‘Vroeger was het verwijt, dat wij ons te snel aanpasten bij de moderne tijd, nu wordt gezegd, dat wij te traag zijn. Er is een sterke ontwikkeling in ons denken.’
- ARP-voorzitter W.P. Berghuis tegen aanhangers, 19661
Op woensdagavond 15 februari 1967 verzamelden aanhangers van Democraten '66, de jongste partij van Nederland, zich in Amsterdam om de uitslagen van hun partij in de nationale verkiezingen op die dag te volgen. Niemand vermoedde wat de uitkomst zou zijn. De verkiezingen waren vervroegd, wegens de ontbinding van de ARP-KVP-PvdA-coalitie op 14 oktober 1966, toen KVP'ers onder aanvoering van Norbert Schmelzer een motie van wantrouwen tegen het door de KVP geleide kabinet ondersteunden omdat ze geen heil zagen in belastingvoorstellen van PvdA-minister Anne Vondeling.2 De ‘Nacht van Schmelzer’ had socialisten en confessionelen van de linkervleugel woedend gemaakt, en door de val van het kabinet - de tweede in achttien maanden - vroegen veel Nederlanders zich af hoe stabiel en levensvatbaar hun politieke systeem eigenlijk was.3 De onlusten van dat jaar in Amsterdam ondermijnden het vertrouwen in het bestuurlijk vermogen van de autoriteiten nog verder (zie hoofdstuk vijf). Daarnaast was de regering niet in staat gebleken dringende problemen, zoals de woningnood, op te lossen. Al tijdens de provinciale verkiezingen van maart 1966 was de onvrede zichtbaar geworden, het meest verontrustend in de winst van de ‘anti-establishment’ Boerenpartij (BP) van Hendrik Koekoek, die bijna zeven procent van de stemmen binnenhaalde. Veel daarvan was afkomstig uit de grote steden.4 De kiezers waren boos, vervreemd, op drift geraakt en dus onvoorspelbaar.5
Jacques Fahrenfort, columnist van De Telegraaf, schreef dat de menigte, die zich de avond van de verkiezingen verzamelde op het hoofdkwartier van D'66, anders was dan het ‘luidkeelse, provo-achtige, lang-harige en fanatiek socialistische type’ dat hij zo verafschuwde. Daarentegen:
‘Het publiek - de kern van de D'66 aanhang - bestond uit studenten en jonge intellectuelen, meerendeels eenvoudig, bijna conservatief gekleed, kort geknipt
haar, ernstig debatterend (...) Een wat oudere man naast me zei: “Ik wist niet dat dit slag mensen nog bestond, ik dacht dat het reeds lang was uitgestorven”.’6
Maar terwijl de avond vorderde werd duidelijk dat de D'66'ers niet uit een archaïsch tijdperk stamden. Toen alle stemmen waren geteld bleek hun partij viereneenhalf procent van de stemmen te hebben gekregen, genoeg voor zeven zetels (van de honderdvijftig) in de Tweede Kamer - een uitslag die hun stoutste verwachtingen te boven ging. Dit betekende een bliksemsnelle opmars van een partij die nog maar zo kort bestond (sinds oktober 1966). Het succes van D'66 in de ‘meest sensationele verkiezingen sinds de Eerste Wereldoorlog’7, contrasteerde scherp met de ongekende verliezen die de grootste partijen, de katholieke KVP en de socialistische PvdA, leden (zie tabel). Verliezen die (vooral voor de KVP) het einde van de verzuilde politiek schenen in te leiden.8 Met een bierflesje in de hand9 riep de leider van D'66, H.A.F.M.O. ‘Hans’ van Mierlo (1931-) opgetogen: ‘Wij zijn bijzonder tevreden; de jeugd staat achter ons’.10
Partij vertegenwoordiging in verkiezingen van de Tweede Kamer, 1959-1972; genoemd worden partijen met minstens zeven zetels (één zetel = 0,67% van de stemmen)
| KVP | PvdA | VVD | ARP | CHU | CPN | BP | D66 | PPR | DS70 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1959 | 49 | 48 | 19 | 14 | 12 | 3 | - | - | - | - |
| 1963 | 50 | 43 | 16 | 13 | 13 | 4 | 3 | - | - | - |
| 1967 | 42 | 37 | 17 | 15 | 12 | 5 | 7 | 7 | - | - |
| 1971 | 35 | 39 | 16 | 13 | 10 | 6 | 1 | 11 | 2 | 8 |
| 1972 | 27 | 43 | 22 | 14 | 7 | 7 | 3 | 6 | 7 | 6 |
Andere partijen, die in deze periode in het parlement waren vertegenwoordigd waren de PSP, de SGP, het GPV, de RKPN en de Middenstandspartij.
D'66 was een protestpartij met één doel: de ‘ontploffing’ van het Nederlandse politieke systeem.11 Volgens de oprichters van D'66 (zoals Van Mierlo en de ex-VVD'er J.P.A. Gruijters) was de Nederlandse politiek zo ouderwets dat deze in een snel veranderende maatschappij niet meer goed kon functioneren:
‘Wij zijn van mening dat ons staatsbestel bedroevend functioneert. Het politieke spel moet nog steeds worden gespeeld volgens regels die dateren uit de vorige eeuw. Die regels zijn in de jaren na 1848 opgesteld voor een maatschappij die niet
te vergelijken is met de onze. De turbulente ontwikkelingen sinds 1900 hebben onze samenleving immers ingrijpend veranderd. Maar nog steeds moeten regeerders en parlement het doen met de codes van een voorbij tijdperk. De laatste jaren presenteren de bittere gevolgen daarvan zich met steeds grotere frequentie.’12
De oprichters wilden niets minder dan een fundamentele reorganisatie van het Nederlandse politieke systeem. De oude partijen met hun ‘negentiende-eeuwse principes’ zouden vervangen moeten worden door programmatischer en pragmatischer partijen die de kiezers een duidelijke keus konden bieden.13 In plaats van coalities te vormen tijdens besloten onderhandelingen in de maanden na de verkiezingen, zouden de partijen hun coalitiepartners moeten kiezen vóór de verkiezingen op basis van een gemeenschappelijk program. Geïnspireerd door het Amerikaanse politieke bestel wilde D'66 dat de premier en de burgemeesters direct door het volk werden gekozen en dat de evenredige vertegenwoordiging vervangen zou worden door een districtenstelsel. In alle voorstellen gafD'66 uitdrukking aan haar visie dat aan ‘de burger’ in de politiek de grootst mogelijke persoonlijke vrijheid en invloed moesten worden gegeven, een visie die naar haar idee sterk contrasteerde met de realiteit.14
Het imago van D'66 was zeker even belangrijk als de programmainhoud. De partij was, in de woorden van de journalist Henry Faas in 1967, ‘jeugdig, fris en radicaal’15 in een tijd dat al deze begrippen ‘in’ waren. De uitstraling van nieuwheid door D'66 trok vooral jongeren aan. In de februari-verkiezingen bleek de partij het aantrekkelijkst voor katholieke en niet-godsdienstige twintigers, die veelal hoger opgeleid waren en afkomstig uit stedelijke gebieden.16 Het charisma van Van Mierlo bracht veel onderzoekers ertoe hem te vergelijken met John F. Kennedy. En de doeltreffende imitatie van de Amerikaanse campagnetechnieken, waarin D'66 vooral nadruk op de persoon van de kandidaat legde, voegde ongetwijfeld een spannend element toe aan een politieke cultuur waarin partijpropaganda door de politici over het algemeen niet hoog werd aangeslagen, hetgeen de kwaliteit ervan niet ten goede was gekomen.17 D'66 presenteerde zich als de partij van de toekomst, die de bekrompen praktijken en ideeën van de politiek-oude-stijl zou wegvagen.
De politieke kruisvaarders van D'66 waren, kortom, self-made politieke ‘buitenstaanders’, die geloofden dat de gevestigde partijen niet in staat waren gebleken zichzelf te vernieuwen. Zij kregen veel aanhang onder kiezers die waren vervreemd van de gevestigde politiek en behaalden hun eerste succes in een verkiezing waarin eenderde van het electoraat zijn stem op een andere partij uitbracht dan bij de parlementaire verkiezingen
van 1963.18 D'66 werd een duidelijk symbool van een electoraat dat genoeg had van het, zoals een commentator het verwoordde, ‘wij weten wat goed voor u is’-paternalisme van Den Haag.19
De verkiezingen van 1967 en vooral de overwinning van D'66 stelden de politieke elites20 voor enkele lastige nieuwe uitdagingen en verontrustende ontwikkelingen. Niet alleen de jonge, geseculariseerde professionelen die zich wendden tot D'66 kwamen in opstand. Veel kiezers, zowel jonge als oude, schenen weinig respect te hebben voor de politiek-oude-stijl, vervreemd als zij daarvan waren door de complexiteit van de toenmalige politiek. Bovendien waren zij, tot nadeel van de grote christelijke partijen, in toenemende mate geseculariseerd.21 Het kalme politieke milieu waarin Nederlandse politici opereerden leek plotseling een einde te hebben genomen.22 In het midden van de jaren zestig zagen de gevestigde politieke leiders van Nederlands ‘verkalkt politiek wereldje’23 zich opzij geduwd door een nieuwe generatie kiezers, en door een nieuw slag politici, die zich eerder verzetten tegen het politieke systeem, dan dat ze het verdedigden.
