|
|
|
| |
| | | |
5 Crisis van het regentendom
‘Wij moeten ons er wél van bewust zijn dat iedere
samenlevingsvorm zijn eigen type van ambtenaren en zijn eigen technieken en
middelen van machtsuitoefening meebrengt. De moderne democratische samenleving
vraagt een ander type ambtenaren, een andere mentaliteit, een andere, meer
genuanceerde en ingetogen vorm van optreden, inzonderheid met betrekking tot het
gebruik van de fysieke machtsmiddelen, dan enige andere samenlevingsvorm uit het
verleden.’ - Advies van J. van Braam,
‘Enschede’-Rapport(1967)1
Gijsbert van Hall, burgemeester van Amsterdam, stond op 19 maart 1966 oog in oog
met de televisiecamera's. Als alles volgens plan was gegaan, zou het interview
met Mies Bouwman in haar praatshow die avond een tamelijk eenvoudige opgave zijn
geweest; in die tijd waren de vragen en antwoorden bij Mies-en-scène voorbereid. Ongelukkigerwijs was in Amsterdam
net daarvoor opnieuw een rel uitgebroken, de tweede in twee weken. Op de tiende
was het huwelijk van prinses Beatrix en Claus von Amsberg verstoord door
rookbommen van provo en het willekeurige gebruik van geweld door de politie
tegen omstanders. Op de namiddag van de negentiende waren er vervolgens onlusten
uitgebroken rond een tentoonstelling van foto's van de excessen bij de
politieoptredens. Zowel Bouwman als Van Hall wilden daarom graag van het script
afwijken. Maar dat bleek voor Van Hall geen goede zet; later betreurde hij het
dat hij die avond niet gewoon thuis was gebleven.2
Bouwman stelde, naar de nieuwe journalistieke norm, lastige vragen waarin haar
afkeuring over de wijze waarop de Amsterdamse politie zich tijdens de laatste
rellen had gedragen doorklonk. Van Hall (1904-1976), PvdA'er,
patriciër en verzetsheld, gaf weinig bevredigende antwoorden.3 Hij wekte bij veel
kijkers de indruk dat hij ten einde raad was toen hij zich, bijna in tranen,
beklaagde over de recente gebeurtenissen:
‘...het is in de stad de laatste tijd, zoals U zegt, erg
rumoerig geweest, om maar een woord te gebruiken: een hele, hele beroerde
toestand (...) In onze stad, en dat is echt niet een verschijnsel in onze stad
alléén, maar overal, is de jeugd, kan je zeg- | | | | gen in opmars. Je merkt het, en daar moeten wij begrip voor hebben, en het is
verschrikkelijk moeilijk om uit te vinden wat je daar aan doen moet. Het is in
alle landen op de wereld, dan om déze reden, dan om dié
reden, dat de jeugd vindt, dat ze moeten tonen dat ze er zijn. En om daar een
oplossing voor te vinden, dat is iets wat de politie niet kan, wat ík
niet kan, daar moeten een heleboel verstandige mensen over praten.’
Van Hall vreesde escalaties en vroeg zich af of het niet mogelijk zou zijn een
afkoelingsperiode in te stellen om te voorkomen dat er doden zouden vallen.4
Van Halls afgang in Mies-en-scène was het begin van
het einde van zijn politieke loopbaan. Al eerder door de provo's en hun
medestanders ervan beschuldigd een onderdrukkende autocraat te zijn, leek Van
Hall nu het ongelukkige slachtoffer van krachten die buiten zijn bereik lagen.
De ernstige onlusten van juni 1966 in Amsterdam zouden de twijfels rond zijn
bekwaamheid alleen maar versterken en midden 1967 werd hij door de regering in
Den Haag gedwongen met pensioen te gaan. Tegen die tijd was Van Hall
hét symbool geworden van het aarzelende en ondoelmatige gezag dat
zijn legitimiteit snel aan het verliezen was.
In 1966 ging het Nederlandse burgerlijke gezag door een diepe crisis.
‘Het gezag-oude-stijl zakte als een pudding in elkaar’,
zei de toenmalige burgemeester A. Kleijn van Meppel.5 De journalist Henk Hofland schreef dat Nederlandse gezagdragers in
1966 een groot deel van hun geloofwaardigheid en macht hadden verloren.6 Deze
‘regenten’, zoals de Nederlandse heersende klasse sinds de
zeventiende eeuw werd genoemd, leken plotseling onbekwaam tot regeren. Hevig
bekritiseerd om zijn ‘regentenmentaliteit’ werd het
Nederlandse gezag vaak beschouwd als hopeloos ouderwets, zonder voeling met de
‘ontwikkelingen in de samenleving’. Maar binnen het
tijdsbestek van een paar jaar was dit veranderd en had de
‘vooruitstrevendheid’ en tolerantie van Nederlandse
gezagdragers internationale belangstelling gewekt. In de jaren zeventig maakten
enkele waarnemers zich zelfs zorgen dat de regenten te
tolerant waren geworden. Zo schreef de historicus Maarten C. Brands omstreeks
1980:
‘Er is een tekort aan politieke durf in deze
vooruitstrevende, byzantijnse kringen, altijd bang om
“regent” te worden genoemd of veroordeeld te worden
vanwege autoritair gedrag.’7
Hoe kwam deze opmerkelijke verandering tot stand? Nederland had niets meegemaakt
dat te vergelijken was met ‘Parijs '68’; er was nooit
sprake van een op handen zijnde revolutie en in de jaren zestig kwam politiek
| | | | geweld, hoewel het vaker voorkwam dan in het verleden, veel
minder sterk naar voren dan in Frankrijk (de politieke instabiliteit in mei
1968) of de Verenigde Staten (van de stedelijke onlusten waarin tientallen
Amerikanen overleden tot de schietpartij op Kent State University). De protesten
die na 1965 overal opkwamen, hebben onmiskenbaar gefunctioneerd als katalysator
voor verandering. Maar het bestaan van de protestbewegingen, die tamelijk klein
en zwak waren vergeleken met de actiegroepen uit de jaren zeventig, kunnen het
grote succes waarmee hun acties werden bekroond niet volledig verklaren.
Deze protestbewegingen werden eigenlijk vooruitgeholpen door de veranderingen die
plaatsvonden onder de regenten zelf. In de loop van de jaren zestig raakte een
belangrijk deel van de Nederlanders in leidinggevende posities ontstemd over de
inefficiënte en autoritaire wijze waarop bureaucraten functioneerden.
In de eerste plaats speelden de democratische vernieuwers een
grote rol in de veranderingen van de jaren zestig. Deze vernieuwers, die vaak te
vinden waren onder intellectuelen en jongere
‘professionelen’, sympathiseerden met de protestbewegingen
en probeerden geregeld tegemoet te komen aan de
‘redelijke’ wensen van de protestgroeperingen, door
veranderingen aan te brengen in wetten en de uitvoering daarvan. Evenals de
opstandige jongeren streefden zij naar verdere democratisering van de
Nederlandse samenleving en waren daarom bereid wetten te versoepelen die
vrijheden teveel inperkten; ze betwistten geregeld de status quo en
bekritiseerden gezagdragers van het oude stempel. Zodoende ontstonden vaak
conflicten onder gezagdragers over de wijze waarop gereageerd moest worden op de
ondermijning van het gezag. Nederlandse protestbewegingen profiteerden dus niet
alleen van het bestaan van deze democratische vernieuwers, maar ook van de
verdeeldheid onder de Nederlandse autoriteiten.
Maar het was niet alleen daaraan te danken, dat aan de gezagshandhaving in
Nederland in de loop van de jaren zestig minder strikt de hand werd gehouden.
Ook gezagdragers die zich minder zorgen maakten om de democratie waren ervan
overtuigd dat de status quo niet kon worden gehandhaafd en bepaalde vormen van
vernieuwing noodzakelijk waren. Zo waren er politiefunctionarissen en
topambtenaren die zich vooral richtten op bestuurlijke
vernieuwing. Zij geloofden dat de bestaande overheidsinstanties en -praktijken
‘uit de tijd’ waren en niet in staat om adequaat te
reageren op de spanningen van een moderne verzorgingsstaat. Voor hen waren
centralisatie en standaardisering - niet democratisering - de sleutelwoorden
voor een doelmatige overheid. Andere gezagdragers, vaak politici uit de grote
partijen, waren bereid om, geconfronteerd met | | | | een
‘crisis’, uit pragmatische overwegingen
vérgaande concessies te doen opdat de orde gehandhaafd zou blijven.
Voor hen was ‘bij-de-tijd-blijven’ het belangrijkste
motief; zo probeerden ze conflicten en problemen, die hen anders in een
uitzichtloze situatie zouden kunnen brengen, te vermijden. De antirevolutionaire
politicus M. Beinema gaf in 1970 uitdrukking aan dit gevoel. Hoewel hij
tegenstander was van onzedelijke films, achtte hij het toch beter de censuur te
laten vervallen, omdat ‘handhaving van de huidige filmkeuring zou
betekenen dat men een waterstroom van honderd meter breed zou willen tegenhouden
met een dijk van veertig meter lengte’.8 Tact was voor deze pragmatische vernieuwers
belangrijker dan onverschrokken heldomdom of hoogstaande principes, want aan de
eisen van de werkelijkheid kon niet straffeloos worden voorbijgegaan.
Twee conventies binnen de Nederlandse politieke cultuur kunnen deze houding nader
verklaren. Ten eerste hekelden de Nederlandse gezagdragers het gebruik van
geweld en waren bereid tot het uiterste te gaan om dit te vermijden. Het
Nederlandse politieke leven, vanouds gebaseerd op pluralisme en consensus, kon
niet tegen te hoge spanning.9 In plaats van het gebruik van geweld,
moest zo mogelijk een vergelijk worden getroffen (zie inleiding). Nederlandse
autoriteiten lieten het dus niet zo snel tot een confrontatie komen als hun
Amerikaanse, Franse en zelfs Duitse pendanten. In de Nederlandse samenleving,
die minder democratisch was, konden desondanks grotere veranderingen optreden
dan in de Amerikaanse omdat de gevolgen van een streng optreden - geweld en
illegaliteit - er onaanvaardbaar waren. De tweede regel waar de gezagdragers
zich aan hielden (en die afweek van de Amerikaanse) was dat de openbare orde
niet werd bepaald door de letter van de wet, noch door de wil van de
meerderheid, maar door behoedzame gezagsuitoefening; autoriteiten leerden mee te
gaan met de ontwikkelingen. Nederland verschilde niet zozeer van andere landen
in de soort aanvallen die het gezag kreeg te verduren, als wel in de wijze
waarop Nederlandse gezagdragers met deze crises omgingen. In Nederland waren de
tolerantie en flexibiliteit in het omgaan met recht en orde veel groter, niet in
de eerste plaats door het optreden van krachtige actiegroepen of door de invloed
van radicale democratische politici, maar voornamelijk door het gedrag van de
regenten die op voorzichtige, gecentraliseerde en tamelijk paternalistische
wijze opereerden. Deze gezagdragers bevonden zich ergens tussen het klassieke
profiel van de Nederlandse Autoriteit die als arrogant en bijziend werd
beschreven door Henk Hofland, en de prijzende beoordeling van Ernest Zahn die
hen vérziende morele vooruitstrevendheid toeschreef.10 Eenmaal uit het
evenwicht gebracht door de aanvallen op hun | | | | gezag11, herstelden de Nederlandse regenten de orde door, om een
uitspraak van de Amerikaanse senator Daniel P. Moynihan aan te halen,
‘defining deviancy down’.12 Zo
combineerden ze een traditioneel, oligarchisch bestuur met de overtuiging dat
koppig verzet tegen ‘sociale ontwikkelingen’ vergeefs zou
zijn, en werd de Nederlandse samenleving één van de meest
vrijgevochtene in de wereld.
| |
Het verlichte regentendom
Door de structuur en de tradities van de Nederlandse overheid bestond een
zekere afstand tussen de bestuurders en de bestuurden. In Nederland werd het
pluralisme vanouds aan de top gecontroleerd door gezagdragers die
democratische en ideologische elementen al snel wantrouwden en regeerden in
de naam van soberheid en orde.13 Teveel inspraak van burgers, die deze
balans kon verstoren, was niet gewenst. De liberale jurist J.T. Buys gaf aan
het einde van de vorige eeuw deze stellingname als volgt weer:
‘Een natuurlijk regt op mederegeren - hoeveel duizenden
malen ook ingeroepen - staat er niet voor de burgers; hun natuurlijk regt
kan geen ander zijn dan om goed geregeerd te worden.’14
Zahn verzacht dit door te benadrukken dat Nederlandse gezagdragers niet
autoritair waren, zoals in Duitsland wel het geval was. Volgens hem waren de
meeste Nederlandse burgers niet bang voor de politie en was het
‘agentje pesten’ een spelletje dat door veel
Nederlandse kinderen werd gespeeld.15 Maar deze welwillende houding van de Nederlandse leiders
betekende niet dat de burgers directe en doelmatige middelen had om toezicht
te houden op het gezag dat over haar was gesteld, noch dat de autoriteiten
traditioneel tolerant waren ten opzichte van burgerlijke opstanden - wat
heel duidelijk zichtbaar werd in de bloedige onderdrukking van de
arbeidersopstand in Amsterdam in 1934.
De wijze waarop een burgemeester rond de jaren zestig werd aangesteld is
illustratief. In tegenstelling tot de Verenigde Staten, waar burgemeesters
worden gekozen, werden (en worden) ze in Nederland benoemd door de Kroon
(dat is, door het ministerie van Binnenlandse Zaken en de commissaris van de
koningin van de betreffende provincie), gewoonlijk vanwege hun gebleken
geschiktheid als overheidsfunctionaris. Het was niet vereist dat ze
afkomstig waren uit de streek waar ze werden benoemd; dit werd zelfs als
nadeel gezien voor een functie die werd verondersteld a-politiek te zijn.
Vanaf het begin van de twintigste eeuw | | | | werd het echter een
gewoonte dat een burgemeester voortkwam uit een subculturele zuil of een
politieke partij die in de gemeente sterk was vertegenwoordigd.16 Burgemeesters werden gezien als
afgevaardigden van de regering en van de koningin17 en kregen als zodanig grote bevoegdheden in het
handhaven van de openbare orde. Zo hadden ze gezag over de lokale politie.
Aan alle openbare bijeenkomsten konden ze voorwaarden stellen of die in het
geheel verbieden; alle bijeenkomsten in de open lucht waren afhankelijk van
hun toestemming. Bioscopen waren sinds 1926 de enige uitzondering op dit
burgemeesterlijk prerogatief, maar de burgemeesters konden zelfs het
vertonen van een film verbieden wanneer zij die schadelijk achtten voor de
openbare orde. Zo verbood die van Apeldoorn in 1955 de vertoning van de
Amerikaanse film Rock Around the Clock en nog in 1964
sprak de burgemeester van Nijmegen zijn veto uit over Slagschip
Potemkin.18 Het was niet mogelijk
appèl aan te tekenen en bezwaren vanuit de gemeenteraad hadden
geen wettelijke kracht. Toen bij voorbeeld in 1966 de op orde en fatsoen
gestelde burgemeester van Heemstede, mr. A.G.A. ridder van Rappard, het
cabaretgezelschap Tingel Tangel verhinderde op te treden, tenzij satirische
teksten over het koninklijk huis achterwege zouden worden gelaten,
protesteerde de gemeenteraad tevergeefs.19
Maar burgemeesters waren niet de enige overheidsfunctionarissen die de
beschikking hadden over een groot arsenaal aan bevoegdheden. Ook ambtenaren
hadden, buiten het blikveld van het parlement, veel handelingsvrijheid.
Wetgevers lieten een groot deel van de beslissingen omtrent de implementatie
van wetten aan hen over.20 Daarnaast
werd aan officieren van justitie en rechters veel vrijheid gegeven om te
beslissen of een zaak zou worden vervolgd, of een persoon zou worden
bestraft en in hoeverre ad hoc niet-juridische
alternatieven gevonden konden worden om recht te doen (onderdeel van het
zogenaamde ‘opportuniteitsprincipe’ in de
jurisprudentie). Soms gaven zij voorkeur aan het gedogen van illegale
activiteiten als ze meenden dat de openbare orde er niet door zou worden
bedreigd. Het Nederlandse rechtssysteem was, vergeleken met het Amerikaanse,
eigenlijk tamelijk mild; gevangenisstraffen overschreden zelden de drie
jaar21
(minimumstraffen waren verbijsterend laag; voor moord was het
één dag voorwaardelijk, voor veel misdrijven een
voorwaardelijke boete van vijftig cent22). De Nederlandse jurisprudentie werd na de oorlog sterk
beïnvloed door de ‘Utrechtse School’,
bestaande uit een aantal psychologen en juristen (voornamelijk christelijke
humanisten), die het geloof deelden dat rechters, openbare aanklagers,
maatschappelijk werkers en psychologen moeten samenwerken om de mensen te
helpen die | | | | rehabilitatie nodig hadden.23 Deze school was waarschijnlijk de hoogste uitdrukking van het
verlichte paternalisme onder Nederlandse regenten.
De regenten waren, kortom, verlichte oligarchen, die
binnenskamers opereerden zonder veel wettelijk of
geïnstitutionaliseerd toezicht te hoeven duchten. De Nederlandse
grondwet kende geen sterk ontwikkelde grondrechten; pas in 1983 werden als
gevolg van de ‘rechten-revolutie’ een aantal
grondrechten vastgelegd. Ook de Nederlandse pers belaagde de autoriteiten
niet. Omdat de pers grotendeels was verzuild, waren zowel redacteuren als
politici ervan overtuigd dat de media een dienende rol behoorden te
vervullen om hun onderscheiden zuilen te steunen. Sensationele pers en
roddelbladen kwamen niet veel voor en deze schrijfstijl werd sterk
ontmoedigd en zelden beoefend; redacteuren beschouwden zelfbeheersing als
één van de kenmerken van verantwoorde
journalistiek.24 Rechters werden beschermd door wetten en
regels op het publiceren van procesinformatie, beperkingen waaraan de pers
zich vrijwillig had onderworpen. De toepassing van burgerrechten werd dus
grotendeels bepaald door de discretie van ambtenaren, in tegenstelling tot
de situatie in Amerika waar rechten scherp omlijnd zijn. Of de hand werd
gehouden aan wetten hing af van de mening van de Nederlandse autoriteiten
over de redelijkheid en noodzaak ervan voor het bewaren van de openbare
orde. Van burgers werd verwacht dit beleid te eerbiedigen en zich ernaar te
voegen.
| |
De toenemende ‘gezagscrisis’
Tegen de jaren zestig was het goedwillende paternalisme van de Nederlandse
overheden niet langer een vanzelfsprekende zaak voor grote delen van de
bevolking. Vooral na 1945 onderging Nederland, evenals veel andere landen,
een aantal sociale en politieke veranderingen die het vertrouwen in alle
vormen van gezag (zowel binnen overheid, familie als kerk) leken te
ondermijnen. Na de naoorlogse opbouwperiode en met de afnemende dreiging van
de Koude Oorlog nam de maatschappelijke consensus af en groeide het
wantrouwen tegenover gezagdragers. Vanaf 1960 vermeerderde het aantal
stakingen, die in de jaren vijftig slechts sporadisch voorkwamen, als gevolg
van een toename van het aantal conflicten tussen werkgevers en werknemers
over loonsverhogingen. Ook politieke protesten, zoals de botsing in 1963
tussen de Amsterdamse politie en demonstranten die wilden dat Portugal het
lidmaatschap van de NAVO werd ontzegd, kwamen steeds vaker voor.
Instellingen die eens grote zeggingskracht hadden in het leven van veel
mensen, verloren invloed naarmate | | | | de mobiliteit en
onafhankelijkheid door urbanisatie en de welvaartsstaat toenam. Kinderen
waren eerder zelfstandig en werden daartoe ook aangemoedigd door een nieuwe
burgerlijke ethiek die door moderne, psychologische inzichten werd gevoed.
