‘Wij moeten ons er wél van bewust zijn dat iedere samenlevingsvorm zijn eigen type van ambtenaren en zijn eigen technieken en middelen van machtsuitoefening meebrengt. De moderne democratische samenleving vraagt een ander type ambtenaren, een andere mentaliteit, een andere, meer genuanceerde en ingetogen vorm van optreden, inzonderheid met betrekking tot het gebruik van de fysieke machtsmiddelen, dan enige andere samenlevingsvorm uit het verleden.’
- Advies van J. van Braam, ‘Enschede’-Rapport(1967)1
Gijsbert van Hall, burgemeester van Amsterdam, stond op 19 maart 1966 oog in oog met de televisiecamera's. Als alles volgens plan was gegaan, zou het interview met Mies Bouwman in haar praatshow die avond een tamelijk eenvoudige opgave zijn geweest; in die tijd waren de vragen en antwoorden bij Mies-en-scène voorbereid. Ongelukkigerwijs was in Amsterdam net daarvoor opnieuw een rel uitgebroken, de tweede in twee weken. Op de tiende was het huwelijk van prinses Beatrix en Claus von Amsberg verstoord door rookbommen van provo en het willekeurige gebruik van geweld door de politie tegen omstanders. Op de namiddag van de negentiende waren er vervolgens onlusten uitgebroken rond een tentoonstelling van foto's van de excessen bij de politieoptredens. Zowel Bouwman als Van Hall wilden daarom graag van het script afwijken. Maar dat bleek voor Van Hall geen goede zet; later betreurde hij het dat hij die avond niet gewoon thuis was gebleven.2
Bouwman stelde, naar de nieuwe journalistieke norm, lastige vragen waarin haar afkeuring over de wijze waarop de Amsterdamse politie zich tijdens de laatste rellen had gedragen doorklonk. Van Hall (1904-1976), PvdA'er, patriciër en verzetsheld, gaf weinig bevredigende antwoorden.3 Hij wekte bij veel kijkers de indruk dat hij ten einde raad was toen hij zich, bijna in tranen, beklaagde over de recente gebeurtenissen:
‘...het is in de stad de laatste tijd, zoals U zegt, erg rumoerig geweest, om maar een woord te gebruiken: een hele, hele beroerde toestand (...) In onze stad, en dat is echt niet een verschijnsel in onze stad alléén, maar overal, is de jeugd, kan je zeg-
gen in opmars. Je merkt het, en daar moeten wij begrip voor hebben, en het is verschrikkelijk moeilijk om uit te vinden wat je daar aan doen moet. Het is in alle landen op de wereld, dan om déze reden, dan om dié reden, dat de jeugd vindt, dat ze moeten tonen dat ze er zijn. En om daar een oplossing voor te vinden, dat is iets wat de politie niet kan, wat ík niet kan, daar moeten een heleboel verstandige mensen over praten.’
Van Hall vreesde escalaties en vroeg zich af of het niet mogelijk zou zijn een afkoelingsperiode in te stellen om te voorkomen dat er doden zouden vallen.4
Van Halls afgang in Mies-en-scène was het begin van het einde van zijn politieke loopbaan. Al eerder door de provo's en hun medestanders ervan beschuldigd een onderdrukkende autocraat te zijn, leek Van Hall nu het ongelukkige slachtoffer van krachten die buiten zijn bereik lagen. De ernstige onlusten van juni 1966 in Amsterdam zouden de twijfels rond zijn bekwaamheid alleen maar versterken en midden 1967 werd hij door de regering in Den Haag gedwongen met pensioen te gaan. Tegen die tijd was Van Hall hét symbool geworden van het aarzelende en ondoelmatige gezag dat zijn legitimiteit snel aan het verliezen was.
In 1966 ging het Nederlandse burgerlijke gezag door een diepe crisis. ‘Het gezag-oude-stijl zakte als een pudding in elkaar’, zei de toenmalige burgemeester A. Kleijn van Meppel.5 De journalist Henk Hofland schreef dat Nederlandse gezagdragers in 1966 een groot deel van hun geloofwaardigheid en macht hadden verloren.6 Deze ‘regenten’, zoals de Nederlandse heersende klasse sinds de zeventiende eeuw werd genoemd, leken plotseling onbekwaam tot regeren. Hevig bekritiseerd om zijn ‘regentenmentaliteit’ werd het Nederlandse gezag vaak beschouwd als hopeloos ouderwets, zonder voeling met de ‘ontwikkelingen in de samenleving’. Maar binnen het tijdsbestek van een paar jaar was dit veranderd en had de ‘vooruitstrevendheid’ en tolerantie van Nederlandse gezagdragers internationale belangstelling gewekt. In de jaren zeventig maakten enkele waarnemers zich zelfs zorgen dat de regenten te tolerant waren geworden. Zo schreef de historicus Maarten C. Brands omstreeks 1980:
‘Er is een tekort aan politieke durf in deze vooruitstrevende, byzantijnse kringen, altijd bang om “regent” te worden genoemd of veroordeeld te worden vanwege autoritair gedrag.’7
Hoe kwam deze opmerkelijke verandering tot stand? Nederland had niets meegemaakt dat te vergelijken was met ‘Parijs '68’; er was nooit sprake van een op handen zijnde revolutie en in de jaren zestig kwam politiek
geweld, hoewel het vaker voorkwam dan in het verleden, veel minder sterk naar voren dan in Frankrijk (de politieke instabiliteit in mei 1968) of de Verenigde Staten (van de stedelijke onlusten waarin tientallen Amerikanen overleden tot de schietpartij op Kent State University). De protesten die na 1965 overal opkwamen, hebben onmiskenbaar gefunctioneerd als katalysator voor verandering. Maar het bestaan van de protestbewegingen, die tamelijk klein en zwak waren vergeleken met de actiegroepen uit de jaren zeventig, kunnen het grote succes waarmee hun acties werden bekroond niet volledig verklaren.
Deze protestbewegingen werden eigenlijk vooruitgeholpen door de veranderingen die plaatsvonden onder de regenten zelf. In de loop van de jaren zestig raakte een belangrijk deel van de Nederlanders in leidinggevende posities ontstemd over de inefficiënte en autoritaire wijze waarop bureaucraten functioneerden. In de eerste plaats speelden de democratische vernieuwers een grote rol in de veranderingen van de jaren zestig. Deze vernieuwers, die vaak te vinden waren onder intellectuelen en jongere ‘professionelen’, sympathiseerden met de protestbewegingen en probeerden geregeld tegemoet te komen aan de ‘redelijke’ wensen van de protestgroeperingen, door veranderingen aan te brengen in wetten en de uitvoering daarvan. Evenals de opstandige jongeren streefden zij naar verdere democratisering van de Nederlandse samenleving en waren daarom bereid wetten te versoepelen die vrijheden teveel inperkten; ze betwistten geregeld de status quo en bekritiseerden gezagdragers van het oude stempel. Zodoende ontstonden vaak conflicten onder gezagdragers over de wijze waarop gereageerd moest worden op de ondermijning van het gezag. Nederlandse protestbewegingen profiteerden dus niet alleen van het bestaan van deze democratische vernieuwers, maar ook van de verdeeldheid onder de Nederlandse autoriteiten.
Maar het was niet alleen daaraan te danken, dat aan de gezagshandhaving in Nederland in de loop van de jaren zestig minder strikt de hand werd gehouden. Ook gezagdragers die zich minder zorgen maakten om de democratie waren ervan overtuigd dat de status quo niet kon worden gehandhaafd en bepaalde vormen van vernieuwing noodzakelijk waren. Zo waren er politiefunctionarissen en topambtenaren die zich vooral richtten op bestuurlijke vernieuwing. Zij geloofden dat de bestaande overheidsinstanties en -praktijken ‘uit de tijd’ waren en niet in staat om adequaat te reageren op de spanningen van een moderne verzorgingsstaat. Voor hen waren centralisatie en standaardisering - niet democratisering - de sleutelwoorden voor een doelmatige overheid. Andere gezagdragers, vaak politici uit de grote partijen, waren bereid om, geconfronteerd met
een ‘crisis’, uit pragmatische overwegingen vérgaande concessies te doen opdat de orde gehandhaafd zou blijven. Voor hen was ‘bij-de-tijd-blijven’ het belangrijkste motief; zo probeerden ze conflicten en problemen, die hen anders in een uitzichtloze situatie zouden kunnen brengen, te vermijden. De antirevolutionaire politicus M. Beinema gaf in 1970 uitdrukking aan dit gevoel. Hoewel hij tegenstander was van onzedelijke films, achtte hij het toch beter de censuur te laten vervallen, omdat ‘handhaving van de huidige filmkeuring zou betekenen dat men een waterstroom van honderd meter breed zou willen tegenhouden met een dijk van veertig meter lengte’.8 Tact was voor deze pragmatische vernieuwers belangrijker dan onverschrokken heldomdom of hoogstaande principes, want aan de eisen van de werkelijkheid kon niet straffeloos worden voorbijgegaan.
Twee conventies binnen de Nederlandse politieke cultuur kunnen deze houding nader verklaren. Ten eerste hekelden de Nederlandse gezagdragers het gebruik van geweld en waren bereid tot het uiterste te gaan om dit te vermijden. Het Nederlandse politieke leven, vanouds gebaseerd op pluralisme en consensus, kon niet tegen te hoge spanning.9 In plaats van het gebruik van geweld, moest zo mogelijk een vergelijk worden getroffen (zie inleiding). Nederlandse autoriteiten lieten het dus niet zo snel tot een confrontatie komen als hun Amerikaanse, Franse en zelfs Duitse pendanten. In de Nederlandse samenleving, die minder democratisch was, konden desondanks grotere veranderingen optreden dan in de Amerikaanse omdat de gevolgen van een streng optreden - geweld en illegaliteit - er onaanvaardbaar waren. De tweede regel waar de gezagdragers zich aan hielden (en die afweek van de Amerikaanse) was dat de openbare orde niet werd bepaald door de letter van de wet, noch door de wil van de meerderheid, maar door behoedzame gezagsuitoefening; autoriteiten leerden mee te gaan met de ontwikkelingen. Nederland verschilde niet zozeer van andere landen in de soort aanvallen die het gezag kreeg te verduren, als wel in de wijze waarop Nederlandse gezagdragers met deze crises omgingen. In Nederland waren de tolerantie en flexibiliteit in het omgaan met recht en orde veel groter, niet in de eerste plaats door het optreden van krachtige actiegroepen of door de invloed van radicale democratische politici, maar voornamelijk door het gedrag van de regenten die op voorzichtige, gecentraliseerde en tamelijk paternalistische wijze opereerden. Deze gezagdragers bevonden zich ergens tussen het klassieke profiel van de Nederlandse Autoriteit die als arrogant en bijziend werd beschreven door Henk Hofland, en de prijzende beoordeling van Ernest Zahn die hen vérziende morele vooruitstrevendheid toeschreef.10 Eenmaal uit het evenwicht gebracht door de aanvallen op hun
gezag11, herstelden de Nederlandse regenten de orde door, om een uitspraak van de Amerikaanse senator Daniel P. Moynihan aan te halen, ‘defining deviancy down’.12 Zo combineerden ze een traditioneel, oligarchisch bestuur met de overtuiging dat koppig verzet tegen ‘sociale ontwikkelingen’ vergeefs zou zijn, en werd de Nederlandse samenleving één van de meest vrijgevochtene in de wereld.