De befaamde aanval van D'66 op het overleefde politieke systeem van Nederland verdoezelt het feit dat haar analyse nauwelijks door enig gezaghebbend politicus in twijfel was getrokken. Hoewel een aantal politici de oplossingen van de nieuwe partij te ‘on-Nederlands’ vond om bruikbaar te zijn24, weerspraken maar weinig politici openlijk de belangrijkste conclusie van D'66 dat hun ‘anachronistische’ politieke systeem hard aan vernieuwing toe was. Zelfs Schmelzer erkende het teken dat de verkiezingen hadden gegeven: ‘Het succes van D'66 is een belangrijk symptoom van de behoeften bij de jongeren aan een vernieuwing van het kiesstelsel en het partijwezen’.25 De roep om substantiële politieke vernieuwing ging D'66 zelfs al decennia vooruit. De wens te komen tot ‘doorbraak’ van de confessionele partijen had al sinds 1945 geklonken (zie hoofdstuk één). Binnen de bestaande politieke partijen waren de ‘malaise’ in de Nederlandse politiek en de noodzaak tot verandering van partijen en overheid al lang onderwerp van discussie. In de jaren voorafgaand aan de verkiezingen van 1967 was het onder politici, redacteuren en intellectuelen een gemeenplaats geworden te zeggen dat de Nederlandse democratie grondig herzien moest worden26 (politieke vernieuwing was daarentegen zelden een brandende vraag voor het grote publiek27). In deze ‘incubatieperiode’ (1958-1966)28 werden vele politieke debatten, die in de crisisjaren van de Nederlandse politiek (1967-1973) werden gevoerd, geïnitieerd door gevestigde politici. Eigenlijk waren D'66-leiders als Gruijters en Van Mierlo zelf voortgekomen uit de gevestigde politiek en
het intellectuele circuit waarin de onvrede met het functioneren van de Nederlandse democratie Ieefde.29 Doordat de politieke elites de gebreken waaraan de Nederlandse democratie leed uittekenden en wilden oplossen, maakten zij de opkomst van een radicalere kritiek door onder andere D'66 mogelijk en zelfs waarschijnlijk.
In dit hoofdstuk zal ik mij dus niet zozeer concentreren op de opkomst van D'66 en nieuwe vormen van politiek radicalisme, maar op de wijze waarop de bescheiden pogingen van het gevestigde politieke leiderschap om de bestaande partijen te ‘moderniseren’ en veranderingen te kanaliseren een bijdrage hebben geleverd aan ‘de crisis in de Nederlandse politiek’. Door deze ‘crisis’ leek het stabiele Nederlandse politieke systeem, dat tijdens de jaren veertig en vijftig in evenwicht werd gehouden door rooms-rode coalities, in het begin van de jaren zeventig op een dood spoor te zijn gekomen.30 In dit hoofdstuk zal ik verschillende pogingen tot vernieuwing tegen het licht houden die hebben bijgedragen aan verdergaande instabiliteit en verwarring, namelijk: (a) de pogingen om de drie grote ‘confessionele’ partijen samen te voegen in een christelijk-democratische partij; (b) de pogingen om de politiek nieuw leven in te blazen door een beroep te doen op ‘jeugd’ en ‘radicaliteit’; en (c) de pogingen om de kiezers te voorzien van een ‘duidelijke’ electorale keus.
Nationale kabinetten, 1959-1977
| Premiers | Periode | Coalitie | Parlementsleden |
|---|---|---|---|
| De Quay (KVP) | 1959-63 | KVP-VVD-ARP-CHU | 95 |
| Marijnen (KVP) | 1963-65 | KVP-VVD-ARP-CHU | 92 |
| Cals (KVP) | 1965-66 | KVP-PvdA-ARP | 106 |
| Zijlstra (ARP) | 1966-67 | KVP-ARP | 63 |
| De Jong (KVP) | 1967-71 | KVP-VVD-ARP-CHU | 86 |
| Biesheuvel (ARP) | 1971-72 | KVP-VVD-ARP-CHU-DS70 | 82 |
| Biesheuvel (ARP) | 1972-73 | KVP-VVD-ARP-CHU | 74 |
| Den Uyl (PvdA) | 1973-77 | PvdA-KVP-ARP-PPR-D66 | 97 |
Van 1918 tot 1967 (met uitzondering van de bezettingsjaren) hadden de verschillende ‘confessionele’ partijen - de partijen met sterke kerkelijke bindingen - voortdurend een parlementaire meerderheid. De Katholieke Volkspartij was altijd vertegenwoordigd in de naoorlogse regeringen en de protestantste CHU en ARP maakten meestal ook deel uit van rege-
ringscoalities, wisselend in combinatie met de socialisten of liberalen. En hoewel de ARP van 1948 tot 1963 eenderde van zijn kiezers verloor31 bleken de CHU en de KVP (die meer dan driekwart van alle Nederlandse katholieken aan zich wist te binden) zich opvallend goed bij verkiezingen te handhaven. Zo kregen de vijf christelijke partijen in 1963 te zamen nog tachtig zetels in de Tweede Kamer. De dominantie van de confessionele partijen, vooral van de KVP, was tot diep in de jaren zestig de meest voorspelbare factor in het Nederlandse politieke bestel.32
Ontwikkelingen die al vanaf eind jaren vijftig binnen de katholieke zuil merkbaar waren zouden echter een einde maken aan deze stabiele situatie. De ideologische identiteit van de KVP was al lang zwak geweest (zie hoofdstuk één), maar toen het ‘einde van de emancipatie’ in zicht was gekomen begonnen veel katholieken zich af te vragen of de katholieke organisaties niet langzamerhand moesten verdwijnen (zie hoofdstuk drie). Er kwamen steeds meer aanwijzingen dat doorsnee katholieken de katholieke zuil de rug toekeerden; al in de jaren vijftig vroegen onderzoekers aan het katholieke sociologische instituut KASKI zich af hoe lang demografische ontwikkelingen (minder geboorten, meer kerkverlating) de KVP nog drijvende zouden houden.33 Nog belangrijker was dat de katholieke partij, die altijd afhankelijk was geweest van de steun van de Nederlandse bisschoppen, door hen overbodig werd geacht. De ‘open’ boodschap van het Tweede Vaticaans Concilie had de katholieke leiders hiertoe geïnspireerd (zie hoofdstuk drie).34 De veronachtzaming van de partij door de bisschoppen bracht de KVP in een steeds zwakker wordende positie.35 Zoekend naar een nieuwe richting, begonnen katholieke politici meer aandacht te schenken aan de ‘openheid’ van de KVP; in mei 1963 vertelde de fractievoorzitter W.L.P.M. de Kort, die ervan overtuigd was dat er geen essentiële verschillen waren tussen de vijf grote partijen36, aan een Eindhovens publiek dat zijn partij evenals de PvdA en de VVD een doorbraakpartij was.37 Maar het gebruik van de begrippen ‘doorbraak’ en ‘openheid’ in een uitsluitend katholieke partij was weinig geloofwaardig. KVP-politici waren blijkbaar plotseling niet meer in staat uitdrukking te geven aan hun eigen visie op de KVP.38
Al in het begin van de twintigste eeuw hadden katholieke leiders tot een verenigde christelijke partij willen komen39, maar dit was toen door protestantse politici verworpen. In de ogen van de ARP onderwierpen de katholieken zich namelijk niet voldoende aan bijbelse beginselen en naar de mening van de CHU zou een dergelijke unie het fundamenteel protestantste karakter van de Nederlandse natie aantasten. Maar door het ‘einde van de emancipatie’ en de opkomst van het oecumenisch gedachtengoed
(zie hoofdstuk drie) drongen een aantal invloedrijke katholieke politici opnieuw aan op een verenigde partij. De katholieken vonden inspiratie in andere landen in Europa. In geen enkel Westeuropees land waren de christen-democratische partijen verdeeld naar godsdienst. En vooral in West-Duitsland en Italië bloeiden de (door katholieken gedomineerde) verenigde christelijke partijen. Dit internationale patroon was, zelfs voor protestanten, moeilijk te negeren en al in 1952 begonnen de KVP, de ARP en de CHU samen te werken als een verenigd christen-democratisch blok in de Raad van Europa en (later) het Europese Parlement. In 1959 deed C.P.M. Romme, fractievoorzitter van de KVP, een voorzichtig voorstel om te komen tot een christen-democratische partij, hoewel hij wist dat de protestantse partijen in een dergelijk voorstel een plan zouden zien voor katholieke dominantie. Aanvankelijk reageerden de protestantse leiders tamelijk gereserveerd.40 In het begin van de jaren zestig echter raakten protestanten als ARP-voorzitter W.P. Berghuis en CHU-theoloog G.C. van Niftrik geïnteresseerder in nauwere samenwerking met de katholieken. Het idee van een verenigde partij deed bij KVP-kiezers snel opgang; in 1964 was zesentachtig procent voorstander van een verenigde christelijke partij.41 Tegen die tijd maakten ook KVP-leiders onder wie Schmelzer en P.J.M. Aalberse, zich sterk voor de vorming van een dergelijke partij42, die in hun ogen de beste lange-termijn-oplossing was voor hun stuurloze partij.43
In januari 1966 verscheen het rapport ‘Grondslag en karakter van de K.V.P.’, waarin werd beweerd dat de principiële redenen voor een katholieke partij (ideologische oppositie tegen liberalen en socialisten, emancipatie van de katholieken) tot het verleden behoorden. De KVP was, kortgezegd, niet meer noodzakelijk. De opstellers probeerden wel te onderstrepen dat er nog steeds pragmatische redenen waren voor het voortbestaan van de KVP; de opheffing van de KVP was ‘niet verantwoord’ door de afwezigheid van ‘realiseerbare alternatieven’. In overeenstemming met de inzichten van Schmelzer en Aalberse, drongen de auteurs erop aan dat de KVP alles zou doen om het bestaan van ‘breder opgezette doch christelijk geïnspireerde partijstructuren’ te bevorderen.44 Het wekt geen verbazing dat het rapport het enthousiasme voor de partij niet bepaald aanwakkerde, het ondermijnde eerder steun voor de KVP.45 Na de verschijning uitten veel KVP-leden de wens dat er snel óf een nieuwe seculiere óf een christen-democratische partij zou komen.46
Een lid van de rapportcommissie, pater J.G. Stokman, riep de KVP op verstandig te zijn en niet ‘oude schoenen weg te doen alvorens nieuwe te hebben’, maar toch dankte de KVP in feite haar oude doelstelling af zon-
der deze te vervangen en electorale gevolgen bleven dan ook niet uit47: bij de landelijke verkiezingen in februari 1967 leed de KVP ernstige verliezen. De KVP zag zich meegevoerd in een neerwaartse spiraal en haar leiders reageerden ‘fatalistisch’ op de desintegratie van de partij.48 De grootste partij van Nederland was onmiskenbaar in staat van ontbinding. In de woorden van de Nijmeegse hoogleraar F.J.F.M. Duynstee in 1968 rustte de politieke kracht van de KVP nu helemaal op de ‘het feitelijk bestaan van de organisatie, en het nasudderen van het verleden’.49 Tegen het eind van 1967 was er onder de trouwe partijgangers vrijwel geen steun meer te vinden voor het voortbestaan van de KVP; van de leden die eind 1967 in vierhonderd KVP-werkgroepen participeerden, ondersteunde slechts anderhalfprocent het voortbestaan van een katholieke partij.50 In de praktijk betekende dit dat het KVP-bestuur de meeste energie stak in het streven naar een grotere, buiten-katholieke partij, en niet in het handhaven van de bestaande KVP.51 Op deze manier bevonden de katholieken zich in de ongelukkige situatie volledig afhankelijk te zijn van de politieke medewerking van niet-katholieken om hen van zichzelf te verlossen. Naar de visie van Schmelzer en Aalberse betekende dit dat de ARP en de CHU hun enige hoop waren.52 De electorale vooruitzichten van deze partijen, die niet te strijden hadden met bisschoppen en het ‘einde van de emancipatie’, waren na 1967 veel rooskleuriger.53 De katholieken hadden haast: ‘wij hebben niet veel tijd’, meldde Aalberse de protestantse leiders in 1967.54 In april 1967 werden besprekingen begonnen door ‘de Achttien’, bestaande uit zes vooraanstaande vertegenwoordigers van elke partij, teneinde de mogelijkheden te verkennen voor een nieuwe partij.