Daarnaast gaven vrije tijd en verveling veel jongeren de kans het gezag te
tarten. In de welvaartsstaat, met weinig meer tot haar beschikking dan
bestuurlijk, ‘rationeel’ gezag, bleek steeds
duidelijker het gebrek aan middelen die tot gehoorzaamheid konden
inspireren. Vooral in Nederland speelde daarnaast de neergang van het
kerkelijk gezag een belangrijke rol in het verdwijnen van het traditionele
respect voor autoriteiten. Zelfs de bezettingstijd was van invloed geweest
op deze ontwikkelingen, vooral voor hen die betrokken waren geweest bij
illegale activiteiten tegen de Duitse bezetters. Voor velen, waarschijnlijk
voornamelijk voor calvinisten, was ‘illegaliteit’
namelijk een traumatische, maar moreel noodzakelijke, stap geweest waarvan
de gevolgen doorwerkten tot vér na de oorlog; sommige (niet alle)
verzetsmensen kwamen nooit meer helemaal over hun argwaan jegens burgerlijk
gezag heen.25 De generatie van na 1945 weerspiegelde dit
scepticisme: leerde de oorlog haar niet dat bewust verzet tegen autoriteiten
vaak gerechtvaardigd was?26
Hoewel het niet vaststaat in hoeverre deze generatie het vertrouwen in het
gezag verloor door de oorlog, groeiden hierover
wél twijfels onder de oudere generatie, die gevoelig bleek voor
de door jongeren geuitte aantijgingen dat bezetting, collaboratie en
Holocaust haar gezag hadden ondermijnd.
Tegen het midden van de jaren zestig namen traditionele opvattingen over het
gezag dus snel in kracht af. Een opmerkelijk voorbeeld van deze verandering
was het standpunt van prof. H.J. van Zuthem en een aantal (vooral jongere)
ARP-leden. De Anti-Revolutionaire Partij was lange tijd de overtuiging
toegedaan dat het gezag een goddelijke oorsprong had en keurde daarom
revolutie af. Maar Van Zuthem kwam plotseling met een ander standpunt:
‘gezag’ was eigenlijk macht, verleend door de
geregeerden, dientengevolge behoorden alle mensen zich te verzetten wanneer
machtsuitoefening onrechtvaardig was.27 Een deel van de oude
garde was fel gekant tegen de visie van de hoogleraar, maar de opkomst van
Van Zuthem en andere ‘radicale’ antirevolutionairen
geeft aan hoe diep het wantrouwen tegen het gezag was geworden. Als het
gehoorzamen aan het gezag al in de ARP onder vuur werd genomen, kon niet
worden verwacht dat in enige andere grote partij het gezag op een voetstuk
bleef staan, en dat was ook niet het geval. Zowel politici als
intellectuelen waren al tot de overtuiging gekomen dat ‘de
tijden’ de oude vormen van gezag onhoudbaar hadden gemaakt. De
socioloog J.M.M. de Valk zei in 1966 | | | | dat absoluut gezag
‘uit de tijd’ was, en dat het behoorde bij de sociale-
en familieverhoudingen van het verleden.28 In het
midden van de jaren zestig werd de uitdrukking
‘gezagscrisis’ zo vaak genoemd, dat het
gerechtvaardigd is te veronderstellen dat veel Nederlanders deze
‘crisis’ beschouwden als een boven alle twijfel
verheven kenmerk van die tijd.
Veel Nederlandse autoriteiten leken niet te weten hoe zij zich moesten
aanpassen aan de nieuwe tijden, een indruk die werd versterkt door de
berichtgeving in de media. Een deel van het probleem werd feitelijk
veroorzaakt door de nieuwe televisiecultuur. De meeste Nederlandse politici
waren niet verkozen vanwege hun aantrekkelijke uiterlijk of hun vermogen om
indruk te maken voor een camera, waardoor velen op de televisie vrij
kleurloos en saai overkwamen.29
In het midden van de jaren zestig werd geregeld de stelling geponeerd dat
onhandige missers op de televisie van eens hogelijk gerespecteerde politici
een oorzaak was van hun gezagsverlies - een stelling die er vervolgens aan
bijdroeg dat hun gezag daadwerkelijk werd ondermijnd.30 Nog
belangrijker was dat de Nederlandse media de politici, die zij tot dan toe
zo beleefd hadden benaderd, kritisch onder de loep begonnen te nemen. De
loyaliteit ten opzichte van de zuilen was afgenomen en professionalisering
ging een steeds grotere rol spelen; journalisten probeerden te voldoen aan
een nieuwe, harde norm. Nederlandse televisieverslaggevers namen bij
voorbeeld de confronterende aanpak van de Britse televisie over.31 Doordat verslaggevers hun nieuwe
onafhankelijkheid wilden bewijzen, veranderde de journalistieke stijl vrij
plotseling van behoedzame dienstbaarheid tot onbeleefde directheid. Een deel
van de verandering was te wijten aan het verschil tussen generaties; Jan
Bank herinnert zich uit het midden van de jaren zestig de scherpe conflicten
bij De Volkskrant tussen de oude garde en jongere
journalisten (waartoe hij behoorde), vooral over thema's als de provo's en
de visie op autoriteiten.32 Veel politici voelden zich in elk
geval niet op hun gemak met de nieuwe wijze van journalistiek bedrijven en
gaven Nederlanders daardoor de indruk dat zij de uitdagingen van een
‘moderne’ democratie niet aankonden.33
In dit milieu begon de pers berichten te publiceren waarin de
eigenmachtigheid van de regenten naar voren kwam: studentenbladen die werden
geconfisqueerd, burgemeesters die de vertoning van onschadelijke films
verboden, harde politie-optredens tegen onschuldige burgers. In 1964
schreven een paar vooraanstaande Nederlanders, waaronder de journalist
Hofland, een boek waarin de fouten en gewelddadigheden van de Amsterdamse
politie onder toezicht van een onverschillige gemeentelijke overheid uit de
doeken werden gedaan.34 De kranten
publiceerden | | | | verhalen over personen die werden berecht voor
misdragingen die, volgens de nieuwste inzichten, niet voor vervolging in
aanmerking kwamen, zoals Bram de Swaan (1965) en Gerard van het Reve (1966)
wegens ‘smalende godslastering’.35 Zo raakten vele Nederlanders
ervan overtuigd dat ‘de feodale geest van het GEZAG’
zoals Harry Mulisch het in 1966 verwoordde, nog steeds heerste in
Nederland.36
| |
Rellen in Amsterdam, 1965-1966
Nergens scheen de ‘feodale geest’ in het midden van de
jaren zestig duidelijker zichtbaar dan in Amsterdam. En nergens zou het
GEZAG een dramatischer verandering ondergaan dan in de hoofdstad. Als
gemeenschap waar vaak protesten werden gehoord was Amsterdam van oudsher een
lastige stad om te besturen (zie hoofdstuk vier). In tegenstelling tot de
meeste andere plaatsen in Nederland wantrouwden haar inwoners de politie. De
situatie binnen het politiekorps wekte dan ook weinig vertrouwen. Het tekort
op de gemeentelijke begroting van tachtig tot honderd miljoen gulden deed
zich ook daar gevoelen; geschat werd dat er een tekort was van ongeveer
vijfhonderd politieagenten.37 Pogingen om meer politie aan te trekken
hadden weinig succes, de meeste agenten konden, vanwege de lage
werkloosheid, kiezen voor een aanstelling in plaatsen die minder belastend
waren dan Amsterdam. Bovendien waren de meeste politieagenten in de
hoofdstad afkomstig uit de provincie, omdat maar weinig Amsterdammers bereid
waren het korps te versterken. Een groot deel van de agenten hield er
conservatieve politieke overtuigingen op na, in tegenstelling tot de
inwoners van het linkse Amsterdam.38 Een aantal agenten was zelfs aangenomen tijdens de
bezettingsjaren. Het resultaat was een politiemacht waarvan de
no-nonsense-opvattingen over recht en orde botsten met de anarchistische en
vrijheidslievende tradities van Amsterdam, een situatie die uitnodigde tot
wederzijdse minachting en tegen het midden van de jaren zestig escaleerde in
geweld.39
Daarnaast was het korps tamelijk slecht georganiseerd. Het bestuur was
gedecentraliseerd, zodat de commissarissen van de tien politieafdelingen
zelfstandig beslisten over de wijze waarop binnen hun jurisdictie recht werd
gedaan. De stadomspannende samenwerking was weinig ontwikkeld; soms verjoeg
de politie in het ene district bij voorbeeld lastige nozems naar het
naastliggende district. Om het nog erger te maken was het vanwege
structurele en personele tekortkomingen ook niet mogelijk om in tijden van
crisis op een effectieve manier bevelen door te geven. In elke gemeente was
de hoofdcommissaris van de politie formeel gezien | | | |
verantwoording schuldig aan zes verschillende hoger geplaatsten: de
burgemeester, de minister van Binnenlandse Zaken, de minister van Justitie,
de commissaris van de koningin, de procureur-generaal en de lokale
officieren van justitie.40 Onderzoekers hadden deze onhanteerbare regeling al vaak
bekritiseerd, maar dat had nog steeds niet geleid tot ingrijpende
hervormingen.41 In Amsterdam werd dit nog verergerd door de
slechte verhouding tussen de hoofdcommissaris H.D. van der Molen en
burgemeester Van Hall, een situatie die beiden oplosten door zo min mogelijk
met elkaar te communiceren.
Door al deze omstandigheden waren de Amsterdamse autoriteiten bijzonder
slecht in staat de ondermijnende aanvallen op hun gezag in 1965 en 1966 af
te slaan. In deze jaren ontstonden vier belangrijke conflictsituaties tussen
burgers en autoriteiten. De bekendste bron van conflicten was uiteraard de
provobeweging, die laat in de zomer van 1965 op zaterdagavonden happenings
organiseerde op het Spui. Deze happenings vereisten toestemming van de
burgemeester, een regel waaraan de anarchistische provo's
voorbijgingen.42 Het werd aan de politie overgelaten of zij deze illegale
happenings zou negeren (zoals werd gedaan in de dagen van Robert Jasper
Grootveld), of - uit angst voor verstoring van de openbare orde - de
‘nozems’ rond de happenings uiteen zou jagen. In haar
onzekerheid probeerde ze allebei.43
Ongelukkig voor de politie hing de populariteit van de happenings al snel
bijna geheel af van haar aanwezigheid; mensen verschenen alleen wanneer een
botsing tussen de politie en provo op handen leek te zijn.44 Het publiek werd in die verwachting niet altijd
teleurgesteld. In een aantal gevallen begaf de politie zich tussen de
menigte in een poging deze te verspreiden en deelde zij klappen uit.45 De botsingen
kregen veel aandacht in de pers en gaven zo de indruk dat Amsterdam op het
randje stond van de anarchie.
Ten tweede werd de Amsterdamse politie betrokken in een conflict waar ze zelf
niet geheel de oorzaak van was. In juni 1965 kondigde het koninklijk huis de
verloving aan van kroonprinses Beatrix met Claus von Amsberg. Dat Claus in
dienst was geweest bij de Wehrmacht wekte veel weerstand
onder de Nederlandse bevolking (zie hoofdstukken twee en vier). Veel
vooraanstaande Amsterdammers weigerden de huwelijksceremonie bij te wonen.
De partnerkeuze van Beatrix kwam de republikeinen (sterk vertegenwoordigd in
de PSP) ten goede en bood de provo's gelegenheid in opstand te komen (zie
hoofdstuk vier). Om nog steeds onduidelijke redenen besloot het kabinet-Cals
het huwelijk in Amsterdam te laten voltrekken, ondanks de ernstige
bedenkingen van Van Hall en vele politici.46
Dit stelde de politie in Amsterdam voor de nieuwe taak | | | | het
anti-Claus protest in goede banen te leiden en de veiligheid bij het
koninklijk huwelijk te garanderen, verantwoordelijkheden die ze op zich nam
met een opmerkelijk gebrek aan zelfvertrouwen. In juli 1965 weerhield zij
met geweld vreedzame demonstranten van het leggen van bloemen bij het
Nationaal Monument uit protest tegen het voorgenomen huwelijk.47 De weken
voorafgaand aan de grote dag waren zenuwslopend voor de politie omdat provo
allerlei plannen maakte om het huwelijk te verstoren. Op 10 maart 1966, de
dag van de huwelijkvoltrekking, reageerde de politie dan ook gewelddadig
toen de provo's er in slaagden rookbommen te gooien en honderden joelden:
‘Lang leve de republiek!’ (voor het roepen van deze
slogan werden enkele demonstranten beboet48). Het
grootste deel van de Nederlandse pers weigerde, uit eerbied voor het
koninklijk huis, veel aandacht te schenken aan de incidenten en de nationale
overheid zuiverde de politie van alle verdenking van het gebruik van
buitensporig geweld. Maar dit bevestigde voor vele Nederlanders slechts de
mening dat alle vormen van gezag vijandig stonden tegenover legitieme
protestbewegingen.
Ten derde wekte het Amsterdamse gezag verontwaardiging door de wijze waarop
zij vreedzame demonstranten in de eerste helft van 1966 behandelde. Op 19
maart, negen dagen na het huwelijk, begon de politie, zonder duidelijk
aanwijsbare reden, in te slaan op de mensen die stonden te wachten om een
fototentoonstelling te bekijken met opnamen van de excessen die door de
politie waren begaan. Dit werd aanleiding tot een mini-rel, die ernstig
genoeg was om Van Hall die avond bij Mies-en-scène van zijn stuk te brengen. In april kreeg de
politie opnieuw een negatieve pers toen drie politiemannen provo Koosje
Koster ontkleedden, nadat zij was gearresteerd omdat ze naar de mening van
de politie de rust had verstoord toen zij krenten uitdeelde onder het
publiek.49 Enige
journalisten bekritiseerden de tamelijk zware straffen (tot drie maanden
gevangenisstraf) die werden uitgedeeld aan provo's voor in wezen politieke
activiteiten. Ook de vreedzame anti-Vietnam-demonstraties, die net van start
waren gegaan, leverden de politie veel problemen op. Deze nieuwe
demonstranten, hoewel nog beperkt in aantal, stelden de gezagdragers in
Amsterdam (en elders) voor ongekende uitdagingen. Geregeld gingen ze voorbij
aan de eis om toestemming te vragen voor hun demonstraties.50 Vooral de
sit-in-demonstraties bleken voor de politie grote problemen op te leveren:
geweld zou zich tegen haar keren en grootschalige arrestaties zouden
moeilijk in de hand te houden zijn. Zo stond de politie hulpeloos toe te
kijken hoe demonstranten stenen gooiden naar de ramen van het Amerikaanse
consulaat.51 De situatie werd nog ingewikkelder
gemaakt | | | | door artikel 117 van het Wetboek van Strafrecht, dat
het beledigen van ‘een bevriend staatshoofd’ strafbaar
stelde; op een overtreding stond tot vier jaar gevangenisstraf.52 Toen demonstranten joelden
‘Johnson moordenaar!’, werd een aantal opgepakt wegens
het beledigen van de Amerikaanse president, met enkele honderden guldens
beboet en in een enkel geval zelfs voor enige dagen achter de tralies
gezet.53 Door dit beleid werd slechts olie op het vuur
gegooid en enkele demonstranten begonnen de politie luidkeels te veroordelen
als ‘SS-ers’ en
‘fascisten’.54
Tot slot waren de rellen van 13 en 14 juni 1966 de ernstigste. Bouwvakkers,
onder wie veel CPN-leden, waren boos toen ze op de avond van de dertiende
juni vernamen dat hun vakantiegeld onderworpen werd aan een vermindering van
twee procent administratiekosten.55
Terwijl zij met elkaar overlegden over vormen van collectieve actie,
verscheen een politiepatrouille, waardoor een spontane rel uitbrak. De
metselaar Jan Weggelaar overleed aan een hartaanval gedurende de eerste
minuten van de botsing, zodat de bouwvakkers de politie beschuldigden van
geweld. De Telegraaf, befaamd om zijn felle
anticommunisme, was de eerste die het rapport van de patholoog-anatoom
publiceerde, waardoor de politie werd ontheven van
verantwoordelijkheid.56 Woedend over wat zij beschouwden als een verdoezeling
van de feiten, stapten de bouwvakkers de volgende ochtend naar het kantoor
van De Telegraaf, vernielden auto's en probeerden zonder
succes het gebouw te bestormen. De politie arriveerde pas nadat de
opstandelingen waren vertrokken, omdat Van der Molen de zaken niet erger
wilde maken door de aanwezigheid van politie. Zowel de hoofdcommissaris als
de burgemeester bemoeiden zich in eerste instantie weinig met deze rellen,
deels vanwege gebrek aan communicatie, deels omdat ze niet te overspannen
wilden reageren.57 Totdat, na verloop van tijd, een massale rel uitbrak in het
stadscentrum en talrijke afdelingen van de rijkspolitie en de marechaussee
naar Amsterdam moesten komen om de orde weer te herstellen.58 Voor het
eerst sinds 1945 werd traangas gebruikt. Toen de rust vroeg in de morgen van
de vijftiende was weergekeerd, waren zesenvijftig mensen gewond geraakt en
was de in Nederland zo gekoesterde orde stukgeslagen.59
| |
Reacties op de Amsterdamse rellen
Onder deze omstandigheden was het voor veel Nederlanders niet moeilijk te
geloven dat hun land (of in elk geval de hoofdstad) tot anarchie was
vervallen. Enkelen spraken zelfs over het instorten van de oude orde.60 Anderen waren minder filosofisch,
maar even ontredderd; de journalist | | | | Hofland merkte op dat in
de bij redacties van kranten ingekomen stukken letterlijk werd gesmeekt om
het nemen van maatregelen tegen demonstranten in de trant van
‘hak ze het hoofd af, gooi ze in de gracht’.61 In een
bevolkingsonderzoek in de lente van 1966 sprak tweeëntachtig
procent van de Nederlanders zich uit vóór een
‘krachtig optreden’ door de politie tegen
overtreders.62 Veel gewone burgers bleven zich verbazen over de
toegeeflijkheid waarmee het ‘schorremorrie’ (zoals Van
Hall het eens noemde) door de gezagshebbers werd omringd en namen het recht
soms in eigen hand. Zo maakten mariniers uit Den Helder uitstapjes naar
Amsterdam om de ‘langharige relschoppers’ in elkaar te
slaan.63 Maar ook redacteuren, politiefunctionarissen64, politici65 en zelfs rechters drongen aan
op een harde aanpak.66 De Amsterdamse advocaat J.J. Abspoel, een man die contacten
met provo's onderhield, sprak van de ‘terreur van de naamlozen
uit de stegen en de sloppen die handelen als de ratten uit de
riolen’.67
En rechter Ubbo Stheeman, hoofd van de Amsterdamse rechtbank, werd onder
veel linkse Nederlanders berucht omdat hij zei dat rechters niet genuanceerd
moesten zijn in hun benadering van overtreders.68
Niettemin deden veel beleidsmakers toch moeite om op
‘genuanceerde’ wijze te spreken over de bedreigingen
van de openbare orde. Veel mensen met sterke
‘progressieve’ idealen uitten al snel kritiek op de
wijze waarop politie en politiek omgingen met de nieuwe onlusten. Al in
september 1965 reageerde de gemeenteraad van Amsterdam kritisch op de harde
manier waarop de politie de provo's aanpakte, zodat zijn toenemende (en
uiteindelijk langdurige) vijandige verhouding tot de politie openbaar
werd.69 Het wekt geen verbazing dat vooral de mensen van
‘radicaal links’ zich uitspraken tegen misstanden bij
autoriteiten. De anarchist A.L. Constandse meende dat provo uitdrukking gaf
aan het groeiende onbehagen over het feit dat Nederlanders niet werkelijk in
een democratie leefden.70 De PSP'ers waren vooral ongelukkig met de pogingen
Amsterdam te veranderen in een ‘politiestad’.71
En deze gevoelens maakten zich in de loop van 1966 al snel meester van
grotere delen van de beter opgeleide bevolking, die zich zorgen maakten over
de zich opstapelende bewijzen van mishandeling door de politie. Jan Wolkers
koos zonder aarzelen partij voor de rebellen en Harry Mulisch schreef dat
zijn Bericht aan de rattenkoning voortkwam uit woede over
het gedrag van de regenten.72 In een
scène van de film Omdat mijn fiets daar stond
van Louis van Gasteren wordt een jongeman in elkaar geslagen door de politie
omdat hij, zoekend naar zijn fiets, politiemarkeringen overschrijdt. Het
verhaal begint met de woorden. ‘Onze democratie is in
gevaar...’.73 Jonge journalisten leverden in
toenemende mate kritiek op machtsmisbruik | | | | door autoriteiten en
publiceerden verhalen van mensen als Geert van Tijn, die werd geraakt door
de politie en vervolgens van de procureur-generaal te horen kreeg dat de
klappen waarschijnlijk bedoeld waren voor iemand anders.74 Ook politici als Hans Gruijters
(VVD, later D'66), Han Lammers (PvdA, al snel aanvoerder van Nieuw Links
binnen zijn partij) en de invloedrijke jurist L.H.C. Hulsman (een adept van
de Utrechtse School) uitten veel kritiek.75 Juni 1966 vielen achthonderdvijftig Nederlanders hen
bij, door in een publieke verklaring te betuigen dat hun
‘rechtsgevoel’ geweld was aangedaan door de manier
waarop de autoriteiten waren omgegaan met legitieme, afwijkende
meningen.76 Volgens deze
critici waren democratische procedures en individuele rechten voor het
functioneren van een ‘moderne’ democratie belangrijker
dan het handhaven van de orde.