Door de structuur en de tradities van de Nederlandse overheid bestond een zekere afstand tussen de bestuurders en de bestuurden. In Nederland werd het pluralisme vanouds aan de top gecontroleerd door gezagdragers die democratische en ideologische elementen al snel wantrouwden en regeerden in de naam van soberheid en orde.13 Teveel inspraak van burgers, die deze balans kon verstoren, was niet gewenst. De liberale jurist J.T. Buys gaf aan het einde van de vorige eeuw deze stellingname als volgt weer:
‘Een natuurlijk regt op mederegeren - hoeveel duizenden malen ook ingeroepen - staat er niet voor de burgers; hun natuurlijk regt kan geen ander zijn dan om goed geregeerd te worden.’14
Zahn verzacht dit door te benadrukken dat Nederlandse gezagdragers niet autoritair waren, zoals in Duitsland wel het geval was. Volgens hem waren de meeste Nederlandse burgers niet bang voor de politie en was het ‘agentje pesten’ een spelletje dat door veel Nederlandse kinderen werd gespeeld.15 Maar deze welwillende houding van de Nederlandse leiders betekende niet dat de burgers directe en doelmatige middelen had om toezicht te houden op het gezag dat over haar was gesteld, noch dat de autoriteiten traditioneel tolerant waren ten opzichte van burgerlijke opstanden - wat heel duidelijk zichtbaar werd in de bloedige onderdrukking van de arbeidersopstand in Amsterdam in 1934.
De wijze waarop een burgemeester rond de jaren zestig werd aangesteld is illustratief. In tegenstelling tot de Verenigde Staten, waar burgemeesters worden gekozen, werden (en worden) ze in Nederland benoemd door de Kroon (dat is, door het ministerie van Binnenlandse Zaken en de commissaris van de koningin van de betreffende provincie), gewoonlijk vanwege hun gebleken geschiktheid als overheidsfunctionaris. Het was niet vereist dat ze afkomstig waren uit de streek waar ze werden benoemd; dit werd zelfs als nadeel gezien voor een functie die werd verondersteld a-politiek te zijn. Vanaf het begin van de twintigste eeuw
werd het echter een gewoonte dat een burgemeester voortkwam uit een subculturele zuil of een politieke partij die in de gemeente sterk was vertegenwoordigd.16 Burgemeesters werden gezien als afgevaardigden van de regering en van de koningin17 en kregen als zodanig grote bevoegdheden in het handhaven van de openbare orde. Zo hadden ze gezag over de lokale politie. Aan alle openbare bijeenkomsten konden ze voorwaarden stellen of die in het geheel verbieden; alle bijeenkomsten in de open lucht waren afhankelijk van hun toestemming. Bioscopen waren sinds 1926 de enige uitzondering op dit burgemeesterlijk prerogatief, maar de burgemeesters konden zelfs het vertonen van een film verbieden wanneer zij die schadelijk achtten voor de openbare orde. Zo verbood die van Apeldoorn in 1955 de vertoning van de Amerikaanse film Rock Around the Clock en nog in 1964 sprak de burgemeester van Nijmegen zijn veto uit over Slagschip Potemkin.18 Het was niet mogelijk appèl aan te tekenen en bezwaren vanuit de gemeenteraad hadden geen wettelijke kracht. Toen bij voorbeeld in 1966 de op orde en fatsoen gestelde burgemeester van Heemstede, mr. A.G.A. ridder van Rappard, het cabaretgezelschap Tingel Tangel verhinderde op te treden, tenzij satirische teksten over het koninklijk huis achterwege zouden worden gelaten, protesteerde de gemeenteraad tevergeefs.19
Maar burgemeesters waren niet de enige overheidsfunctionarissen die de beschikking hadden over een groot arsenaal aan bevoegdheden. Ook ambtenaren hadden, buiten het blikveld van het parlement, veel handelingsvrijheid. Wetgevers lieten een groot deel van de beslissingen omtrent de implementatie van wetten aan hen over.20 Daarnaast werd aan officieren van justitie en rechters veel vrijheid gegeven om te beslissen of een zaak zou worden vervolgd, of een persoon zou worden bestraft en in hoeverre ad hoc niet-juridische alternatieven gevonden konden worden om recht te doen (onderdeel van het zogenaamde ‘opportuniteitsprincipe’ in de jurisprudentie). Soms gaven zij voorkeur aan het gedogen van illegale activiteiten als ze meenden dat de openbare orde er niet door zou worden bedreigd. Het Nederlandse rechtssysteem was, vergeleken met het Amerikaanse, eigenlijk tamelijk mild; gevangenisstraffen overschreden zelden de drie jaar21 (minimumstraffen waren verbijsterend laag; voor moord was het één dag voorwaardelijk, voor veel misdrijven een voorwaardelijke boete van vijftig cent22). De Nederlandse jurisprudentie werd na de oorlog sterk beïnvloed door de ‘Utrechtse School’, bestaande uit een aantal psychologen en juristen (voornamelijk christelijke humanisten), die het geloof deelden dat rechters, openbare aanklagers, maatschappelijk werkers en psychologen moeten samenwerken om de mensen te helpen die
rehabilitatie nodig hadden.23 Deze school was waarschijnlijk de hoogste uitdrukking van het verlichte paternalisme onder Nederlandse regenten.
De regenten waren, kortom, verlichte oligarchen, die binnenskamers opereerden zonder veel wettelijk of geïnstitutionaliseerd toezicht te hoeven duchten. De Nederlandse grondwet kende geen sterk ontwikkelde grondrechten; pas in 1983 werden als gevolg van de ‘rechten-revolutie’ een aantal grondrechten vastgelegd. Ook de Nederlandse pers belaagde de autoriteiten niet. Omdat de pers grotendeels was verzuild, waren zowel redacteuren als politici ervan overtuigd dat de media een dienende rol behoorden te vervullen om hun onderscheiden zuilen te steunen. Sensationele pers en roddelbladen kwamen niet veel voor en deze schrijfstijl werd sterk ontmoedigd en zelden beoefend; redacteuren beschouwden zelfbeheersing als één van de kenmerken van verantwoorde journalistiek.24 Rechters werden beschermd door wetten en regels op het publiceren van procesinformatie, beperkingen waaraan de pers zich vrijwillig had onderworpen. De toepassing van burgerrechten werd dus grotendeels bepaald door de discretie van ambtenaren, in tegenstelling tot de situatie in Amerika waar rechten scherp omlijnd zijn. Of de hand werd gehouden aan wetten hing af van de mening van de Nederlandse autoriteiten over de redelijkheid en noodzaak ervan voor het bewaren van de openbare orde. Van burgers werd verwacht dit beleid te eerbiedigen en zich ernaar te voegen.
Tegen de jaren zestig was het goedwillende paternalisme van de Nederlandse overheden niet langer een vanzelfsprekende zaak voor grote delen van de bevolking. Vooral na 1945 onderging Nederland, evenals veel andere landen, een aantal sociale en politieke veranderingen die het vertrouwen in alle vormen van gezag (zowel binnen overheid, familie als kerk) leken te ondermijnen. Na de naoorlogse opbouwperiode en met de afnemende dreiging van de Koude Oorlog nam de maatschappelijke consensus af en groeide het wantrouwen tegenover gezagdragers. Vanaf 1960 vermeerderde het aantal stakingen, die in de jaren vijftig slechts sporadisch voorkwamen, als gevolg van een toename van het aantal conflicten tussen werkgevers en werknemers over loonsverhogingen. Ook politieke protesten, zoals de botsing in 1963 tussen de Amsterdamse politie en demonstranten die wilden dat Portugal het lidmaatschap van de NAVO werd ontzegd, kwamen steeds vaker voor. Instellingen die eens grote zeggingskracht hadden in het leven van veel mensen, verloren invloed naarmate
de mobiliteit en onafhankelijkheid door urbanisatie en de welvaartsstaat toenam. Kinderen waren eerder zelfstandig en werden daartoe ook aangemoedigd door een nieuwe burgerlijke ethiek die door moderne, psychologische inzichten werd gevoed. Daarnaast gaven vrije tijd en verveling veel jongeren de kans het gezag te tarten. In de welvaartsstaat, met weinig meer tot haar beschikking dan bestuurlijk, ‘rationeel’ gezag, bleek steeds duidelijker het gebrek aan middelen die tot gehoorzaamheid konden inspireren. Vooral in Nederland speelde daarnaast de neergang van het kerkelijk gezag een belangrijke rol in het verdwijnen van het traditionele respect voor autoriteiten. Zelfs de bezettingstijd was van invloed geweest op deze ontwikkelingen, vooral voor hen die betrokken waren geweest bij illegale activiteiten tegen de Duitse bezetters. Voor velen, waarschijnlijk voornamelijk voor calvinisten, was ‘illegaliteit’ namelijk een traumatische, maar moreel noodzakelijke, stap geweest waarvan de gevolgen doorwerkten tot vér na de oorlog; sommige (niet alle) verzetsmensen kwamen nooit meer helemaal over hun argwaan jegens burgerlijk gezag heen.25 De generatie van na 1945 weerspiegelde dit scepticisme: leerde de oorlog haar niet dat bewust verzet tegen autoriteiten vaak gerechtvaardigd was?26 Hoewel het niet vaststaat in hoeverre deze generatie het vertrouwen in het gezag verloor door de oorlog, groeiden hierover wél twijfels onder de oudere generatie, die gevoelig bleek voor de door jongeren geuitte aantijgingen dat bezetting, collaboratie en Holocaust haar gezag hadden ondermijnd.