De protestanten waren echter verdeeld over het tempo en de wijze waarop de samenwerking gestalte zou moeten krijgen. Aan de ene kant maakten partijleiders van CHU en ARP zich zorgen over de snelheid waarmee hun politieke partner inzakte. In januari 1967 vertelde Berghuis vooraanstaande ARP'ers dat het ‘broodnodig’ was gesprekken met de CHU en de KVP aan te gaan over eenwording, gezien het christelijk karakter van de partijen en gegeven het feit dat de KVP, als ze aan zichzelf zou worden overgelaten, spoedig zou ‘deconfessionaliseren’.55 Het vooruitzicht van een seculiere of een geslonken KVP was een krachtige stimulans om te werken aan een verenigd christen-democratisch front. Het onderscheid protestant-katholiek was daarnaast veel minder belangrijk geworden in een tijd waarin oecumenische preken overal werden gehoord.56 Tegen het einde van 1966 hadden ook de ARP- en CHU-kiezers laten weten dat zij het idee van een verenigde christen-democratische partij ondersteunden, en deze steun zou onder confessionelen
gehandhaafd blijven tot die verenigde partij uiteindelijk werkelijkheid werd in 1977.57 Vooral het Christelijk-Historisch bestuur maakte zich zorgen over de verdwijnende partij-identiteit en wilde graag nauwer samenwerken met de KVP om een nieuwe en beter te handhaven identiteit te scheppen. Het Scholten-rapport, dat de CHU uitbracht in juli 1967, vertoonde gelijkenis met het KVP-rapport van 1966: het bestaan van de CHU was ‘verantwoord’, maar veranderingen in de toekomst werden aannemelijk geacht.58
ARP-leden waren echter sceptischer gestemd over de partij die zou ontstaan uit een samenvoeging met de KVP. Voorzitter Berghuis had jarenlang geprobeerd een ARP-CHU-eenheid te bereiken, juist omdat hij de invloed van het politieke protestantisme wilde verbreden en katholieke dominantie van de christen-democratie, zoals bij de Christlich-Demokratische Union in West-Duitsland, in Nederland wilde voorkomen.59 Hoewel Berghuis de dialoog met de KVP zowel noodzakelijk als wenselijk achtte, bleef hij zich zorgen maken dat de KVP'ers niet geïnteresseerd waren in een waarlijk ‘evangelische’ partij. Dat eenheid met de KVP zou leiden tot een pragmatische en vormloze centrum-politieke partij werd gevreesd door zowel de calvinistische oude garde als de ‘radicale’ vleugel, waarvoor Berghuis veel sympathie voelde. Deze radicalen, die binnen de ARP meer invloed genoten dan hun tegenhangers in de CHU en de KVP (zie volgende paragraaf), protesteerden fel tegen een brede, gedeconfessionaliseerde ‘volkspartij’.60 Maar zelfs fractievoorzitter Barend W. Biesheuvel, die gematigder was en zich sterk maakte voor een verenigde christelijke partij, verwierp in 1968 expliciet het CDU-model als iets ‘vaags, logs, ongrijpbaars’61 (de Duitse CDU was zowel te weinig christelijk als te weinig progressief om een aantrekkelijk alternatief te kunnen zijn voor veel ARP'ers62). De ARP had eenvoudig te veel leden met te veel bezwaren om zich onmiddellijk te kunnen storten in politieke eenwording met een katholieke partij die naar antirevolutionaire smaak te weinig principiële ruggegraat had.
Tegen het eind van 1968 bevonden de leiders van de drie grotere christelijke partijen zich dus in een tussenpositie waaruit niet makkelijk een uitweg te vinden was. ‘De Achttien’ bleven elkaar geregeld ontmoeten en waren druk bezig een aantal beleidsdocumenten voor te bereiden die, naar ze hoopten, de zienswijzen van alle drie de partijen zouden weerspiegelen. De drie fractievoorzitters in de Tweede Kamer (Schmelzer, Biesheuvel en Mellema) betuigden in 1968 op de televisie hun steun aan een verenigde christelijke partij en in 1970 presenteerden de drie partijen lijstverbindingen bij de provinciale verkiezingen in Limburg en Friesland.
In 1971 publiceerden zij, naast afzonderlijke verkiezingsprogramma's, een gemeenschappelijk nationaal verkiezingsprogramma. Hoe langer de partijen spraken over een verenigde partij, hoe verder andere opties uit het zicht raakten; voor de meeste confessionele politici was de vorming van een verenigde partij ‘broodnodig’, gegeven de onmiskenbare vermindering van de steun van kerkleden voor confessionele partijen.63 Zelfs vakbondsleider R. Gosker, een ARP-lid van de oude calvinistische stempel die niet verder wilde gaan dan een losse federatie, schreef in 1969: ‘Als nu niet Rome en Dordt in de politiek samengaan is er voor de christelijke politiek geen toekomst’.64
Tegelijkertijd bleven karakter en structuur van de toekomstige christen-democratische partij een zaak van heftige discussies, tussen protestanten en katholieken en tussen voorstanders van een centrum-politieke partij en christen-radicalen, die dreigden uit hun partij te stappen als het zover zou komen. De afnemende steun voor de KVP, die opnieuw stemmen verloor bij de verkiezingen van 1970, 1971 en 1972, maakte de situatie nog instabieler.65 Veel KVP'ers, die zich ergerden aan de bijbelvastheid van de protestanten en zich al hadden neergelegd bij de ‘onvermijdelijkheid’ van de secularisatie66, stonden open voor de geseculariseerde koers die door de nieuwe partijleider Dick de Zeeuw werd uitgestippeld. Dit verontrustte op zijn beurt de CHU- en ARP-leiders, die zich afvroegen of de KVP nog wel gered kon worden.67 In het begin van de jaren zeventig hadden de pogingen om te komen tot partijvernieuwing en christen-democratische eenheid dus voornamelijk tot verdeeldheid geleid, terwijl de meeste kiezers uitzagen naar samenwerking en eenheid. Nog erger was dat zowel de KVP als de CHU erdoor in een ernstige identiteitscrisis waren geraakt, zij hingen tussen een vroegere en een toekomstige identiteit in.68
Uiteindelijk was het de KVP-politicus P.A.J.M. Steenkamp die de Nederlandse christen-democratie wist te redden. ‘Rooie Piet’, zoals hij werd genoemd, was zowel een ‘progressief’ politicus als een gedreven christen-democraat die zich op de hoogte had gesteld van de protestantse denktrant. Samen met gematigde protestantse politici als Jan de Koning van de ARP69, schreef hij in 1972 het document ‘Op weg naar een verantwoordelijke maatschappij’, waarin hij zowel de protestantse principes als de katholieke flexibiliteit een plaats gaf.70 In het daaropvolgende jaar werd het Christen-Democratisch Appèl (niet Unie!) opgericht op basis van dit document. Hoewel een volledige eenwording nog enige jaren op zich liet wachten (deels door het verzet van de CHU tegen het kabinet-Den Uyl waaraan de ARP en de KVP deelnamen, deels door oppositie
vanuit de ARP), was het moeilijkste gedeelte achter de rug. Tijdens de verkiezingen van 1977 maakte het CDA zelfs een christelijk-politieke wedergeboorte mee die zeventien jaar zou standhouden en die het CDA in het centrum van de Nederlandse politiek zou houden. Evenals de Britse conservatieven in 1979 en de Duitse CDU in 1982, zouden Nederlandse christen-democraten erin slagen zich weer te doen gelden in de politiek na een lange periode vol problemen.