Hoewel deze vernieuwers een belangrijke rol zouden speelden in het veranderen
van de regeerstijl van de Nederlandse overheid, waren zij in het midden van
de jaren zestig niet de meest toonaangevende groep in de beleidsvorming.
Voor de meeste politici en bestuurders waren onwettige verstoringen van de
openbare orde geheel onaanvaardbaar, hoe prijzenswaardig
het doel ook was.77 Dat gold ook voor het bewust
provoceren van het gezag. De ‘terreur’ en het
‘nihilisme’ van ‘de straat’
mochten niet worden geduld. Bovendien bleven ze onverzettelijk in hun mening
dat ‘het bestel’ niet fundamenteel verkeerd was. In
hun ogen waren bij voorbeeld de fouten van de politie geïsoleerde
gevallen en niet systematisch.78 Maar tegelijkertijd raakten zij ten diepste geschokt door
de gebeurtenissen van het midden van de jaren zestig. Niet gewend aan dit
soort uitvallen van een van oudsher rustige bevolking, neigden ze ertoe de
ernst van de crisis te overschatten. Ook de
‘jeugdrebellie’ was voor veel gezagdragers een
ingrijpende ontwikkeling, en velen voelden zich pijnlijk getroffen door de
beschuldigingen van fascisme die de demonstranten hen naar het hoofd
slingerden. Het gevolg was dat die elites aarzelden de opstandige jongeren
hard aan te pakken, om te voorkomen dat ze zouden worden aangezien voor
nazi's en de generatiekloof zich zou verbreden. Hun nadruk op ordehandhaving
werd bovendien verzacht door morele twijfel. ‘Hoe geef je de
jonge mensen (...) het idee dat niet alles wat we doen en nastreven onzin
is?’ was een vraag die werd gesteld door de Amsterdamse
loco-burgemeester P.J. Koets (1967-1970).79
Welke de redenen ook mochten zijn, het Nederlandse burgerlijke gezag was zo
geschokt door de gebeurtenissen van 1965-1966 dat het besloot een dergelijk
situatie nooit meer voor te laten komen.80 Het is opmerkelijk hoe
vaak Nederlandse commentatoren spraken en schreven | | | | over de
onlusten als over een diepe crisis, een keerpunt, alsof het
‘schrift op de wand’ zichtbaar was voor iedereen.81 De fundamentele oorzaak van het probleem was naar hun idee niet
moeilijk te identificeren: een snel veranderende samenleving, in conflict
gekomen met verouderde structuren. Samkalden, de socialistische minister van
Justitie en een intellectueel, verklaarde voor het televisiepubliek in juni
1966:
‘Onder invloed van techniek, nieuwe verbindingen,
opgroei van nieuwe generaties verandert onze samenleving snel. Ook de
spanning die ontstaat tussen een samenleving en het erin geldend gezag
wisselt voortdurend.’82
Marga Klompé, minister van CRM (1967-1971), zei het iets anders:
‘Er voltrekken zich momenteel zoveel veranderingen in de
samenleving en dat is er de oorzaak van dat het hele mensdom een beetje
onzeker is. Dus ook de jeugd. Als de jongeren revolteren tegen de
samenleving, die eigenlijk nog werkt met verouderde structuren, dan is dat
een gezond verschijnsel.’83
Hoe serieus sommige politici de aanval op de ‘verouderde
structuren’ opnamen blijkt uit het
‘probleem’ van de monarchie. De Irene-affaire van
1964, inclusief de weinig tegemoetkomende wijze waarop paleis Soestdijk
daarmee omging, had de reputatie van de monarchie al aangetast.84 Veel onderzoekers interpreteerden de
tegenstand tegen Claus en de bijkomende opkomst van het republikeins
gedachtengoed als voortekenen van de ondergang van de monarchie. Linkse
PvdA'ers zoals Lammers stelden voor om de monarchie na Juliana op te
heffen.85 De sterke toename van
kritiek deed zelfs de voorstanders van de monarchie twijfelen aan haar
toekomstig bestaan. ‘De geest van de tijd is niet een geest die
het koningschap favoriseert’, meende de voormalige secretaris van
koningin Wilhelmina, Thijs Booy. Volgens hem had de monarchie voor veel
mensen geen toekomst meer.86 G.M. Nederhorst, de
gematigde fractievoorzitter van de PvdA, was van mening dat Juliana en
Beatrix zelf geen duidelijk idee hadden van hun koninklijke taken en liet
een aantal partijgenoten weten dat de negatieve publiciteit op radio en
televisie het einde van de constitutionele monarchie inluidde.87 Veel elites gaven een
toekomstige republiek in elk geval een zeer reële kans.88
Maar uiteindelijk bleek nooit meer dan tien procent van de bevolking voor de
republiek te voelen89, en toen Beatrix en
Claus in 1967 de Nederlandse bevolking verblijdden met een zoon, groeide het
publieke vertrouwen in de monarchie. De vrees van sommige gezaghebbers voor
het voortbestaan van het Huis van Oranje in ‘veranderende
tijden’ bleek dus overtrokken.
Toch bleef het idee niet voldoende bij de tijd te zijn een terugkerend | | | | thema in de discussies over recht en orde van het midden van
de jaren zestig. Het was, volgens de ARP-burgemeester J.J.G. Boot van
Hilversum, gepast om de vraag te stellen ofhet overheidsapparaat nog steeds
voldeed aan de eisen van de tijd.90 Veel bestuurders en politici trokken de
conclusie dat de ondoelmatigheid en ouderwetsheid van grote delen van het
overheidsapparaat een grote rol speelden in de betreurenswaardige incidenten
van 1965 en 1966. Te vaak hadden de autoriteiten niet toereikend gereageerd
op de ‘veranderende tijden’ met het gevolg dat het
recht van de burgers op een goed bestuur was tekortgedaan. Nergens kwam de
uitdaging van de ‘veranderende tijden’ duidelijker
naar voren dan in het zogenaamde Enschede-Rapport, genoemd naar de
voorzitter van de regeringscommissie die de onlusten in Amsterdam
onderzocht.91 Toen de historicus Doeko Bosscher het
rapport recentelijk onder de loep nam, was hij van oordeel dat er te weinig
aandacht was besteed aan de historische achtergrond van de rellen.92 Maar die werd niet nodig geacht door de
onderzoekers voor wie ‘de externe factoren’ evident
waren: onzekerheid over de toekomst (vanwege de sociale veranderingen), de
opkomst van een naoorlogse generatie en de stedelijke problematiek (zoals
woningnood en toenemend individualisme). De ‘moderne’
samenleving maakte de ‘traditionele’ vormen van gezag
onhoudbaar.93 Sterk
beïnvloed door het sociaal-wetenschappelijk gedachtengoed zagen
de opstellers van het rapport (vrijwel allemaal ambtenaren, academici en
politici) zich overspoeld door een golf van vrijwel onstuitbare
ontwikkelingen.
Het was duidelijk dat de ‘modernisering’ van de politie
in elk geval dringend noodzakelijk was. Nederland had een zinnige
no-nonsense benadering van wetsovertreders nodig, met korte
communicatielijnen en betere samenwerking tussen politiekorpsen onderling,
de politici en het justitiële apparaat.94 Zowel de burgers als politie moesten weer
gevoel voor het stellen van grenzen krijgen.95 In nieuwsbladen kwamen Rotterdam en Utrecht naar voren als
steden die Amsterdamse toestanden hadden vermeden door gebruik te maken van
‘moderne’ benaderingen (zoals gerichte arrestaties in
plaats van gewelddadige stopzetting van demonstraties).96
Politiefunctionarissen waren zeer gespitst op het stroomlijnen van hun
politie-apparaat. Van der Molen, die al snel na de onlusten in juni 1966 was
ontslagen, verwoordde de gevoelens van vele collega's toen hij pleitte voor
een modern, verenigd politiekorps:
‘...waartegen de huidige situatie met allerlei
gemeentelijke korpsen en korpsjes wel ouderwets afsteekt. Wanneer we in het
huidige bestel met de tijd mee willen gaan en een goed politieapparaat
willen opbouwen, dan is centrale leiding onontbeerlijk.’97
| | | |
De psycholoog F.J.E. Hogewind meende dat de politie mee moest
‘groeien’ met de samenleving waarvan zij deel
uitmaakten. Dat kon volgens hem het best worden bereikt door in de
politieschool meer aandacht te besteden aan sociologie en psychologie.98 Het was de meeste
vernieuwers duidelijk dat de politie was genoodzaakt de modernste inzichten
en technieken toe te passen in de uitoefening van haar beroep.
De grote sociale en culturele veranderingen vereisten naast structurele
modernisering ook aanpassing aan (en tevens richting geven aan) de steeds
sterker wordende ‘vernieuwende’ krachten in de
samenleving. Minister Samkalden, die al spoedig Van Hall als burgemeester
van Amsterdam zou opvolgen, probeerde in juni 1966 duidelijk te maken dat
zijn regering open stond voor alle nieuwe ideeën die naar voren
werden gebracht, zolang die maar binnen de
‘spelregels’ van de
‘rechtsstaat’ zouden blijven.99 Het centrum-rechtse
kabinet-de Jong (1967-1971) hield er dezelfde visie op na. Terwijl zij
waarschuwden tegen de provocaties en ‘achterbaksheid’
van sommige demonstranten, konden minister van Binnenlandse Zaken H.K.J.
Beernink (CHU) en minister van Justitie C.H.F. Polak (VVD) ook een belofte
doen:
‘Blijven de strijdmiddelen eerlijk, dan zal het bestuur
erop bedacht moeten zijn zich snel aan de gewijzigde omstandigheden aan te
passen. Dit eist fantasie en begrip voor wat er leeft onder de
bevolking.’100
Anders gezegd, openlijke rebellie zou niet worden getolereerd, maar de
autoriteiten zouden wel op zoek gaan naar mogelijkheden om het aantal
conflictpunten te beperken. Dit betekende dat de
‘ouderwetse’ regenten-mentaliteit afgeschud moest
worden en alles wat als zodanig zou kunnen worden opgevat overboord worden
gezet.101 Ze schenen te veronderstellen dat een grondig begrip van de
‘moderne’ mens en een flexibele benadering van crises
de gewelddadigheden die ze tot elke prijs wilden vermijden zouden kunnen
voorkomen, en de ontwikkelingen in een aanvaardbare richting kanaliseren. Om
de orde te kunnen handhaven waren de gezagdragers dus bereid opnieuw te
definiëren wat die ordehandhaving inhield. Dit zou
vérstrekkende gevolgen hebben voor de wetgeving en de Nederlandse
samenleving.
De onlusten in Amsterdam in het midden van de jaren zestig hadden de kiem
gelegd voor de beleidsontwikkeling rond rechtshandhaving in het decennium
dat er op volgde. De opvolging van Van Hall door Samkalden in 1967 was
eigenlijk de vervanging van een ‘regent-oude-stijl’,
die niet in staat was gebleken om te gaan met moderne problemen102, door een
bestuurder-nieuwe-stijl, die om de combinatie van standvastigheid en | | | | flexibiliteit alom werd geprezen als een ideale gezagdrager
die zou weten hoe hij de vrede moest handhaven.103 De
‘nieuwe redelijkheid’ van het Nederlandse gezag104 werd de jaren daaropvolgend op minstens drie verschillende
manieren duidelijk: 1) in het ‘verfijnen’ van de
techniek waarop met burgelijke ongehoorzaamheid en onrust werd omgegaan; 2)
in aanzienlijke structurele hervormingen bij de universiteiten; en 3) in het
versoepelen van de wetgeving die betrekking had op het
‘privé’-leven: pornografie, abortus, drugs
en euthanasie. In al deze gevallen speelden de bestuurlijke en pragmatische
vernieuwers een cruciale rol. Hun pogingen om de sociale veranderingen te
beperken en te kanaliseren zouden een grote bijdrage leveren aan de
liberalisering in de jaren na 1967.
| |
Ordehandhaving, 1967-1974
‘Moderne’ inzichten en technieken werden al snel als
onmisbaar beschouwd in de Nederlandse rechtshandhaving. De politie, die
volgens veel deskundigen al te lang te weinig aandacht had gekregen, stond
ineens midden in de belangstelling.105 In de opleiding werden voortaan sociaalwetenschappelijke
inzichten sterk benadrukt. ‘Politiemannen-nieuwe-stijl (...)
voelen meer voor de psychologische aanpak’ berichtte Het Parool in 1968.106 Het
‘begrijpen’ van mensen en hun sociale omgeving werd
essentieel voor politieagenten. Ook werd hen de mogelijkheid gegeven
‘om even [te] kunnen uithuilen’, zoals politiechef
H.W. Offers het verwoordde.107 De
Amsterdamse politie benoemde eindelijk een maatschappelijk werker om de
politieagenten te kunnen helpen met hun problemen, een
‘modern’ initiatief dat op veel andere plaatsen al
enige tijd was doorgevoerd.108 En vanafhet midden van de jaren zestig werd ‘public
relations’ een steeds belangrijker onderdeel.109 Hoewel de moderne politieagenten nog niet
helemaal leken op de aardige uitdelers van kippepoten die de provo's voor
ogen hadden in het Witte Kippen Plan, was het imago dat men probeerde op te
bouwen bewust veel vriendelijker en minder autoritair dan voorheen. Het was
bovendien een imago waaraan veel politieleiders steeds meer waarde gingen
hechtten en dat zij, om het uitlokken van onnoodzakelijke opstandjes te
vermijden, niet meer wilden opgeven.
De nieuwe vriendelijke benadering verspreidde zich naar bredere kringen van
de rechtshandhaving. Tot de overtuiging gekomen dat langere
gevangenisstraffen de misdaad niet afschrikten, probeerden Nederlandse
autoriteiten in de jaren zestig steeds vaker andere vormen te vinden om
misdadigers aan te pakken, beïnvloed als zij waren door
maatschappelijk | | | | werkers en psychologen binnen de eigen
gelederen. De gevangenispopulatie verminderde in een tijd dat de misdaad -
vooral diefstal - toenam.110 In 1963
verbleven er gemiddeld 3.550 mensen in Nederlandse gevangenissen, in 1972
was dat aantal gedaald tot 2.742. Dit kwam grotendeels doordat de duur van
de gevangenisstraffen daalde, van gemiddeld vijfenvijftig dagen in 1963 tot
achtendertig in 1972.111 In de jaren zeventig waren
deze cijfers in Nederland lager dan in enig ander land ter wereld. Dit was
gedeeltelijk dankzij de humanitaire invloed van de Utrechtse School,
gedeeltelijk dankzij het nieuwe pragmatisme in het strafrecht.112 Politici en politiechefs werden steeds pragmatischer
in het handhaven van de orde en besloten vaak tot een terughoudend
politieoptreden bij conflicten met rebellen of demonstranten. Dit was niet
alleen het geval in Amsterdam, maar ook in kleinere steden, zoals Assen,
waar de lokale autoriteiten een andere aanpak formuleerden voor het
handhaven van de orde bij de jaarlijkse T.T.-races.113
Ook werden de richtlijnen voor het houden van demonstraties versoepeld,
hoewel de toepassing afhankelijk was van de lokale autoriteiten.114 In Amsterdam waren
demonstranten verplicht de gemeente te informeren over de route die ze
zouden nemen, maar toestemming vragen hoefde niet meer, hoewel de gemeente
nog wel het recht had een demonstratie te verbieden. Ook het recht op vrije
meningsuiting werd verruimd. In 1967 werden demonstranten minder vaak beboet
voor het beledigen van president Johnson, waren de boetes lager en twee jaar
later namen de vervolgingen een einde.115 Onmiskenbaar
misbruik van dit recht bleef strafbaar; zo werd in 1969 een student door een
boze rechter tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld omdat hij riep:
‘Weg met de oranjehoeren van het koninklijk
huis’.116 In het algemeen was de
enige ‘vrije meningsuiting’ die aan het einde van de
jaren zestig gevaar liep bestraft te worden pornografie117, maar zelfs dat gebeurde zelden en
de kans om vervolgd te worden werd steeds kleiner (zie laatste paragraaf van
dit hoofdstuk).
In de eerste maanden van 1969 scheen het nieuwe beleid aan te slaan.
Burgemeester Samkalden, hard bezig met de centralisatie en vernieuwing van
het Amsterdamse politiekorps118, gaf in april 1969
uitdrukking aan zijn vreugde over de tamelijk vredige relaties die toen
tussen burgers en politie bestonden:
‘Wij trachten de politie toe te rusten voor een taak,
dit er vooral in bestaat dat men met zo gering mogelijk middelen optreedt
tegen voor de stad schadelijke effecten van ordeverstoringen. Middelen, die
doelmatig zijn, maar niet bij de burgerij de indruk wekken, dat er excessief
gereageerd wordt op zaken die ook op een rustiger wijze bestreden hadden
kunnen worden.’119
| | | |
Maar toen Samkalden deze woorden sprak was een tweede golf ernstige onlusten
nog slechts enkele dagen verwijderd. De laatste week van april was de Dam
het centrum van rellen en in mei plaatste de bezetting van gebouwen van de
Gemeentelijke Universiteit de Amsterdamse autoriteiten voor burgerlijke
ongehoorzaamheid van ongewoon grote omvang (zie volgende paragraaf).
Daarnaast leidden de pogingen aan het einde van 1969 en het begin van 1970
om het gebruik van de Dam door toeristen in te perken tot relletjes (zie
hoofdstuk vier).120 En het einde leek nog niet in zicht. Ook de
ontluikende krakersbeweging maakte het de autoriteiten moeilijk en
uiteindelijk culmineerde deze in rellen in de buurt van de Nieuwmarkt in
december 1974. De beslissing om uitvoering te geven aan de plannen voor het
bouwen van een metro onder een vervallen wijk in Amsterdam, waarvoor
gemeentefunctionarissen als Samkalden en Lamniers zich al lange tijd hadden
ingezet, stuitte op groot protest van de buurtbewoners, waaronder krakers,
die stenen gooiden naar constructiewerkers en politie.121 In alle drie de gevallen (de
Dam, de bezetting en de Nieuwmarkt) hadden de gemeentefunctionarissen
weloverwogen confrontaties vermeden en in even zo vele gevallen voelden zij
zich na een lange wachttijd gedwongen een massale politiemacht bij elkaar te
roepen. De Amsterdamse autoriteiten hadden er niet op gerekend dat de
burgers zo weinig onder de indruk zouden zijn van hun verdraagzaamheid. Ook
in Rotterdam en Den Haag gebruikte de politie geweld tegen relschoppers,
nadat zij eerst de ‘moderne’, vriendelijker
benaderingen had geprobeerd.122 Dit was een tendens die in heel de jaren zeventig
merkbaar bleef.
De Nederlandse overheden werden in het begin jaren zeventig geconfronteerd
met een scherpe toename van burgerlijke ongehoorzaamheid in heel het land.
Ontevreden met de parlementaire democratie en losgeweekt van traditionele
partijen werden veel burgers, vooral de jongere, actief in publieke
protestacties (of aksies, voor de fonetisch radicalen).
