje in
het hiernamaals hopen te kopen voor hun duiten. Hun enige gevoel voor
poëzie uit zich misschien door een breedgerande hoed op de zetten
en een enkele anatomische les te volgen.’54
Camus' verwijzing naar de reputatie van kleinburgerlijkheid stond in de
naoorlogse periode niet op zichzelf.55 Het door Annie M.G. Schmidt
geschreven radioprogramma van de VARA De Familie Doorsnee
stond ook bol van soberheid en toewijding aan arbeid en gezin.56 En Bert
Haanstra slaagde er met zijn film Alleman (1963) in om het
burgerlijke ethos op welhaast komische wijze te verbeelden.57 De pietluttigheid
van het burgerlijke gedrag werd vooral belachelijk gemaakt door de
Nederlandse cabaretiers, die een ‘gouden eeuw’ genoten
in de jaren vijftig en zestig, ondanks (maar ook dank zij) hun bijtende spot
met de burgerlijke waarden en regels.58
Na 1960 verloor burgerlijkheid snel haar aantrekkingskracht voor de hoger
opgeleide Nederlanders, evenals dat ook elders gebeurde. In een tijd waarin
de internationale politiek en de religieuze oecumenische beweging steeds
meer aandacht trokken, waarin een ‘nieuwe moraal’
opkwam en er overvloed was voor de consument, verloren de traditionele
burgerlijke waarden hun invloed en raakten hun kwalen (wetticisme,
provincialisme en onverdraagzaamheid) verouderd en misplaatst. In plaats
daarvan moesten de Nederlanders ‘open’ zijn en uiting
geven aan een brede belangstelling. Vooraanstaande Nederlanders - van de
jurist I.A. Diepenhorst tot de journalist Henry Faas - bekritiseerden hun
medeburgers vanwege hun kleinburgerlijkheid.59 De hervormde theoloog
J.C. Hoekendijk berispte de kerk om haar burgerlijk imago in een
‘post-burgerlijke’ samenleving en haar verdediging van
een ‘preuts en onvrij’ ver- | | | | leden.60 Ook Boudewijn
de Groot, populair onder jongeren, en andere zangers spotten met de
burgerlijke, christelijke waarden:
‘vergeving en verdraagzaamheid
ja, die zijn goed voor liberalen
van die onchristelijke kwalen
is mijn familie gans bevrijd...’ 61
Tegen het midden van de jaren zestig was het onder de geletterde leden van de
Nederlandse middenklasse, van jong tot oud, een cliché geworden
om hun eigen burgerlijke gewoonten en gedachten te bekritiseren en zich
ervoor te verontschuldigen. Ze vertoonden vaak een sterke aandrang hun
huizen te ontdoen van de ‘spruitjeslucht’ die daar
eens had gehangen.
Precies deze ontwikkeling zou van levensbelang zijn voor het succes van de
tegencultuur in de jaren zestig. De bedaagde leden van de middenklasse waren
weliswaar niet ongevoelig voor de provocaties van de jonge kunstenaars en
schrijvers; de reacties op Zo is het en daaropvolgende
protestactiviteiten waren daarvan een genoegzaam bewijs. Maar ze reageerden
ook niet zo vijandig als het Nederlandse publiek geregeld reageerde op de
protesten van de opstandelingen. Ze werden eerder heen en weer geslingerd
tussen instemmen met en afkeuren van mensen als Lucebert en Wolkers. Maar
vooral viel hun terughoudendheid op in het doen van uitspraken die opgevat
zouden kunnen worden als kleinburgerlijk, hoe sterk dat ook tegen hun
intuïtie inging. B. Roest Crollius analyseerde deze trend
gemelijk in zijn negatieve boekbespreking van Ik Jan
Cremer.
‘Aan de Nederlandse preutsheid is door Cremers boek zulk
een oplawaai gegeven dat men op het ogenblik niet meer met goed fatsoen
tegen bepaalde van zijn uitdrukkingen kan protesteren. Men wordt dan
uitgemaakt voor (...) preuts, ouderwets, bekrompen, burgerlijk en
schijnheilig...’62
| |
Jeugd in opstand
De angst om voor burgerlijk te worden versleten ging geregeld samen met de
angst oud te worden gevonden. Ook in Nederland was het ideaal van ouderdom
en wijsheid vervangen door jeugdigheid en levenslust.63 De jeugdcultuur die na de oorlog in Nederland opkwam
verschilde niet veel van bewegingen elders in het Westen. Integendeel, de
jongeren in Nederland, die beschikten over meer inkomen en zelfstandigheid
dan ooit tevoren, werden in hoge mate beïnvloed door de
popcultuur die in Londen en New York werd bepaald. De imitatie kwam vooral
naar voren | | | | in rockmuziek en haar ‘romantische
code’ van rebellie,64
Miljoenen jonge Nederlanders luisterden naar de rockmuziekprogramma's van
piratenzenders op de Noordzee, die naar hun idee de programma's van de
verzuilde zenders overtroffen.65 Toen de
Beatles in 1964 Amsterdam bezochten was het enthousiasme van de Nederlandse
jeugd even groot als dat van de gillende fans in andere landen.66 Al
snel pikten de Nederlandse jongeren het informele jargon op van de
Anglo-Amerikaanse jeugdcultuur en gebruikten Engelse uitlatingen als
‘hey man’ en vertaalden andere, zoals ‘you
know’ (‘weet je wel’). Zelfs hun haar
lieten ze, evenals in Amerika, langer groeien.67 Vóór alles bevestigden ze
hun onafhankelijkheid door zich los te maken van de manier waarop hun ouders
hadden geleefd, of ze dit nu deden op artistiekerige wijze zoals werd
aangeraden door Twen en Taboe (onder
redactie van André van der Louw, die later een vooraanstaand
PvdA-politicus werd), of vanaf 1965 via Hitweek, een
muziekblad met een enorm lezerspubliek (op zijn toppunt driehonderdduizend
lezers) waarvan een groot deel buiten de stedelijke gebieden woonde. Het
tijdschrift poneerde in het eerste nummer boudweg dat de
‘eeuwenlang volgehouden onderschatting van de jeugd’
met de uitgave van dit blad tot ‘een absolute stop’
was gekomen.68 Ruud Jans, in het begin van de
jaren zestig een tiener in Arnhem, zei dat de belangrijkste drijfveer voor
de jeugdopstand niet de sociale bewogenheid was, maar het diepgewortelde
verlangen van: ‘weg met die ouwe lullen’.69
Maar deze jeugdrebellie vond plaats in een tijd dat volwassenen geregeld de
bekende wegen verlieten om zich aan te passen aan de jongeren. In heel het
Westen verleenden oudere generaties, op uitgesproken of onuitgesproken
wijze, steun aan de idealen van de opstandige jeugd. Uit Amerikaanse studies
over de jaren zestig is gebleken dat verschillen tussen de generaties eerder
een continuüm dan een radicale breuk vertoonden; de zienswijzen
van de kinderen verschilden meestal weinig van die van hun ouders.70 De jeugdrebellie in de middenklasse zou tijdens de
naoorlogse periode in feite geen kans gehad hebben om van de grond te komen
zonder de steun van sympathisanten in de middenklasse zelf.71 Misschien werd het generatieconflict zelfs
mogelijk gemaakt door de toenemende vrijheid die de jongeren van hun ouders
ontvingen, en het respect dat zij toonden voor de idealen van de jeugd.
Vooral onder de ‘nieuwe professionelen’ van na de
oorlog, de sociologen, psychologen, maatschappelijk werkers, jeugdwerkers en
docenten, was de sympathie voor de idealen van de jeugd groot, en hun nieuwe
sociaal-wetenschappelijke methoden stimuleerden dan ook het tot stand komen
van een niet-autoritaire ‘dialoog’ met de jeugd. Vele
geestelijken | | | | en politici vielen hen hierin bij. Ze beschouwden
deze jongeren als de ‘dragers van sociale vernieuwing’
en waren geneigd hun gedrag niet als afwijkend te bestempelen, maar het te
interpreteren als een indicatie van toekomstige ontwikkelingen.72 In Nederland
was de pedagoog Nicolaas Beets vanaf midden jaren vijftig tot eind jaren
zestig de meest vooraanstaande verkondiger van deze positieve
benadering.73 Al snel vond de notie van
gelijkheid tussen de generaties ingang bij veel ouders van verschillende
religieuze of ideologische overtuigingen. In 1960 mochten de kinderen van
achtendertig procent van alle Nederlandse ouders hen aanspreken met het
informele ‘jij’ en ‘jullie’, in
plaats van niet het meer formele ‘u’.74 Deze
ideeën werden niet alleen uitgedragen in seculiere kranten en
‘progressieve’ godsdienstige tijdschriften, zoals Dux (uitgegeven door de Katholieke Jeugdraad) en Wending75, maar ook door
de traditionelere ‘familiebladen’ zoals De Spiegel, die haar lezers vroeg of zij bereid waren zich
opofferingen te getroosten voor hun kinderen om hun wereld te leren
kennen.76 Gekoppeld aan het feit dat Nederlanders al eeuwenlang hun
kinderen op toeschietelijker wijze opvoedden dan ouders in buurlanden77, droeg deze ontwikkeling ertoe bij
dat Nederlandse autoriteiten en ouders eerder toegaven aan de eisen van de
naoorlogse generatie. Er is zelfs reden te geloven dat de generatiekloof in
Nederland kleiner was dan elders, deels vanwege de bereidheid van de oudere
generatie om aan de jongere generatie de ruimte te geven die zij verlangde,
deels, zoals hiervoor al is opgemerkt, vanwege het gebrek aan
‘zware’ onderwerpen die de kloof tussen generaties
zouden kunnen verbreden, zoals gebeurde met de Vietnamoorlog in de Verenigde
Staten en het Nazi-verleden in Duitsland.78
In het begin van de jaren zestig werd het
‘jeugdprobleem’ in Nederland niet als een groot
knelpunt beschouwd. In een welvaartsstaat met weinig criminaliteit en weinig
armoede beschouwden sociale wetenschappers het straatvandalisme van de jonge
rebellen als weinig meer dan een probleem van verveling; de jeugd had teveel
vrije tijd.79 Dit was de conclusie
van, onder anderen, de socioloog Wouter Buikhuisen die met zijn in 1965
verschijnende proefschrift blijvende roem zou oogsten. Buikhuisen verwees
naar enkele nozems als ‘provo's’ die hun lege uren
doorbrachten met het tarten van mensen door hun wetteloze
straatschenderij.80 Dit probleem kon worden opgelost door
overheidssubsidies te verstrekken ten bate van nieuwe mogelijkheden voor
ontspanning. De oude verzuilde jongerenorganisaties konden deze rol niet
langer vervullen; het was beter clubs op te zetten waarin jongeren zoveel
mogelijk vrijheid zouden kunnen ervaren. Hierdoor zou aan hen niet alleen
nieuwe creatieve uitlaat- | | | | kleppen worden geboden, maar zouden
ook conflicten tussen politie en nozems worden voorkomen. In 1965 schreef
Beets, geïnspireerd door zowel de schermutselingen tussen de
provo's en de politie als door de inzichten van Johan Huizinga over het
spel:
‘Jongeren zoeken speelruimte, vinden die veelal op
straat, improviseren spelen, zoeken spelpartners en dan vinden botsingen met
de politie plaats omdat er geen deugdelijke spelregels zijn, die het spel
“binnen de perken” kunnen houden. De grote opgave voor
de naaste toekomst schijnt te zijn: gemeenschappelijk te leren
kreatief te spelen [originele cursivering].’81
Het jeugdprobleem in Nederland kon blijkbaar worden opgelost door het vinden
van meer speelgelegenheid voor iedereen.82 Gezien vanuit 1995 met
zijn hardnekkige sociale crisis is dit een verbijsterende stelling. Deze
mening werd overigens niet gedeeld door veel Amsterdamse politieagenten en
een groot deel van de bevolking, die als reactie op de relschopperij eerder
geneigd waren tot het uitdelen van een pak slaag, dan tot het
creëren van speelmogelijkheden. Maar Beets' standpunten werden
overgenomen door veel professionelen en hebben de daarop volgende reacties
op de provo's - en de opkomst van Nederland als Nieuw Babylon -
beïnvloed. Citerend uit het bekende verhaal van de profeet
Daniël, waarin het ‘teken aan de wand’
verschijnt, suggereerde de gerespecteerde redacteur van Dux, H.J.H. Brentjens, in het begin van 1966 dat de komst van de homo ludens verwees naar het naderende einde van het oude,
decadente Babylon. Brentjens, een nuchter sociaal wetenschapper, onthield
zich van het uitspreken van een positief of negatief oordeel over de komst
van de ‘Nieuwe Babyloniërs’.83 Maar
evenals vele andere leden van de Nederlandse elites was hij ervan overtuigd
dat speeltijd voor de homo ludens een belangrijke zaak was
en dat de jeugd in haar eigen waarde gelaten moest worden.