Deze opleving volgde echter op een periode waarin de christelijke partijen bijna veertig procent van hun electorale sterkte hadden verloren en waarin hun verval onherroepelijk leek. Gedurende die tijd werd algemeen verondersteld dat de christelijke partijen eigenlijk overblijfselen waren van een verouderd verleden. Hoewel veel confessionele leiders nog steeds hoopten op een christen-democratische partij, zagen maar weinig politici toekomst in de oude negentiende-eeuwse christelijke partijen. Die waren ‘tot machteloosheid gedoemd’, tenzij ze een grondige verandering zouden ondergaan.71 Onbekwaam om gezamenlijk tot een beslissing te komen over de te volgen koers, bleven de christelijke politici weifelende verdedigers van partijen die in de woorden van de journalist Dick Houwaart zich in ‘de laatste fase van hun bestaan’ bevonden.72 Vooral binnen de KVP was, door de gezamenlijke aanvaarding van de ‘deconfessionalisering’, het oude bouwwerk vernietigd zonder dat er een nieuwe structuur voor in de plaats kwam. Nederlandse confessionele partijleiders, en zeker die van de KVP, hebben minstens ten dele hun eigen ondergang bewerkstelligd.73
Het gevoel uit de tijd te zijn speelde echter niet alleen bij de KVP. Midden jaren zestig beschuldigden D'66 en Nieuw Links het hele gevestigde systeem van politieke partijen ervan een verouderd bolwerk van ‘conservatieve’ politiek te zijn. De politici van middelbare leeftijd met hun grijze televisiepersoonlijkheden gaven inderdaad reden te veronderstellen dat de Nederlandse politiek een verjongingskuur nodig had. De zelfvoldaanheid van Den Haag, die in de eerste helft van de jaren zestig door verschillende commentatoren werd opgemerkt, suggereerde dat de Nederlandse politici vastgebakken zaten op hun zetels en immuun of onverschillig bleven voor nieuwe aanwas of nieuwe vraagstukken.
Deze analyse was niet ongegrond; het Nederlandse politieke leven omstreeks 1965 was tamelijk oligarchisch. Mannelijke manager-politici van middelbare leeftijd waren in de Nederlandse politiek goed vertegen-
woordigd. Vanaf het begin van de jaren zestig echter toonden steeds meer politieke elites de wil hun partijen kritisch tegen het licht te houden. Hun bereidheid daartoe kwam deels voort uit de sinds het eind van de jaren vijftig gedeelde perceptie dat (1) het gebrek aan ideologische smaak de kiezers vervreemdde van de politiek; (2) de in demografisch opzicht belangrijke jongere generatie moest worden gewonnen voor steun aan de gevestigde partijen; (3) in een tijd van ongekende welvaart en vrede nieuwe ‘progressieve’ politiek kon en moest worden gestimuleerd, vooral door middel van grootschalige en door de overheid gefinancierde projecten.
Evenals elders in het Westen hadden in de jaren zestig het ‘einde van de ideologie’ en de ‘nieuwe zakelijkheid’ de ideologische conflicten vervangen. Parlementariërs en regeringsfunctionarissen wijdden zich nu aan bestuurskundige kleinigheden en technische details, en ideologische verschillen tussen de partijen vervaagden. Binnen de gevestigde partijen werd dikwijls de vraag gesteld of de grote ‘negentiende-eeuwse’ ideologische bewegingen hun nut en functie niet hadden verloren. Men zou kunnen denken dat de gevestigde politici met hun paternalistische, apolitieke en consensuele tradities juist gedijden in een dergelijk klimaat.74 Toch waren tal van Nederlandse politici gespitst op de gevaren van een politiek systeem zonder ideologieën. Willem Banning, één van de oprichters van de PvdA, sprak in 1960 teleurgesteld over de ‘malaise’, waardoor politiek niet langer leefde onder ‘de gewone man en vrouw’.75 In 1963 gaf zeventig procent van de Nederlandse kiezers aan nauwelijks of geen belangstelling te hebben voor de politiek (een percentage dat ook in andere Westeuropese landen hoog was76). En de politici raakten gealarmeerd toen uit een onderzoek in 1965 bleek dat slechts vierentwintig procent van de mannen en tien procent van de vrouwen het parlement positief beoordeelde.77 Bovendien werd, wegens het verlies aan electorale kracht van ideologische partijen zoals de PvdA en de ARP, het ‘einde van de ideologie’ voor het bestuur van deze partijen meer dan een academische kwestie.78 Dat de Boerenpartij zoveel aanhang kreeg wekte ook onrust. De Boerenpartij verkreeg publieke steun nadat autoriteiten in aanwezigheid van televisie-camera's een boerenfamilie uit Hollandsche Veld in 1962 uit haar boerderij zette. Onderzoekers interpreteerden deze steun als een teken van toenemende vervreemding van een moeilijk beheersbaar electoraat79 en veel politici zagen in het rechtse protestkarakter van de Boerenpartij een gevaarlijke bedreiging van de Nederlandse democratie.80
Slecht nieuws voor alle partijen was dat vooral de jongere kiezers zich afkeerden van de doorsnee politiek en van de bekende partijen, een tweede factor waardoor die partijen hun strategie veranderden. De confessio-
nele partijen, vooral de protestantse, vergrijsden gestaag in de loop van de jaren zestig81, en de ontwikkelingen binnen de PvdA waren niet veel beter; de ‘grijsheid’ van de PvdA werd zelfs onderwerp van een satire in Zo is het... van de VARA-televisie.82 Alle grotere partijen gingen daarom in die periode meer aandacht besteden aan jongerenproblemen en probeerden een beroep te doen op jeugdig idealisme. PvdA-leiders hielden zich bezig met de vraag hoe aan deze verontrustende ontwikkeling een halt kon worden toegeroepen (toch zou nog tot 1966 slechts één socialistische parlementariër jonger dan vijfendertig jaar zijn83) In televisie-propaganda van de KVP in het midden van de jaren zestig gaf deze partij uiting aan haar wens ‘de jeugd’, die in haar ogen ‘sociaal progressief’ georiënteerd was, voor de partij te behouden.84 En binnen de VVD verklaarde de jonge Hans Wiegel: ‘90% van de jeugd is liberaal’.85
Ook de ‘baby boom’ vergrootte de dreiging van een politiek electoraat zonder binding met de bestaande partijen.86 Zowel op ideologisch als op demografisch gebied leken de grote partijen uitgeteld. Het wekt dus nauwelijks verbazing dat in de eerste helft van de jaren zestig veel politici zich richtten op ‘de jeugd’ en ontvankelijk bleken voor een ‘nieuwe’ en krachtige vorm van politiek die de jongere, in hun ogen ‘progressieve’, generatie aan zou spreken.
De derde factor was de toenemende waarde die aan de welvaartsstaat werd gehecht, en de bewuste verschuiving naar links die daarmee gepaard ging. Veel politici meenden dat ze de ‘progressieve’ jeugd voor zich zouden winnen, wanneer zij in de welvaartsstaat ernaar streefden sociale problemen aan te pakken. In een tijd van weergaloze economische groei en welvaart was een politiek van vrijgevigheid naar hun mening ook mogelijk en betaalbaar geworden. Met de verschrikkingen van de crisis van de jaren dertig in het geheugen wensten de meeste oudere politici, evenals de Amerikaanse president Lyndon Johnson, de armoede geheel weg te werken. Dit gold niet alleen voor de PvdA, maar ook voor de confessionele partijen. De sociaal-economische doelen van de KVP vertoonden over het algemeen meer gelijkenis met die van de PvdA dan met die van de VVD, en verschillende invloedrijke en ‘progressieve’ steunpilaren van de KVP, zoals Marga Klompé - mede-opsteller van de Algemene Bijstandswet van 1965 - gingen uit van een soort natuurlijk verbond tussen de KVP en de PvdA.87 Bovendien liet de partij zich voorstaan op een aantal bekende politici die zich bewust ‘links’ opstelden, onder wie premier Jozef Cals, wiens kabinet zich had gepresenteerd als ‘een regering van moderne energieke mannen, die een open oog hadden voor de psychologie van deze tijd en, in het bijzonder, van deze jeugd’.88 Evenzo was de aanvankelijk
negatieve houding van de ARP tegenover de opbouw van de welvaartsstaat omgeslagen naar het geestdriftig omarmen van geldverslindende staatsprojecten, gericht op het bestrijden van onrecht en ongelijkheid.89 Enige antirevolutionaire ‘radicalen’ riepen de ARP op te streven naar het veranderen van de wereld door herverdeling van rijkdom, niet alleen in eigen land maar vooral ook daarbuiten.90 Tegen 1964 noemde Berghuis, tot ongenoegen van de oude garde, de ARP een sociaal-linkse partij die zich in de ‘voorhoede’ bevond91, en in het midden van de jaren zestig verwezen Berghuis en andere ARP'ers (b.v. de eerste vrouwelijke ARP-parlementariër, J. van Leeuwen) naar evangelische radicaliteit om het doel van de partij te omschrijven.92 W.C.D. Hoogendijk, die zelfbekeerd was tot het christen-radicalisme, suggereerde dat Anti-revolutionair in werkelijkheid Anders-revolutionair zou betekenen.93 Zelfs de CHU en de VVD, die minder geestdriftig waren over de nieuwe staatsprojecten van de jaren zestig, boden nauwelijks verzet tegen de plannen van de andere politieke partijen voor de uitbouw van de welvaartsstaat. De VVD probeerde op eigen wijze haar ‘vooruitstrevendheid’ op sociaal gebied te bewijzen.