Hoewel het aantal protesten nooit groter zou zijn dan in andere Westeuropese
landen, stelde de snelle toename ervan de autoriteiten voor grote
problemen.123 Veel
acties bestonden uit burgerlijke ongehoorzaamheid, een methode die populair
was geworden na de verschijning van C.J.M. Schuyts Recht, orde
en burgerlijke ongehoorzaamheid (1972). Dit boek, dat was
geïnspireerd door de strijd voor burgerrechten in de Verenigde
Staten, werd een handboek voor veel Nederlandse activisten. Schuyt gaf
hierin ‘gepaste’ vormen van illegaal protest aan en
deed een dringend beroep op de autoriteiten om diegenen vrij te spreken die
zich hadden bediend van deze vormen van protest.124
Hoewel de regering in het begin van de jaren zeventig de bevoegdheid | | | | van lokale overheden om samenscholingen te verbieden of te
beperken vergrootte125 en rechters in bewuste burgerlijke
ongehoorzaamheid meestal geen reden zagen tot vrijspraak126, probeerden autoriteiten over het algemeen toch
conflicten te voorkomen. Zij wilden de fouten die in 1966 waren gemaakt
vermijden en waren erop gespitst geen verzet uit te lokken door het hanteren
van harde methoden of strenge vonnissen. De toename van het aantal protesten
was een sociale ontwikkeling die een meer flexibele benadering vereiste. Zo
konden de demonstranten tegen de Vietnamoorlog die het Amerikaanse consulaat
in Amsterdam blokkeerden, in januari 1973 gaan met een boete van
vijfentwintig gulden.127 Midden jaren
zeventig werd burgerlijke ongehoorzaamheid min of meer getolereerd door de
Nederlandse overheden, vooral als zij niet gepaard ging met geweld of
beschadiging van eigendommen - een nieuw, hoewel impliciet, sociaal
contract.
Tegen 1975 bleken de Nederlandse autoriteiten dus niet bereid eisen te
stellen aan de burgers die grote weerstand konden opwekken. De volkstelling
van 1971 zou de laatste blijken te zijn in Nederland; het verzet tegen de
opdringerige vragen deed de regering besluiten voor haar statistieken
voortaan gebruik te maken van andere bronnen.128 En in 1974, na jaren
waarin het protest groeide, schafte de regering, ondanks verzet van de
minister van Defensie, de groetplicht bij de strijdkrachten af.129 De gevolgen van het nieuwe laissez-faire-beleid
waren vooral zichtbaar in Amsterdam, waar het politieke klimaat het meest
libertijns was. De politic kon in de ogen van de Amsterdamse gemeenteraad,
die voor een groot deel bestond uit communisten, linkse socialisten en
kabouters, weinig goed doen.130 Dit gevoegd bij het
over het algemeen toch al tolerante klimaat dat er heerste, maakte de
binnenstad in de jaren zeventig tot een gebied waar weinig grenzen werden
gesteld aan menselijk gedrag. Prostitutie gedijde na een lange periode van
stagnatie131 en gokken, druggebruik en andere
ondeugden konden min of meer ongestoord doorgang vinden. Volgens een
politiefunctionaris was criminaliteit in de binnenstad alomtegenwoordig en
raakte de Amsterdamse politie in de loop van de jaren zeventig gewend aan de
kleine criminaliteit.132 Veel critici
meenden dat de autoriteiten teveel hadden toegegeven; enige protestantse
partijen (de CHU, de SGP en het GPV) geloofden stellig dat de politie harder
moest optreden.133 De
politicoloog Hans Daalder herinnert zich hoe hij en zijn vrienden Samkalden
verantwoordelijk hielden voor de chaos waarin Amsterdam was
weggezonken.134 Want de autoriteiten aldaar, en
eigenlijk in heel Nederland, getroostten zich veel moeite te bewijzen dat ze
niet langer onderhevig waren aan een regentenmentaliteit. Volgens de | | | | Britse socioloog Maurice Punch probeerden Nederlandse
gezagdragers elkaar te overtreffen in hun
‘liberalisme’, zodat de politie de laatste wankelende
verdediger van het gezag werd.135
Het ‘liberalisme’ van Nederlandse elites moet echter
niet worden overdreven, in elk geval niet buiten Amsterdam. Burgemeesters en
andere gemeentefunctionarissen bleven het gezag aan zich houden en verzetten
zich tegen teveel invloed van actiegroepen.136 Zelfs
binnen de hoofdstad werden crisisbesluiten (zoals rond de Nieuwmarkt-rellen)
op dezelfde besloten, oligarchische wijze genomen die de oude
regentenmentaliteit had gekenmerkt.137 Door heel het
land kregen politiekorpsen en vervolgers grotere bevoegdheden in het
aanpakken van onaanvaardbare vormen van geweld door burgers. Gezagdragers
bleven meer aandacht schenken aan het behouden van vrijheid dan aan het
uitbreiden daarvan. Toch waren veel Nederlandse autoriteiten van oordeel dat
de voortdurende ‘crisis van het gezag’ veel tact en
flexibiliteit vereiste.138 In hun
ogen was het gebruik van geweld niet alleen moreel afkeurenswaardig, maar
werkte het vooral averechts. ‘Als je tijdig ziet de tekenen des
tijds, dan loopt de zaak niet uit de hand’, was een les die
loco-burgemeester Koets van Amsterdam in Nederlands Oost-Indië
had geleerd.139 De oplossing voor de ‘crisis van het
gezag’ was beleidsvorming aangepast aan moderne gevoeligheden.
Het toestaan van een beetje chaos leek daarom een beperkte prijs voor het op
afstand houden van een onaanvaardbaar peil van wanorde.
| |
Vernieuwing van de universiteiten, 1968-1970
Het aantal studenten aan de universiteiten nam na de Tweede Wereldoorlog
sterk toe. In 1950 waren achtentwintigduizend studenten ingeschreven, in
1960 waren dat er veertigduizend en in 1970 zelfs honderddrieduizend.140 Zowel de markt voor studenten die een
opleiding aan een universiteit of hogeschool hadden afgerond als de
mogelijkheden een hogere opleiding te bekostigen waren veel groter geworden.
De ongekende toegankelijkheid van het hoger onderwijs plaatste de
universiteiten en hogescholen voor ernstige structurele problemen en sociale
spanningen, die in de loop van de jaren zestig toenamen. De priviliges die
de studenten van voorname afkomst en hun studentencorpora genoten, werkten
vervreemdend op veel eerste-generatie-studenten141, en de uitdijende
staf van jonge academici stoorde zich aan de voorrechten van de hoogleraren.
De eerste tekenen van studentenactivisme werden zichtbaar in 1963 met de
oprichting van de Studenten Vakbeweging (SVB). Als
geestes- | | | | kind van de Nijmeegse psychologiestudent A.A.
(‘Ton’) Regtien (1938-1989) streed de SVB voor betere
sociale en financiële voorzieningen voor
‘intellectuele arbeiders’ en voor sociale
betrokkenheid onder studenten.142 De SVB zou
samen met andere studentenorganisaties een grote rol spelen in de
geleidelijke politisering van het Nederlandse studentenleven, een trend die
tegen 1967 duidelijk zichtbaar werd.
Toch kwam het Nederlandse studentenradicalisme, in vergelijking met Frankrijk
en West-Duitsland, nooit werkelijk van de grond. De belangrijkste exponent
was de Katholieke Universiteit van Nijmegen, waar een onevenredig groot
aantal studenten afhankelijk was van overheidsfondsen (midden jaren zestig
de helft van het totaal in Nederland)143 en waar, door het bewuste antikatholicisme van
veel ontzuilde studenten van katholieke afkomst, het marxisme zeer in trek
was. Anderhalf jaar bestond in Nijmegen de Kritiese
Universiteit (KrU), een ‘kritische’
schaduwuniversiteit naar het voorbeeld van West-Berlijn.144 Aan andere universiteiten maakte de
pragmatischer houding van de Nederlandse studenten hen niet ontvankelijk
voor de theoretische benadering van radicale Franse en Duitse
studenten.145 Bovendien waren
zelfs radicale marxisten als Regtien geschokt door de gewelddadige neigingen
die ze ontdekten bij Duitse studentenleiders zoals Rudi Dutschke.146 Kortom, het ontbrak de
Nederlandse studentenbeweging zowel aan de kracht als aan de strijdlust die
elders wel aanwezig waren.147
De revolutie in Parijs van mei 1968 herhaalde zich dus niet in Nederland.
Hoewel de ingrijpende gebeurtenissen veel aandacht trokken bij het
Nederlandse publiek148, bleef het er rustig. Toch wakkerden de
Parijse onlusten de discussies aan die al enige jaren over hervormingen
binnen het universitaire systeem werden gevoerd. Gerhard Veringa, minister
van Onderwijs (KVP), begon in de zomer van 1968 gespreksronden met studenten
over de ‘democratisering’ van de universiteiten.
Ondanks deze contacten waren de studenten bang dat de universiteiten niet
zouden worden vernieuwd in de richting die zij wensten, vooral omdat de
regering openbare onderhandelingen wilde vermijden.149
De vrees van de studenten werd gevoed door het Maris-rapport (1967-1968)
waarin slechts de noodzaak van grotere bestuurlijke efficiëntie
en centralisatie naar voren kwam, zodat het scherp afstak tegen de eis van
veel studenten tot structurele democratisering.150 Op vergelijkbare wijze probeerde de commissie-Posthumus in
haar rapport van eind 1968 hervorming vooral vorm te geven door het
comprimeren van het onderwijsprogrammna.151 Uitvoering van deze voorstellen was echter nog ver
weg en het Marisrapport veroorzaakte zelfs zoveel kritiek (niet in het minst
van hooglera- | | | | ren) dat het al snel werd weggestopt.152 Terwijl de discussies zich voortzetten
groeide het wantrouwen van radicale studenten tegen de motieven van
overheidsfunctionarissen. In februari 1969 eisten studenten van de
Katholieke Hogeschool in Tilburg, waar het wantrouwen het grootst was,
volledige medezeggenschap in alle geledingen van het
universiteitsbestuur.153 Deze eis werd al snel overgenomen
door de studenten van alle andere Nederlandse universiteiten.
Op 29 april 1969 bezetten de Tilburgse studenten het hoofdgebouw van de
hogeschool, en weigerden te vertrekken voordat hun eis zou zijn
ingewilligd.154 Na meer dan een week vol spanning besloten de Tilburgse
universiteitsfunctionarissen de studenten medebeslissingsrecht te geven op
alle beleidsvormende niveaus.155 De overwinning van de studenten van de ‘Karl
Marx Universiteit’ sloeg aan en in mei 1969 werden bijna alle
Nederlandse universiteiten lamgelegd door studentenbezettingen, die vaak
werden ondersteund door het jongere deel van de staf.156
Zelfs de Universiteit van Leiden, een bolwerk van traditie, was het toneel
van een indrukwekkende bezetting. Aan vrijwel alle bezettingen kwam een
einde toen aan de studenten volledige medezeggenschap in de
universiteitsaangelegenheden werd beloofd. De opmerkelijkste demonstratie
was de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam, waar de administratie van
de Gemeentelijke Universiteit was gevestigd. Functionarissen konden daar
niet de keiharde garanties voor democratisering geven die de studenten,
onder wie Regtien, verlangden. Na vijf dagen (op 21 mei) kwam de politie,
jaagde de menigte uiteen en arresteerde honderden studenten, waarvan de
meesten uiteindelijk een boete kregen opgelegd.157
De bezettingen werden door vele overheidsfunctionarissen scherp afgekeurd -
in het gunstigste geval waren ze overbodig en werkten ze averechts, in het
slechtse geval waren ze gevaarlijk en ondemocratisch. De Amsterdamse
rechters pakten de studenten streng aan om te voorkomen dat de protesten
weer op zouden laaien.158 Alle politieke partijen in het parlement, behalve de
CPN en de PSP, wezen de bezetting van het Maagdenhuis af. Vooral
confessionele en liberale politici (om nog maar te zwijgen van de rechtse
Boerenpartij) waren scherp in hun veroordelingen.159 Maar zelfs enkele
politici van Nieuw Links uitten kritiek, zoals de Delftse hoogleraar Ger
Klein die de actie van Regtien in het Maagdenhuis
‘reactionair’ en ‘gevaarlijk
romanticisme’ noemde, een tactiek die alleen geschikt was voor
‘sociaal achterlijke landen’ zoals de Verenigde
Staten.160 Ondanks het grote verzet tegen de
methoden waarvan de studenten zich bedienden, reageerde het kabinet-De Jong
in juni 1969 met een voorstel tot een ‘fundamenteel
nieuw[e]’ universitaire wetgeving.161 Aangeno- | | | | men in 1970, was de daaruit voortkomende wet
één van de meest vérstrekkende in
West-Europa.162 Hoewel het voorstel van de PvdA
voor een volledig democratisch gekozen universiteit werd afgewezen, zouden
studenten, niet-academische en academische staf passend vertegenwoordigd
worden in een aantal nieuwe universitaire raden. Vooral op faculteitsniveau
kon hun stem van beslissende invloed zijn.163 Een lid van de
academische staf zei al na het politieoptreden in het Maagdenhuis dat de
bezetting misschien wel verkeerd was geweest, maar dat het zeker had geleid
tot positieve resultaten.164
Waarom ging de Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB)
van 1970, die nog steeds grotendeels van kracht is, zo ver? Hoewel maar
weinig rectoren en burgemeesters instemden met de bezettingen, streefde een
aantal naar democratisering van de universiteiten. A.D. Belinfante,
rector-magnificus van de Universiteit van Amsterdam, had reeds een begin
gemaakt met de invoering van maatregelen tot vérstrekkende
democratisering in de maanden voor de bezetting,
gedeeltelijk omdat hij een overtuigd democraat was.165 Hetzelfde verhaal gaat op voor
Baron S.F.L. van Wijnbergen, rector-magnificus in Nijmegen. Tot genoegen van
veel studenten hield de ‘rode baron’ voet bij stuk en
bood weerstand aan het college van curatoren dat hij beschuldigde van verzet
tegen echte democratisering.166 Politiek links in Nederland beijverde zich uiteraard voor
verdergaande democratisering en de PvdA-kopstukken zagen het hoger onderwijs
het liefst als ‘experimentterrein’ voor de hoogste
vormen van democratie. Maar zelfs gematigde politici lieten zich positief
uit over democratisering. Het einde van de jaren zestig was per slot een
tijd waarin de democratisering van de maatschappij in de meeste westerse
samenlevingen een belangrijk thema was (zie hoofdstuk zes); prof A.D. de
Groot merkte tot zijn ongenoegen op dat het onmogelijk was zich er negatief
over uit te laten, hoezeer de term ook werd
‘misbruikt’.167 Regtien zelf ontdekte
met enig wantrouwen dat de voorstellen van de studenten door niemand
openlijk werden tegengesproken.168 Politici waren ervan overtuigd dat openlijk verzet tegen
democratisering kwalijke gevolgen zou hebben, vooral onder jonge
kiezers.169 De betrokkenheid van de jeugdige minister Veringa, die al
snel de KVP zou leiden naar de rampzalige verkiezingen van 1971, bij
democratisering en vernieuwing zou zich dan ook weerspiegelen in de WUB.
Maar er waren meer overwegingen die het aannemen van de WUB bevorderden.
Voorstanders van bestuurlijke centralisatie (zoals Maris) waren al geruime
tijd ontevreden over de wijze waarop de universiteiten werden bestuurd. Naar
hun overtuiging waren universiteiten ouderwets | | | | en moesten zij
grondig worden herzien. Uit onderzoek van H.F. Cohen bleek dat bestuurders
aan de universiteit van Leiden zo overtuigd waren van de noodzaak van
vernieuwing, dat zij zich verzoenden met de mogelijkheid dat democratisering
daarvan een onderdeel zou kunnen zijn.170 Van hen kon dus niet worden verwacht dat zij de
status quo zouden verdedigen. En samen met de strijders voor democratisering
- die ze vaak tegenover zich vonden - luidden ze de ondergang van het oude
systeem in.171 Zij waren ook niet
geheel ontevreden met de WUB; de bestuurlijke structuren werden
gecentraliseerd en de regering in Den Haag kreeg meer zeggenschap in het
universitaire beleid. Eigenlijk waren de faculteitsleden op de lange termijn
de grote verliezers en waren de voorstanders van centralisatie de grote
winnaars, gegeven het in de jaren zeventig toenemende gebrek aan
belangstelling onder studenten voor universitaire zaken.172
Tenslotte geloofde een aanzienlijke groep politici en bestuurders dat alleen
snelle en gulle concessies Nederland nog konden redden van grotere onlusten,
misschien zelfs revolutie. ‘Parijs’ had Den Haag
aangezet tot het aangaan van diepgaande discussies met de studenten en in
1969 dienden de Parijse onlusten nog steeds als waarschuwing tegen
onbuigzaamheid en conservatisme. J.G.H. Tans, een vooraanstaand
PvdA-politicus, verwoordde dit tijdens de bezetting in Tilburg. Nederland,
zei hij, was een land dat niet langer zelfgenoegzaam kon aanzien dat alles
vijftig jaar later zou gebeuren:
‘Het is een misverstand te menen dat in een tijd met
zulk een intensieve communicatie als de onze nog één
land buiten het krachtenveld van de ontwikkeling kan blijven; ook het onze
niet. Dit betekent dat de geestelijke en maatschappelijke omwenteling, die
de wereld in dit tijdsgewricht doormaakt, niet aan onze deur voorbij kan en
zal gaan.’173
Regtien sprak begin 1969 over deze angst:
‘Het is duidelijk. Voor een voor vernieuwing en
verandering doodsbange verkalkte top van politieke, militaire en economische
machthebbers, waart wederom een spook door Europa. Het spook van de
universiteit is in opstand...’174
Regtien mocht de macht van de ‘universiteit in opstand’
overschatten, de ‘verkalkte machthebbers’ deden dat
ook. Het overschatten van de macht van de studentenradicalen was een neiging
die na ‘Parijs’ bij veel Europese politici voorkwam,
en nergens was de overschatting sterker dan in landen als Nederland waar
politici niet gewend waren aan conflicten. In deze landen bracht het
radicalisme een sfeer van onvermijdelijkheid met zich | | | |
mee.175 Er waren weliswaar veel nuchtere politici die de spot
dreven met het revolutionaire potentieel van de studenten. Maar een groot
deel zag veranderingen op grote schaal als onontkoombaar en concessies als
verstandig; al vóór de bezetting van het Maagdenhuis
beschouwden veel politici democratisering als een onvermijdelijke
ontwikkeling, die aanpassing vereiste.
Ook hier werd de beslissende stap naar democratisering dus gezet door
autoriteiten die onder andere omstandigheden misschien weerstand zouden
hebben geboden. En de resultaten bleken nauwelijks minder
vérstrekkend dan het verlangen van overtuigde democraten was
geweest. Maar niet alleen in het universitaire beleid, ook in de wetgeving
betreffende het privé-leven werd deze trend zichtbaar.
| |
Pornografie, abortus, drugs en euthanasie,
1968-1975
Nergens waren de ‘sociale ontwikkelingen’ zo
stormachtig als in de veranderende morele overtuigingen van de Nederlanders.
Met de plotselinge ‘deconfessionalisering’ van de
Nederlandse maatschappij (zie hoofdstuk drie) en de toenemende
individualisering leken traditionele opvattingen over lichamelijkheid en
seksueel gedrag steeds meer in onbruik te raken. Homoseksualiteit,
echtscheiding en geboortenbeperking, enkele jaren daarvoor in bepaalde
kringen nog hevig bekritiseerd, werden later in de jaren zestig in brede
kring geaccepteerd.176 Deze snel veranderende mores ontsnapten niet aan het oog
van de beleidsmakers; integendeel, zij werden er ook door
beïnvloed. In deze context en met de recente onlusten in het
geheugen, werden Nederlandse beleidsmakers genoodzaakt een aantal wetten te
herzien die naar de mening van steeds meer mensen tot het privé
bestaan behoorden. Het leek duidelijk dat ook op dit terrein
‘modernisering’ en ‘aanpassing’
waren vereist.