| |
Amsterdam, de provo's en het klootjesvolk
Nederlands reputatie als een tegencultureel centrum is niet voor te stellen
zonder Amsterdam als vrijgevochten artistieke en culturele hoofdstad. Het
koninklijk paleis op de Dam stond leeg, een eerbetoon aan de republikeinse
en anti-autoritaire traditie van Amsterdam. Volgens burgemeester Gijsbert
van Hall in 1965 was Amsterdam altijd al een ‘lastige
stad’ geweest: opstanden maakten een belangrijk deel uit van haar
geschiedenis. De meest recente waren de door de communisten aangevoerde
rellen van 1934 en de staking van 1941, beide werden bloedig
onderdrukt.84
| | | | Meer dan enige andere stad in Nederland was Amsterdam
onkerkelijk en rood. De PvdA domineerde de gemeenteraad en de communisten
behielden een stevige positie; tijdens het midden van de jaren zestig kreeg
de CPN in enkele oude Amsterdamse buurten tot veertig procent van de
stemmen.85 De
politieke kleur van de stad werd versterkt door de Gemeentelijke
Universiteit van Amsterdam, die duizenden linkse studenten, voornamelijk
afkomstig uit Noord-Holland, tot zich trok.86
Amsterdam was daarnaast de culturele hoofdstad van Nederland en liep
‘op cultureel gebied ongeveer tien à vijftien jaar
voor op de rest van het land’.87 De stad
functioneerde als een beschutte haven voor de bohémiens die de
verveling van de provincie88 ontvluchtten en voor de
avontuurlijke jongeren die werden aangelokt door haar ‘magische
aantrekkingskracht’.89 Ze sloten
zich aan bij één van de vele verschillende
jeugdculturen, van de dijkers (die rondhingen op de
Nieuwendijk en de Haarlemmerdijk) tot de pleiners (die
zich ophielden rond het Leidse-plein).90 Veel pleiners zochten
contact met een kleine groep vrijdenkende geesten die een
‘beat’-cultuur in het leven had geroepen waarin onder
andere belangstelling bestond voor bewustzijnsverruiming en het
experimenteren met drugs.91 De
leidende figuur van deze groep was de hartstochtelijke dichter Vinkenoog.
Zijn contacten met de internationale kunstwereld brachten hem tot het
introduceren van de ‘happening’. Allan Kaprow,
kunstenaar in New York, was de geestelijke vader van de
‘happening’. Door de happening zouden museumbezoekers
betrokken worden bij spontane kunstuitingen.92
In december 1962 werd de eerste happening opgevoerd in Amsterdam; bij
‘Open het graf’ voorspelde Vinkenoog dat de
overwinning op het oude leven zou beginnen in ‘magisch centrum
Amsterdam’.93
De happening Nederlandse stijl bleek na deze opening zeer succesvol in het
proclameren van de komst van dit magisch centrum. De glazenwasser Robert
Jasper Grootveld (1932-) heeft aan dit succes het meeste bijgedragen. Als
kettingroker en marihuanagebruiker bekladde Grootveld reclames met de letter
‘K’ (voor ‘kanker’94)
en maakte de politie belachelijk met zijn ‘marihuette
spel’; in de overtuiging dat er marihuana in het spel was nam de
politie het onschuldige goedje in beslag dat Grootveld en zijn vrienden voor
het spel gebruikten. Als een groot impressario organiseerde Grootveld de
happenings om tegen de nicotineverslaving van de ‘misselijk
makende middenstand’ te protesteren en tegen zijn zelfgenoegzame
levensstijl. Nadat zijn ‘K-tempel’, een vervallen
pand, in 1964 afbrandde, verhuisde de ‘groot anti-rook
magiër’ zijn show naar het Spui, waar een beeldje
stond van ‘het Lieverdje’, geschonken door de Hunter
| | | | Cigaretten Compagnie in 1961. Daar, onder het symbool van
‘de verslaafde consument van morgen’, presenteerde
Grootveld elke zaterdagavond zijn magisch abracadabra voor een groeiend
publiek.95
In dit milieu zagen de provo's in mei 1965 het licht. De man die het meest
met de provo-beweging wordt geïdentificeerd, Roel van Duyn
(1943-), richtte de groep op door de naam ‘provo’ te
ontlenen aan Buikhuisen, voornamelijk uit afkeer van de apolitieke
inschatting door deze socioloog van het
‘jeugdprobleem’. De welopgevoede Van Duyn was een
overtuigd anarchist en pacifist die misnoegd was geraakt over de bezadigde
inefficiëntie van de traditionele protestgroeperingen.96 Hoewel gezegend met een goed gevoel voor
humor, maakten zijn padvinders-oprechtheid en serieusheid van hem een
onwaarschijnlijke leider van de vrolijkste rebellen in Nederland.97 Van Duyn was dan ook niet de enige leider van provo en zijn
principiële anarchisme werd niet door alle provo's gedeeld; de
meesten vonden hem te theoretisch.98 Er was geen samenhangend
provo-programma, waardoor provo nog onvoorspelbaarder werd en nog
succesvoller in het verkrijgen van publiciteit. Het merendeel van de
vijfentwintig tot dertig ‘kern’-provo's99 waren in politiek opzicht
‘links’ en bekritiseerden bij voorbeeld al vroeg de
Amerikaanse rol in de Vietnamoorlog. Provo's als Van Duyn en Luud
Schimmelpennink waren daarnaast toegewijde stedelijk hervormers die serieuze
pogingen deden Amsterdam leefbaarder te maken.100 De ‘witte plannen’
van provo, die werden onthuld in 1965 en 1966, waren deels een utopisch
ideaal, deels van een verbazingwekkende absurditeit, maar deels ook serieuze
hervormingspogingen. Het Witte Kippen Plan (‘kip’ was
jargon voor ‘politie’) stelde voor om alle
politieagenten om te scholen tot maatschappelijk werkers, die kippepoten en
anticonceptiemiddelen zouden uitdelen; het Witte Wijven Plan (van Irene van
de Weetering) bepleitte het oprichten van een kliniek voor meisjes en
vrouwen om hen te adviseren en te helpen in seksuele zaken.101 Schimmelpenninks Witte
Fietsen Plan, het beroemdste, opperde het invoeren van publieke fietsen in
het stadscentrum, zonder slot en zonder noodzaak een waarborgsom te betalen,
om daarmee de vervuilende auto's volledig te kunnen vervangen.102 Dit laatste plan, dat
nooit werd ingevoerd, bezorgde de provo's in de zomer van 1965 een gunstige
pers103 en maakte hen populair onder veel
vrijgevochten Amsterdammers. De provo's deden zelfs mee aan de
gemeenteraadsverkiezingen in juni 1966 en verzamelden dertienduizend stemmen
(2,5% van het totaal), genoeg voor één zetel in de
gemeenteraad.
Tegelijkertijd streefden veel provo's ernaar van Amsterdam een
‘ludiek centrum’104 van individuele
vrijheid te maken, daartoe geïnspireerd door | | | |
Vinkenoog, Grootveld en Constant, die geen van allen kern-provo's waren. De
optimistische visie van Constant op ‘New Babylon’ werd
uitgebreid besproken in één van de eerste nummers van
het Provo blad.105 Provo's
namen de happeningen bij Het Lieverdje in de zomer van
1965 van Grootveld over en trokken steeds grotere scharen jonge mensen aan.
Provo bleek vooral aantrekkelijk voor jongeren die de witgeklede provo's
niet als anarchisten of hervormers zagen, maar als kruisvaarders tegen de
verveling die van Amsterdam een ‘magisch centrum’ van
plezier en spel wilden maken. Sommige provo's startten zelfs een actiegroep
die zich richtte op het probleem van ‘verveling en
vrijetijdsbesteding’ onder de jongeren.106 Voor hen die vonden dat er te weinig ruimte
was voor ‘speelse manifestaties’ waren de provo's het
juiste pepmiddel.107
Als er al iets was wat de provo's verbond, was het hun verlangen het
‘klootjesvolk’ te provoceren. De term
‘klootjesvolk’ verwees oorspronkelijk naar de laagste
klasse, mensen die alleen geschikt waren om zichzelf voort te planten.108 Het ‘klootjesvolk’
vertegenwoordigde alles wat de provo's niet wilden zijn,
het was hebzuchtig, hardwerkend, onderdrukkend, saai, fantasieloos - en
gemakkelijk belachelijk te maken. Nederland was, zo vertelde Van Duyn het in
1966 aan Joseph Lelyveld van de New York Times,
‘zo gemakkelijk te provoceren, zo stompzinnig, zo ondergedompeld
in zijn ouderwetse tradities’.109 De provo's beledigden zowel het proletariaat
als de bourgeoisie door hen samen te brengen in
‘één, groot, grijs klootjesvolk van
verslaafde consumenten’, dat tegenover zich slechts een klein,
vrijheidslievend ‘provotariaat’ gesteld zag.110 Deze menigte was niet meer te redden:
‘Wij kunnen de massa niet overtuigen, we willen het
nauwelijks. Hoe iemand ook in die apathiese, afhankelijke, geestloze troep
kakkerlakken, torren en lieveheersbeestjes enig vertrouwen kan stellen is
onbegrijpelijk.’111
Het is dus enigszins paradoxaal dat de provo's de taak op zich namen om de
Nederlanders wakker te schudden uit hun slaap door middel van
provocatie.112 Zij kregen daarvoor de kans in juni
1965, toen het koninklijk huis de verloving van Beatrix met Claus von
Amsberg aankondigde. De provo's joelden ‘Claus 'raus!’
en ontpopten zich als fervente republikeinen die de onvrede met de keus van
Beatrix in brede kring deden groeien. Dit onbehagen werd voornamelijk
gevoeld in Amsterdam, de stad die tachtigduizend joden had verloren in de
Holocaust. De provo's deden al het mogelijke om de Oranjeliefde onder het
‘klootjesvolk’ te bekoelen, van het uitmaken van
koning Willem III (1849-1890) voor ‘vorstelijk zwijn’
tot het gooien van rookbommen tijdens de huwelijksceremonie | | | |
van Beatrix en Claus in Amsterdam op 10 maart 1966.113 Hoe opgelatener de Amsterdamse politie
zich voelde door het verstorende gedrag van de provo's, hoe meer gelegenheid
Van Duyn en zijn makkers kregen om de autoriteiten in een kwaad daglicht te
stellen door de aandacht te richten op de excessen van de politie.
Politieagenten bedienden zich soms van knuppels en sabels om in de zomer van
1965 de geweldloze (maar juridisch gezien illegale) menigte bij de
happenings rond Het Lieverdje uiteen te jagen.114 En bij de
huwelijksoptocht gebruikten zij in hun machteloze woede geweld tegen
onschuldige toeschouwers. Maar ook de openbare aanklagers in de stad
reageerden overspannen op de pseudo-plannen van de provo's om bommen te
maken, de nieuwe IJ-tunnel op te blazen en LSD te voeren aan
politiepaarden.115
Het eerste nummer van Provo werd in beslag genomen en Van
Duyn, Hans Tuynman en anderen zaten celstraffen uit in 1966 voor enkele
‘subversieve’ activiteiten.116 Dit alles droeg ertoe bij dat de
lokale autoriteiten zowel een belachelijke als een onderdrukkende indruk
maakten (zie hoofdstuk vijf).
De provo's waren dus bijzonder succesvol in het opbouwen van een slechte
reputatie. Om hun verstorende gedrag en hun gebrek aan respect voor
autoriteiten werden zij door het Nederlandse publiek algemeen verafschuwd en
veroordeeld.117 De meeste Nederlanders deelden hen
ergens in tussen totalitaire nihilisten en het schorem van de straat. Uit
een nationaal bevolkingsonderzoek aan het einde van 1966 bleek eenenzeventig
procent van de geïnterviewden de provo's te beschouwen als te lui
om te werken, achtenvijftig procent zag hen als
‘herrieschoppers’. Slechts vierenveertig procent,
meest jongeren, geloofde dat de provo's ‘nieuwe
ideeën’ hadden.118 De
reputatie van de provo's leed onder de algemeen aanvaarde notie dat zij niet
meer waren dan een kwaadaardig soort nozems.119 Veel mensen gebruikten de termen dan ook door elkaar. De Telegraaf luchtte geregeld vijandige gevoelens
tegenover de provo's en één van de columnisten,
Jacques Gans, noemde hen ‘een onwaardige
vlooienplaag’.120 De vooraanstaande psycholoog P.G. Kuiper was, schrijvend in
een politiekrant, terughoudender, maar zeker niet minder geringschattend; de
provo was een ‘mislukte’ en ‘labiele
volwassene’ die zich niet op goede wijze had ontwikkeld.121 Veel Nederlanders wilden een harder
politieoptreden tegen deze verwende ‘snotneuzen’.