Hoewel de gezamenlijke ijver voor de uitbouw van de welvaartsstaat de gematigden-oude-stijl en de radicalen-nieuwe-stijl had kunnen verbinden, neigden de radicalen ertoe het verschil te benadrukken tussen hun eigen ambitieuze doelstellingen en het ‘conservatieve’ en gecompromitteerde beleid van de gematigde politici.94 Veel gematigde politici zouden daarentegen de programma's van de welvaartsstaat zien als een teken van hun eigen vooruitstrevendheid.
Tegen het midden van de jaren zestig bevonden de grote politieke partijen in Nederland zich dus op een vreemd kruispunt van wegen. De technocraten van middelbare leeftijd en de gematigde voorstanders van consensus overheersten de partijen nog steeds. Maar velen onder hen betwijfelden de ideologische stabiliteit van de status quo. Binnen de ARP werden de eerste geluiden die wezen op een radicaler koers gehoord in 1962, toen haar voorzitter een nieuwe richting uitzette. Berghuis, die eens bekend stond als traditioneel, hield in dat jaar zijn beroemde ‘door de bocht’-toespraak, waarin hij aankondigde dat een nieuw tijdperk voor de ARP was aangebroken:
‘Ik geloof dat wij goed doen er oog voor te hebben, dat wij in de eerste na-oorlagse periode aan het gevaar hebben blootgestaan met onze beginselen te verstarren in een veranderende wereld (...) Ik dacht dat wij over dat gevaar nu heen zijn en dat wij thans bezig zijn de bocht te nemen naar de tijd waarin wij zeer reëel leven, en waarin wij met dezelfde geestelijke opdracht als die van het verleden ons naar de toekomst richten.’95
Tegen 1966 verlangden veel vooraanstaande ARP'ers ernaar om aan te tonen dat hun partij weer krachtig was geworden en midden in de nieuwe wereld stond. En ditzelfde gold ook voor de leiders van de andere partijen.
Het was in dit milieu dat omstreeks 1966 jongere en hoogopgeleide ‘christen-radicalen’ hun politieke entree maakten. Vanaf 1967 waren deze radicalen binnen de KVP en de ARP luidruchtig aanwezig. Zij eisten ‘solidariteit’ met de Derde Wereld en stopzetting van de, in hun ogen, egoïstische machtspolitiek van het verleden.96 In naam van een nieuwe generatie confessionele kiezers oefenden deze radicalen druk uit op hun partijen om een besliste draai naar links te maken. Een aantal christen-radicalen dreigde zelfs uit te treden uit de eigen partijen, wanneer deze politieke wending niet zou worden gemaakt. Zodoende wekten ze de indruk dat er een ernstige breuk dreigde, terwijl de confessionele partijen al zo zwak waren dat zij zich een dergelijke breuk niet konden veroorloven. Eind 1967 leken ze de steun van een groot deel van de achterban te hebben verkregen. Enquêtes toonden aan dat ongeveer zevenendertig procent van de CHU-kiezers op een ‘Christen-Radicale Partij’ zou stemmen.97
De dreiging van de christen-radicalen bleek uiteindelijk niet zo groot te zijn als de enquêtes leken uit te wijzen. Toen enkele katholieke radicalen, onder wie Harry van Doorn en Jacques Aarden, zich in 1968 van de KVP afscheidden wisten ze maar weinig vooraanstaande KVP'ers mee te krijgen en geen CHU'ers en ARP'ers.98 De Politieke Partij Radikalen (PPR), zoals de partij zichzelf noemde, deed het bij de verkiezingen in 1971 minder goed dan verwacht en wist slechts twee zetels binnen te halen.99 Hoewel de PPR euforisch was na de winst in 1972, toen ze onder de charismatische leiding van Bas de Gaay Fortman zeven zetels verkreeg, werd de partij nooit een populair alternatief voor de confessionele partijen.100 De aantrekkingskracht van de PPR voor zowel christelijke als niet-christelijke kiezers bleefvrij beperkt; te christelijk voor niet-christenen en voor de meeste christenen te radicaal.101 De confessionele partijen bleven centrumpartijen met centrumkiezers.
De zelfoverschatting van de radicalen was echter niet alleen hun eigen schuld. Prominente gevestigde politici die sympathiek stonden tegenover hun radicaliteit hadden hen reden gegeven om te geloven dat confessionele partijen in werkelijkheid linkser waren dan ze bleken. Dit was ook een indruk die veel partijleiders wilden wekken, opdat elke uitstroom naar de PPR ingedamd zou worden. Aan het eind van de jaren zestig deden de confessionele partijen van alles om het de christen-radicalen naar
de zin te maken, terwijl ze tegelijkertijd probeerden aantrekkelijk te blijven voor hun grotendeels conservatieve tot gematigde achterban. Ondertussen bleven ze initiatieven tot politieke en sociale democratisering ondersteunen. KVP-premier Piet de Jong stond erop dat zijn kabinet, dat toezicht hield op de snelle uitbreiding van de welvaartsstaat, ‘progressief’ werd genoemd en niet conservatief. De Jong zelf liet bij voorbeeld zijn sympathie voor de kraakbeweging blijken.102 In een tijd waarin ‘radicale’ politiek nog iets relatief nieuws was stapelden de bewijzen van ‘progressiviteit’ zich op, soms afkomstig uit onwaarschijnlijke hoek. Vooral binnen de CHU was deze ontwikkeling zichtbaar. Daar probeerden progressieven binnen de partij na het vertrek van de traditionele leider H.K.J. Beernink hun achterstand weer in te halen. De CHU begon haar ‘moderne’, ‘dynamische’ en ‘vooruitstrevende’ politiek te benadrukken en secretaris H.A. Schuring verzekerde zijn televisiepubliek dat De Achttien ‘erg fris, modern en vooruitstrevend’ waren.103 In 1969 vertelde hij een interviewer dat de CHU meer was vernieuwd dan de ARP en de partij van de vernieuwing was geworden.104 Freule C.W.I. Wttewaal van Stoetwegen, CHU-parlementariër sinds 1946, sprak haar vertrouwen in ‘christelijk-radicalisme’ uit in een interview in 1968 en zei tot haar luisteraars: ‘ik was al radicaal toen jullie nog in de politieke, misschien zelfs nog in de gewone wieg lagen’.105 De vrouwenorganisatie van de CHU werd in het begin van de jaren zeventig de meest feministische van alle confessionele vrouwenorganisaties, tot verontrusting van een groot deel van de oude garde.106 De pogingen van de partij haar imago te verbeteren hadden soms komische effecten. Om voor de verkiezingen van 1971 het beeld van ‘recht en orde’ van CHU-minister B.J. Udink onder de jongeren te corrigeren, werd hij door een public-relationsbureau uitgedost met een langharige pruik en samen met freule Wttewaal midden tussen de Amsterdamse ‘hippies’ op de Dam gefilmd.107 Ook de KVP-top probeerde een progressief imago te ontwikkelen. In december 1967 aanvaardde de KVP, om te voorkomen dat radicalen naar andere partijen zouden overlopen, de Arnhem Resolutie, waardoor de partij zich verplichtte ‘consequent vooruitstrevend’ te zijn.108 In 1971 koos het partijbestuur de minister van Onderwijs, Gerhard Veringa (zie hoofdstuk vijf), als lijsttrekker van de verkiezingscampagne. ‘Ik hou van vernieuwing’ liet hij weten in een televisiespotje.109 Maar voor zowel de CHU als de KVP bleek het opbouwen van een progressief imago voortgaande verliezen bij de verkiezingen niet te kunnen voorkomen en het vervreemdde veel oude getrouwen van hun partij.
Confessionele pogingen om de ‘radicalen’ te paaien leidden uiteraard
niet tot een ‘radicaal’ nieuwe koers; in het begin van de jaren zeventig, toen het ‘radicale’ gevaar weer afnam, werden ze zelfs weer wat ‘rechtser’. Toch hadden de confessionele pogingen om het de christen-radicalen naar de zin te maken enige belangrijke gevolgen. Zo waren de confessionele partijen voor een korte tijd tamelijk ‘progressief’ en gaven ze steun aan royale staatssubsidies en plannen voor structurele democratisering van de overheid en de werkvloer. Hun pogingen om tegelijkertijd de gematigde tot conservatieve achterban en de meer radicale volgelingen aan zich te binden werkten echter verwarrend. Deze halfslachtige houding speelde een rol bij de afname van hun geloofwaardigheid bij beide vleugels. Nog belangrijker was dat verwachtingen werden gewekt onder confessionelen, christen-radicalen en PvdA'ers ten aanzien van een politieke verandering en een confessionele ruk naar ‘links’ die later bedrieglijk bleken te zijn. Deze illusie zou belangrijke gevolgen hebben, in het bijzonder voor de PvdA.