De strikte wetten rond pornografie (in 1911 toegevoegd aan artikel 240 van
het Wetboek van Strafrecht) vielen ten prooi aan de aanpassingsdrang van het
eind van de jaren zestig. Evenals hun Belgische buren waren Nederlandse
ambtenaren steeds streng opgetreden tegen overtreders en tot het midden van
de jaren zestig drongen parlementariërs aan op krachtige naleving
van artikel 240.177
Maar al na 1966 weid de ijver bekoeld door een toenemend aanbod vanuit
Zweden en Denemarken, waar aan pornografie geen beperkingen meer waren
opgelegd.178 Door de grote hoeveelheid materiaal die werd gestuurd naar (en
geconsumeerd in) Nederland leken vervolgingen zinloos. Bovendien werd porno
elk jaar explicieter, waardoor die van het jaar ervoor in verhouding vrij
onschul- | | | | dig leek. Dit bracht overheidspersonen ertoe de
waarde van statische, ‘kwalitatieve’ richtlijnen voor
het afbakenen van pornografie in twijfel te trekken. Na de Scandinavische
liberalisering verlangde geen enkele parlementariër (behalve die
van de kleine christelijke partijen) een hardere aanpak; men vroeg zich
veeleer af hoe zinvol handhaving van de bestaande wetten was. Tegen 1969
hadden veel lokale overheidsfunctionarissen de gerechtelijke vervolging van
pornografie geheel stopgezet.179 Hoewel de
meeste parlementariërs het met elkaar erover eens waren dat
artikel 240 gewijzigd moest worden, konden christelijke en niet-christelijke
partijen het niet eens worden over de juiste aanpak.180 Uiteindelijk werd, inconsistent, de commerciële
verspreiding van pornografie in feite op veel plaatsen gedoogd, van de
hoofdstad tot Sluis aan de Belgische grens.181 Voor veel geseculariseerde vooruitstrevende Nederlanders
(zoals de NVSH'ers) bracht de veronachtzaming van de oude wetten grotere
burgerlijke vrijheid met zich mee; voor veel confessionelen betekende het
opnieuw buigen voor de onvermijdelijk veranderende moraal. In de ogen van
beiden duidde het een afwijking aan van een beleid dat, zo leek het, niet
langer gehandhaafd kon worden.182
Het abortusdebat veroorzaakte nog meer spanningen binnen de politiek en
laaide hoog op aan het einde van de jaren zestig. Het aantal abortussen in
Nederland was in vergelijking met het Europees gemiddelde tamelijk laag en
werd in de loop van de jaren zestig nog minder (van twaalf procent van alle
zwangerschappen in 1964 tot zes procent in 1970183). Tegelijkertijd was abortus provocatus nog steeds
verboden, behalve wanneer het leven van de moeder in gevaar was. Tot 1973
werden mensen (meestal geen artsen) aangeklaagd voor het plegen van een
abortus.184 In de praktijk tolereerde het Nederlandse
rechtssysteem veel gevallen van therapeutische abortus (vooral op medische
gronden), maar de grenzen van wat getolereerd werd waren vaag en de meeste
artsen namen het zekere voor het onzekere.185 Vanaf omstreeks 1966 werd van twee verschillende kanten
kritiek geuit: zowel de medische professie als een reeks actiegroepen, van
de NVSH tot nieuw opgekomen feministische groeperingen, streefden naar
liberalisering van de abortuswetten.186 Na 1969 nam de druk op legalisering van abortus toe;
feministische groeperingen zoals de MVM en de Werkgroep Vrouwen 2000
beijverden zich voor het recht op abortus. In 1970 bleek de
‘abortus-werkgroep’ van Dolle Mina zeer succesvol in
het halen van de publiciteit met haar actie ‘baas in eigen
buik’, woorden die ze op de eigen buik werden geschreven en
vervolgens openlijk getoond.187 Daartoe
aangemoedigd door de Rooie Vrouwen binnen de partij, werd door
PvdA-parlementariërs een voorstel ingediend (het | | | |
Lamberts-Roethof-voorstel) dat substantiële liberalisering
omvatte.188 Ook de VVD sprak zich niet uit tegen liberalisering van de
restricties. Vanaf 1971 stond de publieke opinie eveneens positief tegenover
de praktijk van ‘abortus mogelijk voor ieder die het
wenst’.189 Tegen die tijd
werden abortieve ingrepen, hoewel zij nog steeds illegaal waren, openlijk
door artsen uitgevoerd. In 1971 opende de eerste abortuskliniek haar deuren
in Arnhem en zij werd al snel gevolgd door andere klinieken. Na 1973 waren
er, met de komst van het centrum-linkse kabinet-Den Uyl, eigenlijk geen
beperkingen meer ten aanzien van abortus (mits uitgevoerd binnen de eerste
twaalf weken van de zwangerschap) en duizenden vrouwen uit andere landen
(vooral Duitsland) reisden naar Nederland om een abortus te ondergaan.190
Confessionelen verzetten zich tegen deze ‘sociale
ontwikkeling’, vooral de katholieken en de KVP. Zij keurden om
godsdienstige redenen het plegen van abortus in de meeste gevallen af. Maar
christenen waren onderling verdeeld over de inhoud van de gewenste
beperkingen en bleken niet in staat een gesloten front te vormen.191 Bovendien stonden confessionele politici vanaf het einde
van de jaren zestig open voor een abortuswet met restricties, waarbij een
vrouw onder bepaalde omstandigheden en onder begeleiding van een medische
staf in aanmerking zou kunnen komen voor een abortus.192 Hun bereidheid tot het aanvaarden van een zorgvuldig
en beperkt beleid werd groter nadat Engeland en Scandinavië
abortus legaliseerden, waardoor in hun ogen het gevaar dat abortus volledig
legaal zou worden naderbij kwam.193 In het wetsvoorstel-Van
Agt-Stuyt van 1972 (genoemd naar twee KVP-ministers) kwam de noodzaak van
wettelijke veranderingen naar voren: sociale veranderingen waren immers niet
tegen te houden en regelgeving was waarschijnlijk de enige manier om de
zaken niet uit de hand te laten lopen.194 Veel confessionele politici
konden zich dus wel vinden in een compromis. De ongeborenen zouden worden
beschermd, maar binnen de context - en de grenzen - van veranderende sociale
omstandigheden.195
Tegen het midden van de jaren zeventig zou een sterke pro-life beweging
ontstaan, uit frustratie over de flexibiliteit van de christelijke partijen
in de abortuskwestie. Andries van Agt, mede-opsteller van het voorstel van
1972, zou hierin een belangrijke rol spelen toen hij, als minister van
Justitie in het kabinet-Den Uyl, tijdelijk een kliniek sloot die abortussen
in een later stadium van de zwangerschap uitvoerde. Toch duurde het nog tot
1981 voordat een abortuswet door het parlement kwam, een wet die in feite de
praktijk bevestigde: in de eerste drie maanden werd abortus toegestaan
zonder beperkingen van betekenis. De christen-democraten, die | | | |
nu onder leiding stonden van premier Van Agt en samen met de VVD een
coalitie vormden, stelden zich tevreden met het restrictieve taalgebruik en
gaven hun goedkeuring aan de wet.196 Een andere houding zou ingaan tegen een fait
accompli. Ook in dit opzicht is duidelijk dat zelfs
christendemocraten, die abortus wezenlijk afkeurden, zich niet langer aan de
zijlijn wilden laten zetten door onvermijdelijke sociale trends.
Het beleid betreffende verdovende middelen was gecompliceerder, maar bleek
zich op vergelijkbare wijze te ontwikkelen als het beleid met betrekking tot
pornografie en abortus. Vóór 1960 was het illegale
gebruik van drugs nauwelijks een sociaal probleem te noemen. Het was
grotendeels beperkt tot de havengebieden en kleine groepen
bohémiens, die vaak te vinden waren rondom het Leidseplein in
Amsterdam (zie hoofdstuk vier).197 Na ongeveer 1962 verspreidde het gebruik
van vooral marihuana zich snel,
‘geïmporteerd’ uit Amerika, evenals zoveel
ander uiterlijk vertoon van de tegencultuur.198 Tussen 1965 en 1968
verdubbelde het gebruik van marihuana in Nederland eik jaar en ook harddrugs
zoals LSD en heroïne deden hun intrede. De stijging van het
druggebruik nam nog geen epidemische vormen aan. In 1970 gebruikte slechts
twee procent van de bevolking drugs en in 1969 had slechts negenveertig
procent van de bevolking ooit van ‘drugs’
gehoord.199 Toch werd al in 1967 à 1968 binnen de
dominante cultuur de roep gehoord om herziening van het Nederlandse
drugbeleid200, dat nog steeds was gebaseerd op de
‘Opiumwet’ van 1928.201
Gottfried van Benthem van den Bergh, een gezaghebbend intellectueel binnen
de linkervleugel van de PvdA, deed een dringend beroep op de autoriteiten om
het druggebruik te ‘ontmythologiseren’, om ernstige
politieke gevolgen te voorkomen:
‘Als de bestaande politieke partijen niet in staat zijn
om met de veranderingen mee te evolueren, zal het beste deel van de jeugd
volledig vervreemd raken van de politiek.’202
In 1968 gaf de Nederlandse regering de commissie-Baan de opdracht het gebruik
van drugs te onderzoeken en met suggesties te komen voor het hervormen van
het drugbeleid. Tegen 1968 deden Amsterdamse jeugdclubs zoals Paradiso en
Fantasio geen moeite meer om het gebruik van softdrugs door bezoekers binnen
de perken te houden. Na een paar vruchteloze pogingen het druggebruik te
beteugelen, kondigde de gemeenteraad, aangevoerd door burgemeester Samkalden
en de communistische wethouder A.A. Verhey, in januari 1969 een nieuw
drugbeleid aan. Afkickklinieken voor verslaafden, een verschuiving van de
aandacht van gebruikers naar dealers en overredingstactiek in de bestrijding
| | | | van druggebruik zouden de tot dan toe gehanteerde
benadering, die volgens Verheij volkomen zinloos was, vervangen.203 Het tolereren van het softdruggebruik werd
onderdeel van het verzoeningsgezinde jeugdbeleid, dat erop gericht was de
rebelse jongeren koest te houden.204
Vervolging voor het gebruik van softdrugs was dus niet alleen zinloos, het
zou ook tot conflicten leiden en mocht daarom niet plaatsvinden. In oktober
1970 stelden Amsterdamse wethouders van D'66 voor om informatieprogramma's
voor de jeugd en centra voor druggebruikers (waaronder afkickcentra voor
verslaafden) op te zetten, voorstellen die al snel werden verwezenlijkt. Op
die manier probeerden zij de aandacht van de gerechtelijke vervolgingen af
te leiden, want:
‘Wij zijn echter van mening, dat deze benadering te
beperkt, te traditioneel en te legalistisch is om normverandering in onze
maatschappij - en daar gaat het hier om - soepel te verwerken. Het huidige
strafrechtelijke vervolgingsbeleid (...) werkt slechts een drastische
verscherping van de reeds bestaande normconflicten in de
hand.’205
Deze gevoelens bleven niet beperkt tot Amsterdam, ook al bleef het
Nederlandse publiek nog geruime tijd afkerig van de legalisering van
drugs.206 In
1969 vaardigden de ministeries in Den Haag nieuwe richtlijnen uit voor de
vervolging van overtreders van de Opiumwet. Marihuanagebruikers moesten
soepel worden benaderd en harddruggebruikers moesten onder medische en
psychiatrische behandeling worden gesteld.207 De richtlijnen van 1969
wijzigden de Opiumwet niet - de veranderingen gingen buiten het parlement om
- maar de handhaving van deze wet werd er wel door beïnvloed.
Kleine hoeveelheden softdrugs werden hoe langer hoe meer gedoogd, in
overeenstemming met de oude regententradities. Na 1969 ging het aantal
gerechtelijke vervolgingen van hen die werden gearresteerd wegens gebruik
van softdrugs significant omlaag.208 Het rapport van de commissie-Baan, dat in 1972 verscheen, pleitte
voor de legalisering van softdrugs. Omdat de schadelijke gevolgen van het
gebruik van marihuana en hasj nog niet waren aangetoond, moest naar haar
mening aan de burgers de vrijheid worden gegeven hun eigen beslissingen te
nemen. Tegelijkertijd trok het rapport in twijfel of het gebruik van drugs
door wettelijke maatregelen doeltreffend kon worden voorkomen.209
In het begin van de jaren zeventig lagen drie uitgangspunten ten grondslag
aan het Nederlandse drugbeleid. Het eerste was dat er een wetenschappelijk
gefundeerd verschil bestond tussen harddrugs en softdrugs, zodat de eerste
met meer kracht moesten worden bestreden en de laatste | | | | min of
meer konden worden toegelaten. Het tweede was dat softdruggebruik in geen
geval meer doeltreffend kon worden bestreden door politie en rechters.210 Geprobeerd moest worden het gebruik van softdrugs, hoe stuitend of
immoreel het ook werd gevonden, te beheersen in plaats van het in de handen
van de onderwereld te laten, waar het zich aan iedere controle zou
onttrekken. Het derde uitgangspunt was de noodzaak van hulpverlening aan
verslaafden en stoelde op zowel humanitaire overwegingen als op de
overtuiging dat een net van sociale hulpverlening uiteindelijk even
bruikbaar zou zijn voor het in de hand houden van druggebruik als het
naleven van de wet. Een rapport over drugs door de ARP in 1972 onderstreepte
eveneens deze stellingnames; volgens de opstellers genoot een
staatsmonopolie op cannabisprodukten de voorkeur boven de bestaande situatie
‘waarin lichamelijk risico en criminaliteit de dominanten
zijn’.211
Uiteindelijk heeft de Nederlandse regering softdrugs nooit gelegaliseerd,
deels vanwege druk uit het buitenland, deels vanwege de vrees van
autoriteiten dat legalisering het gebruik van drugs zou stimuleren. De
herzieningen van 1976 van de Opiumwet maakten het bezit van kleine
hoeveelheden marihuana (minder dan dertig gram) vrijwel legaal en aanklagers
werd opdracht gegeven deze gevallen nooit te vervolgen. De straffen ten
aanzien van harddrugs werden strenger, vooral voor dealers.212 In beide
gevallen werd de precieze invulling voor het handhaven van de wet
overgelaten aan de regionale en lokale overheden, waardoor enkelen kritiek
leverden op ongelijke behandeling213 en
anderen hun ongenoegen uitten over de laksheid van de politiek waardoor
Nederland een mekka voor ‘drugtoerisme’ werd.214 In elk geval kwam de liberalisering van de
Nederlandse Opiumwet niet in eerste instantie voort uit
libertijnse overwegingen (hoewel die niet afwezig waren), maar uit de
‘realistische’ en ‘pragmatische’
zorg van de autoriteiten dat een andere aanpak zou kunnen resulteren in het
verlies van controle over deze ‘sociale
ontwikkelingen’. Al met al creëerden de Nederlandse
autoriteiten een liberaal drugbeleid dat zijn weerga niet vond.
Ten slotte nog een paar woorden over euthanasie, waarvoor in het begin van de
jaren zeventig voor het eerst uitgebreid belangstelling kwam. In 1971 diende
een Friese arts, G.E. Postma-Van Boven, haar achtenzeventigjarige moeder een
fatale dosis morfine toe, nadat de moeder, die aan een chronische ziekte
leed, te kennen had gegeven te willen sterven. Toen deze arts gerechtelijk
werd vervolgd, ontdekte ze dat veel mensen achter haar stonden.
Zevenentwintig artsen traden in de publiciteit en vertelden dat zij ook
euthanasie hadden toegepast bij patiënten. Al snel richtten haar
| | | | sympathisanten de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige
Euthanasie (NVVE) op.215 Toen
Postma-Van Boven in 1973 voor het gerecht kwam ontkende ze niets, werd
schuldig bevonden en veroordeeld tot een week voorwaardelijke
gevangenisstraf voor het plegen van actieve euthanasie. In de uitspraak
prees het gerechtshof zowel ‘de zuiverheid van de
motieven’ als het feit dat de arts vrijwel in
overeenstemming had gehandeld met wat aanvaarde medische praktijk was
geworden.216 Deze zaak werd aanleiding tot
een felle discussie die nog niet is afgelopen. Toch lieten rechters en
politici de uitvoering van euthanasie in toenemende mate over aan de artsen
die, om de steeds groter wordende praktijk te
‘beheersen’ en ‘beperken’, zo
min mogelijk inmenging wensten vanuit Den Haag. Gezagdragers die zich
gesteld zagen voor een praktijk die steeds meer opgang maakte217 en medische elites die hen verzekerden
van hun goede bedoelingen, bleken niet bereid in te grijpen, ofschoon ze
weigerden euthanasie formeel te legaliseren. De professionele afhandeling
van euthanasie leek ook in dit geval een beter alternatief dan de
ongecontroleerde praktijk die anders zou kunnen ontstaan, zodat de
Nederlandse autoriteiten ook in dit opzicht een beleid creëerden
dat ongeëvenaard was.218
Op 2 november 1970 schreef Robert Mauthner in The Financial
Times dat de Nederlanders ‘een pijnlijke herziening van
hun samenleving’ doormaakten, maar hij sprak zijn vertrouwen uit
dat ‘uiteindelijk hun traditionele nuchterheid en hang naar orde
zullen overwinnen’.219 Mauthner baseerde zijn stelling op een vertekend onderscheid. De
‘hang naar orde’ van de Nederlandse regenten zelf
bereidde de weg voor het anarchisme en de tolerantie die hij opmerkte.
Geschokt door de gebeurtenissen van 1966 en onder de indruk van de snelheid
van de veranderingen rondom hen, probeerden de autoriteiten de samenleving,
die plotseling onbeheersbaar dreigde te worden, met
‘moderne’ middelen weer tot orde te roepen. Om dit te
bereiken zagen ze door de vingers dat de Nederlandse samenleving zich
ontwikkelde tot één van de meest tolerante
samenlevingen in de wereld, waarin ook gedrag dat in andere landen werd
afgekeurd, werd toegestaan.220 Deze oprichters van
Nieuw Babylon waren geen revolutionairen. Wat in Amerika en Opper-Beieren
doorging voor radicaliteit was voor veel Nederlandse elites slechts
‘nuchterheid’ en het vermogen ‘het schrift
op de wand’ te lezen.
|
1Slotrapport van de Commissie van Onderzoek Amsterdam. Onderzoek
naar de achtergronden van de ordeverstoringen te Amsterdam, september
1965/september 1966 (Den Haag: Staatsuitgeverij, 1967),
138-19).
2‘Mr. Gijs van Hall: “In Den Haag zitten ze nog altijd
vol rancune”’, De Volkskrant, 29
juni 1968 [Provo Archief, Doos 15].
3Van Hall had als bankier en nakomeling van
één van de meest vooraanstaande families in Amsterdam
een groot deel van het Nederlandse verzet met gevaar voor eigen leven
gefinancierd; zijn broer werd door de Duitsers gefusilleerd. Na de oorlog
sloot hij zich, evenals zoveel anderen met een gevoel van noblesse oblige, aan bij de PvdA, wat aanleiding gaf tot enige
twijfels rond zijn socialistische overtuiging.
4Interview herdrukt in G. van Hall, Ervaringen
van een Amsterdammer (Amsterdam/Brussel: Elsevier, 1976), 227-229.
Niettegenstaande zijn aarzeling hield Van Hall van aanpakken en citeerde
graag (in eigen woorden) het motto van Harry Truman: ‘Here ends
the buck’, Ervaringen van een Amsterdammer,
166. In januari 1967, toen de grootste onlusten verleden tijd waren, kon Van
Hall het jeugdprobleem weer relativeren en zeggen dat het
‘eeuwenoud’ was, Gemeenteblad
Amsterdam, 1967, Afd. II, I, 7.
5A.
Kleijn, ‘Drieluik: Magistraat-manager-teamleider’, in
W. Derksen en M.L. van der Sande, (red.), De burgemeester, van
magistraat tot modern bestuurder (Deventer: Kluwer, 1984),
209.
6H.J.A. Hofland, Tegels lichten of ware
verhalen over de autoriteiten in het land van voldongen feiten
(Amsterdam: Contact, 1972), 189.
7M.C. Brands,
‘The dialectics of détente and the involution of the
Netherlands’, in Rob Kroes, (red.), Image and
impact: American influences in the Netherlands since 1945
(Amsterdam: Universiteit van Amsterdam/Amerika Instituut, 1981),
86-87.
8M.
Beinema, ‘Filmen en keuren’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 40 (1970), 301. Beinema vond dat
er betere manieren waren om slechte films te bestrijden, bij voorbeeld via
scholen en kranten.
9Maarten C. Brands,
‘The federal republic of Germany and the Netherlands: Contrasts
and complementarity’, Internationale Spectator,
43, 11 (november 1989), 690.
10Hofland, Tegels lichten; Ernest Zahn, Regenten, rebellen en reformatoren: Een visie op Nederland en
de Nederlanders (Amsterdam: Contact, 1991).