Gezien deze reacties is het misschien niet moeilijk de provo's gelijk te
geven in hun inschatting van het ‘klootjesvolk’. Maar
het is eveneens voor te stellen dat het uitgedaagde
‘klootjesvolk’ reageerde zoals de meeste mensen zouden
reageren als ze wisten dat ze werden opgestookt: met woede, razernij en
onverdraagzaamheid. Het is daarom verbazingwek- | | | | kend, en
interessant, dat de provo's zoveel vrienden en sympathisanten vonden, onder
wie veel gezagdragers die hun best deden wereldburgers te zijn,
antiburgerlijk en open voor de verlangens van ‘de
jeugd’. ‘Geestelijken, gemeentefunctionarissen en
politici van allerlei richtingen kwamen om met de provo's te spreken en
gingen vaak als gedeeltelijke of zelfs hartstochtelijke sympathisanten weer
bij hen vandaan’, rapporteerde Aad Nuis in 1967.122 In 1966
schonken kerkelijke bladen en kranten in toenemende mate aandacht aan de
provo's die, als vertegenwoordigers van de jeugd, steeds positiever werden
benaderd.123 Zowel nationale als
Amsterdamse overheidsfunctionarissen verleenden steeds vaker subsidie aan
‘jeugdcentra’ die de jongeren de mogelijkheden voor
ontspanning moesten bieden die ze verlangden; aan de provo's werd zelfs
subsidie gegeven voor hun eigen club.124 Uiteraard waren maar weinig geestelijken, politici en
bestuurders bereid om de onwettige methoden van de provo's af te straffen.
Een aantal hoopte waarschijnlijk dat het welwillend schenken van aandacht
aan de provo's hen rustig zou houden. Maar, zoals Buikhuisen in 1966
opmerkte, veel mensen, vooral (maar niet exclusief) de linkse leiders, waren
geneigd de provo-methoden over het hoofd te zien vanwege
de provo-inhoud.125 Vooral het
verlangen van provo naar een ‘leefbaar’ Amsterdam had
grote aantrekkingskracht op veel welvarende mensen die net in aanraking
waren gekomen met kwesties rond de vervuiling en verstopping van de stad.
Weer anderen zagen de provo's als een frisse wind door het bedompte klimaat
in het gemeentehuis, of haalden hen binnen als politieke vernieuwers die de
Nederlandse democratie wilden verdiepen (zie hoofdstuk vijf). De
supermarktmagnaat Albert Heyn verklaarde zichzelf een provo nadat hij hoorde
van het Witte Fietsen Plan.126 Er wordt zelfs gezegd
dat koningin Juliana liet weten met veel provo-ideeën in te
stemmen.127
De reactie van het centrum-linkse kabinet-Cals (KVP-PvdA-ARP) is een goede
illustratie. Zo nodigde premier Jozef Cals (1965-66), als onderdeel van een
campagne voor het binnenhalen van jongere kiezers, de nieuwe afgevaardigde
van provo, Bernhard de Vries, uit voor een bezoek aan Den Haag.128 De
staatssecretaris voor Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM), Cees
Egas, prees provo zelfs voor zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de
menselijke geest. In 1966 schreef Egas, wiens sympathie voor provo veel
publiciteit kreeg:
‘De provo's protesteren tegen de ontmenselijking, zoals
de socialisten dat destijds deden. De jeugd provoceert een ontmenselijkte
wereld. Zij eist vermenselijking. Zij daagt christenen en socialisten uit
hun klootjesvolkmentaliteit af te schudden en in de geest van Teilhard de
Chardin, samen waarachtig mens te zijn.’129
| | | |
De troonrede van september 1966, geschreven vlak na de rellen in Amsterdam,
beloofde dat de regering in samenwerking met particuliere organisaties zou
zoeken naar:
‘...oplossingen, die recht doen wedervaren aan het
streven naar vernieuwing, dat zich zowel op geestelijk en sociaal als op
politiek gebied steeds sterker openbaart. Ook al uit de vernieuwingsdrang
zich niet zelden in felle kritiek op gevestigde meningen en instellingen, in
een democratische gemeenschap moet deze tot ernstige bezinning leiden. De
Regering zal daaraan naar vermogen medewerken... [mijn
cursivering].’130
De provo's waren succesvol vooral omdat zij het streven naar vrijheid
belichaamden. In een welvarende en vrije samenleving waar grenzen arbitrair
schenen, was leven meer dan werken en moraal meer dan wetten. De provo's
waren de hogepriesters van deze magische, grenzeloze onbevangenheid van de
jaren zestig. Tegen deze magische krachten waren antidota, zoals de
‘klootjesvolkmentaliteit’, niet bestand. De meeste
Nederlanders waren dan ook gretig te bewijzen dat zij ‘hun eigen
radicale, grillige geest hadden’.131
Op 15 mei 1967, na bijna twee jaar te hebben bestaan, gingen de Amsterdamse
provo's publiekelijk uit elkaar. Eén van de redenen was dat provo
geen drager van creatief protest meer kon zijn. Het was beteugeld en
slachtoffer geworden van de
‘assimilatiepolitiek’.132
De VVV had bezoekers zelfs de mogelijkheid geboden om, tegen betaling,
beledigend te worden toegeroepen door de ‘provo's’,
als onderdeel van hun Amsterdamse ervaring.133 De provo's werden met hetzelfde probleem
geconfronteerd als andere tegenculturele groeperingen: wanneer de
choquerende methoden eenmaal hun doeltreffendheid verliezen, blijven ze
achter met ideeën die meestal reeds ter tafel
zijn gekomen of zelfs al zijn geaccepteerd binnen de dominante cultuur.
| |
Tegencultuur in Amsterdam, 1967-1971
Het speelse anarchisme van de provo's was een voorafschaduwing van de
protesten die daarna in Amsterdam en eigenlijk in heel Nederland opkwamen.
Bij deelnemers aan het Amsterdamse gebeuren zoals Hans Plomp zijn het
ludiekere anarchisme en dada meer in het geheugen gegrift dan de
‘mystiek’ en de ‘linkse
ideologie’.134 Zelfs de protestbewegingen die
zich richtten op de politiek, kenmerkten zich door een ludieke aanpak.
Alleen de studentenbeweging van de Universiteit van Amsterdam, die na enige
tijd een voorbeeld had genomen aan Frankrijk en Duitsland | | | | en
steeds marxistischer werd, was een protestbeweging die zich onthield van
ludieke elementen (zie hoofdstuk vijf). Voor studentenleiders zoals Ton
Regtien waren mensen als Van Duyn slechts hinderpalen voor het
revolutionaire verzet tegen het systeem135 en diens capriolen leken
onbeduidend in het licht van de zware taak die voor hen lag. Een aantal
groeperingen die zich revolutionaire veranderingen ten doel hadden gesteld,
zoals de Amsterdamse kunstenaars en schrijvers, hanteerden ongebruikelijker
methoden. De niet-conventionele kunst van het midden van de jaren zestig
(b.v. Labyrint van de componist Peter Schat, waarmee hij
desoriëntatie teweeg wilde brengen) liepen vooruit op de keten
van protestacties in 1969. Een aantal kunstenaars, beïnvloed door
de ‘culturele revolutie’ (‘Parijs
'68’ was nog maar een jaar geleden), bezette musea door heel het
land. In deze reeks deed de bezetting in juni 1969 van de zaal van de
Nachtwacht in het Rijksmuseum het meeste stof opwaaien. De
kunstenaars, die nauwe banden onderhielden met de Communistische Partij,
eisten onder andere financiële zekerheid en meer zeggenschap in
museumexposities; op deze eisen werd door de autoriteiten verschillend
gereageerd.136 Ongecompliceerder
waren de theaterstudenten die rotte tomaten gooiden bij een voorstelling van
de Nederlandse Comedie in oktober, om daarmee te
protesteren tegen het standaardrepertoire dat zij op sociaal gebied
irrelevant vonden. Door deze ‘Actie Tomaat’ kwam het
experimentele theater in Amsterdam ineens veel meer in de belangstelling te
staan.137 In november 1969 verstoorden jonge componisten en hun
vrienden, geïnspireerd door een vergelijkbare actie die plaats
had gevonden in Tilburg, een voorstelling onder leiding van Bernard Haitink
van Quantz in het Concertgebouw door te gaan staan en met speeltjes te
klikken. Ook deze ‘Actie Notenkraker’ was opgezet om
een verandering in het repertoire en democratisering van het management van
het Concertgebouw te bewerkstelligen.138 In al deze gevallen werd de marxistische ideologie aangevuld
met ludieke elementen, die de tegenstanders tegelijkertijd woedend, verward
en onzeker maakten.
Het ludieke element bepaalde ook de toon van één van de
meest fascinerende bewegingen: Dolle Mina. Deze heterogene groepering werd
opgericht in januari 1970 en vernoemd naar de socialiste Wilhelmina Drucker
(1847-1925), die men spottend ‘Dolle Mina’ had
genoemd. Dolle Mina's konden in veel Nederlandse steden worden aangetroffen,
maar vooral in Amsterdam waren zij talrijk en trokken ze de aandacht van de
pers.139
De vrouwen die de kern vormden waren vooral afkomstig uit socialistische
studentenbewegingen, maar ook vele anderen werden aangetrokken door de
speelse wijze waarop de aandacht werd gericht op | | | | onderwerpen
die van belang waren voor vrouwen, waaronder legale abortus, gratis
kinderopvang en gelijk onderwijs voor meisjes.140 De meer theoretisch ingestelde
Dolle Mina's waren eerder socialisten dan feministen en hadden meer
problemen met klasseverschillen dan met het verschil in sekse. De eerste
twee jaar van haar bestaan namen veel mannen deel aan de organisatie,
waarvan een aantal posities innamen waarin zij verantwoordelijkheid droegen
voor besluitvorming. Op het Eerste Internationale Vrouwencongres in
Stockholm (1971) was Dolle Mina de enige organisatie die ook een man
afvaardigde.141 Pas later werden de Dolle Mina's feministischer.
Dolle Mina werd op slag beroemd toen zij begin jaren zeventig een serie
aandachttrekkende acties opzette, waaronder het uitrollen van een spandoek
om te protesteren tegen de slechts voor mannen toegankelijke opleiding
Nijenrode, het schrijven van de slogan ‘baas in eigen
buik’ op hun buik en het fluiten naar mannen. Om zoveel mogelijk
publiciteit te verkrijgen en de stereotypen over seksloze radicalen de grond
in te boren, kozen de Dolle Mina's voor hun aksies bewust
‘mooie en sexy’ vrouwen uit, die mannen lieten weten
dat zij hun handen thuis moesten houden.142 De publiciteitscampagne van Dolle Mina was een
groot succes wat betreft het vergroten van de naamsbekendheid. Maar wat de
inhoud aangaat, was van alle acties alleen de abortuscampagne invloedrijk,
en dat was te danken aan de brede publieke belangstelling voor dat onderwerp
in het begin van de jaren zeventig. Enkele critici, ook binnen Dolle Mina,
begonnen zich af te vragen of het juist de ludieke benadering was geweest
die het de mensen mogelijk had gemaakt hen niet zo serieus te nemen.143
Toch bleek het ludieke anarchisme veel politiek geïnteresseerden
aan te spreken in Amsterdam. Dit bleek eens te meer uit het succes van de
‘kabouters’, een voortbrengsel in 1969 van het
Amsterdamse raadslid Van Duyn. De kabouter was het symbool van een nieuwe
mensheid, die de natuur niet zou beheersen maar daarmee in harmonie zou
leven. Om dit te bereiken riepen Van Duyn en de kabouters in het begin van
de jaren zeventig de Oranje-Vrijstaat uit, een staat binnen de staat met
zijn eigen regeringsdepartementen.144 Hoewel
de kabouters in veel Nederlandse steden naar voren kwamen, hadden zij vooral
succes in Amsterdam, waar ze elf procent van de stemmen verkregen bij de
gemeenteraadsverkiezingen van juni 1970 en met vijf zetels de op drie na
grootste partij van de gemeenteraad werden. Hun roep om een leefbare stad -
minder auto's, meer groen en vooral voldoende huisvesting - maakte hen
alleen maar geliefder.145 Evenals de provo's
vermengden de kabouters serieuze voorstellen met provocerende en ludieke
acties, van het helpen van krakers om | | | | leegstaande huizen
binnen te dringen tot het roken van marihuana gedurende zittingen van de
gemeenteraad.146 Verdeeld door interne conflicten namen de kabouters in
aantal en invloed tegen 1971 snel af. Deze afname was echter gedeeltelijk
ook te verklaren door de overname van hun milieuvriendelijke boodschap door
de gevestigde politieke partijen.
‘Surprising Amsterdam’147 maakte vooral naam als
‘magisch centrum’ en trok zo vele duizenden jonge
mensen uit allerlei landen aan, waaronder de jonge Bill Clinton. De zomers
in Nederland aan het eind van de jaren zestig waren ongewoon warm en droog,
wat een bezoek aan de stad extra aantrekkelijk maakte. Hippies, vooral
afkomstig uit Amerika en West-Duitsland, stroomden toe.148
Een Nederlandse jeugdsocioloog noemde Amsterdam ‘het
internationale bedevaartcentrum van de magische jaren zestig’ en
voegde daaraan toe dat de stad Parijs, Londen en San Franscisco als
verzamelplaats voor jongeren grotendeels had vervangen.149 Phil Lewis' Amsterdam After Dark (1969) noemde de stad
‘wild, weird and way out’150, deels met het oog op de open prostitutie (sinds het
begin van de negentiende eeuw legaal in Nederland) en de opbloeiende
drugs-scene.151 In het begin van de jaren zeventig hield de
presentator van het VARA-radioprogramma
‘Beursberichten’, Koos Zwart, de luisteraars op de
hoogte van de lokale cannabisprijzen, een fenomeen dat veel aandacht van de
internationale pers ontving152 (voor
het Nederlandse drugsbeleid, zie hoofdstuk vijf). De experimentele
cafés in Amsterdam, waar geregeld drugs werden verkocht, en de
pas opgestarte ‘jeugdcentra’ bezaten een grote
aantrekkingskracht. In centra als Paradiso en Fantasio, die in het spoor van
provo waren opgezet, werd aan de bezoekers tegen betaling van een bescheiden
toegangsprijs de mogelijkheid tot onbeperkt genot geboden. Hier hadden
zestien- tot vijfentwintigjarigen toegang tot theater, muziekbands, films,
lichtshows, politieke forums en soortgelijke vormen van zintuiglijk vermaak.