Tegen het midden van de jaren zestig namen traditionele opvattingen over het gezag dus snel in kracht af. Een opmerkelijk voorbeeld van deze verandering was het standpunt van prof. H.J. van Zuthem en een aantal (vooral jongere) ARP-leden. De Anti-Revolutionaire Partij was lange tijd de overtuiging toegedaan dat het gezag een goddelijke oorsprong had en keurde daarom revolutie af. Maar Van Zuthem kwam plotseling met een ander standpunt: ‘gezag’ was eigenlijk macht, verleend door de geregeerden, dientengevolge behoorden alle mensen zich te verzetten wanneer machtsuitoefening onrechtvaardig was.27 Een deel van de oude garde was fel gekant tegen de visie van de hoogleraar, maar de opkomst van Van Zuthem en andere ‘radicale’ antirevolutionairen geeft aan hoe diep het wantrouwen tegen het gezag was geworden. Als het gehoorzamen aan het gezag al in de ARP onder vuur werd genomen, kon niet worden verwacht dat in enige andere grote partij het gezag op een voetstuk bleef staan, en dat was ook niet het geval. Zowel politici als intellectuelen waren al tot de overtuiging gekomen dat ‘de tijden’ de oude vormen van gezag onhoudbaar hadden gemaakt. De socioloog J.M.M. de Valk zei in 1966
dat absoluut gezag ‘uit de tijd’ was, en dat het behoorde bij de sociale- en familieverhoudingen van het verleden.28 In het midden van de jaren zestig werd de uitdrukking ‘gezagscrisis’ zo vaak genoemd, dat het gerechtvaardigd is te veronderstellen dat veel Nederlanders deze ‘crisis’ beschouwden als een boven alle twijfel verheven kenmerk van die tijd.
Veel Nederlandse autoriteiten leken niet te weten hoe zij zich moesten aanpassen aan de nieuwe tijden, een indruk die werd versterkt door de berichtgeving in de media. Een deel van het probleem werd feitelijk veroorzaakt door de nieuwe televisiecultuur. De meeste Nederlandse politici waren niet verkozen vanwege hun aantrekkelijke uiterlijk of hun vermogen om indruk te maken voor een camera, waardoor velen op de televisie vrij kleurloos en saai overkwamen.29 In het midden van de jaren zestig werd geregeld de stelling geponeerd dat onhandige missers op de televisie van eens hogelijk gerespecteerde politici een oorzaak was van hun gezagsverlies - een stelling die er vervolgens aan bijdroeg dat hun gezag daadwerkelijk werd ondermijnd.30 Nog belangrijker was dat de Nederlandse media de politici, die zij tot dan toe zo beleefd hadden benaderd, kritisch onder de loep begonnen te nemen. De loyaliteit ten opzichte van de zuilen was afgenomen en professionalisering ging een steeds grotere rol spelen; journalisten probeerden te voldoen aan een nieuwe, harde norm. Nederlandse televisieverslaggevers namen bij voorbeeld de confronterende aanpak van de Britse televisie over.31 Doordat verslaggevers hun nieuwe onafhankelijkheid wilden bewijzen, veranderde de journalistieke stijl vrij plotseling van behoedzame dienstbaarheid tot onbeleefde directheid. Een deel van de verandering was te wijten aan het verschil tussen generaties; Jan Bank herinnert zich uit het midden van de jaren zestig de scherpe conflicten bij De Volkskrant tussen de oude garde en jongere journalisten (waartoe hij behoorde), vooral over thema's als de provo's en de visie op autoriteiten.32 Veel politici voelden zich in elk geval niet op hun gemak met de nieuwe wijze van journalistiek bedrijven en gaven Nederlanders daardoor de indruk dat zij de uitdagingen van een ‘moderne’ democratie niet aankonden.33
In dit milieu begon de pers berichten te publiceren waarin de eigenmachtigheid van de regenten naar voren kwam: studentenbladen die werden geconfisqueerd, burgemeesters die de vertoning van onschadelijke films verboden, harde politie-optredens tegen onschuldige burgers. In 1964 schreven een paar vooraanstaande Nederlanders, waaronder de journalist Hofland, een boek waarin de fouten en gewelddadigheden van de Amsterdamse politie onder toezicht van een onverschillige gemeentelijke overheid uit de doeken werden gedaan.34 De kranten publiceerden
verhalen over personen die werden berecht voor misdragingen die, volgens de nieuwste inzichten, niet voor vervolging in aanmerking kwamen, zoals Bram de Swaan (1965) en Gerard van het Reve (1966) wegens ‘smalende godslastering’.35 Zo raakten vele Nederlanders ervan overtuigd dat ‘de feodale geest van het GEZAG’ zoals Harry Mulisch het in 1966 verwoordde, nog steeds heerste in Nederland.36
Nergens scheen de ‘feodale geest’ in het midden van de jaren zestig duidelijker zichtbaar dan in Amsterdam. En nergens zou het GEZAG een dramatischer verandering ondergaan dan in de hoofdstad. Als gemeenschap waar vaak protesten werden gehoord was Amsterdam van oudsher een lastige stad om te besturen (zie hoofdstuk vier). In tegenstelling tot de meeste andere plaatsen in Nederland wantrouwden haar inwoners de politie. De situatie binnen het politiekorps wekte dan ook weinig vertrouwen. Het tekort op de gemeentelijke begroting van tachtig tot honderd miljoen gulden deed zich ook daar gevoelen; geschat werd dat er een tekort was van ongeveer vijfhonderd politieagenten.37 Pogingen om meer politie aan te trekken hadden weinig succes, de meeste agenten konden, vanwege de lage werkloosheid, kiezen voor een aanstelling in plaatsen die minder belastend waren dan Amsterdam. Bovendien waren de meeste politieagenten in de hoofdstad afkomstig uit de provincie, omdat maar weinig Amsterdammers bereid waren het korps te versterken. Een groot deel van de agenten hield er conservatieve politieke overtuigingen op na, in tegenstelling tot de inwoners van het linkse Amsterdam.38 Een aantal agenten was zelfs aangenomen tijdens de bezettingsjaren. Het resultaat was een politiemacht waarvan de no-nonsense-opvattingen over recht en orde botsten met de anarchistische en vrijheidslievende tradities van Amsterdam, een situatie die uitnodigde tot wederzijdse minachting en tegen het midden van de jaren zestig escaleerde in geweld.39
Daarnaast was het korps tamelijk slecht georganiseerd. Het bestuur was gedecentraliseerd, zodat de commissarissen van de tien politieafdelingen zelfstandig beslisten over de wijze waarop binnen hun jurisdictie recht werd gedaan. De stadomspannende samenwerking was weinig ontwikkeld; soms verjoeg de politie in het ene district bij voorbeeld lastige nozems naar het naastliggende district. Om het nog erger te maken was het vanwege structurele en personele tekortkomingen ook niet mogelijk om in tijden van crisis op een effectieve manier bevelen door te geven. In elke gemeente was de hoofdcommissaris van de politie formeel gezien
verantwoording schuldig aan zes verschillende hoger geplaatsten: de burgemeester, de minister van Binnenlandse Zaken, de minister van Justitie, de commissaris van de koningin, de procureur-generaal en de lokale officieren van justitie.40 Onderzoekers hadden deze onhanteerbare regeling al vaak bekritiseerd, maar dat had nog steeds niet geleid tot ingrijpende hervormingen.41 In Amsterdam werd dit nog verergerd door de slechte verhouding tussen de hoofdcommissaris H.D. van der Molen en burgemeester Van Hall, een situatie die beiden oplosten door zo min mogelijk met elkaar te communiceren.
Door al deze omstandigheden waren de Amsterdamse autoriteiten bijzonder slecht in staat de ondermijnende aanvallen op hun gezag in 1965 en 1966 af te slaan. In deze jaren ontstonden vier belangrijke conflictsituaties tussen burgers en autoriteiten. De bekendste bron van conflicten was uiteraard de provobeweging, die laat in de zomer van 1965 op zaterdagavonden happenings organiseerde op het Spui. Deze happenings vereisten toestemming van de burgemeester, een regel waaraan de anarchistische provo's voorbijgingen.42 Het werd aan de politie overgelaten of zij deze illegale happenings zou negeren (zoals werd gedaan in de dagen van Robert Jasper Grootveld), of - uit angst voor verstoring van de openbare orde - de ‘nozems’ rond de happenings uiteen zou jagen. In haar onzekerheid probeerde ze allebei.43 Ongelukkig voor de politie hing de populariteit van de happenings al snel bijna geheel af van haar aanwezigheid; mensen verschenen alleen wanneer een botsing tussen de politie en provo op handen leek te zijn.44 Het publiek werd in die verwachting niet altijd teleurgesteld. In een aantal gevallen begaf de politie zich tussen de menigte in een poging deze te verspreiden en deelde zij klappen uit.45 De botsingen kregen veel aandacht in de pers en gaven zo de indruk dat Amsterdam op het randje stond van de anarchie.
Ten tweede werd de Amsterdamse politie betrokken in een conflict waar ze zelf niet geheel de oorzaak van was. In juni 1965 kondigde het koninklijk huis de verloving aan van kroonprinses Beatrix met Claus von Amsberg. Dat Claus in dienst was geweest bij de Wehrmacht wekte veel weerstand onder de Nederlandse bevolking (zie hoofdstukken twee en vier). Veel vooraanstaande Amsterdammers weigerden de huwelijksceremonie bij te wonen. De partnerkeuze van Beatrix kwam de republikeinen (sterk vertegenwoordigd in de PSP) ten goede en bood de provo's gelegenheid in opstand te komen (zie hoofdstuk vier). Om nog steeds onduidelijke redenen besloot het kabinet-Cals het huwelijk in Amsterdam te laten voltrekken, ondanks de ernstige bedenkingen van Van Hall en vele politici.46 Dit stelde de politie in Amsterdam voor de nieuwe taak
het anti-Claus protest in goede banen te leiden en de veiligheid bij het koninklijk huwelijk te garanderen, verantwoordelijkheden die ze op zich nam met een opmerkelijk gebrek aan zelfvertrouwen. In juli 1965 weerhield zij met geweld vreedzame demonstranten van het leggen van bloemen bij het Nationaal Monument uit protest tegen het voorgenomen huwelijk.47 De weken voorafgaand aan de grote dag waren zenuwslopend voor de politie omdat provo allerlei plannen maakte om het huwelijk te verstoren. Op 10 maart 1966, de dag van de huwelijkvoltrekking, reageerde de politie dan ook gewelddadig toen de provo's er in slaagden rookbommen te gooien en honderden joelden: ‘Lang leve de republiek!’ (voor het roepen van deze slogan werden enkele demonstranten beboet48). Het grootste deel van de Nederlandse pers weigerde, uit eerbied voor het koninklijk huis, veel aandacht te schenken aan de incidenten en de nationale overheid zuiverde de politie van alle verdenking van het gebruik van buitensporig geweld. Maar dit bevestigde voor vele Nederlanders slechts de mening dat alle vormen van gezag vijandig stonden tegenover legitieme protestbewegingen.