11Hans Daalder betoogt dat Nederlandse autoriteiten, als leiders
van een in politiek opzicht rustig land, werden overvallen door de
onverwacht ondermijnende aanvallen op hun gezag en met overdreven twijfel
reageerden voordat ze hun evenwicht weervonden in de jaren zeventig. Ik denk
dat hij gelijk heeft. Zie H. Daalder, ‘Zestig jaar Nederland
1926-1986’, in J.H.J. van den Heuvel, e.a., Een vrij
zinnige verhouding: De VPRO en Nederland, 1926-1986 (Baarn: Ambo,
1986), 62.
12Vertaling: afwijkingen op te nemen in een opgerekte definitie.
13Voor het klassieke
onderzoek naar het Nederlandse top-down politieke systeem en zijn
‘accomodatiepolitiek’, zie Arend Lijphart, The politics of accommodation (Los Angeles: University
of California Press, 1975).
14Geciteerd in Hans Daalder, Politisering en
lijdelijkheid in de Nederlandse politiek (Assen: Van Gorcum,
1974), 14-15. Afkomstig uit een rede, ‘Leiding en
lijdelijkheid in de Nederlandse politiek’, gehouden in 1964,
vóór de grote aanval op de regenten was
begonnen.
15Zahn, Regenten, rebellen en reformatoren, 53-60;
211-212.
16Er waren uitzonderingen op deze regel - de socialisten waren
ondervertegenwoordigd (omdat ze niet voldoende
‘onpartijdig’ waren) en kleinere partijen, vooral
de communisten, werden tot de jaren zestig veelal buitengesloten; zie
M.A.P. Bovens, ‘De participatieprocessie’, in
Derksen, (red.), De burgemeester, 143. Aan de andere
kant stelde de overheid, gebonden aan haar pluralistische traditie, ook
burgemeesters aan die niet behoorden tot één van
de landelijke coalitiepartijen, zodat in elk geval alle grotere partijen
gerepresenteerd werden door burgemeesters in overeenstemming met hun
electorale sterkte.
17W.
Derksen, ‘De burgemeester, onderwerp van publieke
discussie’, in Derksen, De burgemeester,
130-131.
18Hofland, Tegels
lichten, 209; Wim Hazeu, Wat niet mocht...
(Amsterdam: De Harmonie, 1982), 16.
19‘De burgemeester en de cabaretier’, Algemeen Handelsblad, 1 december 1966 [Provo Archief, Doos
16].
20Zie Daalder, Politisering en lijdelijkheid, 14, voor een korte beschrijving
van de Nederlandse beambtenstaat.
21L.H.C. Hulsman, ‘Criminal
justice in the Netherlands’ [vert. Elizabeth Haig], Delta, 16, 4 (winter 1973-1974), 14.
22Hulsman,
‘Criminal justice in the Netherlands’,
17.
23Zo waren Nederlandse gevangenissen na de oorlog, mede dankzij nieuwe
inzichten en de moderne gebouwen die toen waren neergezet, sterk
verbeterd; zie ‘Het woord cel moet weg’, Het Vrije Volk, 27 mei 1966 [Provo Archief, Doos
19].
24H.J.A. Hofland, Opmerkingen over de chaos (Amsterdam: De Bezige Bij, 1964),
113-114; Frank van Vree, ‘De vuile was van het gezag.
Dagbladpers en journalistieke cultuur in de jaren vijftig en
zestig’, Jaarboek Mediageschiedenis, 3
(1991), 215-242. De journalist Rinus Ferdinandusse schreef dat Propria Cures, een studentenblad aan de Gemeentelijke
Universiteit in Amsterdam, het enige blad was waarin de mensen konden
schrijven wat ze wilden; R. Ferdinandusse, ‘Vrij Nederland in
de jaren zestig’, Vrij Nederland, 6
september 1980, 35.
25Zie H. Daalder, ‘De Tweede
Wereldoorlog en de binnenlandse politiek’, in David Barnouw,
Madelon de Keizer en Gerrold van der Stroom, (red.), Onverwerkt verleden: Lezingen van het symposium georganiseerd door
het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, 7 en 8 mei 1985
(Utrecht: HES, 1985), 34-36. Voor andere verzetsmensen stimuleerde de
oorlogjuist de betrokkenheid bij de autoriteiten, en enigen onder hen
zouden het ‘anarchisme’ van de jaren zestig bitter
veroordelen.
26Zie Doeko Bosscher, De dood van een metselaar en het begin van de jaren zestig
in Nederland (Groningen: Egbert Forsten, 1992), 27.
27H.J. van
Zuthem, Gezag en zeggenschap; vragen over de toekomst van
het christelijk sociaal denken (Kampen: J.H. Kok, 1986); zie
ook W. Albeda, e.a., ‘Over christelijke politiek en
christelijke partijvorming’, Anti-Revolutionaire
Staatkunde, 37 (1967), 97-105.
28‘Absoluut gezag is uit de tijd’, NRC, 31 oktober 1966 [Provo Archief, Doos 19].
29Herman Wigbold,
‘The shaky pillars of Hilversum’, in A. Smith,
red, Television and political life: Studies in six European
countries (New York: St. Martin's Press, 1979), 215-217.
30Mirjam Prenger, ‘Uitglijden over de beeldbuis:
Nederlandse politici op de televisie in de jaren vijftig en
zestig’, in K. Dibbets, e.a., Jaarboek
Mediageschiedenis, 5 (1993), 202-204; 213-215.
31Prenger, ‘Uitglijden over de
beeldbuis’, in K. Dibbets, Jaarboek
Mediageschiedenis, 217.
32Interview met J.T.M. Bank,
Amsterdam, 19 februari 1992.
33Voor de rol van de televisie, zie twee artikelen van Jan
Bank: ‘Televisie in de jaren zestig’, in H.W. von
der Dunk, e.a., Wederopbouw, welvaart en onrust: Nederland
in de jaren vijftig en zestig (Houten: De Haan, 1986), 85-118;
en ‘Televisie in de politieke cultuur van de jaren
zestig’, in J.Th.J. van den Berg, e.a., Tussen
Nieuwspoort en Binnenhof: De jaren 60 als breuklijn in de naoorlogse
ontwikkelingen in politiek en journalistiek (Den Haag: SDU,
1989), 34-46.
34F.H. Bergman, J.P.A. Gruyters
en H.J.A. Hofland, Slaags met de politie: Een
documentaire (Amsterdam: De Bezige Bij, 1964).
35Delen uit artikel 147 van het wetboek van strafrecht,
geïntroduceerd in 1932, specificeren gevangenisstraf en/of
boetes voor ieder die zich door ‘smalende Godslastering en op
voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat’.
Vóór de jaren zestig waren deze woorden de inzet
van slechts vier processen, waarvan twee tot veroordeling leidden. In
1965 werd de student Abram de Swaan (nu een bekend socioloog)
veroordeeld tot het betalen van een boete van honderd gulden voor zijn
gedicht ‘J. van Nazareth’, het jaar ervoor
gepubliceerd in Propria Cures. De veroordeling van De
Swaan liep vooruit op het beruchte ‘ezelsproces’
van 1966, waarin de auteur Gerard K. van het Reve, net bekeerd tot het
katholicisme, werd aangeklaagd wegens zijn homo-erotische portrettering
van God als een ezel. Verschillende orthodox-protestantse
parlementariërs stonden op rechtsvervolging en advocaten van
de staat schikten zich schoorvoetend. Van het Reve werd eerst
vrijgesproken (met het argument dat hij slechts schuldig was aan
niet-smalende godslastering) en later gezuiverd van alle blaam door het
Hooggerechtshof, maar niet voordat het
‘ezelsproces’ de autoriteiten, in de ogen van veel
Nederlanders hopeloos ouderwets had doen lijken door het aanspannen van
dit proces. Zie Hazeu, Wat niet mocht..., 26; en Jan
Fekkes, (samenst.), De God van je tante (Amsterdam: De
Arbeiderspers, 1968) voor een volledig verslag van het
‘ezelsproces’.
36Harry Mulisch, Bericht
aan de rattenkoning (Amsterdam: De Bezige Bij, 1978),
41.
37Politiechef P.A. Jong
geciteerd in ‘Dit is uw Amsterdam... Burgemeester
Samkalden’, De Telegraaf, 17 juni 1967
[Provo Archief, Doos 15].
38Volgens Wim
Polak, burgemeester van Amsterdam van 1977 tot 1983 en raadslid en
wethouder in de jaren zestig. Interview met Polak, Ilpendam, 28 mei
1993. Voor kritiek van binnenuit op de traditionele mentaliteit binnen
de Amsterdamse politie, zie P. Nieuwendijk, Slotrapport van
de commissie van onderzoek Amsterdam, 129, 1-3. Voor een
wetenschappelijk onderzoek, zie A. van Braam in voornoemd rapport, 138,
1-26.
39Slaags met de politie
documenteerde de buitensporigste voorvallen van mishandeling door de
politie in Amsterdam, die er al voor de kleinste overtredingen op
lossloeg.
40‘De
hoofdcommissaris heeft 5 bazen te veel’, De
Telegraaf, 25 mei 1966 [Provo Archief, Doos 19]; G.
Duisterwinkel, ‘De politie in de huidige
samenleving’, Het Tijdschrift voor de
Politie, 28, 10 (oktober 1966), 273-292 [Provo Archief, Doos
31].
41Zie ‘Pleidooi voor
coördinatie van onze politiekorpsen’, Haagsche Courant, 26 juni 1965 [Provo Archief, Doos 19].
Nieuwe politieverordeningen waren van kracht geworden in 1945 en 1958,
maar faalden vanwege hun compromiskarakter in het opzetten van een goede
politieorganisatie.
42Van Hall verleende vrijwel altijd
zijn toestemming voor demonstraties. Maar voor hen die dachten dat er in
het geheel geen beperkingen behoorden te zijn, was dit geen
motief.
43Binnen het
politiekorps bestond geen overeenstemming over de juiste aanpak; sommige
commissarissen dachten dat ingrijpen niet nodig was, anderen geloofden
dat dit de ‘overwinning van de straat’ zou
betekenen en daarmee het einde van het wettelijk gezag.
44Marko Otten, ‘Provo en de zomer van
1965’, Vrij Nederland, 3 augustus 1985,
11-18.
45Veel deskundigen hebben gezegd dat de Amsterdamse
politie de fout maakte de mensen uiteen te willen jagen in plaats van
hen te arresteren. Massa-arrestaties van demonstranten had zeer goed
gewerkt in Rotterdam en Utrecht, omdat het geweld vermeed en de
kerndemonstranten verwijderde. Later werd dit ook toegepast in
Amsterdam, waar het niet altijd succesvol bleek.
46Beatrix
zelf wilde het huwelijk graag in Amsterdam laten plaatsvinden, maar was
bereid daarop terug te komen toen ze hoorde van de dreigende
moeilijkheden. Cals schijnt er zelf op te hebben gestaan dat, nadat
voorlopige plannen waren gemaakt, het huwelijk in Amsterdam voltrokken
zou worden, zodat het kabinet geen gezichtsverlies zou lijden.
47A. Nuis, Wat is er gebeurd in Amsterdam?
(Amsterdam: De Bezige Bij/J.M. Meulenhoff, 1966), 11-12.
48H.M.
Bleich, Herrijzen met vallen en opstaan: Een buitenlandse
correspondent over het na-oorlogse Nederland (Amsterdam: J.H.
de Bussy, 1969), 189. Voor een kernachtige samenvatting van 10 maart
1966, zie Hans Righart, Het einde van Nederland
(Utrecht/Antwerpen: Kosmos, 1992), 22-23. Op deze dag werd de politie
bijgestaan door politie-eenheden van buiten de stad.
49Marieke de Koning en Murco Mijnlieff,
De visie van de pers op politiek in Nederland,
1965-1975 (Den Haag: SDU, 1991), 120-122.
50Het aanvragen van toestemming leidde tot enige verwarring in
het kabinet. Jan Smallenbroek, ARP-minister van Binnenlandse Zaken,
hield vol dat het recht van vergadering alleen werd bepaald door
gemeentelijke wetgeving, terwijl Ivo Samkalden, PvdA-minister van
Justitie, zei dat het was afgeleid van de grondwet. De legaliteit van
vreedzaam protest zonder toestemming bleef dus een zaak van discussie.
Zie A.D. Belinfante, ‘On freedom of
demonstration’, Delta, 10, 3 (najaaar
1967), 97-101; en J. van der Hoeven over het beperkte recht van
demonstratie in de Nederlandse wet in het Tweede interim
rapport van de commissie van onderzoek Amsterdam (Den Haag:
Staatsuitgeverij, 1967), 106, 1-10.
51Voor een kritische beschouwing over
deze ontwikkeling, zie ‘Ten geleide - ruiten
ingooien’, NRC, 7 mei 1966. Zoekend naar
een oplossing, beraamde de hoofdinspecteur A.M. Koppejan tijdens een
sit-in demonstratie bij het Amerikaanse consulaat in de zomer van 1966
een plan: hij gaf de politie bevel de demonstranten in politiebusjes te
sleuren om hen naar de uiterste grens van de stad te rijden, waar ze
werden vrijgelaten. De methode-Koppejan ontving veel
aandacht in de pers, maar hogergeplaatsten verboden verdere toepassing
omdat het de bevoegdheid van de politie te buiten ging.
‘Koppejans filosofie’, Het
Parool, 23 juni 1966.
52Het uit 1886 stammende artikel werd overigens ook gebruikt
om de vertoning van de film The Great Dictator van
Charlie Chaplin in de maanden voor de Duitse invasie te verbieden. Zie
L.H.C. Hulsman, in Henri Boontje, ‘De openbare orde is een
relatieve zaak’, Vrij Nederland, 26
november 1966, 8; en L.H.C. Hulsman, ‘Provo and the
maintenance of public order’, Delta, 10, 3
(herfst 1967), 91-93.
53Peter van Eekert, Duco Hellema en
Adrienne van Heteren, Johnson moordenaar! De kwestie
Vietnam in de Nederlandse politiek, 1965-1975 (Amsterdam: Jan
Mets, 1986), 11-12.
54Deze
beschuldigingen werden eerder geuit om de autoriteiten te tarten en
woede te luchten dan dat ze waren bedoeld als een op de geschiedenis
gebaseerde aanklacht tegen de autoriteiten. Niettemin zou later
onderzoek van de Tweede Wereldoorlog deze benamingen levend
houden.
55Dat een dergelijke
vermindering aanstaande was, hing reeds weken in de lucht en het nieuws
was, hoewel onplezierig, geen verrassing voor de bouwvakkers.
56Verschillende bouwvakkers
zeiden dat ze hadden gezien dat Weggelaar werd aangevallen door
politieagenten, zodat de metselaar al snel een martelaar werd in
communistische kringen. Vooral Ton Regtien hield de beschuldiging levend
dat de autoriteiten en De Telegraaf feiten in de
doofpot hadden gestopt; zie Springtij: Herinneringen aan de
jaren zestig (Houten: Het Wereldvenster, 1988), 111-117. De
meeste historici hebben deze stelling verworpen als niet-gefundeerd,
recent nog Bosscher in De dood van een
metselaar.
57P. van Reenen, Overheidsgeweld: Een sociologische studie van de dynamiek van het
geweldsmonopolie (Alphen aan den Rijn: Samsom, 1979),
133.
58Voor twee verslagen van de Amsterdamse rellen, zie Nuis, Wat is er gebeurd in Amsterdam?; Jacques Fahrenfort,
Henk E. Janszen en Fred Sanders, Oproer in Amsterdam
(Amsterdam: H.J.W. Becht's, 1966); zie ook de recente analyse van Doeko
Bosscher, De dood van een metselaar.
59De Koning en Mijnlieff, De visie van de
pers, 128.
60Vermeld door J. Bosmans, ‘Het
maatschappelijk-politieke leven in Nederland, 1945-1980’, in
J.A. de Jonge, e.a., Geschiedenis van het moderne
Nederland: Politieke, economische en sociale ontwikkelingen
(Houten: De Haan, 1986), 593. Zie ook ‘Gezag’, Algemeen Handelsblad, 11 april 1967, voor de wijze
waarop de angst van de oudere generatie over het verlies van zekerheden
leidde tot reacties en verzet.
61H.J.A. Hofland in een paneldiscussie,
‘Gesprek over gezag en publiek’, Algemeen Handelsblad, 13 april 1966.
62Geciteerd in F. Perrick, Naar een nieuw politiebestel (Arnhem: S. Gouda Quint,
1968), 20-21.
63Zo probeerden een honderdtal mariniers in
april 1967 het Centraal Station ‘schoon te vegen’;
later zouden ze hun pogingen vooral richten op de Dam. Veel
politieagenten konden hun plezier in deze acties nauwelijk verbergen,
volgens commissaris J.D. Roos, interview in Amsterdam, 8 juli
1992.
64Zie bij voorbeeld Aad van der Mijns interview met P.A. Jong,
de opvolger van Van der Molen in Amsterdam; ‘De rel om de
rel’, Het Parool, 6 april 1967 [Provo
Archief, Doos 15].
65Louis
Rudolph Jules ridder van Rappard, burgemeester van Gorinchem, vertelde
De Telegraaf: ‘Ik ben een fanatieke en
zal tegen de generatie van deze tijd vechten tot ik erbij
neerval’; zie ‘Van Hall had de moed om terug te
slaan’, De Telegraaf, 9 oktober 1965 [Provo
Archief, Doos 15]. Zelfs onder zijn collega's werd de burgemeester
beschouwd als bijna een extremist.
66Voor een korte samenvatting van
de woedende reacties van meer traditionele politici op de rellen in
maart, zie
‘Feilloos-afkoeling-voorzichtig-boezeroen’, Algemeen Handelsblad, 2 april 1966 [Provo
Archief].
67Geciteerd in Han Mulder,
‘“Rattenbestrijder” mr.
Abspoel’, Het Parool, 2 juni 1967.
68U.W.H. Stheeman in ‘Gesprek over gezag en
publiek’, Algemeen Handelsblad, 9 april
1966 [Provo Archief, Doos 15]; en Martin Ruyters interview met Stheeman,
‘Gaat om 't effect van 't recht’, De
Volkskrant, 3 januari 1967 [Provo Archief, Doos 15].
69‘Gemeenteraad veroordeelt
optreden A'damse politie’, Het Vrije Volk,
30 september 1965 [Provo Archief, Doos 21]. Tijdens dezelfde vergadering
zei Van Hall, die zich ergerde aan het lawaai dat de provo's maakte op
de bezoekersgallerij, dat hij ze zou laten arresteren of beboeten als ze
hun ‘bek nog eens open [zouden] doen’. Bij
VVD-raadslid J.P.A. Gruijters (die al snel D'66 zou oprichten) deed het
gebrek aan burgelijk fatsoen bij de burgemeester vragen rijzen over de
zelfbeheersing van de doorsnee politieagent. Han Lammers merkte onder
goedkeuring op dat de Amsterdamse gemeenteraad in 1966 de voor- en
nadelen van een radicale uitbreiding van het recht op meningsuiting
begon te bespreken; Hinderlijk volgen: Kronieken uit de
Gids, '63-'66 (Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1966),
192-195.
70A.L. Constandse in
‘Gesprek over gezag en publiek’. Zie ook Louis
Sinner, Provo's en Justitie, voor zowel een
chronologie als een kritische beschouwing van de tamelijk harde wijze
waarop enkele provo's in mei 1966 werden aangepakt door de Nederlandse
overheden.
71‘De dossiers van mr. Hein van
Wijk’, Het Parool, 11 mei 1967 [Provo
Archief, Doos 19]. Hein van Wijk was Eerste Kamerlid voor de PSP.
72Mulisch, Bericht aan de rattenkoning, voorwoord.
73Vlak nadat de film van
Van Gasteren verscheen bij de VARA, verbood de Centrale Filmcommissie de
publieke vertoning, omdat die de openbare orde zou ondermijnen, een
beslissing die opnieuw bij veel mensen het vertrouwen in de Nederlandse
democratie deed wankelen.
74H. Boontje, ‘28 klachten tegen de politie en hoe
weinig er aan wordt gedaan’, Vrij
Nederland, 26 november 1966.