Dat de PvdA zich nog ontvankelijker opstelde voor nieuwe, radicale ideeën dan de christelijke partijen wekt geen verwondering. Al voor 1966 hadden partijleiders als Vondeling, Ed van Thijn en (in mindere mate) Den Uyl gezocht naar mogelijkheden om de partij te moderniseren en aantrekkelijker te maken.110 De verliezen bij de verkiezingen hadden veel partijleden teleurgesteld. C. de Galan verklaarde dat de partij ‘zichzelf een beetje kwijtgeraakt’ was in het midden van de jaren zestig111 en professor P. Thoenes merkte in 1966 op dat de PvdA haar kansen had verspeeld om zich te identificeren met ‘een nieuw perspectief, een (...) nieuwe generatie’.112 In deze sfeer werd ‘Nieuw Links’ geboren, in september 1966. De ‘verwekkers’ waren jongere socialisten zoals Han Lammers en André van der Louw, die probeerden het partijprogramma te radicaliseren door herverdeling van de inkomens te bepleiten, de buitenlandse politiek betreffende de Koude Oorlog te verwerpen en de zorg om de ‘kwaliteit van het bestaan’ te benadrukken. Daarbij kenmerkten zij zich door een oppositionele houding, waarin ze weinig compromissen wilden aanvaarden met degenen die hun doelstellingen niet onderschreven.113
De politiek van Nieuw Links vertoonde in veel opzichten gelijkenis met de ambitieuze doelstellingen en confronterende stijl van de linkse socialisten in andere Westeuropese landen gedurende de jaren zestig. Wat hen onderscheidde was hun succes in het verwerven van posities binnen de PvdA114, te danken aan hun goede organisatie. In 1969 waren ze als kleine groepering zelfs (over)vertegenwoordigd in de topposities.115 Van der Louw werd nota bene de nieuwe partijvoorzitter. In het begin van de jaren zeventig klonken de partijprogramma's veel ‘linkser’ dan enkele
jaren daarvoor.116 Ook andere linkse groeperingen verkregen meer invloed in de partij. Na 1969 nam de socialistische vrouwenorganisatie een nieuwe rol op zich door te strijden voor legalisering van abortus provocatus (zie hoofdstuk vijf). Daarnaast stimuleerde ze, onder leiding van bij voorbeeld Hedy d'Ancona en Irene Vorrink, een actief emancipatiebeleid voor vrouwen, dat zich voornamelijk richtte op het uitbreiden van de arbeidskansen.117 Door dit alles veranderde het beeld van de partij binnen een paar jaar, de PvdA kwam naar voren als een jonge, radicale en - volgens veel commentatoren - weer opgeleefde partij.
Toch werd Nieuw Links niet door alle partijleden toegejuicht. Aan het eind van 1969 kon slechts 22,5% van alle PvdA-kiezers zich er in herkennen.118 Sommige PvdA'ers van de oude stempel, zoals de Rotterdamse burgemeester Wim Thomassen en de parlementariërs Frans Goedhart en Jacques de Kadt, protesteerden heftig tegen het toenemende radicalisme binnen de partij119, en in 1968 vormden ‘rechtse’ PvdA'ers het Democratische Appèl om een halt toe te roepen aan haar ‘linkse’ koers. Aan het eind van de jaren zestig werd de PvdA verdeeld door twisten, doordat Nieuw Links, het Democratisch Appèl en verschillende andere groeperingen alle het roer van de partij wilden overnemen. De onenigheden kwamen vooral aan het licht tijdens het rumoerige partijcongres van 1969.120 Evenals de Duitse SPD en de Amerikaanse Democratische Partij werd de PvdA verscheurd door interne conflicten en bitter venijn, zelfs nadat ‘rechtse’ socialisten in 1970 uittraden uit de partij en de Democratisch-Socialisten '70 (DS'70) oprichtten.121
Hoewel Nieuw Links dus op tegenstand stuitte verkreeg het veel invloed, niet alleen door de kracht van de organisatie, maar ook door de speelruimte die het werd gegund door gematigde leiders als fractievoorzitter Den Uyl. Den Uyl was zelf geen radicaal. Hij had een afkeer van trends en hield absoluut niet van de polariserende aanpak van ‘links’122: hij was met hen zelfs in een felle strijd verwikkeld. Toch ‘liet hij zich meevoeren’ in de politieke ‘vernieuwingsgolf’ die was opgezweept door ‘linkse’ PvdA'ers.123 In het midden van de jaren zestig was hij tot de overtuiging gekomen dat de partij open moest staan voor alle sociaal-democratische elementen124 Ook andere bekende partijleiders geloofden dat de aanvaarding van nieuwe ideeën en jong bloed de partij weer leven kon inblazen. Daarnaast was er een sterk besef binnen het partijbestuur dat ‘de jongere generatie’ nu het recht had de partij in een nieuwe richting te sturen. Bovendien zou oppositie tegen deze jonge radicalen in een tijd van electorale instabiliteit een verdergaand verlies van stemmen betekenen.125 Het resultaat was een partij die opvallend ‘open voor radicale opvattingen’
was, zoals de Amerikaanse hoogleraar Bernard Bellush opmerkte in 1967.126
In tegenstelling tot de besturen van de confessionele partijen, was het socialistische partijbestuur in staat en ook bereid om de PvdA te veranderen in een geloofwaardige ‘linkse’ partij met ideologisch elan. De partij boekte weer enige winst bij de verkiezingen van 1971 en 1972, mede dankzij het charisma van Den Uyl. Toch was Den Uyl voor en na zijn benoeming als premier in 1973 opgezadeld met een tamelijk onhandelbaar mengsel van ‘linkse’ en gematigde PvdA'ers. Vooral de goed georganiseerde linkervleugel hield de mogelijke bereidheid van Den Uyl om compromissen te sluiten met confessionelen scherp in de gaten. De PvdA was een partij waarin tijdens de jaren zeventig ‘linkse’ socialisten zich thuis bleven voelen. Zij hadden veel meer invloed dan hun numerieke omvang zou doen vermoeden, deels vanwege de bereidheid van gematigde leiders om de nieuwe radicalen een plaats te gunnen.
Zowel de socialistische als de confessionele partijbesturen schoven dus meer naar ‘links’ op, in de vooronderstelling dat jongere kiezers vervreemd waren van de gevestigde politiek en eerder afkwamen op ‘progressieve’ of ‘radicale’ politiek. Hoewel jongere leden binnen deze partijen over het algemeen tamelijk ‘links’ waren, gaven de feiten niet veel reden te veronderstellen dat de jongere kiezers ‘linkser’ waren.127 Bij de verkiezingen in 1971 bleken de kiezers voor D'66, DS'70 en de VVD aanzienlijk jonger te zijn dan de kiezers voor de PvdA en de confessionele partijen.128 Jongere kiezers leken veel minder aangetrokken te worden tot christelijke partijen, maar hun ‘wereldlijke’ voorkeur maakte van hen nog geen politieke radicalen. Dit was niet volgens de verwachting van Nieuw Links, dat ervan overtuigd was dat jonge KVP'ers zich aangetrokken zouden voelen tot een geradicaliseerde PvdA.129
De draai naar rechts van de VVD en haar winst bij de verkiezingen van 1972 toonde dit duidelijk aan. De liberale VVD zat stevig aan de rechterkant van het politieke spectrum en was de enige grote partij die geen moeite deed om ‘radicaal’ te lijken. Maar evenals de andere partijen kende de VVD veel strijd. Het boterde niet tussen de oude garde en een jonge generatie ‘linkse’ liberalen als dr. E. Nordlohne van het Liberaal Democratisch Centrum (LDC), en evenmin tussen moreel behoudende politici zoals Harm van Riel (VVD-fractievoorzitter in de Eerste Kamer) en de meer libertaire W.J. ‘Molly’ Geertsema (VVD-fractievoorzitter in de Tweede Kamer).130 In de VVD, die met vertegenwoordigers als Geertsema en Haya Van Someren-Downer (de eerste vrouwelijke fractievoorzitter van een Nederlandse politieke partij) een voorname uitstraling
behield, kwam echter slechts zelden een ‘rechts’ populisme naar voren. Gemeten naar de populariteit van De Telegraaf zou een dergelijk populisme goed aangeslagen zijn bij een van de politiek vervreemd electoraat, en Van Riel toonde dan ook dikwijls zijn bereidheid te spreken ten gunste van deze ‘zwijgzame meerderheid’.131 Hierin kwam in 1972 verandering toen de VVD, onder leiding van Wiegel, de eenendertigjarige fractievoorzitter van de Tweede Kamer, geconfronteerd werd met groeiende economische en sociale problemen en zich harder ging opstellen tegen het ‘misbruik’ van de welvaartsstaat. De grote winst in dat jaar was voornamelijk afkomstig van jongere kiezers, waaronder veel achttien- tot eenentwintigjarigen die voor de eerste keer hun stem uitbrachten132, en die zich hadden laten overtuigen door het beeld dat Wiegel creëerde van een jonge generatie liberalen die vocht tegen het ‘negentiende-eeuwse’ socialisme.133 De partij zou blijven groeien en tot in de jaren tachtig verkiezingswinst boeken.134 De VVD was erin geslaagd het idee onderuit te halen dat ‘jonge’ stemmen altijd ‘radicale’ stemmen waren.