Ten derde wekte het Amsterdamse gezag verontwaardiging door de wijze waarop zij vreedzame demonstranten in de eerste helft van 1966 behandelde. Op 19 maart, negen dagen na het huwelijk, begon de politie, zonder duidelijk aanwijsbare reden, in te slaan op de mensen die stonden te wachten om een fototentoonstelling te bekijken met opnamen van de excessen die door de politie waren begaan. Dit werd aanleiding tot een mini-rel, die ernstig genoeg was om Van Hall die avond bij Mies-en-scène van zijn stuk te brengen. In april kreeg de politie opnieuw een negatieve pers toen drie politiemannen provo Koosje Koster ontkleedden, nadat zij was gearresteerd omdat ze naar de mening van de politie de rust had verstoord toen zij krenten uitdeelde onder het publiek.49 Enige journalisten bekritiseerden de tamelijk zware straffen (tot drie maanden gevangenisstraf) die werden uitgedeeld aan provo's voor in wezen politieke activiteiten. Ook de vreedzame anti-Vietnam-demonstraties, die net van start waren gegaan, leverden de politie veel problemen op. Deze nieuwe demonstranten, hoewel nog beperkt in aantal, stelden de gezagdragers in Amsterdam (en elders) voor ongekende uitdagingen. Geregeld gingen ze voorbij aan de eis om toestemming te vragen voor hun demonstraties.50 Vooral de sit-in-demonstraties bleken voor de politie grote problemen op te leveren: geweld zou zich tegen haar keren en grootschalige arrestaties zouden moeilijk in de hand te houden zijn. Zo stond de politie hulpeloos toe te kijken hoe demonstranten stenen gooiden naar de ramen van het Amerikaanse consulaat.51 De situatie werd nog ingewikkelder gemaakt
door artikel 117 van het Wetboek van Strafrecht, dat het beledigen van ‘een bevriend staatshoofd’ strafbaar stelde; op een overtreding stond tot vier jaar gevangenisstraf.52 Toen demonstranten joelden ‘Johnson moordenaar!’, werd een aantal opgepakt wegens het beledigen van de Amerikaanse president, met enkele honderden guldens beboet en in een enkel geval zelfs voor enige dagen achter de tralies gezet.53 Door dit beleid werd slechts olie op het vuur gegooid en enkele demonstranten begonnen de politie luidkeels te veroordelen als ‘SS-ers’ en ‘fascisten’.54
Tot slot waren de rellen van 13 en 14 juni 1966 de ernstigste. Bouwvakkers, onder wie veel CPN-leden, waren boos toen ze op de avond van de dertiende juni vernamen dat hun vakantiegeld onderworpen werd aan een vermindering van twee procent administratiekosten.55 Terwijl zij met elkaar overlegden over vormen van collectieve actie, verscheen een politiepatrouille, waardoor een spontane rel uitbrak. De metselaar Jan Weggelaar overleed aan een hartaanval gedurende de eerste minuten van de botsing, zodat de bouwvakkers de politie beschuldigden van geweld. De Telegraaf, befaamd om zijn felle anticommunisme, was de eerste die het rapport van de patholoog-anatoom publiceerde, waardoor de politie werd ontheven van verantwoordelijkheid.56 Woedend over wat zij beschouwden als een verdoezeling van de feiten, stapten de bouwvakkers de volgende ochtend naar het kantoor van De Telegraaf, vernielden auto's en probeerden zonder succes het gebouw te bestormen. De politie arriveerde pas nadat de opstandelingen waren vertrokken, omdat Van der Molen de zaken niet erger wilde maken door de aanwezigheid van politie. Zowel de hoofdcommissaris als de burgemeester bemoeiden zich in eerste instantie weinig met deze rellen, deels vanwege gebrek aan communicatie, deels omdat ze niet te overspannen wilden reageren.57 Totdat, na verloop van tijd, een massale rel uitbrak in het stadscentrum en talrijke afdelingen van de rijkspolitie en de marechaussee naar Amsterdam moesten komen om de orde weer te herstellen.58 Voor het eerst sinds 1945 werd traangas gebruikt. Toen de rust vroeg in de morgen van de vijftiende was weergekeerd, waren zesenvijftig mensen gewond geraakt en was de in Nederland zo gekoesterde orde stukgeslagen.59
Onder deze omstandigheden was het voor veel Nederlanders niet moeilijk te geloven dat hun land (of in elk geval de hoofdstad) tot anarchie was vervallen. Enkelen spraken zelfs over het instorten van de oude orde.60 Anderen waren minder filosofisch, maar even ontredderd; de journalist
Hofland merkte op dat in de bij redacties van kranten ingekomen stukken letterlijk werd gesmeekt om het nemen van maatregelen tegen demonstranten in de trant van ‘hak ze het hoofd af, gooi ze in de gracht’.61 In een bevolkingsonderzoek in de lente van 1966 sprak tweeëntachtig procent van de Nederlanders zich uit vóór een ‘krachtig optreden’ door de politie tegen overtreders.62 Veel gewone burgers bleven zich verbazen over de toegeeflijkheid waarmee het ‘schorremorrie’ (zoals Van Hall het eens noemde) door de gezagshebbers werd omringd en namen het recht soms in eigen hand. Zo maakten mariniers uit Den Helder uitstapjes naar Amsterdam om de ‘langharige relschoppers’ in elkaar te slaan.63 Maar ook redacteuren, politiefunctionarissen64, politici65 en zelfs rechters drongen aan op een harde aanpak.66 De Amsterdamse advocaat J.J. Abspoel, een man die contacten met provo's onderhield, sprak van de ‘terreur van de naamlozen uit de stegen en de sloppen die handelen als de ratten uit de riolen’.67 En rechter Ubbo Stheeman, hoofd van de Amsterdamse rechtbank, werd onder veel linkse Nederlanders berucht omdat hij zei dat rechters niet genuanceerd moesten zijn in hun benadering van overtreders.68
Niettemin deden veel beleidsmakers toch moeite om op ‘genuanceerde’ wijze te spreken over de bedreigingen van de openbare orde. Veel mensen met sterke ‘progressieve’ idealen uitten al snel kritiek op de wijze waarop politie en politiek omgingen met de nieuwe onlusten. Al in september 1965 reageerde de gemeenteraad van Amsterdam kritisch op de harde manier waarop de politie de provo's aanpakte, zodat zijn toenemende (en uiteindelijk langdurige) vijandige verhouding tot de politie openbaar werd.69 Het wekt geen verbazing dat vooral de mensen van ‘radicaal links’ zich uitspraken tegen misstanden bij autoriteiten. De anarchist A.L. Constandse meende dat provo uitdrukking gaf aan het groeiende onbehagen over het feit dat Nederlanders niet werkelijk in een democratie leefden.70 De PSP'ers waren vooral ongelukkig met de pogingen Amsterdam te veranderen in een ‘politiestad’.71 En deze gevoelens maakten zich in de loop van 1966 al snel meester van grotere delen van de beter opgeleide bevolking, die zich zorgen maakten over de zich opstapelende bewijzen van mishandeling door de politie. Jan Wolkers koos zonder aarzelen partij voor de rebellen en Harry Mulisch schreef dat zijn Bericht aan de rattenkoning voortkwam uit woede over het gedrag van de regenten.72 In een scène van de film Omdat mijn fiets daar stond van Louis van Gasteren wordt een jongeman in elkaar geslagen door de politie omdat hij, zoekend naar zijn fiets, politiemarkeringen overschrijdt. Het verhaal begint met de woorden. ‘Onze democratie is in gevaar...’.73 Jonge journalisten leverden in toenemende mate kritiek op machtsmisbruik
door autoriteiten en publiceerden verhalen van mensen als Geert van Tijn, die werd geraakt door de politie en vervolgens van de procureur-generaal te horen kreeg dat de klappen waarschijnlijk bedoeld waren voor iemand anders.74 Ook politici als Hans Gruijters (VVD, later D'66), Han Lammers (PvdA, al snel aanvoerder van Nieuw Links binnen zijn partij) en de invloedrijke jurist L.H.C. Hulsman (een adept van de Utrechtse School) uitten veel kritiek.75 Juni 1966 vielen achthonderdvijftig Nederlanders hen bij, door in een publieke verklaring te betuigen dat hun ‘rechtsgevoel’ geweld was aangedaan door de manier waarop de autoriteiten waren omgegaan met legitieme, afwijkende meningen.76 Volgens deze critici waren democratische procedures en individuele rechten voor het functioneren van een ‘moderne’ democratie belangrijker dan het handhaven van de orde.