75Zie
‘Gruijters, afscheid als raadslid’, Gemeenteblad Amsterdam, Afd. 2, I, 788-789 (Gruijters nam in
april 1966 ontslag uit afkeer van het politiebeleid van de Amsterdamse
gemeenteraad); Lammers, Hinderlijk volgen: Kronieken uit de
Gids, '63-'66, 172-183; L.H.C. Hulsman, ‘Onbehagen
over het recht’, De Gids, 130 (1967), 9/10,
260-266; Henri Boontje, ‘De openbare orde is een relatieve
zaak’ [interview met Hulsman], Vrij
Nederland, 26 november 1966, 8 [Provo Archief, Doos 15]. Hulsman
haalde zich de woede van het wettelijk gezag op de hals toen hij in het
Nederlands Juristenblad (1966) en het boek Provo: Kanttekeningen bij een deelverschijnsel (1966)
het gezag ervan beschuldigde de provo's onrechtvaardig te hebben
behandeld.
76‘Wij zijn beledigd in ons
rechtsgevoel’. Vrij Nederland, 25 juni
1966, 14-15. Enige kranten weigerden de advertentie te plaatsen, omdat
die de autoriteiten in een kwaad daglicht stelde.
77Zie bij voorbeeld de nadruk op
ordehandhaving in het parlementair debat dat direct volgde op de rellen
in juni, in ‘Regeringsverklaring verband houdende met de
toestand in Amsterdam’ en aansluitende discussie. Tweede Kamer der Staten-Generaal, Zitting 1965-1966,
52ste vergadering, 16 juni 1966.
78November 1966
verscheen een rapport waarin negen van de vierenzeventig klachten tegen
de politie gegrond werden verklaard, waaronder de behandeling van Koosje
Koster.
79Aad van
der Mijn, ‘Dr. Koets, de man na Van Hall’, Het Parool, 23 mei 1967 [Provo Archief, Doos
15].
80Hofland
schreef dat voor de Nederlandse regenten de gebeurtenissen even
schokkend waren als ‘Pearl Harbor’, een
vernietigende nederlaag die zich nooit meer zou mogen herhalen; Tegels lichten, 214.
81Zie bij voorbeeld KVP-parlementariër C.F.
Kleisterlee, ‘Luisteren achter de kreten’, De Volkskrant, 21 juli 1966 [Provo Archief, Doos
15].
82‘TV-gesprek met minister Samkalden’. Het Parool, 24 juni 1966 [Provo Archief, Doos 15].
83Interview door
Conny Sluysman met Marga Klompé, ‘Laten we toch
niet alle jongeren op één hoop vegen’,
19 september 1967 [Provo Archief, Doos 15].
84Het Huis van Oranje was al in 1956 door een crisis
heengegaan toen koningin Juliana werd gedwongen de gebedsgenezeres Greet
Hofman, die zij had gevraagd het zwakke gezichtsvermogen van prinses
Marijke te genezen, de deur te wijzen. De Nederlandse pers verzweeg het
drama bewust, totdat het werd onthuld door de Britse sensatiepers. Zelfs
toen werd door de pers weinig aandacht geschonken aan het voorval. Die
van 1964 was dus de eerste crisis voor het koninklijk huis die geheel in
de openbaarheid kwam.
85Lammers besteedde bijzonder veel
aandacht aan deze zaak in Hinderlijk volgen. Zie ook
Hans van den Doel, e.a., Tien over rood: Uitdaging van
Nieuw Links aan de PvdA (Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1966),
9, voor het voorstel de monarchie te beëindigen na Juliana.
Nederlandse communisten waren trouwens in het geheel niet
geïnteresseerd in deze kwestie.
86Thijs Booy, Morgen zal alles anders zijn (Amsterdam: W. ten Have, 1967),
9-10; 52. (Booy zelf was voorstander van het voortbestaan van een
‘gemoderniseerde’ monarchie.) In de lente van 1967
smeekte een CHU-politicus zijn pro-Oranje achterban zijn
koningsgezindheid niet te overdrijven om het ontstaan van een sterke
antimonarchistische reactie te voorkomen.
87Geciteerd in De Koning en Mijnlieff, De visie
van de pers, 99-104. Het Parool publiceerde
Nederhorsts brief op 25 oktober 1965, waardoor zijn ideeën
onder een breed publiek bekend werden.
88Voor een beschouwing van deze mogelijkheid, zie J.
van der Hoeven, ‘Monarchie of republiek’, Socialisme en Democratie, 22 (1965), 713-727.
89Nico Wilterdink, ‘The
Monarchy contested: Anti-monarchism in the Netherlands’, Netherlands Journal of Social Sciences, 26, 1 (april
1990), 9. Wilterdink beweert dat de uitspraken over de verdwijnende
Nederlandse monarchie te ongenuanceerd waren.
90J.J.G. Boot, Hedendaagse gezagshandhaving (Alphen aan den Rijn:
Samsom, 1968), 10.
91Zie Hofland, Tegels
lichten, 214-215.
92Bosscher, De dood van een
metselaar, 16-17.
93Slotrapport van de
commissie van onderzoek Amsterdam, 98-100.
94Slotrapport van de commissie van onderzoek
Amsterdam, 146.
95Het
gebrek aan standvastig, helder beleid werd geregeld aangehaald als de
grootste oorzaak van alle misstanden in Amsterdam; zie Telegraaf-journalisten Jacques Fahrenfort, Henk E. Janszen en
Fred Sanders, Oproer in Amsterdam (Amsterdam: H.J.W.
Becht's, 1966); rechter Romke de Waard in ‘Demonstranten
weten niet waar ze aan toe zijn’, De Tijd,
20 april 1967 [Provo Archief, Doos 16]; P.A. Jong in
‘Politieman moet weten waar hij aan toe is’, Het Parool, 5 november 1966 [Provo Archief, Doos
15].
96Vooral H.W. Offers, politiechef van Utrecht, werd aan alle
kanten bejubeld als hét voorbeeld van een moderne
politiefunctionaris, die vastberadenheid combineerde met de nieuwste
sociaal-wetenschappelijke inzichten. De Utrechtse politie nodigde zelfs
‘beatbands’ uit om op het hoofdkantoor te komen
spelen, in een poging bij de jeugd in de gunst te komen, vermeld in
‘Beat bij de politie’, De
Telegraaf, 6 mei 1966 [Provo Archief, Doos 19].
97‘Gesprek op de valreep’, Het Tijdschrift voor de Politie, 28, 8 (augustus
1966), 209-212 [Provo Archief, Doos 31]; voor vergelijkbare standpunten,
zie ook G. Duisterwinkel, ‘De politie in de huidige
samenleving’, Tijdschrift voor de Politie,
28, 10 (oktober 1966), 279 [Provo Archief, Doos 31]. Van der Molens
pleidooi is nu bijna gerealiseerd; binnen een paar jaar hoopt de
Nederlandse overheid een verenigd politiesysteem tot stand te hebben
gebracht. Lokale belangen verhinderden een snelle acceptatie van het
plan.
98F.J.E. Hogewind, Tweede interim-rapport
van de commissie van onderzoek Amsterdam, 56-5. Hogewind was
directeur van de Rijkspsychologische Dienst (RPD) en zijn inzichten
werden onderdeel van het uiteindelijke rapport van de commissie. Zie ook
het eerdere, maar vergelijkbare standpunt van Offers in
‘Psychologen bij politie onmisbaar’, Het Parool, 10 april 1965.
99‘Schijnbare halfheid’, NRC,
17/18 juni 1966 [Provo Archief, Doos 16].
100H.K.J. Beernink en
C.H.F. Polak, ‘Nota inzake het tweede interimrapport en het
slotrapport van de Commissie van Onderzoek Amsterdam’, Tweede Kamer der Staten-Generaal, Zitting 1967-1968,
nr. 9322, 7. De auteurs benadrukten daarna het belang van flexibiliteit
van de politie. Voor vergelijkbare noties over de noodzaak tot
aanpassing, zie ‘Troonrede 1967’, Parlement en Kiezer, 1967-1968, 293-296.
101De Amsterdamse hoogleraar Hans Daudt
betoogde in een rede in 1967 dat de recente onrusten
‘exclusief’ waren voortgekomen uit de confrontatie
van een anachronistische ‘regentenmentaliteit’ met
burgers die van hun politieke rechten gebruik wilden maken. Hij bleef
overigens het goede verwachten van de autoriteiten, die in principe
‘open staan voor sociale verandering’,
‘Politieke onrust komt door botsing
burgers-regenten’, De Volkskrant, 29 april
1967.
102Veel mensen hadden medelijden met Van Hall toen hij werd
ontslagen en weinigen twijfelden aan zijn fatsoenlijkheid en
rechtschapenheid. Maar tegelijkertijd werd vaak gehoord dat hij een
regent was van de oude stempel die niet in staat was de recente
aanvallen op het gezag te begrijpen.
103Samkalden was de eerste burgemeester die werd benoemd nadat overleg was
gepleegd met de gemeenteraad - een
‘democratisering’ van de procedure die sindsdien
werd gevolgd bij elke burgemeestersbenoeming.
104Hofland, Tegels lichten,
208.
105Voor een goed
overzicht van de discussie binnen de politie over de vernieuwingen in de
late jaren zestig, vanuit het gezichtspunt van een bestuurlijke
vernieuwer, zie Perrick, Naar een nieuw politiebestel,
zie ook A.B. Ringeling, ‘De voortdurende discussie over het
politiebestel’ in A.B. Ringeling, e.a., Redenen
van wetenschap: Opstellen over de politie veertig jaar na het
Politiebesluit 1945 (Arnhem: Gouda Quint, 1985),
221-233.
106Aad van der Mijn,
‘Politie op zoek naar een nieuw gezicht’, Het Parool, 25 september 1968.
107‘Agent moet
even kunnen uithuilen’, Algemeen
Handelsblad, 25? maart 1967 [Provo Archief, Doos 19].
108‘Dit is uw
Amsterdam’, De Telegraaf, 17 juni
1967.
109De politie-slogan ‘Goed dat er politie
is’, die nog steeds wordt gehoord, werd ontwikkeld door een
marketingbureau in 1965; Han Mulder, ‘De politie en
wij’, Het Parool, 27 mei 1966 [Provo
Archief, Doos 19].
110F.W.M. Huls,
‘Geregistreerde criminaliteit’, in A.B. Ringeling,
Redenen van wetenschap, 107-121.
111Hulsman, ‘Criminal
justice in the Netherlands’, 7-19. In 1970 waren er volgens
Hulsman slechts vijfendertig veroordelingen tot een gevangenisstraf van
drie jaar of meer, waaronder veertien van de drieënzestig
mensen die van moord werden beschuldigd, en twee van de achtenzestig die
waren veroordeeld voor verkrachting.
112Voor juristen zoals Hulsman was
‘stigmatisering’ het grootste kwaad; de
menselijkheid van overtreders mocht nooit over het hoofd worden gezien,
opdat ze zo snel mogelijk weer een plaatsje zouden kunnen vinden in de
samenleving.
113Zie P. van Reenen, Overheidsgeweld: Een sociologische
studie van de dynamiek van het geweldsmonopolie (Alphen aan den
Rijn: Samsom, 1979), vooral 156-170. De nieuwe aanpak hield bij
voorbeeld in de dreiging van een overweldigende
politiemacht, in plaats van het onmiddellijke gebruik daarvan.
114J.H. Prins, ‘Vraag en antwoord:
demonstratierecht’, Anti-Revolutionaire
Staatkunde, 38 (1968), 54-56.
115Van Eekert,
Johnson moordenaar!, 12.
116Aan de socialistische student
werd ook voor een periode van vijf jaar het kiesrecht ontnomen;
‘Rechter ontzet SJ-secretaris uit kiesrechten’,
Het Parool, 10 juni 1969; Jac. van Veen,
‘Politierechter: een onvolkomen instituut’. Het Parool, PS, 21 juni 1969. Veel mensen, waaronder
de PvdA-fractievoorzitter Joop den Uyl, hadden hun twijfels over de
rechtvaardigheid van de veroordeling.
117Ik baseer dit oordeel op Hazeus boek, waarin hij betoogt dat
aan het einde van de jaren zestig staatsonderdrukking vooral zichtbaar
is in de pornografieprocessen.
118‘Centralisatie politie in deze tijd nodig’, Het Parool, 23 januari 1968.
119‘Amsterdam
mag lastig zijn’, Haagse Post, 19 april
1969 [Provo Archief, Doos 21]. De Amsterdamse politiefunctionaris K.
Heyink was zelfs nog opgetogener over de doeltreffendheid van de nieuwe
methoden en ideeën om de orde te handhaven. ‘Had
ik in 1966 maar de wetenschap over ordeverstoringen gehad, die ik nu
heb’, geciteerd in ‘De commissaris voorziet een
korte koele zomer’, Het Parool, 2 mei
1969.
120Voor de verklaring van Samkalden
over het besluit van de politie hand te houden aan het slaapverbod op de
Dam, zie Gemeenteblad Amsterdam, Afd. II, 3,
1854-1855, 1970.
121Voor verslagen van de opstand rond de Nieuwmarkt, zie
Virginie Mamadouh, De stad in eigen hand: Provo's,
kabouters en krakers als stedelijke sociale beweging
(Amsterdam: SUA, 1992), 113-141; U. Rosenthal, Rampen,
rellen, gijzelingen: Crisisbesluitvorming in Nederland
(Amsterdam/Dieren: Bataafsche Leeuw, 1984), 191-249; en Piet van Reenen,
‘Urban crisis management and the police force: The case of
Amsterdam’, Netherlands Journal of
Sociology, 17 (1981), 151-178.
122Zie Van Reenen, Overheidsgeweld, 215-252, voor beleid in deze steden
en elders. Wachten had uiteraard een aantal voordelen; zo gaf het
autoriteiten meer gelegenheid voor het opbouwen van een publiek
draagvlak, zelfs als ze later geweld zouden gebruiken. In juni 1969
waren er ook ernstige onlusten in Curaçao, waardoor het idee
dat er overal wanorde heerste aan het einde van het voorjaar van 1969
versterkt werd.
123Jacques J.A. Thomassen en Jan W. de
Veth, ‘How new is Dutch politics?’ in Hans Daalder
en Galen A. Irwin, (red.), Politics in the Netherlands: How
much change? (Londen: Frank Cass, 1989), 61-78.
124C.J.M. Schuyt, Recht, orde en burgerlijke
ongehoorzaamheid (Rotterdam: Universitaire Pers, 1972).
125Zie Hofland, Tegels lichten, 215-216; Hazeu, Wat niet
mocht, 100.
126G.J.W. van Oven, ‘Burgerlijke ongehoorzaamheid in
de rechtszaal van [M]aagdenhuis tot Dodewaard’, in Burgerlijke ongehoorzaamheid: Raio congres, Zutphen, 28 en
29 oktober 1982 (Zutphen: Centrum voor de Rechterlijke Macht,
1982), 32-53.
127Geciteerd in Yvonne van
Dongen, e.a., Burgerlijke ongehoorzaamheid in Nederland,
1968-1981 (Zutphen: Centrum voor de Rechterlijke Macht, 1982),
27. In januari 1973 had de publieke opinie zich gekeerd tegen de
militaire aanwezigheid van de V.S. in Vietnam, een andere reden waarom
de demonstranten tegen de oorlog laag werden beboet.
128H.
Verwey-Jonker, Emancipatiebewegingen in Nederland
(Deventer: Van Loghum Slaterus, 1983), 175.
129De Koning en Mijnlieff, De visie van de
pers, 68.
130Interview met Wim
Polak, Ilpendam, 28 mei 1993. Polak, burgemeester van Amsterdam (PvdA)
tussen 1977 en 1983, zou zich in zijn ambtsperiode veel moeite
getroosten voor het totstandbrengen van samenwerking tussen het
politiekorps (dat zich verzette tegen inmenging van de gemeenteraad in
het werk van de politie) en de gemeenteraad.
131F.A. Stemvers, Meisjes
van plezier: De geschiedenis van de prostitutie in Nederland
(Weesp: Fibula-Van Dishoeck, 1985), 151-153. Dezelfde opleving vond ook
plaats in andere steden.
132Interview met J.D. Roos,
Amsterdam, 8 juli 1992. Roos sloot zich in het midden van de jaren
zestig aan bij het politiekorps en was vele jaren hoofd van een
politie-bureau in de binnenstad (Warmoesstraat). Hij is thans
hoofdinspecteur in een ander deel van de stad.
133Zie de ‘Nota betreffende
recente gebeurtenissen in Amsterdam’, Tweede
Kamer der Staten-Generaal, Zitting 1969-1970, 95ste
vergadering, 2 september 1970, nr. 10 800. De PSP was daarentegen
woedend dat de politie mensen op de Dam uiteen had gedreven.
134Interview met Hans Daalder,
Amsterdam, 1 maart 1993.
135Maurice Punch, Fout is fout! Gesprekken met de politie in de binnenstad
van Amsterdam (Meppel: Boom, 1976), 40. Hoewel Punch algemene
opmerkingen maakt over Nederland, richtte zijn onderzoek zich op de
binnenstad van Amsterdam.
136Eisse
Kalk, ‘Heeft onze democratie nog toekomst?’ Civis Mundi, 10, 4 (april 1971), 167-168.
137Uri Rosenthal
merkte op dat de crisis vooral werd aangepakt door een
‘troika’, bestaande uit Samkalden, Lammers en de
CPN-wethouder A.A. Verhey, die ambtenaren met afwijkende meningen van
het beslissingsproces uitsloten. Volgens Rosenthal leidde dit tot een
toenemende onbuigzaamheid tegenover de demonstranten; Rampen, rellen, gijzelingen, 246-247.
138Voor een bespreking van het
probleem van ‘legitimiteit’ en de
‘crisis van het gezag’ in deze jaren, zie Beleid en Maatschappij, 2, 1 (januari 1975). Daudt
wijst er terecht op dat deze crisis door veel autoriteiten werd
overschat doordat dergelijke uitdagingen ongekend waren;
‘Legitimiteit en legitimatie’, 16.
139Interview met P.J. Koets, Ellemeet, 3
augustus 1992. Koets was bestuurder in Indië totdat hij
gevangen werd genomen door de Japanners en dwangarbeid verrichtte aan de
Burma Spoorlijn.
140Geciteerd in J.P. Kruijt, ‘De
universiteit in versnelde beweging’, Socialisme
en Democratie, 22 (1965), 163; A. van Gameren,
‘Ludieke jongeren in beeld: Provo- en studentenprotest in de
politieke spotprent’, in J.Th.J. van den Berg, e.a., Tussen Nieuwspoort en Binnenhof: De jaren 60 als breuklijn
in de naoorlogse ontwikkelingen in politiek en journalistiek
(Den Haag: SDU, 1989), 54.
141Sonja van Wier, één van de oprichtsters van de
SVB aan de universiteit van Leiden, merkte op hoe bekrompen het
Nederlandse studentenleven was in het begin van de jaren zestig, vooral
in zijn studentencorpora; interview met Van Wier, Den Haag, 29 december
1989. Dit gold vooral in Leiden, maar geoordeeld naar andere
beschrijvingen was het aan de overige universiteiten weinig anders. Zie
ook Jules Hermans, ‘De ontstaanfase van de NSV
Diogenes’, in Hugues C. Boekraad, (red.), Moet
dit een wereldbeeld verbeelden? Van en over Pé
Hawinkels (Nijmegen: SUN, 1979), 33-41.
142Zie het Democratisch Manifest (z.p., z.j.) van de SVB van september
1963; Joep Creygthon, Peter Das en Adri Jansen, (samenst.), Was ik dat: Knipselkrant SVB, 1963-1988 (z.p., z.j.); en
Regtien, Springtij: Herinneringen aan de jaren zestig,
33-79. De syndicalistische ideeën van de SVB waren
grotendeels ontleend aan de Chartres de Grenoble
(1946), geschreven door Franse studenten; J. Janssen en P. Voestermans,
Studenten in beweging: Politiek, universiteit en
Student (Nijmegen/Baarn: Ambo, 1984), 106.
143C.E.
Vervoort, ‘Heroriëntatie in de
studentenwereld’, Socialisme en Democratie,
22 (1965), 223.
144Jan Schopman, Kritiese Universiteit: De ruk
naar links in de Nijmeegse studentenbeweging (Nijmegen: LINK,
1974). De KrU, in gang gezet door Regtien, zou volgens plan in elke
universiteit moeten worden opgericht, maar in de praktijk had zij alleen
in Nijmegen echt betekenis.
145Janssen en Voestermans, Studenten en beweging, 121. Het gebrek aan theoretische kennis
zou gedurende de jaren zestig een groot bezwaar blijven van Franse en
Duitse radicalen tegen de Nederlandse studenten.