Voorstanders van de tegencultuur deden met hun advies zich te amuseren in
deze ‘ontspanningscentra’ een beroep op de
hedonistische gevoelens van een voornamelijk mannelijk publiek:
‘...rook rustig je stickje. Af en toe danst er wel eens
een bloot, mooi beschilderd meisje, dat daar plezier in heeft. Misschien heb
je zelf meer pret in een discussie met Ton Regtien of Bram de
Swaan.’153
Uiteraard was de illegale verkoop van drugs formeel strafbaar in Paradiso en
Fantasio, maar gemeentelijke autoriteiten en managers waren bereid om hun
ogen te sluiten voor het gebruik van softdrugs in deze gelegenheden.
Beschouwd als noodzakelijke uitlaatkleppen ontvingen deze jeugdclubs van de
overheid royale subsidies. Dit was in overeenstemming | | | | met het
naoorlogse beleid om een breed scala van particuliere organisaties te
ondersteunen: de Amsterdamse jeugdcentra ontvingen veertig procent van hun
financiën van de stad Amsterdam en veertig procent van het
ministerie van CRM in Den Haag.154 Hoewel de meer behoudende
politici mopperden op het subsidiëren van onzedelijkheid, schenen
de centra een praktische oplossing te zijn voor nozems en provo's.155
Veel overheidsfunctionarissen maakten dan ook vol overgave reclame voor
Amsterdam als een internationaal toeristencentrum, hoewel dit hen wel voor
enige logistieke problemen stelde. De relletjes op de Dam zijn hiervan een
duidelijk voorbeeld. Tijdens de zomers aan het einde van de jaren zestig
bleek Amsterdam gebrek te hebben aan goedkoop onderdak voor de massa's
jongeren die de stad bezochten. Vanaf 1967 brachten vele jongeren hun
nachten door op de Dam, de locatie van het Nationaal Monument dat in 1955
werd ingewijd ter herdenking van de bezetting. Voor de autoriteiten was deze
spontane regeling niet een geheel bevredigende oplossing: zij veroorzaakte
verkeersopstoppingen, stoorde het bedrijfsleven rond de Dam en bedreigde de
hygiëne, daar de Damslapers geen plaats hadden om te douchen en
hun behoefte te doen. Door de urine en uitwerpselen op het Nationaal
Monument (nog afgezien van de grote hoeveelheid afval die op de Dam
achterbleef) laaide een discussie op over het al dan niet tolereren dat deze
plaats werd ontheiligd. Enkele orthodox-protestantse dorpen in het oosten
van het land luchtten officieel hun ongenoegen over de schendingen, maar ook
veel gemeentelijke autoriteiten voelden zich niet op hun gemak door de
‘banale’ behandeling van het monument.156
Toch schroomden zij op te treden: met het gebrek aan onderdak kon het
verwijderen van de Damslapers tot rellen leiden en dan zou het middel erger
zijn dan de kwaal. Bovendien was het monument, als symbool van vrijheid, zo
ontworpen dat het makkelijk toegankelijk was en maakten vooral de linkse
raadsleden bezwaar tegen restricties.157 Zelfs het
KVP-raadslid A.P.J. van Eyden, die overigens vóór het
doorvoeren van enige beperkingen was, drong aan op verdraagzaamheid, want
Amsterdam moest ‘een internationaal toeristencentrum’
blijven.158
Pogingen, later in 1969 ondernomen, om het monument te beschermen door er
bloembakken naast te zetten, hadden onvoldoende effect en in augustus 1970
besloot de gemeente schoorvoetend tot het uitvaardigen van een slaapverbod
op de Dam, waardoor ernstige onlusten uitbraken. In 1971 had de gemeente een
nieuwe plaats gevonden voor Damslapers: in het Vondelpark in Amsterdam
werden de kampeerders door de autoriteiten met rust gelaten159 en stond het de hippies vrij
hun love-ins te houden. Amsterdam bleef dus het gastvrije
‘internationale toe- | | | | ristencentrum’ waar
gemeentefunctionarissen naar streefden.
Eind jaren zestig genoot Amsterdam de reputatie één van
de belangrijkste centra van de seksuele revolutie in Europa te zijn. Volgens
een Nederlands deskundige waren de homoseksuele subcultuur en de
seksindustrie er ongeëvenaard.160 De afkeer van
homoseksualiteit was in Nederland (evenals elders op het continent) minder
groot dan in Engeland of Amerika, en sodomie tussen volwassenen werd niet
opgevat als een delict.161
Van het Reve, zelf homoseksueel, deed geen enkele moeite zijn seksuele
oriëntatie te verbergen en door hem werd homoseksualiteit midden
jaren zestig een onderwerp van publieke discussie.162 Zelfs veel kerkgangers begonnen in de loop van de jaren zestig
hun houding ten opzichte van homoseksualiteit te veranderen.163
Volgens Rob Tielman was verzuiling de sleutel tot homo-emancipatie164; zo werd de kans geboden een mini-zuil op te
bouwen. Aan homoseksuelen werd niet alleen subculturele autonomie gegund,
maar ook subsidies voor hun eigen instanties.165 Hoewel in 1969 de meeste confessionele en liberale politici
weigerden te voldoen aan de aanvraag van de grootste homoseksuele
organisatie, het Cultuur- en Ontspannings Centrum (COC), om een koninklijk
stempel van goedkeuring te ontvangen (wat was te wijten aan de reclame die
men maakte voor buitenechtelijke seks), werd het COC door hen over het
algemeen wel beschouwd als een vertegenwoordiger van de homoseksuele
zuil.166
In 1965 opperde De Telegraaf dat Amsterdam een
internationaal ‘Mekka’ was geworden voor
homoseksuelen; het COC was een gevestigde organisatie en homoseksuelen
hoefden niet te lijden onder discriminatie door de overheid.167 Tijdens de jaren zestig bloeiden de
homoseksuele subculturen in Nederland, en vooral in Amsterdam, op.168 Na 1968 werden
in veel steden clubs voor homoseksuele jongeren (onder de leeftijd van
eenentwintig jaar) opgezet en de grootste steden leverden zelf de
maatschappelijk werkers voor die clubs.169 In 1971 werd de wettelijke leeftijd voor het hebben van
homoseksueel contact verlaagd van eenentwintig tot zestien jaar. Ook
lesbiennes traden meer voor het voetlicht, aangemoedigd door een nieuw,
radicaal feminisme.170
Op hetzelfde moment werd Amsterdam en eigenlijk heel Nederland een centrum
voor een nieuw seksueel hedonisme onder heteroseksuelen. De krachtigste
voorstandster van deze nieuwe seksuele ethiek was de NVSH, de organisatie
die na de oorlog zoveel had gedaan om het gebruik van anticonceptiemiddelen
te stimuleren (zie hoofdstuk drie). Toen dat succesvol bleek afgesloten
stortte de NVSH zich op nieuwe projecten teneinde alle taboes op seksueel
gedrag te doorbreken.171 Al in 1966 bekri- | | | | tiseerde zij de restricties op pornografie en pleitte zij voor
een ‘laissez-faire’-beleid in navolging van
Scandinavië.172 De NVSH stimuleerde ook ‘seks
sjoos’173, waarvan de meeste voorstellingen vooral veel naakte mensen
vertoonden. Als actieve voorstanders van homoseksuele contacten en
partnerruil was zij ook bereid in 1969 de voordelen van pedofilie ter
discussie te stellen.174 Eén van haar leden,
de PvdA-senator Edward Brongersma, die zelf eenmaal werd veroordeeld voor
homoseksueel contact met een minderjarige, bepleitte de afschaffing van alle
leeftijdsbeperkingen op seksuele activiteiten. Hoewel het nooit zover kwam
stuitte zijn voorstel tijdens de jaren zeventig op opmerkelijk weinig
tegenstand.175
Tegen het eind van de jaren zestig waren de gevolgen van de seksuele
bevrijding door heel Amsterdam merkbaar. Hoewel de meeste seksfilms die in
het land werden vertoond afkomstig waren uit Scandinavië, werkten
Nederlandse filmmakers aan hun eigen versies, waarvan de Blue
Movie (1971) het meest in het oog sprong. Het eerste Europese
seksblad, Suck (1969-1974), kwam uit Amsterdam en andere
seksueel gekleurde tijdschriften, zoals Candy, gedijden
naarmate de rechtsvervolgingen voor pornografie aan het einde van de jaren
zestig afnamen (zie hoofdstuk vijf).176 Seksshops schoten overal in de stad - en in heel
Nederland - als paddestoelen uit de grond.177 Tegelijkertijd kwamen professionele
en amateuristische ‘seks sjoos’ tot bloei. Ruud
Kraamwinkels ‘Explosief Erotisch Panorama’ doorstond
bij voorbeeld het formele verbod door de burgemeester Ivo Samkalden en de
boete van vijftig gulden waartoe hij werd veroordeeld.178 ‘Erotische
panorama's’ werden zelfs vertoond door groeperingen zoals
Amsterdamse vrouwen- en gereformeerde studentenorganisaties en zij zouden
zich snel verspreiden naar andere delen van het land.179 Vanaf 1970 was de seksuele tegencultuur dus niet meer
beperkt tot de hoofdstad.
Dat Amsterdam een bron van zedeloosheid werd was te wijten aan vele factoren,
en niet in het minst aan de bereidheid van zowel lokale als nationale
politici om toe te staan wat slechts enkele jaren daarvoor volstrekt zou
zijn afgewezen. Mary Zeldenrust-Nordanus, tot 1969 de minzame
vertegenwoordigster van de NVSH, wees hierop toen zij overdacht wat de NVSH
had volbracht. Hoewel er nog veel onverdraagzaamheid heerste onder de
Nederlandse bevolking was ze tevreden over het werk dat aan de top was
verricht:
‘Tevreden? Ja, als ik denk aan de gesprekken met de
overheid en de subsidies. In de contacten die ik met de overheid heb gehad
en dat waren dan meestal staatssecretarissen en hogere ambtenaren, blijkt
die overheid toch vrijzinniger dan men denkt...’180
| | | |
Het is inderdaad moeilijk om tussen de gezagdragers binnen het Nederlandse
culturele landschap een welwillender persoon te vinden dan Marga
Klompé, minister van CRM tussen 1967 en 1971. Als toegewijd
rooms-katholiek had Klompé binnen de KVP al verschillende
posities bezet. Door velen binnen haar partij als progressief beschouwd - ze
had meegewerkt aan de totstandkoming van de algemene bijstandswet van 1965 -
deed het haar reputatie geen kwaad toen zij deelnam aan het tamelijk rechtse
kabinet-De Jong. Ze bleef, zelfs onder de kunstenaars die de zaal van de
Nachtwacht bezetten, bekend staan om haar bijna onbeperkte begrip. In 1969
liet zij duidelijk merken sympathiek te staan tegenover de protesten en zei
dat ze alleen gericht waren tegen een materialistische maatschappij, al
keurde ze de methoden die werden gebruikt soms af. Maar de
grootste schuld van de sociale spanningen lag volgens haar bij de
Nederlanders die zij niet erg tolerant en ‘een beetje
burgerlijk’ vond.181
Klompé was een bekwaam politicus en begreep dat politieke
flexibiliteit conflicten kon voorkomen en het spel ‘binnen de
grenzen’ houden. Zij leek een typisch beoefenaarster te zijn van
‘repressieve tolerantie’. Haar positieve houding
tegenover de cultuur-rebellen leek echter ook voort te komen uit overtuiging
- ‘ik ben ook veranderd’, bekende ze eind jaren
zestig.182
| |
Repressieve tolerantie?
Tegen het eind van de jaren zestig scheen de opstand van de homo
ludens getolereerd, geaccepteerd en zelfs nagevolgd te worden door
de dominante cultuur. De jonge komiek Wim de Bie, die voor Hitweek schreef
in 1968, merkte deze zelfde ontwikkeling met misnoegen op:
‘Overal ontstaat een schijnprogressiviteit en 'n fake
hipheid waarvan het tijd wordt dat we ze gaan wantrouwen als de pest. En
overal ontstaan de Fantasio's en de Paradiso's. Prachtig. Maar verandert er
veel? Nee, het langharig werkschuwe tuig is veilig opgeborgen in
jeugdhonken.’183
De Amsterdamse Dolle Mina's constateerden bij het te boek stellen van
één van hun ‘acties’:
‘Voor het eerst die dag veel vriendelijke
belangstelling. Ik ben het met jullie eens....Ja, die kreches moesten er
meer komen.....