Hoewel deze vernieuwers een belangrijke rol zouden speelden in het veranderen van de regeerstijl van de Nederlandse overheid, waren zij in het midden van de jaren zestig niet de meest toonaangevende groep in de beleidsvorming. Voor de meeste politici en bestuurders waren onwettige verstoringen van de openbare orde geheel onaanvaardbaar, hoe prijzenswaardig het doel ook was.77 Dat gold ook voor het bewust provoceren van het gezag. De ‘terreur’ en het ‘nihilisme’ van ‘de straat’ mochten niet worden geduld. Bovendien bleven ze onverzettelijk in hun mening dat ‘het bestel’ niet fundamenteel verkeerd was. In hun ogen waren bij voorbeeld de fouten van de politie geïsoleerde gevallen en niet systematisch.78 Maar tegelijkertijd raakten zij ten diepste geschokt door de gebeurtenissen van het midden van de jaren zestig. Niet gewend aan dit soort uitvallen van een van oudsher rustige bevolking, neigden ze ertoe de ernst van de crisis te overschatten. Ook de ‘jeugdrebellie’ was voor veel gezagdragers een ingrijpende ontwikkeling, en velen voelden zich pijnlijk getroffen door de beschuldigingen van fascisme die de demonstranten hen naar het hoofd slingerden. Het gevolg was dat die elites aarzelden de opstandige jongeren hard aan te pakken, om te voorkomen dat ze zouden worden aangezien voor nazi's en de generatiekloof zich zou verbreden. Hun nadruk op ordehandhaving werd bovendien verzacht door morele twijfel. ‘Hoe geef je de jonge mensen (...) het idee dat niet alles wat we doen en nastreven onzin is?’ was een vraag die werd gesteld door de Amsterdamse loco-burgemeester P.J. Koets (1967-1970).79
Welke de redenen ook mochten zijn, het Nederlandse burgerlijke gezag was zo geschokt door de gebeurtenissen van 1965-1966 dat het besloot een dergelijk situatie nooit meer voor te laten komen.80 Het is opmerkelijk hoe vaak Nederlandse commentatoren spraken en schreven
over de onlusten als over een diepe crisis, een keerpunt, alsof het ‘schrift op de wand’ zichtbaar was voor iedereen.81 De fundamentele oorzaak van het probleem was naar hun idee niet moeilijk te identificeren: een snel veranderende samenleving, in conflict gekomen met verouderde structuren. Samkalden, de socialistische minister van Justitie en een intellectueel, verklaarde voor het televisiepubliek in juni 1966:
‘Onder invloed van techniek, nieuwe verbindingen, opgroei van nieuwe generaties verandert onze samenleving snel. Ook de spanning die ontstaat tussen een samenleving en het erin geldend gezag wisselt voortdurend.’82
Marga Klompé, minister van CRM (1967-1971), zei het iets anders:
‘Er voltrekken zich momenteel zoveel veranderingen in de samenleving en dat is er de oorzaak van dat het hele mensdom een beetje onzeker is. Dus ook de jeugd. Als de jongeren revolteren tegen de samenleving, die eigenlijk nog werkt met verouderde structuren, dan is dat een gezond verschijnsel.’83
Hoe serieus sommige politici de aanval op de ‘verouderde structuren’ opnamen blijkt uit het ‘probleem’ van de monarchie. De Irene-affaire van 1964, inclusief de weinig tegemoetkomende wijze waarop paleis Soestdijk daarmee omging, had de reputatie van de monarchie al aangetast.84 Veel onderzoekers interpreteerden de tegenstand tegen Claus en de bijkomende opkomst van het republikeins gedachtengoed als voortekenen van de ondergang van de monarchie. Linkse PvdA'ers zoals Lammers stelden voor om de monarchie na Juliana op te heffen.85 De sterke toename van kritiek deed zelfs de voorstanders van de monarchie twijfelen aan haar toekomstig bestaan. ‘De geest van de tijd is niet een geest die het koningschap favoriseert’, meende de voormalige secretaris van koningin Wilhelmina, Thijs Booy. Volgens hem had de monarchie voor veel mensen geen toekomst meer.86 G.M. Nederhorst, de gematigde fractievoorzitter van de PvdA, was van mening dat Juliana en Beatrix zelf geen duidelijk idee hadden van hun koninklijke taken en liet een aantal partijgenoten weten dat de negatieve publiciteit op radio en televisie het einde van de constitutionele monarchie inluidde.87 Veel elites gaven een toekomstige republiek in elk geval een zeer reële kans.88 Maar uiteindelijk bleek nooit meer dan tien procent van de bevolking voor de republiek te voelen89, en toen Beatrix en Claus in 1967 de Nederlandse bevolking verblijdden met een zoon, groeide het publieke vertrouwen in de monarchie. De vrees van sommige gezaghebbers voor het voortbestaan van het Huis van Oranje in ‘veranderende tijden’ bleek dus overtrokken.
Toch bleef het idee niet voldoende bij de tijd te zijn een terugkerend
thema in de discussies over recht en orde van het midden van de jaren zestig. Het was, volgens de ARP-burgemeester J.J.G. Boot van Hilversum, gepast om de vraag te stellen ofhet overheidsapparaat nog steeds voldeed aan de eisen van de tijd.90 Veel bestuurders en politici trokken de conclusie dat de ondoelmatigheid en ouderwetsheid van grote delen van het overheidsapparaat een grote rol speelden in de betreurenswaardige incidenten van 1965 en 1966. Te vaak hadden de autoriteiten niet toereikend gereageerd op de ‘veranderende tijden’ met het gevolg dat het recht van de burgers op een goed bestuur was tekortgedaan. Nergens kwam de uitdaging van de ‘veranderende tijden’ duidelijker naar voren dan in het zogenaamde Enschede-Rapport, genoemd naar de voorzitter van de regeringscommissie die de onlusten in Amsterdam onderzocht.91 Toen de historicus Doeko Bosscher het rapport recentelijk onder de loep nam, was hij van oordeel dat er te weinig aandacht was besteed aan de historische achtergrond van de rellen.92 Maar die werd niet nodig geacht door de onderzoekers voor wie ‘de externe factoren’ evident waren: onzekerheid over de toekomst (vanwege de sociale veranderingen), de opkomst van een naoorlogse generatie en de stedelijke problematiek (zoals woningnood en toenemend individualisme). De ‘moderne’ samenleving maakte de ‘traditionele’ vormen van gezag onhoudbaar.93 Sterk beïnvloed door het sociaal-wetenschappelijk gedachtengoed zagen de opstellers van het rapport (vrijwel allemaal ambtenaren, academici en politici) zich overspoeld door een golf van vrijwel onstuitbare ontwikkelingen.
Het was duidelijk dat de ‘modernisering’ van de politie in elk geval dringend noodzakelijk was. Nederland had een zinnige no-nonsense benadering van wetsovertreders nodig, met korte communicatielijnen en betere samenwerking tussen politiekorpsen onderling, de politici en het justitiële apparaat.94 Zowel de burgers als politie moesten weer gevoel voor het stellen van grenzen krijgen.95 In nieuwsbladen kwamen Rotterdam en Utrecht naar voren als steden die Amsterdamse toestanden hadden vermeden door gebruik te maken van ‘moderne’ benaderingen (zoals gerichte arrestaties in plaats van gewelddadige stopzetting van demonstraties).96 Politiefunctionarissen waren zeer gespitst op het stroomlijnen van hun politie-apparaat. Van der Molen, die al snel na de onlusten in juni 1966 was ontslagen, verwoordde de gevoelens van vele collega's toen hij pleitte voor een modern, verenigd politiekorps:
‘...waartegen de huidige situatie met allerlei gemeentelijke korpsen en korpsjes wel ouderwets afsteekt. Wanneer we in het huidige bestel met de tijd mee willen gaan en een goed politieapparaat willen opbouwen, dan is centrale leiding onontbeerlijk.’97
De psycholoog F.J.E. Hogewind meende dat de politie mee moest ‘groeien’ met de samenleving waarvan zij deel uitmaakten. Dat kon volgens hem het best worden bereikt door in de politieschool meer aandacht te besteden aan sociologie en psychologie.98 Het was de meeste vernieuwers duidelijk dat de politie was genoodzaakt de modernste inzichten en technieken toe te passen in de uitoefening van haar beroep.
De grote sociale en culturele veranderingen vereisten naast structurele modernisering ook aanpassing aan (en tevens richting geven aan) de steeds sterker wordende ‘vernieuwende’ krachten in de samenleving. Minister Samkalden, die al spoedig Van Hall als burgemeester van Amsterdam zou opvolgen, probeerde in juni 1966 duidelijk te maken dat zijn regering open stond voor alle nieuwe ideeën die naar voren werden gebracht, zolang die maar binnen de ‘spelregels’ van de ‘rechtsstaat’ zouden blijven.99 Het centrum-rechtse kabinet-de Jong (1967-1971) hield er dezelfde visie op na. Terwijl zij waarschuwden tegen de provocaties en ‘achterbaksheid’ van sommige demonstranten, konden minister van Binnenlandse Zaken H.K.J. Beernink (CHU) en minister van Justitie C.H.F. Polak (VVD) ook een belofte doen:
‘Blijven de strijdmiddelen eerlijk, dan zal het bestuur erop bedacht moeten zijn zich snel aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen. Dit eist fantasie en begrip voor wat er leeft onder de bevolking.’100
Anders gezegd, openlijke rebellie zou niet worden getolereerd, maar de autoriteiten zouden wel op zoek gaan naar mogelijkheden om het aantal conflictpunten te beperken. Dit betekende dat de ‘ouderwetse’ regenten-mentaliteit afgeschud moest worden en alles wat als zodanig zou kunnen worden opgevat overboord worden gezet.101 Ze schenen te veronderstellen dat een grondig begrip van de ‘moderne’ mens en een flexibele benadering van crises de gewelddadigheden die ze tot elke prijs wilden vermijden zouden kunnen voorkomen, en de ontwikkelingen in een aanvaardbare richting kanaliseren. Om de orde te kunnen handhaven waren de gezagdragers dus bereid opnieuw te definiëren wat die ordehandhaving inhield. Dit zou vérstrekkende gevolgen hebben voor de wetgeving en de Nederlandse samenleving.
De onlusten in Amsterdam in het midden van de jaren zestig hadden de kiem gelegd voor de beleidsontwikkeling rond rechtshandhaving in het decennium dat er op volgde. De opvolging van Van Hall door Samkalden in 1967 was eigenlijk de vervanging van een ‘regent-oude-stijl’, die niet in staat was gebleken om te gaan met moderne problemen102, door een bestuurder-nieuwe-stijl, die om de combinatie van standvastigheid en
flexibiliteit alom werd geprezen als een ideale gezagdrager die zou weten hoe hij de vrede moest handhaven.103 De ‘nieuwe redelijkheid’ van het Nederlandse gezag104 werd de jaren daaropvolgend op minstens drie verschillende manieren duidelijk: 1) in het ‘verfijnen’ van de techniek waarop met burgelijke ongehoorzaamheid en onrust werd omgegaan; 2) in aanzienlijke structurele hervormingen bij de universiteiten; en 3) in het versoepelen van de wetgeving die betrekking had op het ‘privé’-leven: pornografie, abortus, drugs en euthanasie. In al deze gevallen speelden de bestuurlijke en pragmatische vernieuwers een cruciale rol. Hun pogingen om de sociale veranderingen te beperken en te kanaliseren zouden een grote bijdrage leveren aan de liberalisering in de jaren na 1967.