Hoewel de politieke crisis van de jaren zestig wellicht bespoedigd werd door de ‘vervreemding’ onder de kiezers, werd zij door de politieke leiders toch grotendeels verklaard en ervaren als een probleem van de jongere activisten in hun eigen partijen, die konden worden aangepakt door de ‘progressieve’ politiek te bedrijven waartoe een groot deel van de oude garde zich toch al aangetrokken had gevoeld. Maar hun bereidheid tot het sluiten van compromissen bleek niet de stabiliteit binnen het Nederlandse politieke systeem teweeg te brengen waarop zij hadden gehoopt; zij vergrootte zelfs de spanningen binnen de partijen.
Aan het eind van de jaren vijftig hadden de PvdA en de VVD voldoende reden ongelukkig te zijn met hun posities binnen het politieke systeem. De confessionelen beheersten het centrum en de socialisten en liberalen, die met elkaar sterk van mening verschilden over belangrijke sociaal-economische kwesties, waren beide in de uiterste hoeken van het politieke spectrum gedrukt.135 De confessionele partijen konden hun coalitiepartners dus kiezen uit de socialisten aan hun linkerkant en de liberalen aan hun rechterkant.136 In verkiezingstijd was het daarom in hun voordeel zich zo min mogelijk uit te spreken over een mogelijke coalitie en af te wachten welke partij, de VVD of de PvdA, tijdens de besloten maandenlange onderhandelingen bereid was de meeste concessies te doen.137 Het confessionele gezichtspunt werd midden jaren zestig geruchtmakend
verwoord door de ARP-fractievoorzitter Bouke Roolvink, die zei dat een keus voor de VVD of de PvdA ‘lood om oud ijzer’ was.138
Deze onverschillige houding leek te worden onderstreept doordat de ARP en de KVP na de val van het centrum-rechtse kabinet-Marijnen in februari 1965 (over het vraagstuk of commerciële zendtijd toegestaan kon worden), besloten een coalitie te vormen met de PvdA in het centrum linkse kabinet-Cals, een overgang die plaatsvond zonder dat nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven.139 Veel vooraanstaande leden uit alle partijen waren niet gelukkig met deze situatie. De ARP-politicus Siewert Bruins Slot schreef in 1964 dat in tegenstelling tot de Engelse, Amerikaanse en Duitse democratie de Nederlandse democratie slecht functioneerde: ‘Wij stemmen wel. Maar wij kiezen niet’.140
Politicologen, politici en juristen kwamen in de eerste helft van de jaren zestig allemaal met voorstellen om de Nederlandse kiezers ‘duidelijke keuzes’ te geven. Het voorstel van de jurist J.F. Glastra van Loon om de coalitievorming en de benoeming van de premier reeds vóór de verkiezingen te doen plaatsvinden kreeg veel aandacht.141 Omdat het liberale en socialistische ongenoegen met de situatie zo wijdverbreid was, werd de roep om meer ‘duidelijkheid’ steeds vaker gehoord. Vanaf 1959, na het einde van de brede naoorlogse wederopbouwkabinetten, weigerden VVD en PvdA in toenemende mate het confessionele spel mee te spelen. Beide partijen begonnen te ‘polariseren’ om zodoende hun eigen identiteit te versterken en de confessionele partijen ertoe te dwingen vóór de verkiezingen reeds een keuze te doen tussen de VVD en de PvdA. In 1959 sleepten de liberalen een flinke winst in de wacht (zes zetels) na een scherpe campagne tegen de PvdA142 en in 1963 liet VVD-leider Edzo H. Toxopeus KVP-leider De Kort weten dat hij al moest kiezen tussen de PvdA en de VVD voordat de onderhandelingen zouden starten.143 De politiek van ‘polarisatie’ die in de laatste helft van de jaren zestig voornamelijk door politiek links werd bevorderd, werd dus eigenlijk het eerst in de praktijk gebracht door de VVD.144
De PvdA ging echter nog een stap verder dan de VVD en eiste een substantiële vernieuwing van het kiesstelsel. In januari 1963, ruim drie jaar vóór de opkomst van D'66, gaf het partijbestuur opdracht tot een onderzoek naar de wijze waarop fundamentele veranderingen konden worden doorgevoerd.145 De commissie-Burger (genoemd naar haar voorzitter J.A.W. ‘Jaap’ Burger), die daartoe in het leven werd geroepen, adviseerde in 1965 een ‘gepolariseerde’ aanpak, zodat aan de kiezers een ‘duidelijke’ keus kon worden geboden.146 Na de verkiezingen van 1963 begonnen veel PvdA-leiders de confessionele partijen te verwijten dat zij een
‘onduidelijk’ politiek systeem hadden bevorderd en de kiezers van zich had vervreemd. Toen de politicoloog en PvdA-politicus Ed van Thijn in 1963 dan ook opriep tot oppositie tegen de centrum-rechtse regering, lag daaraan de overtuiging ten grondslag dat het succes van socialistische partijen in andere landen was gebaseerd op een tweepartijenstelsel.147 Al vanaf het begin had de ‘doorbraak’-Partij van de Arbeid aangedrongen op een tweepartijenstelsel, waarin een progressieve volkspartij grote kans zou hebben een meerderheid te behalen (zie hoofdstuk één). Deels om deze reden ondersteunden PvdA-politici voorstellen tot een districtenstelsel opdat de partij een grotere parlementaire vertegenwoordiging zou kunnen verkrijgen dan tot dan toe het geval was geweest.148 Ook de commissie-Burger bepleitte een gedeeltelijk districtenstelsel.149 De voorkeur van de PvdA voor een tweepartijenstelsel was bovendien gegrond in de diepgewortelde overtuiging dat de christelijke partijen al snel uit de tijd zouden zijn. Ontwikkelingen binnen de KVP na 1963 - vooral de verkiezingen van 1967 - en de bereidheid van katholieke arbeiders zich aan te sluiten bij de PvdA leken het geloof dat de ‘doorbraak’ nabij was alleen maar te bevestigen. Vele socialisten dachten dat in elk ‘modern’, geseculariseerd politiek systeem (zoals van Amerika en Engeland) er slechts twee grote partijen waren en twee ideologieën, één links en één rechts, één in de regering en één in de oppositie. Christelijke politiek bestond eigenlijk niet; dat was slechts een onevenwichtig mengsel van progressieve en conservatieve politiek. Zoals PvdA-voorzitter Tans schreef in 1966: ‘Er is progressieve en conservatieve politiek. Geen centrumpolitiek.’150
Maar aan het einde van de jaren zestig toonden Nieuw Links en andere ‘linkse’ groeperingen weinig belangstelling voor het tweepartijenstelsel, dat volgens hen slechts zou leiden tot een vormloze en onvoldoende ‘vooruitstrevende’ volkspartij. Het idee van één enkele progressieve partij zou zodoende begin jaren zeventig voorgoed verdwijnen. Gedurende de jaren zestig was het moderne bipolaire model echter een belangrijke voorwaarde voor de politiek van polarisatie; het was van invloed op de politieke doelen van D'66 en zou tot in de jaren zeventig de verwachtingen van confessionele kiezers over een ‘doorbraak’ stempelen.
Na Norbert Schmelzers ‘verraad’ van het kabinet-Cals in oktober 1966 had het woedende PvdA-bestuur zich een volledige ‘polarisatie’-strategie ten doel gesteld. Snel na de val van het kabinet schreef Den Uyl: ‘voorwaarde voor duidelijkheid in de Nederlandse politiek is de nederlaag van de KVP’.151 Dit gevoelen culmineerde in de door Nieuw Links geïnspireerde resolutie die in 1969 door het PvdA-partijcongres werd aangenomen, waarin een coalitie met de ‘huidige KVP’ verboden werd.152 Vanaf
dat moment probeerden gezaghebbende partijleiders als Den Uyl en Van Thijn de PvdA een ‘duidelijk’ en ‘progressief’ alternatief te laten zijn voor hun ‘conservatieve’ opponenten. Hun ideeën kwamen vooral naar voren in de PvdA-brochure ‘Een stem die telt’ (1967), waarin werd betoogd dat zowel het anachronistische kiesstelsel als het partijenstelsel de werkelijke verschillen in de maatschappij verhulden (namelijk tussen ‘progressieve en radicale krachten’ enerzijds en ‘de conservatieven, de verdedigders van de gevestigde machten’ anderzijds). Slechts een districtenstelsel en bipolaire politieke ‘concentraties’ konden de Nederlandse democratie de noodzakelijke vernieuwing bezorgen.153
Ongelukkig genoeg voor de PvdA, hing het welslagen van de vernieuwing van het kiesstelsel (het potentieel meer doeltreffende onderdeel van hun polarisatiepolitiek) af van de medewerking van de door hen veroordeelde confessioneel-liberale meerderheid. Maar een dergelijke vérstrekkende constitutionele hervorming zou niet tot electoraal voordeel strekken van zowel liberalen als confessionelen, die begrepen dat de voorstellen van de PvdA niet geheel zonder eigenbelang werden gedaan. Veel confessionele en liberale politici waren echter wel ontvankelijk voor een bepaalde mate van vernieuwing en een aantal sprak zelfs van de dringende noodzaak tot grotere duidelijkheid in de politiek. Het liberaal-confessionele kabinet-De Jong gaf zijn streven naar ‘duidelijkheid’ zelfs vorm door de commissie-Cals-Donner te installeren met de opdracht voorstellen te doen voor constitutionele en electorale vernieuwingen. In 1971 verwierp het kabinet evenwel de vérgaande veranderingen die door de commissie waren bepleit154, en probeerden confessionelen en liberalen vernieuwingen die minder ingrijpend waren te bewerkstelligen, zoals afschaffing van de kiesplicht en verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd tot achttien jaar.155 De moeilijkste vorm van politieke vernieuwing, constitutionele hervorming, kon niet worden gerealiseerd, ondanks herhaalde pogingen van de PvdA, D'66 en PPR daartoe (zoals het wetsontwerp van Van Thijn-Goudsmit-Aarden van 1971 voor een gedeeltelijk districtenstelsel156).