Ze komen er mevrouw, als u mee wilt werken. De politie deed niets
anders dan glimlachen.
| | | |
De politie glimlachte, de burgemeester Samkalden glimlachte,
minister Klompé glimlachte, en ze lieten alles zoals het
was.’184
De autoriteiten hadden geleerd om te glimlachen en vonden zo het evenwicht
weer dat zij tijdelijk hadden verloren. Voor vele Nederlandse radicalen
scheen de ludieke aanpak geen toekomst meer te hebben. De
jaren zeventig werden dan ook geïnspireerd door de militanter
vormen van verzet van het einde van de jaren zestig en zouden getuigen van
grimmiger en intenser vormen van politiek protest.
Hoe meer de hoop op een radicale ‘culturele revolutie’
vervaagde, hoe meer de kritiek van de intellectueel Herbert Marcuse op de
‘repressieve tolerantie’ gerechtvaardigd scheen -
‘het systeem’ zou oppervlakkige veranderingen toestaan
om zodoende de oude machtsstructuren in stand te kunnen houden.185 Maar deze verklaring
gaat voorbij aan de culturele veranderingen die zonder twijfel plaatsvonden.
Bovendien beschouwt zij ten onrechte het besef van veel gezagdragers, dat ze
de veranderingen niet meer in de hand hadden, als onbelangrijk. Deze elites
hebben de veranderingen in de jaren zestig ervaren als een verlies van hun
eigen gezag en velen meenden dat hen geen andere keus was gelaten dan zich
aan te passen aan de idealen van de jeugd en het nieuwe cultuurpatroon. De
op leeftijd gekomen linkse historica Annie Romein-Verschoor schreef, hoewel
zij de rol van de jongeren in het beëindigen van de kleurloosheid
van de Koude Oorlog toejuichte, in 1971:
‘...de schuld van ouderen ligt mijn inziens meer in het
heden dan het verleden. In hun panische angst om voor oude trutten te worden
aangezien gaan al te veel autoriteiten van alle geledingen, tot aan de top
van CRM, zich haasten, om achter de opstandige jeugd te gaan staan of die zo
ver mogelijk tegemoet te komen.’186
Achtervolgd door twijfel en geconfronteerd met ongekende uitdagingen gaven
Nederlandse elites, gevormd door hun pluralistische traditie, vaak de
voorkeur aan veranderen boven bestrijden als zij oog in oog stonden met de
provo's en de NVSH. Dit konden ze met een goed geweten doen omdat ze zich
veel van hun zorgen eigen hadden gemaakt. Uiteraard was de jongere generatie
meer geneigd tot het hooghouden van
‘post-materiële’ waarden dan haar ouders,
die meer waren geïnteresseerd in sociaal-economische
zekerheid.187 In zekere zin was er dus wel een generatie- en cultuurconflict.
Maar artistieke vrijheid, openheid, tolerantie, economische zekerheid,
autonomie van de jeugd, vrije seksuele ethiek, individuele zelfontplooiing,
wantrouwen tegen externe regels en beperkingen, zorgen over de kwaliteit van
het leven - al deze punten die door de tegen- | | | | cultuur werden
benadrukt, waren variaties op waarden die al weerklank hadden gevonden
binnen de dominante cultuur. De veronderstelde bodemloze ideologische kloof
bleek, in elk geval in Nederland, vaak niet dieper dan een greppel. De
meeste verschillen tussen de middenklasse en de tegencultuur, tussen jong en
oud, waren geen verschillen in soort, maar in mate - hoe ver, hoe snel, hoe
diep, hoe breed. Men kan uiteraard betogen dat verschillen in mate alle
kwalitatieve verschillen bepalen, en vele jonge idealisten waren daar ook
van overtuigd. Maar een scherpe discontinuïteit kan in elk geval
geen verklaring vormen voor de opkomst van de tegencultuur, noch voor haar
succes, noch voor de acceptatie door en het opgaan in de dominante
cultuur.
|
1Geciteerd in Piet van den Ende,
‘Gerard Kornelis, zijn God en de ezel’, Het Parool, 18 oktober 1967 [Provo Archief, Doos 21].
2Statistieken verstrekt door de
onderzoekster Mirjam Prenger, interview, 12 oktober 1992. Van alle
televisietoestellen stond drieëntachtig procent ingeschakeld op
het programma. In die tijd was er slechts één
televisiestation, waarvan de uitzenduren ('s avonds) tussen de verschillende
verzuilde omroeporganisaties werden verdeeld. Voor de huishoudens die niet
dicht bij de Duitse of Belgische grens woonden, was Nederland 1 de enige
heldere optie. Nederland 2, het tweede televisiestation, kwam later in
1964.
3De
volledige tekst is geciteerd in J. van den Berg, Han Lammers en Harry
Mulisch, Pays Bah (Amsterdam: De Bezige Bij, 1964), 6;
8.
4Dit
was de mening van A.B. Roosjen, hoofd van de concurrerende, protestantse
NCRV, ‘Mr. Roosjen (Radio-Unie): Dit was
afschuwelijk’, Alkmaarse Courant, 6 januari
1964. Nog steeds zijn Nederlanders vrijer met vulgaire verwijzingen naar
lichaamsdelen en -produkten en onvrijer met profane uitlatingen dan
Amerikanen. De Bond tegen het Vloeken heeft nog veel leden
en voert een bekende postercampagne.
5William Z. Shetter, The
pillars of society (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1971),
15-27.
6‘Heel erg’, Gooi en Eemlander, 6 januari 1964.
7‘De
achterhoede’, Elseviers Weekblad, 11 januari
1964.
8‘Zondagsarbeid in Den Haag’, Nieuwe
Rotterdamsche Courant, 6 januari 1964.
9Geciteerd in H. Daudt, B.A. Sijes, Beeldreligie:
Een kritische beschouwing naar aanleiding van reacties op de derde
uitzending van Zo is het... (Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1966),
57.
10Tegen 1964 stonden de KVP en de ARP onder druk van hun coalitiepartners, de
VVD en de CHU, om commerciële belangen toe te laten in de
verzuilde omroeporganisaties. Dit conflict leidde begin 1965 tot de val van
het kabinet. In deze kwestie waren de PvdA en de VARA samen met de KVP en de
ARP tegen het commerciëler maken van de omroepen, misschien
één van de redenen voor de milde aanpak van
Bot.
11Na
1964 onderhielden de programmamakers van Zo is het een
vruchtbare, maar soms moeizame relatie met de VARA. De serie werd voortgezet
tot maart 1966, toen de programmamakers, die hun arsenaal aan creatieve
ideeën uitgeput zagen raken, de weigering van de VARA om een
parodie op burgemeester van Amsterdam, Van Hall, uit te zenden, aangrepen om
voor altijd van het scherm te verdwijnen. Zie hoofdstuk zes; en voor andere
capriolen van het programma, zie Rinus Ferdinandusse, Jan Blokker, Dimitri
Frenkel Frank, (samenst.), Zo is het toevallig ook nog's een
keer: Drie seizoenen ‘Zo is het...’ in teksten en
foto's (Amsterdam: Van Ditmar, Polak en Van Gennep, 1966).
12Brieven waarin dit extreme antisemitisme naar voren komt, kunnen worden
gevonden in zowel Pays Bah als in Beeldreligie.
13Het onderzoek naar populariteit ging
altijd voorbij aan de leden van het koninklijk huis.
14Geciteerd in Van den Berg, e.a., Pays Bah, 21.
Bouwman was overigens een niet-joodse katholiek.
15Daudt en Sijes constateerden dat ongeveer de helft van de 4.207
getekende brieven aan de VARA positief was, en dat de meeste positieve
brieven pas later binnenkwamen. Zie, Beeldreligie,
25.
16Uit een brief geciteerd in Beeldreligie, 61.
17B. Delfgaauw,
‘Nabeschouwing over de hoogleraren-verklaring’, De Tijd/Maasbode, 17 januari 1964.
18Harry Mulisch, ‘Uw gekwetstheid is te oud voor
ons’, in Pays Bah, 22. Een gedeelte hiervan was
reeds in de week na de uitzending van het programma gepubliceerd in Het Parool en het Algemeen
Handelsblad.
19‘Tegencultuur’ kan hier worden
opgevat als een beweging die bewust verwerpt wat haar aanhangers beschouwen
als de dominante waarden en normen die ‘van boven’
worden opgelegd. Volgelingen van een ‘tegencultuur’
proberen een coherent systeem van alternatieve gebruiken te
creëren, dat zo mogelijk onverenigbaar is met de dominante
cultuur waar het zich tegen verzet. In heel het Westen was de
‘tegencultuur’ verdeeld in een ‘politiek
links’ (bestaande uit communisten, pacifisten en andere utopische
linkse groeperingen, die de universiteit als middelpunt hadden) en een
‘cultureel links’ (die
‘alternatieve’ ervaringen boven politieke dogma's
stelden en waarvan de ‘hippies’ de bekendste
vertegenwoordigers waren).
20Voor een verdediging van
deze theorie van de ‘twee generaties’, zie Hans
Righart, ‘Op zoek naar het epicentrum van de jaren
zestig’, Amsterdams Sociologisch Tijdschrift,
20, 4 (april 1994), 3-22.
21Het zou interessant zijn om na te gaan in hoeverre Homo ludens (1938) van Johan Huizinga is voortgekomen uit een
speelse traditie binnen de Nederlandse samenleving.
22Het urgentste structurele probleem
waarmee de Nederlanders in de jaren zestig werden geconfronteerd was de
woningnood, die ondanks massale woningbouwprojecten nooit was verlicht.
Uiteindelijk leidde dit tot de kraakbeweging van de jaren zeventig.
23Duco van Weerlee, Wat
de provo's willen (Amsterdam: De Bezige Bij, 1966), 35.
24Over deze
kwestie discussieerden recentelijk één van de
programmamakers, Rinus Ferdinandusse (1931-), die zichzelf in 1964 zag als
‘jong’, en de socioloog Nico Wilterdink (1946-), die
Ferdinandusse beschouwde als ‘oud’. Zie James Kennedy
en Mirjam Prenger, ‘De jaren zestig in Nederland’, Historisch Nieuwsblad, 2 (1993), 28.
25In Opstand van de homo ludens (Bussum: Paul Brand, 1969) zijn
essays verzameld die Constant schreef tussen 1964 en 1967, waaronder zijn
befaamd geworden essay uit 1964 onder dezelfde titel.
26Zie het kunst- en literatuurblad Randstad,
11-12 (1966), een nummer geheel gewijd aan een overzicht van de
naoorlogse avant-garde kunst en de Franse invloed daarop.
27Edy de Wilde in Frank
Lubbers, ‘Een gesprek over de Nederlandse identiteit in de
kunst na 1945. Interview met Edy de Wilde’, in Geurt Imanse,
(red.), De Nederlandse identiteit in de kunst na 1945
(Amsterdam: Meulenhoff, 1984), 11. De Wilde was tussen 1963 en 1984
directeur van het Stedelijk Museum van Amsterdam.
28Critici uit de
jaren vijftig kraakten de nieuwe dichters met ‘Schon dada
gewesen’; Richter Roegholt, De geschiedenis van
de Bezige Bij, 1942-1972 (Amsterdam: De Bezige Bij, 1972), 187.
Volgens Ton Anbeek is het vellen van een oordeel over de originaliteit
van literaire bewegingen en ook van de Vijftigers
overigens een moeilijke opgave; zie Anbeek, Geschiedenis
van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985 (Amsterdam:
De Arbeiderspers, 1990), 261-264.
29Roegholt, De
geschiedenis van de Bezige Bij, 186-187.
30Aad Nuis, Twee schelven
hooi: Opmerkingen over poëzie en politiek
(Amsterdam: Meulenhoff, 1968), 123.
31Voor een indruk van
deze nieuwe poëzie, zie J. Bernlef, K. Schippers, (red.), Een cheque voor de tandarts (Amsterdam: Querido,
1967). De waardering voor pop-art en extreem realisme is in deze
verzameling duidelijk zichtbaar.
32De ‘Blaman-Hermans-Van het
Reve-lijn’ werd getrokken door de literair-criticus Anbeek,
Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 220.
Zie ook zijn Na de oorlog: De Nederlandse roman,
1945-1960 (Amsterdam: Synthese, 1986), en Ido Weijers, Terug naar het behouden huis (Amsterdam: SUA, 1991).
33De hoofdpersoon in één van Hermans
boeken had deze belediging uitgesproken, zodat Hermans kon ontkennen dat
hij het had gezegd.
34De titel verwijst naar een haarstijl.
35Geciteerd in Roegholt, De geschiedenis van de Bezige
Bij, 220.
36Roegholt, De geschiedenis van de Bezige
Bij, 218-219. I, Jan Cremer verscheen in 1966 in
Amerika, waar Jan Cremer toen woonde, maar daar bleek het een
flop.