‘Moderne’ inzichten en technieken werden al snel als onmisbaar beschouwd in de Nederlandse rechtshandhaving. De politie, die volgens veel deskundigen al te lang te weinig aandacht had gekregen, stond ineens midden in de belangstelling.105 In de opleiding werden voortaan sociaalwetenschappelijke inzichten sterk benadrukt. ‘Politiemannen-nieuwe-stijl (...) voelen meer voor de psychologische aanpak’ berichtte Het Parool in 1968.106 Het ‘begrijpen’ van mensen en hun sociale omgeving werd essentieel voor politieagenten. Ook werd hen de mogelijkheid gegeven ‘om even [te] kunnen uithuilen’, zoals politiechef H.W. Offers het verwoordde.107 De Amsterdamse politie benoemde eindelijk een maatschappelijk werker om de politieagenten te kunnen helpen met hun problemen, een ‘modern’ initiatief dat op veel andere plaatsen al enige tijd was doorgevoerd.108 En vanafhet midden van de jaren zestig werd ‘public relations’ een steeds belangrijker onderdeel.109 Hoewel de moderne politieagenten nog niet helemaal leken op de aardige uitdelers van kippepoten die de provo's voor ogen hadden in het Witte Kippen Plan, was het imago dat men probeerde op te bouwen bewust veel vriendelijker en minder autoritair dan voorheen. Het was bovendien een imago waaraan veel politieleiders steeds meer waarde gingen hechtten en dat zij, om het uitlokken van onnoodzakelijke opstandjes te vermijden, niet meer wilden opgeven.
De nieuwe vriendelijke benadering verspreidde zich naar bredere kringen van de rechtshandhaving. Tot de overtuiging gekomen dat langere gevangenisstraffen de misdaad niet afschrikten, probeerden Nederlandse autoriteiten in de jaren zestig steeds vaker andere vormen te vinden om misdadigers aan te pakken, beïnvloed als zij waren door maatschappelijk
werkers en psychologen binnen de eigen gelederen. De gevangenispopulatie verminderde in een tijd dat de misdaad - vooral diefstal - toenam.110 In 1963 verbleven er gemiddeld 3.550 mensen in Nederlandse gevangenissen, in 1972 was dat aantal gedaald tot 2.742. Dit kwam grotendeels doordat de duur van de gevangenisstraffen daalde, van gemiddeld vijfenvijftig dagen in 1963 tot achtendertig in 1972.111 In de jaren zeventig waren deze cijfers in Nederland lager dan in enig ander land ter wereld. Dit was gedeeltelijk dankzij de humanitaire invloed van de Utrechtse School, gedeeltelijk dankzij het nieuwe pragmatisme in het strafrecht.112 Politici en politiechefs werden steeds pragmatischer in het handhaven van de orde en besloten vaak tot een terughoudend politieoptreden bij conflicten met rebellen of demonstranten. Dit was niet alleen het geval in Amsterdam, maar ook in kleinere steden, zoals Assen, waar de lokale autoriteiten een andere aanpak formuleerden voor het handhaven van de orde bij de jaarlijkse T.T.-races.113 Ook werden de richtlijnen voor het houden van demonstraties versoepeld, hoewel de toepassing afhankelijk was van de lokale autoriteiten.114 In Amsterdam waren demonstranten verplicht de gemeente te informeren over de route die ze zouden nemen, maar toestemming vragen hoefde niet meer, hoewel de gemeente nog wel het recht had een demonstratie te verbieden. Ook het recht op vrije meningsuiting werd verruimd. In 1967 werden demonstranten minder vaak beboet voor het beledigen van president Johnson, waren de boetes lager en twee jaar later namen de vervolgingen een einde.115 Onmiskenbaar misbruik van dit recht bleef strafbaar; zo werd in 1969 een student door een boze rechter tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld omdat hij riep: ‘Weg met de oranjehoeren van het koninklijk huis’.116 In het algemeen was de enige ‘vrije meningsuiting’ die aan het einde van de jaren zestig gevaar liep bestraft te worden pornografie117, maar zelfs dat gebeurde zelden en de kans om vervolgd te worden werd steeds kleiner (zie laatste paragraaf van dit hoofdstuk).
In de eerste maanden van 1969 scheen het nieuwe beleid aan te slaan. Burgemeester Samkalden, hard bezig met de centralisatie en vernieuwing van het Amsterdamse politiekorps118, gaf in april 1969 uitdrukking aan zijn vreugde over de tamelijk vredige relaties die toen tussen burgers en politie bestonden:
‘Wij trachten de politie toe te rusten voor een taak, dit er vooral in bestaat dat men met zo gering mogelijk middelen optreedt tegen voor de stad schadelijke effecten van ordeverstoringen. Middelen, die doelmatig zijn, maar niet bij de burgerij de indruk wekken, dat er excessief gereageerd wordt op zaken die ook op een rustiger wijze bestreden hadden kunnen worden.’119
Maar toen Samkalden deze woorden sprak was een tweede golf ernstige onlusten nog slechts enkele dagen verwijderd. De laatste week van april was de Dam het centrum van rellen en in mei plaatste de bezetting van gebouwen van de Gemeentelijke Universiteit de Amsterdamse autoriteiten voor burgerlijke ongehoorzaamheid van ongewoon grote omvang (zie volgende paragraaf). Daarnaast leidden de pogingen aan het einde van 1969 en het begin van 1970 om het gebruik van de Dam door toeristen in te perken tot relletjes (zie hoofdstuk vier).120 En het einde leek nog niet in zicht. Ook de ontluikende krakersbeweging maakte het de autoriteiten moeilijk en uiteindelijk culmineerde deze in rellen in de buurt van de Nieuwmarkt in december 1974. De beslissing om uitvoering te geven aan de plannen voor het bouwen van een metro onder een vervallen wijk in Amsterdam, waarvoor gemeentefunctionarissen als Samkalden en Lamniers zich al lange tijd hadden ingezet, stuitte op groot protest van de buurtbewoners, waaronder krakers, die stenen gooiden naar constructiewerkers en politie.121 In alle drie de gevallen (de Dam, de bezetting en de Nieuwmarkt) hadden de gemeentefunctionarissen weloverwogen confrontaties vermeden en in even zo vele gevallen voelden zij zich na een lange wachttijd gedwongen een massale politiemacht bij elkaar te roepen. De Amsterdamse autoriteiten hadden er niet op gerekend dat de burgers zo weinig onder de indruk zouden zijn van hun verdraagzaamheid. Ook in Rotterdam en Den Haag gebruikte de politie geweld tegen relschoppers, nadat zij eerst de ‘moderne’, vriendelijker benaderingen had geprobeerd.122 Dit was een tendens die in heel de jaren zeventig merkbaar bleef.
De Nederlandse overheden werden in het begin jaren zeventig geconfronteerd met een scherpe toename van burgerlijke ongehoorzaamheid in heel het land. Ontevreden met de parlementaire democratie en losgeweekt van traditionele partijen werden veel burgers, vooral de jongere, actief in publieke protestacties (of aksies, voor de fonetisch radicalen). Hoewel het aantal protesten nooit groter zou zijn dan in andere Westeuropese landen, stelde de snelle toename ervan de autoriteiten voor grote problemen.123 Veel acties bestonden uit burgerlijke ongehoorzaamheid, een methode die populair was geworden na de verschijning van C.J.M. Schuyts Recht, orde en burgerlijke ongehoorzaamheid (1972). Dit boek, dat was geïnspireerd door de strijd voor burgerrechten in de Verenigde Staten, werd een handboek voor veel Nederlandse activisten. Schuyt gaf hierin ‘gepaste’ vormen van illegaal protest aan en deed een dringend beroep op de autoriteiten om diegenen vrij te spreken die zich hadden bediend van deze vormen van protest.124
Hoewel de regering in het begin van de jaren zeventig de bevoegdheid
van lokale overheden om samenscholingen te verbieden of te beperken vergrootte125 en rechters in bewuste burgerlijke ongehoorzaamheid meestal geen reden zagen tot vrijspraak126, probeerden autoriteiten over het algemeen toch conflicten te voorkomen. Zij wilden de fouten die in 1966 waren gemaakt vermijden en waren erop gespitst geen verzet uit te lokken door het hanteren van harde methoden of strenge vonnissen. De toename van het aantal protesten was een sociale ontwikkeling die een meer flexibele benadering vereiste. Zo konden de demonstranten tegen de Vietnamoorlog die het Amerikaanse consulaat in Amsterdam blokkeerden, in januari 1973 gaan met een boete van vijfentwintig gulden.127 Midden jaren zeventig werd burgerlijke ongehoorzaamheid min of meer getolereerd door de Nederlandse overheden, vooral als zij niet gepaard ging met geweld of beschadiging van eigendommen - een nieuw, hoewel impliciet, sociaal contract.
Tegen 1975 bleken de Nederlandse autoriteiten dus niet bereid eisen te stellen aan de burgers die grote weerstand konden opwekken. De volkstelling van 1971 zou de laatste blijken te zijn in Nederland; het verzet tegen de opdringerige vragen deed de regering besluiten voor haar statistieken voortaan gebruik te maken van andere bronnen.128 En in 1974, na jaren waarin het protest groeide, schafte de regering, ondanks verzet van de minister van Defensie, de groetplicht bij de strijdkrachten af.129 De gevolgen van het nieuwe laissez-faire-beleid waren vooral zichtbaar in Amsterdam, waar het politieke klimaat het meest libertijns was. De politic kon in de ogen van de Amsterdamse gemeenteraad, die voor een groot deel bestond uit communisten, linkse socialisten en kabouters, weinig goed doen.130 Dit gevoegd bij het over het algemeen toch al tolerante klimaat dat er heerste, maakte de binnenstad in de jaren zeventig tot een gebied waar weinig grenzen werden gesteld aan menselijk gedrag. Prostitutie gedijde na een lange periode van stagnatie131 en gokken, druggebruik en andere ondeugden konden min of meer ongestoord doorgang vinden. Volgens een politiefunctionaris was criminaliteit in de binnenstad alomtegenwoordig en raakte de Amsterdamse politie in de loop van de jaren zeventig gewend aan de kleine criminaliteit.132 Veel critici meenden dat de autoriteiten teveel hadden toegegeven; enige protestantse partijen (de CHU, de SGP en het GPV) geloofden stellig dat de politie harder moest optreden.133 De politicoloog Hans Daalder herinnert zich hoe hij en zijn vrienden Samkalden verantwoordelijk hielden voor de chaos waarin Amsterdam was weggezonken.134 Want de autoriteiten aldaar, en eigenlijk in heel Nederland, getroostten zich veel moeite te bewijzen dat ze niet langer onderhevig waren aan een regentenmentaliteit. Volgens de
Britse socioloog Maurice Punch probeerden Nederlandse gezagdragers elkaar te overtreffen in hun ‘liberalisme’, zodat de politie de laatste wankelende verdediger van het gezag werd.135
Het ‘liberalisme’ van Nederlandse elites moet echter niet worden overdreven, in elk geval niet buiten Amsterdam. Burgemeesters en andere gemeentefunctionarissen bleven het gezag aan zich houden en verzetten zich tegen teveel invloed van actiegroepen.136 Zelfs binnen de hoofdstad werden crisisbesluiten (zoals rond de Nieuwmarkt-rellen) op dezelfde besloten, oligarchische wijze genomen die de oude regentenmentaliteit had gekenmerkt.137 Door heel het land kregen politiekorpsen en vervolgers grotere bevoegdheden in het aanpakken van onaanvaardbare vormen van geweld door burgers. Gezagdragers bleven meer aandacht schenken aan het behouden van vrijheid dan aan het uitbreiden daarvan. Toch waren veel Nederlandse autoriteiten van oordeel dat de voortdurende ‘crisis van het gezag’ veel tact en flexibiliteit vereiste.138 In hun ogen was het gebruik van geweld niet alleen moreel afkeurenswaardig, maar werkte het vooral averechts. ‘Als je tijdig ziet de tekenen des tijds, dan loopt de zaak niet uit de hand’, was een les die loco-burgemeester Koets van Amsterdam in Nederlands Oost-Indië had geleerd.139 De oplossing voor de ‘crisis van het gezag’ was beleidsvorming aangepast aan moderne gevoeligheden. Het toestaan van een beetje chaos leek daarom een beperkte prijs voor het op afstand houden van een onaanvaardbaar peil van wanorde.