146In januari 1968 gebruikten Dutschke en andere
SDS'ers de Volkswagen van Regtien, tot diens spijt, om daarmee een soort
guerilla-aanval uit te voeren op een Axel Springer gebouw. Dutschke
polste Regtien vervolgens over het idee de Boliviaanse president Rene
Barrientos (de ‘moordenaar’ van Che Guevara), die
toen in een Zwitsers ziekenhuis verbleef, te vermoorden. Dutschke
verzekerde de geschokte Regtien later dat het slechts een theoretische
vraag was, maar Regtien was daar zelf niet geheel van overtuigd; Springtij, 93-94.
147Regtien zei zelf in 1969
dat de Franse en Duitse studenten radicaler waren, maar hij dacht wel
dat de Nederlandse studenten radicaler waren dan de Amerikaanse; Ton
Regtien, Universiteit in opstand: Europese achtergronden en
de Nederlandse situatie (Amsterdam: Van Gennep, 1969),
149.
148Zie vooral het populaire
verslag van Parijs '68 door Leopold de Buch en Bob Groen, De verbeelding aan de macht: Revolutie in een industriestaat
(Amsterdam: Bruna, 1968); en Cees Noteboom, De Parijse
beroerte.
149Bleich, Herrijzen met vallen en opstaan, 211.
150A.
Maris, e.a., Zelfstandige taakvervulling van de
universiteit en hogeschool: Hoofdlijnen van een voorstel tot
herziening van bestuur en organisatie van instellingen van
wetenschappelijk onderwijs. (Den Haag: Academische Raad,
1968).
151K.
Posthumus, De universiteit: Doelstellingen, functies,
structuren (Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Kunsten en en
Wetenschappen, 1968). Zie ook ‘Hoe democratisch wordt de
nieuwe universiteit?’ Haagse Post, 7
december 1968.
152Janssen en Voestermans, Studenten in
beweging, 139-141.
153Regtien, Springtij, 178-179.
154Eerst bezetten strijdlustige
studenten de telefooncentrale, waarop de hogeschoolleiding reageerde
door de school te sluiten. Dit gaf aanleiding tot een omvangrijke
bezetting die werd gesteund door een meerderheid van de
studenten.
155Zie Frans van Beek,
e.a., Tilburg, het begin... (Amsterdam: Pegasus,
1969).
156De facties binnen de universiteiten waren eigenlijk heel
complex en de coalities tussen de verschillende belangengroeperingen
vaak instabiel. Studentenradicalen konden niet altijd rekenen op veel
steun van de studenten en er was geregeld sprake van interne
verdeeldheid. Studenten van de ene faculteit, zoals de theologische aan
de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam, waren vaak strijdlustiger
dan die van andere. De radicaliteit van de academische staf hing
grotendeels af van lokale omstandigheden en de hoogleraren zelf waren
niet altijd eensgezind op het punt van academische hervormingen.
157Voor verslaggevingen van de Maagdenhuisbezetting, zie Rosenthal, Rampen, rellen, gijzelingen, 253-311; Regtien, Springtij, 179-191, en Paul Damen, ‘Bezet:
Het Maagdenhuis’, Folia, jrg. 47, nr. 35
(20 mei 1994), 11-12. Daarnaast heb ik de berichten over de
studentenopstand in Het Parool van mei en juni 1969
bestudeerd.
158‘Verdachten in
proces Maagdenhuis krijgen kans tot verdediging’, Het Parool, 11 juni 1969. Rechters spraken vonnissen
uit die varieerden van zes maanden gevangenisstraf tot boetes van vijf
gulden; J.J. Woltjer, Recent verleden (Amsterdam:
Balans, 1992), 356. Enkele vonnissen werden in hoger beroep herzien,
nadat rebellen in Amsterdam tegen de processen hadden
geprotesteerd.
159Zie ‘Beraadsl. verkl. Min. O en W betr. gebeurten. Kath.
Hogeschool Tilburg’, Tweede Kamer der
Staten-Generaal, Zitting 1968-1969, 55ste vergadering, 6 mei
1969; ‘Interpellatie Van der Lek betr. ontwikkeling
universiteit van Amsterdam’, Tweede Kamer der
Staten-Generaal, Zitting 1968-1969, 59ste vergadering, 21 mei
1969 en aansluitende discussie; en ‘Motie ter Woorst
c.s.’, Tweede Kamer der Staten-Genaraal,
Zitting 1968-1969, 10 136, nr. 2, 21 mei 1969.
160H.A. van Wijnen, ‘Links
loopt zichzelf voor de voeten’, Het Parool,
20 juni 1969. Andere leden van Nieuw Links maakten zich kwaad over de
veroordeling door de PvdA van de actie in het Maagdenhuis, omdat zij
niet ‘solidair’ wilde zijn met een progressieve
kracht in de samenleving.
161‘Nota bestuursvorming universiteiten en
hogescholen’, Tweede Kamer der
Staten-Generaal, Zitting 1968-1969, 10 194, nr. 2, 27 juni 1969;
Wet Universitaire Bestuurshervorming 1970, tweede
bijgewerkte druk (Den Haag: Staatsuitgeverij).
162Hans Daalder, ‘Sudden
revolution and sluggish aftermath’, in Hans Daalder en Edward
Shils, Universities, politicians and bureaucrats: Europe
and United States (Cambridge: Cambridge University Press,
1982), 496. Daalder haalt Denemarken aan als een ander land waar
verstrekkende hervormingen plaatsvonden; zowel de Deense als de
Nederlandse leiders waren het minst gewend aan de ‘directe
actie’-democratie.
163Zie Hans
Daalder, ‘The Netherlands: Universities between the
“New Democracy” and the “New
Management”’, in Universities,
politicians and bureaucrats, 173-231.
164‘Bezetting
niet juist, maar dreiging had toch positieve resultaten’, zei
P.E. Noorman, Het Parool, 21 mei 1969.
165Recent vrijgegeven documenten van het college van curatoren van de
Universiteit van Amsterdam laten zien dat Belinfante en enkele collega's
vérstrekkende concessies aan de studenten voorbereidden
voordat zij de gebouwen bezetten; Damen, ‘Bezet: Het
Maagdenhuis’, 11-12.
166‘Studenten
in Nijmegen solidair met rector’, Het
Parool, 18 juni 1969; Han Mulders interview met ‘de rode
baron’, ‘Ik ben een eenling in mijn
faculteit’. Het Parool, 21 juni
1969.
167A.D. de
Groot, ‘Democratisering, verraderlijk begrip’. Het Parool, 18 juni 1969.
168Geciteerd in
Janssen en Voestermans, Studenten in bewiging,
142-143
169Een NIPO-onderzoek uit juni 1969 laat
zien dat bijna dertig procent van de ondervraagden het gebruik van
geweld door de autoriteiten tijdens de bezetting van het Maagdenhuis
afkeurde; geciteerd in ‘Zomer in Amsterdam met lange lat en
baksteen’, De Groene Amsterdammer, 21 juni
1969. Het onderzoek werd gedaan, zoals het artikel vermeldt,
vóór de ‘absurd hoge
straffen’ door de Amsterdamse rechters werden
opgelegd.
170H.F. Cohen,
De strijd om di academie: De Leidse Universiteit op
zoek naar een bestuursstructuur (1967-1971) (Meppel: Boom,
1975), 190.
171Ook Daalder betoogt dat het oude
systeem vanuit ‘twee fronten’ werd aangevallen,
‘The Netherlands’, 180.
172Studentenradicalisme verdween al snel in Leiden. Het bleef
vrij sterk aanwezig aan de Universiteit van Amsterdam tijdens dejaren
zeventig.
173Tweede Kamer der
Staten-Generaal, 55ste vergadering, 6 mei 1969, 2750.
174Regtien,
Universiteit in opstand, 10.
175In Britse en Amerikaanse universiteiten,
ondanks de felle studentenprotesten, ‘leek in het hele proces
niets onvermijdelijks te zijn’, in tegenstelling tot in veel
West-europese landen (vooral Nederland en Denemarken); Daalder,
‘Sudden revolution and sluggish aftermath’, 509.
Daalder schrijft dit toe aan onder andere de tamelijk onafhankelijke
positie van Anglo-Amerikaanse universiteiten tegenover de nationale
overheid.
176Volgens een schatting gebruikte
vijftien procent van de 2,25 miljoen vrouwen in de vruchtbare leeftijd
in 1968 de pil; Trix Betlem, ‘Pil: De meeste vrouwen doen er
nog stilletjes over’, Algemeen Handelsblad,
28 augustus 1969. In 1969 gaf het Nederlandse parlement de verkoop van
de meeste voorbehoedsmiddelen vrij, ook aan minderjarigen. Lokale
autoriteiten mochten beslissen hoe ‘open’ de
automaten zouden worden geplaatst aan de openbare weg, maar de verkoop
in hotels en restauranten mocht niet langer beperkt worden;
‘Kamer akoord met vrije verkoop
voorbehoedsmiddelen’, Het Parool, 13 juni
1969.
177Het bekendste proces was dat tegen
Gé Nabrink van de NVSH, aangespannen wegens het aan de man
brengen van pornografisch materiaal door het verspreiden van Annakarin
Svedbergs Is pornografie schadelijk? Uiteindelijk werd
Nabrink vrijgesproken. Zie Gé Nabrink, Seksuele
hervorming in Nederland (Nijmegen: SUN, 1978), 528-543.
178De Denen stonden by voorbeeld de
verkoop van pornografie aan kinderen toe, tot genoegen van Edward
Brongersma, Sex en straf (Den Haag: NVSH, 1970),
14.
179A.G.W. Schapenk,
‘Pornografie: informatie en analyse’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 41 (1971), 333-334. Schapenk
was een deskundige op het gebied van pornografie.
180Schapenk, ‘Pornografie en politiek’,
Anti-Revolutionaire Staatkunde, 42 (1972),
162-174. Alle politieke partijen waren het erover eens dat bepaalde beperkingen op pornografie noodzakelijk
bleven.
181Zie
‘Sexwinkels in Sluis’, VARA televisie, 24 december
1971.
182Volgens een
bevolkingsonderzoek door het tijdschrift Margriet in
het najaar van 1969 steunde vijfendertig procent van de mannen en
vierentwintig procent van de vrouwen de vrije verkoop van pornografie;
geciteerd in Brongersma, Sex en straf, 56.
183Geciteerd in A.C. Drogendijk, ‘Standpuntbepaling inzake het
vraagstuk van de abortus provocatus’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 40 (1970), 281-282. Volgens
P.E. Treffers' onderzoek in 1965 eindigde ongeveer tien procent van alle
zwangerschappen in Amsterdam in een abortus, dat is ongeveer tweeduizend
in totaal.
184Na de oorlog bleefhet aantal
veroordelingen stabiel rond tweehonderd perjaar; tegen 1965 was dat
ongeveer veertig; statistieken verzameld door Jan de Bruijn, Geschiedenis van de abortus in Nederland (Amsterdam:
Van Gennep, 1979), 239; J. Janssens, ‘Abortus provocatus
criminalis, een ernstig maatschappelijk euvel’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 36 (1966), 284. Janssens
schatte dat jaarlijks ongeveer zes vrouwen overleden na het ondergaan
van een abortus.
185Zie De
Bruijn, Geschiedenis van de abortus in Nederland,
180-182.
186Joyce
Outshoom, De politieke strijd rondom abortuswetgeving in
Nederland, 1964-1984 (Amsterdam: Vrije Universiteit, 1986),
116-150.
187Zie Anja Meulenbelt,
Joyce Outshoom en Selma Leydesdorff, ‘Feminisme in
Nederland’, Te Elfder Ure, 1975, 612;
Outshoom, De politieke strijd, 166-168.
188Outshoom, De politieke
strijd, 168-173; Ulla Jansz, Vrouwen ontwaakt!
Driekwart eeuw sociaal-democratische vrouwenorganisatie tussen
solidariteit en verzet (Amsterdam: Bert Bakker, 1983),
176-180.
189Geciteerd in Outshoom, De politieke strijd, 171-172.
190Outshoom, De politieke strijd,
202.
191Outshoom, De politieke strijd,
184-192.
192Veel confessionelen, vooral in protestantse kringen,
geloofden dat het recht van de vrouw op abortus moest worden afgewogen
tegen de belangen van het kind - beiden hadden geen absoluut recht. Dit
is een groot verschil met de nadruk op rechten in de Amerikaanse
discussie.
193Woltjer, Recent verleden, 338.
194Geciteerd in
Outshoom, De politieke strijd, 195; Woltjer, Recent verleden, 339. Het voorstel haalde het niet
toen het kabinet-Biesheuvel, waar beide ministers toe behoorden, viel
over een financiële kwestie. Het kabinet werd uiteindelijk
vervangen door de regering-Den Uyl.
195Door de feitelijke legalisatie
van abortus steeg het aantal abortussen in Nederland niet, maar het
daalde ook niet. In de jaren zeventig bleef het aantal abortussen
stabiel, 16.500 tegenover 175.550 levendgeborenen in 1978; zie Jan de
Bruijn, Geschiedenis van de abortus in Nederland, 201.
Dit lage cijfer, het laagste in de wereld, wordt gewoonlijk
toegeschreven aan het wijdverbreide gebruik van voorbehoedmiddelen onder
vrouwen die anders voor abortus zouden kiezen.
196Outshoom, De politieke strijd, 240-274; zie ook Joyce Outshoom,
‘Abortus als politiek strijdpunt’, in Uwe Becker,
(red.), Nederlandse politiek in historisch en vergelijkend
perspectief (Amsterdam: Het Spinhuis, 1992), 157-176, waarin ze
betoogt dat formele oppositie tegen abortus, en feitelijke acceptatie
daarvan, een algemene strategie is van het politieke katholicisme in
Europa.
197Zie H. Cohen, Drugs, druggebruikers en drug-scene (Alphen aan den
Rijn: Samsom, 1975), 52-95, voor een beschrijving van vooral de
drugscene in Amsterdam.
198I.
Gadourek en J.L. Jessen, ‘Proscription and acceptance of
drugs-taking habits in the Netherlands’, Mens en
Maatschappij, 46 (1971), 397.
199Gadourek en Jessen,
‘Proscription and acceptance of drugs-taking habits in die
Netherlands’, 376; 379. Slechts één
jaar later had eenennegentig van de onderzochten gehoord van de term,
het gevolg van groeiende publiciteit. Alarmerender was een onderzoek dat
uitwees dat elf procent van tieners minstens drugs hadden
geprobeerd.
200‘Spinoza en
marijuana’, Algemeen Handelsblad, 26 juli
1967 [Provo Archief, Doos 16]; P.J. Geerlings en P.C. Kuiper,
‘Gevaren van het gebruik van marijuana en LSD’,
Socialisme en Democratie, 25 (1968),
430-438.
201De wet
uit 1928 verbood reeds het gebruik van verdovende middelen, behalve om
wetenschappelijke of medische redenen. In 1961 ondertekende Nederland
het Verdrag van New York waardoor het een partner werd in de
internationale drugbestrijding. Nog in 1966 voegde de Nederlandse
overheid LSD en achttien andere voor vervolging in aanmerking komende
‘psychedelische drugs’ toe aan de Opiumwet; Cohen,
Drugs, druggebruikers en drug-scene, 68.
202G. van Benthem van den Bergh, ‘De noodzaak van de
ontmythologisering van marijuana en LSD’, Socialisme en Democratie, 25 (1968), 393. Hij vervolgde met de
verklaring dat met het accepteren van drugs als een aanvaardbare bron
van behagen de politieke lading van drugs (drugs als daad van politiek
verzet) zou verdwijnen.
203Agon Elsevier, Kroniek van
Nederland (Amsterdam: Elsevier, 1985), 1969; ‘Amsterdam
wil strijd tegen drugs nuanceren.’, NRC, 24
januari 1969.
204Cohen schreef dat
jeugdbeleid en drugs onafscheidelijk met elkaar waren verbonden; Drugs, druggebruikers en drug-scene, 73.
205Voorstel van E. Antwerpen, A.
Martini en W. Wessels, Gemeenteblad Amsterdam, 1970,
Afd. 1, nr. II, 1719.
206Zie Gadourek en Jessen,
‘Proscription and acceptance’, 379; 399.
207Trees
Pels, Verboden drugs (Amsterdam: Studiebureau van de
Raad voor de Jeugdvorming, 1978),43.
208Jan Smallenbroek,
W.C.D. Hoogendijk e.a., Touwtrekken om hennep, Informatie
en beleid inzake drugs (Den Haag: ARP Stichting, 1972),
14.
209Zie Werkgroep Verdovende Middelen, Achtergronden en risico's van druggebruik (Den Haag:
Staatsuitgeverij, 1972); en ‘Brief van de Minister van
Volksgezondheid en Milieuhygiëne’, Tweede Kamer der Staten-Generaal, Zitting 1971-1972, 11 742,
nr. 2.
210‘Uitgangspunten voor een beleid inzake de
hulpverlening aan drugsverslaafden’. Tweede
Kamer der Staten-Generaal, Zitting 1976-1977,14 417, nr, 1,
1.
211Smallenbroek en Hoogendijk,
Touwtrekken om hennep, 20; 25-26.
212Voor de inhoud en de voorwaarden van de wet van 1976, zie
‘Het drugsbeleid’, Ministerie van WVC Fact Sheet,
1989; Pels, Verboden drugs, 40-41.
213A.C.M. Jansen,
Cannabis in Amsterdam: Een geografie van hashish en
marijuana (Muiderberg; Dick Coutinho, 1989), 32.
214Zie Punch, Fout is fout, 70. Het
aantal verslaafden in Nederland steeg echter niet boven het gemiddelde
en bleef lager dan het aantal in Amerika. In 1986 waren er vijftien- tot
twintigduizend verslaafden in Nederland; E.L. Engelsman,
‘Nederlands drugbeleid in West-Europees
perspectief’ in René Mol en Frans Trautmann,
(samenst.), Perspektief van het drugsbeleid
(Amsterdam, Belangenvereniging Druggebruikers MDHG, 1990), 45. Vooral
het harddruggebruik onder Surinamers in Nederland was alarmerend,
volgens een schatting gebruikten drie- tot zesduizend uit een populatie
van twaalf- tot twintigduizend mensen harddrugs; D. Ramlal,
‘Over de hulpverleningssituatie voor Surinaamse
druggebruikers’, Jeugdwerk nu), 9, 11
(1977), 6-8.
215Yvonne van Dongen, Burgerlijke ongehoorzaamheid in Nederland, 27-28. In
aanvulling op de NVVE, waar veel artsen lid van werden, werd in 1973 ook
de Stichting Vrijwillige Euthanasie (SVE) opgericht.
216Carlos F. Gomez, Regulating death: Euthanasia and the case of the Netherlands
(New York: Free Press, 1991), 28-31; Gijsbert Hoogerkamp, Euthanasie op het Binnenhof: De euthanasiediscussie in
politiek-historisch perspectief (1978-1992) (Utrecht: Utrechtse
Historische Cahiers, 1992), 10-11.
217In 1976 stond eenenzestig procent van de onderzochte
Nederlanders positief tegenover legalisatie van euthanasie onder
bepaalde voorwaarden. Maar op dat moment was er nog geen grote politieke
partij die zich daarvoor beijverde; dat gebeurde pas in het begin van de
jaren tachtig; geciteerd in Hoogerkamp, Euthanasie op het
Binnenhof, 14.
218Zie Gomez, Regulating death; en John Keown, ‘The law
and practice of euthanasia in the Netherlands’, Law Quarterly Review, 108 (januari 1992), 51-78.
219Geciteerd in Peter
Verstegen, ‘A is for action: A letter from
Amsterdam’, Delta, 14, 1 (1971-1972),
115.
220Volgens J.J.A.
Thomassen en J.W. van Deth was het belangrijkste kenmerk van de
Nederlanders na 1970 niet hun politieke activisme, maar hun
verdraagzaamheid; ‘How new is Dutch politics’,
75-76. Het is een gemeenplaats geworden te zeggen dat dit voortkomt uit
een oude traditie van verdraagzaamheid, wat waarschijnlijk ook waar is;
maar het is ook mogelijk dat deze tolerante houding van de Nederlandse
elites het voor de bevolking gemakkelijker maakte pornografie,
euthanasie en andere zaken te accepteren.
|
|