37A.F. van Oudvorst,
‘Intellectuelen en de wereld na 1945’, Maatstaf, 8/9 (1989), 38. Van Oudvorst deelde Lucebert
en een aantal anderen ook in bij de politiek geëngageerden,
maar zij stonden tamelijk geïsoleerd en hun politieke invloed
was gering.
38Dit
populaire boek was gewijd aan de provo's en andere protestbewegingen in
Amsterdam. Het onbarmhartige politieoptreden in 1966 in Amsterdam gaf
intellectuelen korte tijd gelegenheid hun woede te delen (zie hoofdstuk
zes).
39Jan Bervoets, Hans Ramaer, ‘Portfolio/Van
kunstenaarsopstand tot engagement: Literatuur en politiek in de jaren
zestig’, Maatstaf, 8/9 (1989),
52-84.
40Nuis, Twee schelven hooi, 91.
41Geciteerd in Bernard en Hanneke van den Berg, Nederland in de jaren zestig: Fragmenten uit een
samenleving (Rijswijk: Elmar, 1987), 83. Zie ook Willem
Oltmans, ‘Jan Cremer en zijn nieuwe wereld’, Wereldkroniek, 30 oktober 1965 [Provo Archief, Doos
21].
42Willemijn Stokvis,
‘Inleiding - De omstreden hergeboorte van de moderne kunst in
Nederland: de jaren 1945-51’, in Stokvis, (red.), De doorbraak van de moderne kunst in Nederland
(Amsterdam: Meulenhoff/Landshoff, 1984), 34.
43COBRA, een
afkorting voor COpenhagen-BRussel-Amsterdam, was een kortdurende
avant-gardestroming (1948-1951) die vooral bestond uit Noordeuropese
kunstenaars en dichters. Haar beroemdste leden waren Karel Appel
(Nederland) en Äsger Jorn (Denemarken), ook Constant
Nieuwenhuys maakte er deel van uit.
44Dit was de mening van Doris
Wintgens, directeur van Museum De Lakenhal te Leiden in een interview,
24 september 1991. Vooral de Koninklijke Kunstacademie in Den Haag en de
Rijksacademie in Amsterdam waren conservatief; de Rietveldacademie in
Amsterdam was minder traditioneel.
45Richter Roegholt, Amsterdam in de 20e eeuw, vol. 2 (Utrecht/Antwerpen: Spectrum,
1979), 217.
46Interview met Ad Petersen, Amsterdam, 25 september 1991.
Petersen was assistent van Sandberg in het Stedelijk Museum.
47De
‘Nul Beweging’ streefde, evenals andere
anti-modernistische stromingen uit die tijd, naar het verwijderen van
alle afstand tussen de kunstenaar, het kunstwerk en de toeschouwer, door
het kunstwerk (zowel schilderijen als gedichten) volledig te ontdoen van
alle esthetische of symbolische ‘waarde’ - vandaar
de term ‘Nul’.
48Voor
voorbeelden van deze tentoonstelling en daaropvolgende kunstexposities
gedurende de jaren zestig, zie De jaren zestig, actie,
kunst en cultuur in Leiden (Leiden: Stedelijk Museum de
Lakenhal, 1990), een catalogus van een tentoonstelling gehouden van 23
december 1989 tot 25 maart 1990.
49Doris Wintgens in een interview, 24 september 1991. Rudi
Fuchs, toen kunsthistoricus, voerde de kunstenaars aan.
50Uit interviews
met Jan Maaskant, Elahuizen, 21 september 1991, en Kees Buurman, 1
oktober 1991. Zie ook ‘Kees Buurman, een
overzicht’, Librije hedendaagse kunst
Zwolle, 4, 8 (oktober 1985).
51Buurman, 1 oktober 1991.
52Voor een goed overzicht van de internationale invloed
op Nederlandse kunst en dichtkunst in de jaren zestig, zie Wim A.L.
Beeren, e.a., Actie, werkelijkheid en fictie in de kunst
van de jaren '60 in Nederland (Rotterdam/Den Haag: Museum
Boymans-Van Beuningen/Staatsuitgeverij, 1979).
53‘Cultuurpolitiek’, Hervormd Nederland, 1 oktober 1966.
54Albert Camus, ‘De val’, vertaling Anne
Maclaine-Pont (Amsterdam: De Bezige Bij, 1972), 15.
55Zie voor een
humoristisch voorbeeld J.J. Klant, Hollands Diep
(Amsterdam: De Bezige Bij, 1956).
56Annie M.G. Schmidt, De familie Doorsnee
(Amsterdam: De Arbeiderspers, 1954). Schmidt was een libertaire
socialiste, die af en toe een omstreden punt verwerkte in het verhaal -
zoals het optreden van een homoseksueel familielid.
57Wim Boswinkel, ‘“Sensations and
traditions”: A letter from Amsterdam’, Delta, 7, 1 (voorjaar 1964).
58Ernst van
Altena, (samenst.), Dat was uit het leven gegrepen...
(Amsterdam: Hema, 1989); Sieto Hoving, Tien jaar Tingel
Tangel (Baarn: Het Wereldvenster, 1967). Wim Kan, Wim Sonneveld
en Toon Hermans hadden de populairste one-man-shows, Lurelei en Tingel
Tangel waren de bekendste cabaretgezelschappen. Rinus Ferdinandusse,
één van de schrijvers van Zo is
het, brak met zijn komedie door in het Nederlandse cabaret.
59I.A.
Diepenhorst, ‘The fault of the Dutch: A poll’, Delta, 7, 4 (winter 1964-65), 9 (de bewering van
Diepenhorst werd gestaafd door de andere Nederlanders die in dit
onderzoek werden geïnterviewd); Henry C. Faas,
‘Denken we eigenlijk wel?’, in Han Lammers en J.
van den Bergh, (red.), Wat denken wij eigenlijk wel?
(Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1966), 49.
60J.C. Hoekendijk, De kerk binnenste
buiten (Amsterdam: Ten Have, 1964), 62-64; 175-176. Deze
kritiek op de burgerlijke kerk werd herhaald in W.H. van de Pol, Het einde van het conventionele christendom
(Roermond/Maaseik: J.J. Romen en Zonen, 1966), 342.
61B. de
Groot, L. Nijgh, ‘Elegie
prenatale’.
62B. Roest Crollius,
‘Het nieuwe boek’, volledig overgenomen op de
laatste pagina's van Ik Jan Cremer (Amsterdam: De
Bezige Bij, 1964), twaalfde druk. Het opnemen van deze negatieve
bespreking in het boek is zelf een indicatie van de provocerende en
niet-conventionele wijze waarop Ik Jan Cremer is
opgezet.
63Gerard C. Haas, Andere tijden, andere zeden:
Jeugdgedrag en jeugdcultuur na 1945 (Bilthoven: Ambo, 1971),
8-11.
64Voor een nadere
beschrijving van de ‘romantische code’, zie Henk
Kleijer, Ger Tillekens, ‘In het teken van de popmuziek: De
culturele betekenis van de popmuziek voor de jeugd in de jaren
zestig’, in Henk Kleijer, Frank van Vree, (red.), Tekens en teksten: Cultuur, communicatie en
maatschappelijke veranderingen vanaf de late middeleeuwen
(Amsterdam: Sociaal Wetenschappelijke Studies, 1992), 205-218.
65De Nederlandse
overheid stond lange tijd in dubio over de juiste aanpak van deze
zenders. In één geval spoorde zij een
piratenzender op en haalde die uit de lucht. Maar uiteindelijk besloten
ze, op karakteristieke wijze, de piratenzenders te legaliseren en hen
een plaats te geven in het verzuilde omroepbestel.
66Voor een algemene behandeling van dit onderwerp, zie Mel van
Elteren, Imagining America: Dutch youth and its sense of
place (Tilburg: Tilburg University Press, 1994); voor de
Amerikaanse rol in de popcultuur, zie van Elteren, ‘I'm free
and I do what I want’, in Ger Tillekens, (red.), Nuchterheid en nozerns: De opkomst van de jeugdcultuur in de jaren
vijftig (Muiderberg: Dick Coutinho, 1990), 165-185.
67Zo
werd in 1966 de ‘Stichting Pro-Lang Haar’
opgericht door de negentienjarige Peter Muller, om lang haar voor oudere
mensen aanvaardbaar te maken en de jongeren met lang haar te verdedigen
tegen kritiek.
68Twen/Taboe [herdruk]
(Amsterdam: Peter van der Velden, 1981); citaat van A.J. Heerma van
Voss, ‘De jeugdrevolutie is weggeëbd’,
Haagse Post, 6 september 1972. Hitweek richtte zich, in afwijking van andere muziekbladen,
voornamelijk op tieners. Zie ook S.J. IJbema, Provo,
Hitweek en de literatuur, niet-gepubliceerde doctoraalscriptie,
(z.p., 1980 [Provo Archief]).
69Jan Jansen van Galen en Bart Rijs, ‘Ouwe lullen
moeten weg’, Haagse Post, 15 juli 1989, 9.
Zie ook standpunten van de Moderne Jeugdraad, ‘Niet de jeugd,
de ouders moeten opgevoed’, NRC, 8 oktober
1966 [Provo Archief, Doos 19].
70Volgens David Steigerwald, The Sixties
and the end of modern America (New York: St. Martin's Press,
1995), 249.
71Ruud Abma in ‘Bij provo ging het niet om een
generatieconflict’, NRC, 8 juni 1991.
Abma's these is, evenals die van het Centre for Contemporary Cultural
Studies in Birmingham (GB), dat tegencultuur onder jongeren slechts kan
ontstaan wanneer er in de dominante cultuur sprake is van een crisis
(naar hun mening voortkomende uit de economie), een crisis waarin de
tegencultuur de conflicten die reeds aanwezig zijn versterkt. Zie Abma,
Jeugd en tegencultuur: Een theoretische verkenning
(Nijmegen: SUN, 1990).
72Jos van der Lans, De werkelijkheid buiten spel:
Over jeugdcultuur, provo en jongerenbeweging, proefschrift
(Nijmegen: Katholieke Universiteit, 1981), 30-31.
73Kees Bakker, ‘De dialoog:
de pedagogiek van het gesprek’, in Tillekens, Nuchterheid en nozems, 46-63.
74Geciteerd in Manuela de Bois-Reymond,
‘Huiselijkheid en onderhandeling’, in Tillekens,
Nuchterheid en nozems, 96.
75Piet de Rooy,
‘Vetkuifje waarheen? Jongeren in Nederland in de jaren
vijftig en zestig’, in H.W. von der Dunk, e.a., Wederopbouw, welvaart en onrust: Nederland in de jaren vijftig en
zestig (Houten: De Haan, 1986), 137-138.
76Adri de Waard, ‘Kinderen zijn
ons toevertrouwd’. De Spiegel, 13 oktober
1962.
77Eeuwenlang beschouwden buitenlandse waarnemers de
Nederlandse ouders als te toegeeflijk, zodat kinderen opgroeiden als
brutale kwajongens. Waardoor dit wordt veroorzaakt is onduidelijk, het
kan het gevolg zijn van het recht van de eerstgeborene op erfenis, een
praktijk die in delen van Nederland en Engeland voorkwam, maar niet in
het grootste deel van het continent. Toch kan dit slechts een
gedeeltelijke verklaring zijn.
78De
historicus Piet de Rooy, deskundige op het gebied van de naoorlogse
jeugdcultuur, heeft deze mogelijkheid naar voren gebracht. Volgens hem
was de boven/onder dertig-dichotomie, die sterk naar voren kwam in de
Verenigde Staten, in Nederland zwakker. Ik denk dat hij gelijk heeft,
maar dit is nog niet empirisch vastgesteld. De invloedrijke analyse van
Ronald Inglehart The silent revolution: Changing values and
political styles among western publics (Princeton: Princeton
University Press, 1977), suggereert dat de ideologische verschillen
tussen de generaties het grootst waren in landen die eens werden
beheerst door fascistische regimes en het minst in landen die aan de
bezetting waren ontsnapt, met landen zoals Nederland, die waren bezet,
ergens in het midden; zie pag. 34-38.
79Voor de nadruk die werd gelegd op het
probleem van de vrije tijd, zie Sjors Gerritsen en Ineke van der Zande,
‘Met beleid omgeven’, in Tillekens, Nuchterheid en nozems, 104-122.
80W. Buikhuisen, Achtergronden van nozemgedrag (Assen: Van Gorcum/Prakke en
Prakke, 1965).
81N. Beets, ‘Provocerend gedrag van
jongeren’, Dux, 33 (1966), 22.
82Zie ook
R.W. Jongman, ‘De ongrijpbare jeugd en het
paternalisme’, Nederlands Tijdschrift voor
Criminologie, 9 (1967), 76-82.
83H.J.H. Brentjens, ‘Het teken aan de
wand’, Dux, 33 (1966), 2-3.
84J.M. Fuchs, Amsterdam:
Een lastige stad (Baarn: De Boekerij, 1970), 7. De uitspraak
was eigenlijk afkomstig van Van Halls voorganger, Arnold d'Ailly. Een
verlaging van de werkloosheidsuitkeringen was de oorzaak van de opstand
in 1934, die zich ook voordeed in andere steden, zoals Rotterdam.