Het aantal studenten aan de universiteiten nam na de Tweede Wereldoorlog sterk toe. In 1950 waren achtentwintigduizend studenten ingeschreven, in 1960 waren dat er veertigduizend en in 1970 zelfs honderddrieduizend.140 Zowel de markt voor studenten die een opleiding aan een universiteit of hogeschool hadden afgerond als de mogelijkheden een hogere opleiding te bekostigen waren veel groter geworden. De ongekende toegankelijkheid van het hoger onderwijs plaatste de universiteiten en hogescholen voor ernstige structurele problemen en sociale spanningen, die in de loop van de jaren zestig toenamen. De priviliges die de studenten van voorname afkomst en hun studentencorpora genoten, werkten vervreemdend op veel eerste-generatie-studenten141, en de uitdijende staf van jonge academici stoorde zich aan de voorrechten van de hoogleraren. De eerste tekenen van studentenactivisme werden zichtbaar in 1963 met de oprichting van de Studenten Vakbeweging (SVB). Als geestes-
kind van de Nijmeegse psychologiestudent A.A. (‘Ton’) Regtien (1938-1989) streed de SVB voor betere sociale en financiële voorzieningen voor ‘intellectuele arbeiders’ en voor sociale betrokkenheid onder studenten.142 De SVB zou samen met andere studentenorganisaties een grote rol spelen in de geleidelijke politisering van het Nederlandse studentenleven, een trend die tegen 1967 duidelijk zichtbaar werd.
Toch kwam het Nederlandse studentenradicalisme, in vergelijking met Frankrijk en West-Duitsland, nooit werkelijk van de grond. De belangrijkste exponent was de Katholieke Universiteit van Nijmegen, waar een onevenredig groot aantal studenten afhankelijk was van overheidsfondsen (midden jaren zestig de helft van het totaal in Nederland)143 en waar, door het bewuste antikatholicisme van veel ontzuilde studenten van katholieke afkomst, het marxisme zeer in trek was. Anderhalf jaar bestond in Nijmegen de Kritiese Universiteit (KrU), een ‘kritische’ schaduwuniversiteit naar het voorbeeld van West-Berlijn.144 Aan andere universiteiten maakte de pragmatischer houding van de Nederlandse studenten hen niet ontvankelijk voor de theoretische benadering van radicale Franse en Duitse studenten.145 Bovendien waren zelfs radicale marxisten als Regtien geschokt door de gewelddadige neigingen die ze ontdekten bij Duitse studentenleiders zoals Rudi Dutschke.146 Kortom, het ontbrak de Nederlandse studentenbeweging zowel aan de kracht als aan de strijdlust die elders wel aanwezig waren.147
De revolutie in Parijs van mei 1968 herhaalde zich dus niet in Nederland. Hoewel de ingrijpende gebeurtenissen veel aandacht trokken bij het Nederlandse publiek148, bleef het er rustig. Toch wakkerden de Parijse onlusten de discussies aan die al enige jaren over hervormingen binnen het universitaire systeem werden gevoerd. Gerhard Veringa, minister van Onderwijs (KVP), begon in de zomer van 1968 gespreksronden met studenten over de ‘democratisering’ van de universiteiten. Ondanks deze contacten waren de studenten bang dat de universiteiten niet zouden worden vernieuwd in de richting die zij wensten, vooral omdat de regering openbare onderhandelingen wilde vermijden.149 De vrees van de studenten werd gevoed door het Maris-rapport (1967-1968) waarin slechts de noodzaak van grotere bestuurlijke efficiëntie en centralisatie naar voren kwam, zodat het scherp afstak tegen de eis van veel studenten tot structurele democratisering.150 Op vergelijkbare wijze probeerde de commissie-Posthumus in haar rapport van eind 1968 hervorming vooral vorm te geven door het comprimeren van het onderwijsprogrammna.151 Uitvoering van deze voorstellen was echter nog ver weg en het Marisrapport veroorzaakte zelfs zoveel kritiek (niet in het minst van hooglera-
ren) dat het al snel werd weggestopt.152 Terwijl de discussies zich voortzetten groeide het wantrouwen van radicale studenten tegen de motieven van overheidsfunctionarissen. In februari 1969 eisten studenten van de Katholieke Hogeschool in Tilburg, waar het wantrouwen het grootst was, volledige medezeggenschap in alle geledingen van het universiteitsbestuur.153 Deze eis werd al snel overgenomen door de studenten van alle andere Nederlandse universiteiten.
Op 29 april 1969 bezetten de Tilburgse studenten het hoofdgebouw van de hogeschool, en weigerden te vertrekken voordat hun eis zou zijn ingewilligd.154 Na meer dan een week vol spanning besloten de Tilburgse universiteitsfunctionarissen de studenten medebeslissingsrecht te geven op alle beleidsvormende niveaus.155 De overwinning van de studenten van de ‘Karl Marx Universiteit’ sloeg aan en in mei 1969 werden bijna alle Nederlandse universiteiten lamgelegd door studentenbezettingen, die vaak werden ondersteund door het jongere deel van de staf.156 Zelfs de Universiteit van Leiden, een bolwerk van traditie, was het toneel van een indrukwekkende bezetting. Aan vrijwel alle bezettingen kwam een einde toen aan de studenten volledige medezeggenschap in de universiteitsaangelegenheden werd beloofd. De opmerkelijkste demonstratie was de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam, waar de administratie van de Gemeentelijke Universiteit was gevestigd. Functionarissen konden daar niet de keiharde garanties voor democratisering geven die de studenten, onder wie Regtien, verlangden. Na vijf dagen (op 21 mei) kwam de politie, jaagde de menigte uiteen en arresteerde honderden studenten, waarvan de meesten uiteindelijk een boete kregen opgelegd.157
De bezettingen werden door vele overheidsfunctionarissen scherp afgekeurd - in het gunstigste geval waren ze overbodig en werkten ze averechts, in het slechtse geval waren ze gevaarlijk en ondemocratisch. De Amsterdamse rechters pakten de studenten streng aan om te voorkomen dat de protesten weer op zouden laaien.158 Alle politieke partijen in het parlement, behalve de CPN en de PSP, wezen de bezetting van het Maagdenhuis af. Vooral confessionele en liberale politici (om nog maar te zwijgen van de rechtse Boerenpartij) waren scherp in hun veroordelingen.159 Maar zelfs enkele politici van Nieuw Links uitten kritiek, zoals de Delftse hoogleraar Ger Klein die de actie van Regtien in het Maagdenhuis ‘reactionair’ en ‘gevaarlijk romanticisme’ noemde, een tactiek die alleen geschikt was voor ‘sociaal achterlijke landen’ zoals de Verenigde Staten.160 Ondanks het grote verzet tegen de methoden waarvan de studenten zich bedienden, reageerde het kabinet-De Jong in juni 1969 met een voorstel tot een ‘fundamenteel nieuw[e]’ universitaire wetgeving.161 Aangeno-
men in 1970, was de daaruit voortkomende wet één van de meest vérstrekkende in West-Europa.162 Hoewel het voorstel van de PvdA voor een volledig democratisch gekozen universiteit werd afgewezen, zouden studenten, niet-academische en academische staf passend vertegenwoordigd worden in een aantal nieuwe universitaire raden. Vooral op faculteitsniveau kon hun stem van beslissende invloed zijn.163 Een lid van de academische staf zei al na het politieoptreden in het Maagdenhuis dat de bezetting misschien wel verkeerd was geweest, maar dat het zeker had geleid tot positieve resultaten.164
Waarom ging de Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB) van 1970, die nog steeds grotendeels van kracht is, zo ver? Hoewel maar weinig rectoren en burgemeesters instemden met de bezettingen, streefde een aantal naar democratisering van de universiteiten. A.D. Belinfante, rector-magnificus van de Universiteit van Amsterdam, had reeds een begin gemaakt met de invoering van maatregelen tot vérstrekkende democratisering in de maanden voor de bezetting, gedeeltelijk omdat hij een overtuigd democraat was.165 Hetzelfde verhaal gaat op voor Baron S.F.L. van Wijnbergen, rector-magnificus in Nijmegen. Tot genoegen van veel studenten hield de ‘rode baron’ voet bij stuk en bood weerstand aan het college van curatoren dat hij beschuldigde van verzet tegen echte democratisering.166 Politiek links in Nederland beijverde zich uiteraard voor verdergaande democratisering en de PvdA-kopstukken zagen het hoger onderwijs het liefst als ‘experimentterrein’ voor de hoogste vormen van democratie. Maar zelfs gematigde politici lieten zich positief uit over democratisering. Het einde van de jaren zestig was per slot een tijd waarin de democratisering van de maatschappij in de meeste westerse samenlevingen een belangrijk thema was (zie hoofdstuk zes); prof A.D. de Groot merkte tot zijn ongenoegen op dat het onmogelijk was zich er negatief over uit te laten, hoezeer de term ook werd ‘misbruikt’.167 Regtien zelf ontdekte met enig wantrouwen dat de voorstellen van de studenten door niemand openlijk werden tegengesproken.168 Politici waren ervan overtuigd dat openlijk verzet tegen democratisering kwalijke gevolgen zou hebben, vooral onder jonge kiezers.169 De betrokkenheid van de jeugdige minister Veringa, die al snel de KVP zou leiden naar de rampzalige verkiezingen van 1971, bij democratisering en vernieuwing zou zich dan ook weerspiegelen in de WUB.