85Aad Nuis, Wat is er
gebeurd in Amsterdam? (Amsterdam: De Bezige Bij/J.M.
Meulenhoff, 1966), 6. Aan het einde van de jaren veertig kreeg de CPN
zelfs meer stemmen dan de PvdA en maar tegen de jaren zestig kon ze
rekenen op eenzesde van alle stemmen in heel Amsterdam.
86Geciteerd in Yvonne Bernard, ‘Van beeldvorming tot imaazje.:
Tien jaar Amsterdamse jeugdcultuur’, in Tillekens, Nuchterheid en nozems, 195.
87Volgens
Aad Nuis in een interview, 10 februari 1993.
88Helena van der Wal
(1919-1993), een uit Harlingen afkomstige schrijfster van kinderboeken,
beschouwde Amsterdam als een gastvrij toevluchtsoord voor mensen uit de
provincie. Ze was midden jaren zestig één van de
weinige oudere mensen die de provohappenings bijwoonde. Interview met
Van der Wal, Amsterdam, 27 maart 1993.
89Dit werd door
een jongere gezegd in ‘Jonge mensen over
Amsterdam’, Groene Amsterdammer, 25
december 1965. Deze uitgave van het linkse weekblad was gewijd aan
Amsterdam als ‘lastige stad’.
90De dijkers kunnen worden getypeerd als de jeugd van de
arbeidersklasse die luisterden naar rock 'n roll,
‘sjekkies’ draaiden en jeans droegen; de pleiners kwamen uit de middenklasse, waren jazz- en
poëzieliefhebbers en experimenteerden met marihuana. Deze nozems waren goed te vergelijken met jeugdgroeperingen
in andere Nederlandse (en Europese) steden, maar door hun bekende
botsingen met de politie vanaf het midden van de jaren vijftig werden ze
bij het Nederlandse publiek berucht. De Amsterdamse onderwereld was niet
erg vriendelijk voor de nozems, minstens eenmaal schakelden
onderwereldleiders misdadigers in om nozems in elkaar te slaan - terwijl
de politie toekeek.
91Louis van Gasteren, Allemaal rebellen: Amsterdam, 1955-1965, tekst van een
televisiedocumentaire in drie delen (Amsterdam: Tabula, 1984).
92Allan
Kaprow, ‘Happenings in New York’, in Randstad, 11-12 (1966), 25-260; Corien Snijders, De happening, niet gepubliceerd werkstuk (Delft:
Lerarenopleiding Zuid-West Nederland, 1983 [Provo Archief]), 15.
93Geciteerd in Richard
Kempton, The Provos: Amsterdam's anarchist revolt,
niet-gepubliceerd manuscript (z.p., z.j. [Provo Archief]), 1-11. De
‘Open het graf’-happening was een parodie op Mies
Bouwmans ‘Open het Dorp’; zij kon ook wedijveren
met Kaprows happening van 1962, ‘A service for the
dead’.
94Eigenlijk kreeg de ‘K’ een dubbele
betekenis; zij duidde ook ‘Klaas’ aan, een
personage die de ‘verslaafde consumenten’ van hun
verslavingen af zou helpen. Grootveld zou vaak smeken ‘Klaas,
kom’, niet wetend dat de grote kans voor de provo's al snel
zou komen in de persoon van Claus von Amsberg.
95Zie Roegholt, Amsterdam in
de 20e eeuw, vol. 2, 311-317; Dick P.J. van Reeu-wijk, Damsterdamse extremisten (Amsterdam: De Bezige Bij,
1965), 11-25. Igor Cornelissen, ‘We moeten eigenlijk terug
naar de crisis’, Vrij Nederland, 27 juni
1964; Hans Smits, ‘Hap, hap, happening’, Het Parool, PS, 14 augustus 1965 [Provo Archief, Doos
21].
96Voor de discussie tussen oude anarchisten en Van Duyn
en andere provo's, zie M. Ananar, e.a., ‘The times, they are
a'changin’, en Ger Harmsen, ‘Geestelijke en morele
armoede’, in Buiten de perken, 59 (31
december 1965), 26-34.
97Dit was de inschatting van Mulisch in Bericht aan de rattenkoning, (Amsterdam: De Bezige Bij, 1978),
70.
98‘Buitenlandse anarchisten, die de provo's bezochten, raakten
vaak de wanhoop nabij door hun gebrek aan theoretische belangstelling en
kennis’, schreef de Nederlandse anarchist Rudolf de Jong in
1972; zie De Jong, ‘Provos and kabouters’, in
David E. Apter en James Joll, Anarchism today (Garden
City: Anchor/Doubleday, 1972), 200.
99Aantal ingeschat door Lucas van der Land, ‘Provo
is as provo does: A general introduction’, Delta, 10, 3 (najaar 1967), 6.
100Voor
een tekening van de provo's als romantische ‘stedelijke
sociale beweging’, zie Virginie Mamadouh, De
stad in eigen hand: Provo's, kabouters en krakers als stedelijke
sociale beweging (Amsterdam: SUA, 1992). Dit is op dit moment
de meest recente en gezaghebbende studie van de Amsterdamse provo's,
kabouters en krakers.
101Slechts twee vrouwen, Irene van de Weetering en Koosje
Koster, welke laatste veel publiciteit trok doordat ze werd opgepakt en
ontkleed door de politie omdat ze krenten had uitgedeeld, kunnen tot de
kern van de provo's worden gerekend.
102‘The White Plans’, Delta, 10, 3 (herfst, 1967), 37-51.
103Uiteindelijk kreeg Schimmelpennink, het
brein achter de plannen, de gemeente zover dat ze in de jaren zeventig
het ‘witkar-plan’ invoerden, waarin goedkope,
publieke, electrische autootjes gebruikt konden worden tussen aangegeven
stations. Het was een paar jaar in werking toen het weer werd opgegeven.
Het openluchtmuseum Kröller-Möller in Gelderland
maakt op dit moment gebruik van publieke, witte fietsen binnen de
omheining van het museum.
104Bernhard de
Vries, ‘Provo van binnenuit’, in F.E. Frenkel,
(red.), Provo: Kanttekeningen bij een deelverschijnsel
(Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1966), 30.
105Provo, 4 (28 oktober 1965) [Provo Archief].
106‘Verveling en vrijetijdsbesteding: HP gesprek met de provo
actie-groep’, Haagse Post, 9 juli 1966
[Provo Archief, Doos 21]; de provo Hans Tuynman was hierin betrokken;
voor zijn standpunten zie Full-time provo (Amsterdam:
De Bezige Bij, 1966).
107Het citaat en het gevoelen zijn
afkomstig van de kunstenaar Herman Ysebaert, geïnterviewd in
de Zomerkrant van 1967, het orgaan van de Amsterdamse
Jeugdraad [Provo Archief].
108Het woord klootjesvolk was
verzonnen door Willem Kloos en was weer leven ingeblazen in het begin
van de jaren zestig door de jurist W.H. Nagel (pseudoniem J.B. Charles),
die de Nederlanders bekritiseerde om hun amnesie betreffende de Nazi's
en de Duitsers. Zie Mulisch, Bericht aan de
rattenkoning, 72 en voor een provocerend cartoon waarin een lid van
het klootjesvolk wordt gekarakteriseerd, zie Hitweek,
2, 33 (4 mei 1967).
109Geciteerd
in Joseph Lelyveld, ‘Dadaists in politics’, New York Times Magazine, 8 oktober 1966, 34 [Provo
Archief, Doos 16].
110Ananar, e.a., ‘The times they are
a'changin’, 31.
111Roeland H.G. van
Duyn, ‘Inleiding tot het provocerend denken’, Provo, 1 (12 juli 1965), 2 [Provo Archief].
112Van Weerlee, Wat de
provo's willen, 11.
113‘Een vorst herdacht’, Provo, 5
(18 december 1965), 16.
114‘Optochten’ vereisten de
toestemming van de burgemeester, iets waar de provo's verachtelijk hun
neus voor ophaalden (zie hoofdstuk zes).
115Roel van Duyn, Provo: De geschiedenis van de provotarische beweging
(Amsterdam: Meulenhoff, 1985), 31-35, 112, 177-178. Een groot deel van
dit boek is een bewerkte versie van het Provo-blad en
Van Duyns Het witte gevaar, geschreven in 1966.
116Van Duyn, Provo: De geschiedenis van de provotarische
beweging, 153-158.
117De jong, ‘Provos and
kabouters’, 204.
118Revu, december 1966 [Provo Archief, Doos 21], 23-28. De
precieze datum wordt niet aangegeven in het Archief-document.
119W.
Buikhuisen, ‘Provo en provo’ in Frenkel, Provo: Kanttekeningen bij een deelverschijnsel,
87-91.
120Uit het De Telegraaf-artikel in het Provo Archief, Doos 17. Op het
kranteknipsel was geen datum geschreven. De provo's zelf genoten
ervan.
121P.G. Kuiper, ‘Enkele aspecten van het
provocisme’ Algemeen Politieblad, 1966, 493
[Provo Archief, Doos 19].
122Aad Nuis, ‘Amsterdam provoked’, Delta, 10, 3 (herfst 1967), 24.
123‘Tussen provo's en
ouwetjes’, Algemeen Handelsblad, 8
september 1966; voor een voorbeeld van deze voorzichtige
‘solidariteit’, zie G. van Leeuwen, ‘De
opstand der jongeren’, Hervormd Amsterdam,
30 april 1966 [Provo Archief, Doos 32].
124De Princenhof
Conferentie(s) (1966-69), die werden georganiseerd door de Amsterdamse
gemeenteraad, zochten contact met jongerenbewegingen om wegen te vinden
hun lot en de algemene kwaliteit van het leven in de stad te verbeteren.
Schimmelpennink representeerde de provo's op de eerste bijeenkomst.
Volgens Mamadouh veranderde er door deze conferenties weinig op
beleidsterrein, maar waren ze wel van politieke betekenis: de
gemeenteraad wilde er zijn openheid voor de jeugd door benadrukken. Zie
Mamadouh, De stad in eigen hand, 86-88; en
‘Veel lof in Amsterdamse raad voor jeugnota’, Algemeen Handelsblad, 31 januari 1969 [Provo Archief,
Doos 19].
125Buikhuisen,
‘Provo en provo’, in Frenkel, Provo:
Kanttekeningen bij een deelverschijnsel, 87. Amsterdamse
communisten, die nog steeds onder invloed stonden van het
neo-Stalinisme, beschouwden de provo's met minachting.
126Marko Otten,
‘Provo en de zomer van 1965’, Vrij
Nederland, 3 augustus 1985, 14.
127William Hoffman, Queen
Juliana: The story of the richest woman in the world (New
York/Londen: Harcourt Brace Jovanovich, 1979), 193.
128De uitnodiging was uitgesteld voor de verkiezingen binnen
provo, maar de ontmoeting vond plaats de dag nadat De Vries was
verkozen. ‘Hij was aardiger dan ik dacht, maar we spraken een
verschillende taal’, zei De Vries over Cals
(‘Anarchism comes to Holland’, Life, 11 juli 1966, 76-77 [Provo Archief, Doos 32]).
129C. Egas, ‘Vragen rond de jeugd van 1966’, Socialisme en Democratie, 1966, 572. Voordat Egas tot
deze inschatting was gekomen had hij de provo's beschouwd als
‘nihilisten’.
130‘Troonrede’, 20 september 1966, Verslag van de Handelingen der Staten-Generaal. Zitting van 20
sept. 1966-21 feb. 1967 (Den Haag: Staatsuitgeverij, 1967),
2.
131‘De Nederlanders lijken bijna trots te zijn op provo - het
liet zien dat zij hun eigen radicale, grillige geest hadden’,
schreef Anthony Bailey in The light in Holland (New
York: Knopf, 1970), 235. Hoewel hij overdreef, heeft Bailey
waarschijnlijk gelijk; tegen 1970 keken veel Nederlanders met
genegenheid terug op de provo's.
132H.
van Galen Last, ‘De provo's van papa’, NRC, 26 november 1966 [Provo Archief, Doos 16].
133‘Meet the provos’, brochure (z.p., z.j. [Provo
Archief]).
134Peter Bruyn,
‘Magies centrum Amsterdam’, Rails, voorjaar 1994, 22.
135Voor een
kenmerkende discussie tussen het ‘culturele’ en
‘politieke’ links, zie de discussie (en
stellingname) in 1970 tussen Van Duyn en Regtien in Jac. Vromen,
‘Niet elkaar over de bol aaien’, De
Nieuwe Linie, 4 april 1970, herdrukt in De
zestiger en zeventiger jaren: Beweging en tegenbeweging
(Amersfoort: De Horstink, 1977), 43-46.
136E.M.B. Mok-Schermerhorn, Beeldende kunstenaars protesteren: De akties van de BBK in
1969 (Amsterdam: E. Boekmanstichting, 1973); Cor Blok,
‘Kunstenaars in actie tegen CRM’, Groene Amsterdammer, 14 juni 1969, 4.
137Zie Ingrid Deddes, Tomaatdocumentatie, een verslag van een actie 9 oktober 1969-28
februari 1970 (z.p.: Instituut voor theateronderzoek en Holland
Festival, 1979); Roegholt, Amsterdam in de 20e eeuw,
366-367.
138Jacqueline
Mineur, Actie Notenkraker: Componisten tegen het
Concertgebouworkest (Utrecht: Rijksuniversiteit Utrecht,
1989).
139Voor een analyse van Dolle Mina, vooral
gericht op 's-Hertogenbosch, zie Brigitte Buis, Dorien Greshof en
Nelleke de Jong, ‘Dolle Mina, 1970-1972’, in
Tjitske Akkerman en Siep Stuurman, (red.), De zondige
Riviera van het katholicisme: Een lokale studie over feminisme en
ontzuiling, 1950-1975 (Amsterdam: SUA, 1985), 150-187.
140Dolle Mina: Een rebelse meid is een parel in de
klassenstrijd (Amsterdam: SUA, 1970), 3-4; 29-35; Aukje
Holtrop, ‘Dames, wilt u hier uw spandoek neerzetten. Tien
jaar Dolle Mina’, Vrij Nederland
(bijvoegsel), 15 maart 1980, 3; 9.
141Anja Meulenbelt, Joyce Outshoorn
en Selma Leydesdorff, ‘Feminisme in Nederland,
1968-1975’, Te Elfder Ure, 27 (1975), 614.
De mannelijke afgevaardigde onsnapte ternauwernood aan uitzetting uit de
conferentie.
142Dolle Mina
Selma Leydesdorff geciteerd in Holtrop, ‘Dames wilt u hier uw
spandoeken neerzetten’ Vrij Nederland, 15
maart 1980, 5-6.
143Marlies Huskens en Peter Kooij, ‘Dolle
Mina en de revolutie’, Nijmeegs
Universiteitsblad, 20 maart 1970; Dolle Mina,
47-48. In november 1972 werd het maandblad Opzij
opgericht door onder andere Hedy d'Ancona van MVM; op de eerste pagina
noemde het zichzelf ‘radicaal-feministisch’ en
sprak het de overtuiging uit dat sekse de grootste scheiding tussen de
mensen teweegbracht. Hoewel het socialistische feminisme nog niet was
uitgestorven, was de komst van Opzij en van de
‘gespreksgroepen’ een teken van ommezwaai naar een
radicaal feminisme in Nederland.
144‘Proklamatie van de Oranjevrijstaat’, 5 februari
1970 in Roel van Duyn, Schuldbekentenis van een
ambassadeur (Amsterdam: Meulenhoff, 1970), 24-28; voor nadere
informatie, zie Roel van Duyn, De boodschap van een wijze
kabouter (Amsterdam: Kritiese Bibliotheek, 1969).
145Mammadouh, De
stad in eigen hand, 99-106.
146Slechts twee kabouters rookten
marihuana tijdens de zittingen, Van Duyn zelf gebruikte nooit drugs. De
twee werden vervolgd en veroordeeld tot de kleine geldboete van honderd
gulden per persoon; tegen die tijd waren de vervolgingen van gebruikers
(in tegenstelling tot veehandelaars) al minder geworden; Peter
Verstegen, ‘A is for action: A letter from
Amsterdam’, Delta, 14, 1 (voorjaar 1971),
119-120.
147Dit was
de titel van Arthur Frommers gids naar Amsterdam uit 1967, zie ook
‘Zomerdagen in “Surprising
Amsterdam”’, NRC, 26 augustus
1967 [Provo Archief, Doos 21].
148Nederland had zijn eigen hippies, van wie de beroemdste
waren Simon Post-huma en zijn vrouw Marijke Koger, die lokaal bekend
stond als ‘de hippest chick in town’. Beiden waren
in 1967 op het Hoepla programma van de VPRO te zien
geweest en Koger was beroemd geworden doordat ze al in januari 1965 haar
naakte, geverfde lichaam op een bekende
‘happening’ had tentoongesteld. Nederlandse
hippies stonden echter niet zo in de belangstelling, omdat eerst de
provo's en daarna de kabouters meer aandacht trokken van de pers.
149‘Amsterdam blijft magisch’, Het Parool, 16 mei 1969.
150Vertaling: ‘Wild, vreemd en té
gek’.
151Geciteerd in F.A. Stemvers, Meisjes van plezier: De geschiedenis van de prostitutie in
Nederland (Weesp: Fibula-Dishoeck, 1985), 148. Voor een verslag
van de ontwikkeling van de drugscultuur in Amsterdam, zie Louis van
Gasteren, Allemaal rebellen; zie I. Gadourek en J.L.
Jessen, ‘Proscription and acceptance of drugs-taking habits
in the Netherlands’, Mens en Maatschappij,
46 (1971), 376-410, en hoofdstuk vijf voor een uitgebreider behandeling
van dit onderwerp.
152Tom Roodvijn,
‘De eenzame weg van de Flower-power-gedachte’,
interview met Koos Zwart, NRC, 22 juni 1991; Van den
Berg, Nederland in de jaren zestig, 75.
153Jan Haasbroek,
‘Paradiso, Fantasio, Provadja?’ Groene Amsterdammer, 5 juli 1969, 3, 11. Voor meer informatie
over Regtien en De Swaan, zie hoofdstuk vijf.
154Haasbroek,
‘Paradiso’.
155Subsidies werden verleend aan een breed scala van
clubs, waaronder ‘the Hell's Angels’ van
Amsterdam; Maurice Punch, Fout is fout! Gesprekken met de
politie in de binnenstad van Amsterdam (Meppel: Boom, 1976),
63.
156Voor de discussie in 1969 over de Dam in de gemeenteraad,
zie Gemeenteblad Amsterdam, 1969, Afd. 1, II,
1491-1495; II, 1237, 1620, 1631; en IIA, 18. Zie ook, voor een
orthodox-protestantse reactie, ‘De Damslapers’,
Nederlands Dagblad, 26 augustus 1970, geciteerd in
Ada P. Bolhuis, Johan Knigge, Rein Tromp, Het nieuws
opnieuw bekeken (Groningen: De Vuurbaak, 1984), 139.
157Zie vooral J.
Steijger (PSP), Gemeenteblad Amsterdam, 1969, Afd. 2,
II, 1635-1639 en R.J. Walraven (CPN), 1645-1648.
158A.P.J. van Eyden, Gemeenteblad Amsterdam, 1969, Afd. 2, II, 1645.
159Roegholt, Amsterdam in de 20e eeuw,
357-359. Ook het Vondelpark leverde enige problemen op, maar de gemeente
besloot in 1972 het opnieuw open te stellen. Zie Ernest Zahn, Regenten, rebellen en reformatoren (Amsterdam:
Contact, 1991), 212; en ‘Vraag 389 van de heren Baruch,
Koningh en Verwoert in verband met de gebeurtenissen afgelopen zomer in
het Amsterdamse Vondelpark’, Tweede Kamer,
Zitting 1971-1972, Aanhangsel, 785.
160Bert
Hekma, ‘Kermis in Amsterdam of de cultuur van de seksuele
revolutie’, in Gert Hekma, e.a., Het verlies van
de onschuld (Amsterdam/Groningen: Amsterdams Sociologisch
Tijdschrift/Wolters Noordhof, 1990), 119.
161Volgens de wet was
homoseksuele omgang toegestaan vanaf eenentwintig jaar. De homocampagne
van de jaren zestig concentreerde zich daarom op het verlagen van de
leeftijd tot zestien jaar, wat wettelijk werd geregeld in 1971.
162Boswinkel, ‘Sensations and traditions’,
48-50.
163Rob A.P. Tielman, Homoseksualiteit in
Nederland: Studie van een emancipatiebeweging (Meppel: Boom,
1982), 144. In 1967 begonnen protestanten en katholieken in Den Haag een
‘adviesbureau’ om homoseksuelen te helpen in het
aanpakken van problemen in hun leven. Zie ‘Adviesbureau
homofielen’, Trouw, 16 september 1967,
geciteerd in CRM Documentatie 1967, 3, 338. Voor een
gereformeerde beoordeling van homoseksualiteit, zie S.J. Popma,
‘Over homofiele gerichtheid’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 42 (1972), 301-314.
164Tielman, Homoseksualiteit in
Nederland, 163.
165Enkele homoseksuelen gaven de voorkeur aan integratie boven een
subculturele identiteit. Dit werd een bron van discussie binnen de
homogemeenschap; zie ‘Nieuwe generatie homofielen wil
duidelijk integratie’, Het Parool, 13 juni
1969.
166NVSH, Seksinfo: Facetten van
de seksuele problematiek (Utrecht: Studium Generale Sex
'69/Rijksuniversiteit Utrecht, 1969), 7.13-7.18.
167‘Wordt hoofdstad het Mekka der
homofielen?’ De Telegraaf, 9 oktober 1965
[Provo Archief, Doos 15].
168Zelfs vandaag de dag hebben veel Nederlandse
homoseksuelen een voorkeur voor Amsterdam, waar een tolerante stemming
heerst en de homocultuur het meest is ontwikkeld.
169Christa van
Santen, ‘Over sociëteiten vaar minderjarige
homofielen’, Groene Amsterdammer, 14 juni
1969, 12.
170In 1972 verliet de lesbische
groepering ‘Paarse September’ het COC omdat dat
teveel gericht was op mannen. Zij beschouwde het lesbisch-zijn als een
politieke keus - bevrijding van onderdrukking kon alleen onder vrouwen
worden bewerkstelligd. Maar het duurde nog tot 1976 voor het radicale
feminisme van start ging met de verschijning van Anja Meulenbelts De schaamte voorbij, een persoonlijke geschiedenis die
culmineerde in de lesbische liefde. Het boek was heel populair onder
opgeleide vrouwen en bleek een bron van discussie.
171Voor een geschiedschrijving
van de NVSH, zie Gé Nabrink, Seksuele hervorming
in Nederland (Nijmegen: SUN, 1978).
172Annakarin Svedbergs Is pornografie schadelijk? dat in 1966 door de NVSH
werd uitgegeven, was nog te controversieel en regeringsfunctionarissen
klaagden de NVSH aan als gevolg van de publikatie; Wim Hazeu, Wat niet mocht (Amsterdam: De Harmonie, 1982), 35; 42;
47.
173Veel participanten in de
tegencultuur, van provo's tot studentenradicalen, maakten in de jaren
zestig gebruik van de fonetische spelling, waarschijnlijk een teken van
opstand en van ‘democratie’. Maar die sloeg, in
tegenstelling tot hun informele wijze van spreken, nooit echt aan.
Interview met taalkundige M. van der Toorn, Nijmegen, 9 november
1992.
174Verstegen, ‘A is
for action’, 121-122.
175E. Brongersma, Sex en
straf (Den Haag: NVSH, 1970), 86-100; interview met Brongersma,
Overveen, 30 maart 1993.
176Peter Muller
van Candy werd echter toch veroordeeld tot een boete
van tweeduizend gulden voor het in een aflevering als eerste prijs
uitloven van een vrouw, die naakt werd gepresenteerd;
‘Uitgever van sexblad “Candy” tot f
2000 boete veroordeeld’, Het Parool, 12
juni 1969.
177Voor een
documentaire over seksshops in Sluis, een klein stadje in
Zeeuws-Vlaanderen, zie ‘Sexwinkels in Sluis’, VARA
televisie, 24 december 1971.
178Samkalden vaardigde een verbod uit na een aanstootgevend
persbericht door de show; Hekma, ‘Kermis in
Amsterdam’, 110; zie ook ‘De meisjes van het
“Erotisch Panorama”’, Het
Parool, 12 april 1969.
179Hekma, ‘Kermis in Amsterdam’,
110-112.
180Mary Zeldenrust, Gesprekken met Mary
Zeldenrust (Weesp: De Haan, 1984), 99-101.
181Bibeb,
‘Minister Marga Klompé: “Ons volk is
een beetje een burgerlijk volk”’, Vrij Nederland, 20 september 1969, 5, 9.
182Zie het portret van minister
Klompé door het VPRO-chef Jan Kassies in Ineke Jungschleger
en Claar Bierlaagh, Marga Klompé: Een gedreven
politica haar tijd vooruit (Utrecht/Antwerpen: Veen, 1990),
184-186.
183Geciteerd in IJbema,
Provo, Hitweek en de literatuur, 65-66.
185Voor een articulatie van de wijze waarop elites open stonden
voor culturele veranderingen, die gepaard zouden moeten gaan met
veranderingen in kapitalistische produktiemiddelen, zie Ruud Abma,
‘Hegemonie en tegencultuur’, Te
Elfder Ure, 35 (1983), 717-729.
186Annie
Romein-Verschoor, Omzien in verwondering, vol. 2
(Amsterdam: De Arbeiderspers, 1971), 289.
187Het onderscheid tussen
‘materiële’ en
‘post-materiële’ waarden is gemaakt
door Ronald Inglehart, The silent revolution.
Nederland telde in het begin van de jaren zeventig volgens Inglehart het
hoogste aantal ‘post-materialisten’; zie 38,
104.
|
|