Maar er waren meer overwegingen die het aannemen van de WUB bevorderden. Voorstanders van bestuurlijke centralisatie (zoals Maris) waren al geruime tijd ontevreden over de wijze waarop de universiteiten werden bestuurd. Naar hun overtuiging waren universiteiten ouderwets
en moesten zij grondig worden herzien. Uit onderzoek van H.F. Cohen bleek dat bestuurders aan de universiteit van Leiden zo overtuigd waren van de noodzaak van vernieuwing, dat zij zich verzoenden met de mogelijkheid dat democratisering daarvan een onderdeel zou kunnen zijn.170 Van hen kon dus niet worden verwacht dat zij de status quo zouden verdedigen. En samen met de strijders voor democratisering - die ze vaak tegenover zich vonden - luidden ze de ondergang van het oude systeem in.171 Zij waren ook niet geheel ontevreden met de WUB; de bestuurlijke structuren werden gecentraliseerd en de regering in Den Haag kreeg meer zeggenschap in het universitaire beleid. Eigenlijk waren de faculteitsleden op de lange termijn de grote verliezers en waren de voorstanders van centralisatie de grote winnaars, gegeven het in de jaren zeventig toenemende gebrek aan belangstelling onder studenten voor universitaire zaken.172
Tenslotte geloofde een aanzienlijke groep politici en bestuurders dat alleen snelle en gulle concessies Nederland nog konden redden van grotere onlusten, misschien zelfs revolutie. ‘Parijs’ had Den Haag aangezet tot het aangaan van diepgaande discussies met de studenten en in 1969 dienden de Parijse onlusten nog steeds als waarschuwing tegen onbuigzaamheid en conservatisme. J.G.H. Tans, een vooraanstaand PvdA-politicus, verwoordde dit tijdens de bezetting in Tilburg. Nederland, zei hij, was een land dat niet langer zelfgenoegzaam kon aanzien dat alles vijftig jaar later zou gebeuren:
‘Het is een misverstand te menen dat in een tijd met zulk een intensieve communicatie als de onze nog één land buiten het krachtenveld van de ontwikkeling kan blijven; ook het onze niet. Dit betekent dat de geestelijke en maatschappelijke omwenteling, die de wereld in dit tijdsgewricht doormaakt, niet aan onze deur voorbij kan en zal gaan.’173
Regtien sprak begin 1969 over deze angst:
‘Het is duidelijk. Voor een voor vernieuwing en verandering doodsbange verkalkte top van politieke, militaire en economische machthebbers, waart wederom een spook door Europa. Het spook van de universiteit is in opstand...’174
Regtien mocht de macht van de ‘universiteit in opstand’ overschatten, de ‘verkalkte machthebbers’ deden dat ook. Het overschatten van de macht van de studentenradicalen was een neiging die na ‘Parijs’ bij veel Europese politici voorkwam, en nergens was de overschatting sterker dan in landen als Nederland waar politici niet gewend waren aan conflicten. In deze landen bracht het radicalisme een sfeer van onvermijdelijkheid met zich
mee.175 Er waren weliswaar veel nuchtere politici die de spot dreven met het revolutionaire potentieel van de studenten. Maar een groot deel zag veranderingen op grote schaal als onontkoombaar en concessies als verstandig; al vóór de bezetting van het Maagdenhuis beschouwden veel politici democratisering als een onvermijdelijke ontwikkeling, die aanpassing vereiste.
Ook hier werd de beslissende stap naar democratisering dus gezet door autoriteiten die onder andere omstandigheden misschien weerstand zouden hebben geboden. En de resultaten bleken nauwelijks minder vérstrekkend dan het verlangen van overtuigde democraten was geweest. Maar niet alleen in het universitaire beleid, ook in de wetgeving betreffende het privé-leven werd deze trend zichtbaar.
Nergens waren de ‘sociale ontwikkelingen’ zo stormachtig als in de veranderende morele overtuigingen van de Nederlanders. Met de plotselinge ‘deconfessionalisering’ van de Nederlandse maatschappij (zie hoofdstuk drie) en de toenemende individualisering leken traditionele opvattingen over lichamelijkheid en seksueel gedrag steeds meer in onbruik te raken. Homoseksualiteit, echtscheiding en geboortenbeperking, enkele jaren daarvoor in bepaalde kringen nog hevig bekritiseerd, werden later in de jaren zestig in brede kring geaccepteerd.176 Deze snel veranderende mores ontsnapten niet aan het oog van de beleidsmakers; integendeel, zij werden er ook door beïnvloed. In deze context en met de recente onlusten in het geheugen, werden Nederlandse beleidsmakers genoodzaakt een aantal wetten te herzien die naar de mening van steeds meer mensen tot het privé bestaan behoorden. Het leek duidelijk dat ook op dit terrein ‘modernisering’ en ‘aanpassing’ waren vereist.
De strikte wetten rond pornografie (in 1911 toegevoegd aan artikel 240 van het Wetboek van Strafrecht) vielen ten prooi aan de aanpassingsdrang van het eind van de jaren zestig. Evenals hun Belgische buren waren Nederlandse ambtenaren steeds streng opgetreden tegen overtreders en tot het midden van de jaren zestig drongen parlementariërs aan op krachtige naleving van artikel 240.177 Maar al na 1966 weid de ijver bekoeld door een toenemend aanbod vanuit Zweden en Denemarken, waar aan pornografie geen beperkingen meer waren opgelegd.178 Door de grote hoeveelheid materiaal die werd gestuurd naar (en geconsumeerd in) Nederland leken vervolgingen zinloos. Bovendien werd porno elk jaar explicieter, waardoor die van het jaar ervoor in verhouding vrij onschul-
dig leek. Dit bracht overheidspersonen ertoe de waarde van statische, ‘kwalitatieve’ richtlijnen voor het afbakenen van pornografie in twijfel te trekken. Na de Scandinavische liberalisering verlangde geen enkele parlementariër (behalve die van de kleine christelijke partijen) een hardere aanpak; men vroeg zich veeleer af hoe zinvol handhaving van de bestaande wetten was. Tegen 1969 hadden veel lokale overheidsfunctionarissen de gerechtelijke vervolging van pornografie geheel stopgezet.179 Hoewel de meeste parlementariërs het met elkaar erover eens waren dat artikel 240 gewijzigd moest worden, konden christelijke en niet-christelijke partijen het niet eens worden over de juiste aanpak.180 Uiteindelijk werd, inconsistent, de commerciële verspreiding van pornografie in feite op veel plaatsen gedoogd, van de hoofdstad tot Sluis aan de Belgische grens.181 Voor veel geseculariseerde vooruitstrevende Nederlanders (zoals de NVSH'ers) bracht de veronachtzaming van de oude wetten grotere burgerlijke vrijheid met zich mee; voor veel confessionelen betekende het opnieuw buigen voor de onvermijdelijk veranderende moraal. In de ogen van beiden duidde het een afwijking aan van een beleid dat, zo leek het, niet langer gehandhaafd kon worden.182
Het abortusdebat veroorzaakte nog meer spanningen binnen de politiek en laaide hoog op aan het einde van de jaren zestig. Het aantal abortussen in Nederland was in vergelijking met het Europees gemiddelde tamelijk laag en werd in de loop van de jaren zestig nog minder (van twaalf procent van alle zwangerschappen in 1964 tot zes procent in 1970183). Tegelijkertijd was abortus provocatus nog steeds verboden, behalve wanneer het leven van de moeder in gevaar was. Tot 1973 werden mensen (meestal geen artsen) aangeklaagd voor het plegen van een abortus.184 In de praktijk tolereerde het Nederlandse rechtssysteem veel gevallen van therapeutische abortus (vooral op medische gronden), maar de grenzen van wat getolereerd werd waren vaag en de meeste artsen namen het zekere voor het onzekere.185 Vanaf omstreeks 1966 werd van twee verschillende kanten kritiek geuit: zowel de medische professie als een reeks actiegroepen, van de NVSH tot nieuw opgekomen feministische groeperingen, streefden naar liberalisering van de abortuswetten.186 Na 1969 nam de druk op legalisering van abortus toe; feministische groeperingen zoals de MVM en de Werkgroep Vrouwen 2000 beijverden zich voor het recht op abortus. In 1970 bleek de ‘abortus-werkgroep’ van Dolle Mina zeer succesvol in het halen van de publiciteit met haar actie ‘baas in eigen buik’, woorden die ze op de eigen buik werden geschreven en vervolgens openlijk getoond.187 Daartoe aangemoedigd door de Rooie Vrouwen binnen de partij, werd door PvdA-parlementariërs een voorstel ingediend (het
Lamberts-Roethof-voorstel) dat substantiële liberalisering omvatte.188 Ook de VVD sprak zich niet uit tegen liberalisering van de restricties. Vanaf 1971 stond de publieke opinie eveneens positief tegenover de praktijk van ‘abortus mogelijk voor ieder die het wenst’.189 Tegen die tijd werden abortieve ingrepen, hoewel zij nog steeds illegaal waren, openlijk door artsen uitgevoerd. In 1971 opende de eerste abortuskliniek haar deuren in Arnhem en zij werd al snel gevolgd door andere klinieken. Na 1973 waren er, met de komst van het centrum-linkse kabinet-Den Uyl, eigenlijk geen beperkingen meer ten aanzien van abortus (mits uitgevoerd binnen de eerste twaalf weken van de zwangerschap) en duizenden vrouwen uit andere landen (vooral Duitsland) reisden naar Nederland om een abortus te ondergaan.190
Confessionelen verzetten zich tegen deze ‘sociale ontwikkeling’, vooral de katholieken en de KVP. Zij keurden om godsdienstige redenen het plegen van abortus in de meeste gevallen af. Maar christenen waren onderling verdeeld over de inhoud van de gewenste beperkingen en bleken niet in staat een gesloten front te vormen.191 Bovendien stonden confessionele politici vanaf het einde van de jaren zestig open voor een abortuswet met restricties, waarbij een vrouw onder bepaalde omstandigheden en onder begeleiding van een medische staf in aanmerking zou kunnen komen voor een abortus.192 Hun bereidheid tot het aanvaarden van een zorgvuldig