Het welslagen van de polarisatiestrategie van de PvdA was, bij afwezigheid van een districtenstelsel, geheel afhankelijk van het ontstaan van een ‘progressieve concentratie’ die uiteindelijk een meerderheid zou kunnen verkrijgen in het parlement. Het PvdA-partijcongres van 1967 gaf het groene licht voor het nastreven van een dergelijke ‘concentratie’ en in 1968 nodigde de PvdA de PSP, D'66 en de PPR uit voor overleg over de juiste strategie. Ook enquêtes wezen uit dat er rond 1970 veel steun leefde onderde Nederlandse bevolking voor linkse samenwerking.157
Het streven naar een progressieve partijformatie stuitte echter op een aantal problemen. In de eerste plaats bleek ‘progressieve’ politiek tamelijk moeilijk te definiëren. Was zij synoniem met ‘links’, of ‘radicaal’ of met het ‘socialist’-zijn?158 De ‘droom’ van Vondeling van één ‘grote, progressieve volkspartij’ bleek veel vragen op te roepen.159 Wie zou deel moeten uitmaken van deze ‘progressieve concentratie’ en onder welke voorwaarden? Zou een ‘concentratie’ een federatie moeten zijn of een volkspartij? Eind jaren zestig stond het socialistische blad Socialisme en Democratie bol van deze discussies en kwam een breed scala van meningen naar voren. Het gebrek aan consensus maakte het oprichten van een ‘progressieve concentratie’ steeds minder waarschijnlijk.
De communisten leverden weinig problemen op. De meeste PvdA-politici vonden de Communistische Partij Nederland, die lange tijd onder leiding stond van Paul de Groot, te ondemocratisch om haar ook maar enige aandacht te schenken en de CPN zelf toonde ook weinig belangstelling voor het samenwerken met niet-communisten, in elk geval niet op nationaal niveau.160 De Pacifistisch-Socialistische Partij, die vier zetels bezette in de Tweede Kamer, wekte hogere verwachtingen. De PSP voldeed zeker aan de ‘progressiefste’ voorwaarden die linkse PvdA'ers konden stellen; ze voerde in 1967 campagne met de leus ‘Tien keer zo rood’.161 Maar het pacifisme van de partij bleef een struikelblok voor veel PvdA-leden en botste met de steun van de PvdA (en D'66) aan de NAVO. In 1969 beëindigde de PSP zelf de landelijke samenwerking met de linkse partijen, ontevreden geworden over de veroordeling door de PvdA van de bezetting van het Maagdenhuis (zie hoofdstuk vijf) en rellen in juni op Curaçao. Vol achterdocht over de radicale ideologie en de electorale hervormingen van D'66, hield de PSP zich afzijdig van verder overleg.162
D'66 leverde ook problemen op voor de ‘progressieve concentratie’. Want hoe links was D'66 eigenlijk? Het hele bestaan van de partij cirkelde om het verbeteren van de procedures binnen de Nederlandse democratie. F.W.M. van der Ven, een voorvechter van D'66, zei in 1971 dat de partij zich sterk maakte voor de radicale democratisering van de Nederlandse maatschappij; het maakte echter in principe niets uit hoe die samenleving eruit zou zien.163 En in een rede in 1968 onderstreepte Van Mierlo dat het oude onderscheid tussen ‘links’ en ‘rechts’ onvruchtbaar was.164 Dit ‘pragmatisme’ maakte D'66 niet geliefd bij overtuigde socialisten, omgekeerd had ook het ‘ouderwetse’ ideologische socialisme van de PvdA weinig aantrekkingskracht op D'66-leiders zoals Van Mierlo. Aanvankelijk verwierp D'66, op grond van zijn doelstelling, alle vormen, van electorale samenwerking met andere partijen; men wilde geen alternatief
voor het kabinet-De Jong worden, maar streven naar electorale vernieuwing. Toch nam D'66 in 1969 behoedzaam deel aan het ‘Progressief Akkoord’ (PAK) met de PPR en de PvdA om de mogelijkheden van een verenigde linkse partij te onderzoeken. In 1971 werd het de D'66'ers echter duidelijk dat de oorspronkelijke missie van de partij om het systeem te laten ‘ontploffen’ was mislukt, en groeide hun belangstelling voor een ‘progressieve’ volkspartij.165 Maar toen was het te laat; het PvdA-bestuur zocht, beïnvloed door de verkiezingswinst in 1971 en door de linkervleugel van de partij, niet langer naar deze uitweg en gaf in plaats daarvan de voorkeur aan een coalitie van partijen. Deze nieuwe koers bracht D'66 in een identiteitscrisis en in 1972 verloor het bij de verkiezingen een groot deel van zijn kiezers.
Aanvankelijk had Van Thijn (evenals anderen) zijn grootste hoop gevestigd op de christen-radicalen, die hij beschouwde als de sleutel tot politieke vernieuwing.166 De radicalen zouden ofwel de confessionele partijen noodzaken ‘linkser’ te worden ofwel leiden tot een groot verlies aan kiezers voor deze partijen. De PPR was echter te zwak om één van beide mogelijkheden te kunnen realiseren en bleek van weinig nut te zijn voor de PvdA. Het aantal confessionele politici dat zich positief uitliet over een ‘linkser’ program deed Den Uyl en veel andere partijleiders gedurende lange tijd in de jaren zeventig geloven dat een flinke ruk naar links door de confessionelen nog steeds tot de mogelijkheden behoorde.167 Maar ondertussen ondermijnde het onvermogen van de christenradicalen om een doorbraak waar te maken de vooruitzichten voor het in 1971 gevormde ‘schaduwkabinet’ van D'66-PPR-PvdA en de kansen op een meerderheid van deze ‘Progressieve Drie’.
De pogingen van de PvdA en haar bondgenoten om de Nederlandse politieke situatie te verhelderen waren dus niet zo succesvol. Het streven naar een linkse ‘concentratie’ had geleid tot veel interne discussie over de inhoud en omvang hiervan, maar nog niet tot ‘duidelijkheid’. Begin 1969 verkeerden kiezers van de PvdA in even grote verwarring over de koers vanhun partij als andere kiezers over die van hun partijen.168 De pogingen tot polarisatie door links gaven ook weinig helderheid over de (on)wil om samen te werken met andere partijen. De anti-KVP-resolutie van 1969 werd in 1971 verzacht, hoewel de houding van veel partijleiders tegenover de KVP vijandig bleef. Daarbij riep het ‘schaduwkabinet’ van PvdA-PPR-D'66, waarmee de drie partijen een voorbeeld namen aan de Britse oppositie, meer vragen op dan dat het beantwoordde. Zou deze coalitie van de ‘Progressieve Drie’ alle samenwerking met confessionelen uitsluiten, en zo niet, onder welke voorwaarden zou samenwerking plaats kun-
nen vinden? Wat zou er gebeuren wanneer zij bij de landelijke verkiezingen in 1975 geen meerderheid zouden verkrijgen, zoals de meeste commentatoren aannamen?
De politieke commentatoren zouden echter niet hoeven te wachten tot 1975. In juli 1972 viel het vijf-partijenkabinet-Biesheuvel omdat twee op financieel gebied conservatieve DS'70-ministers het kabinet verlieten toen tot voor hen onaanvaardbare uitgaven werd besloten. Biesheuvel had weinig keus en schreef verkiezingen uit voor november 1972. Het politieke landschap zou nog grotere wanorde vertonen. De ‘Progressieve Drie’ haalden zesenvijftig zetels binnen van de honderdvijftig in de Tweede Kamer (een winst van vier zetels); de confessionelen gingen omlaag naar achtenveertig zetels, te weinig om samen te regeren met de zegevierende VVD (nu op tweeëntwintig zetels). Het was niet gemakkelijk een coalitie te vormen, vooral omdat de ‘Progressieve Drie’ vóór de verkiezingen de voorwaarde hadden gesteld dat een andere regeringspartner zich volledig moest onderwerpen aan hun campagneprogramma Keerpunt '72. Tegelijkertijd beseften Den Uyl en veel van zijn bondgenoten dat een linkse minderheidsregering geen reële optie was. Het werd al snel duidelijk dat alleen een soort links-confessionele coalitie de impasse kon doorbreken. De kabinetsformatie nam maanden in beslag en omvatte vele afgebroken pogingen tot vorming van een kabinet uit de verslagen confessionele partijen, die volledig en gelijkelijk in elk kabinet vertegenwoordigd wilden worden, en uit politici van de ‘Progressieve Drie’ die van de confessionelen zoveel mogelijk concessies verlangden, maar eigenlijk helemaal niet met hen wilden regeren. De PvdA stond erop, gedeeltelijk in een poging om de confessionelen onderling te verdelen, dat de CHU wegens haar ‘conservatisme’ niet in aanmerking zou komen.169 Uiteindelijk leidden de onderhandelingstalenten van Jaap Burger en de wens van belangrijke KVP- en ARP-politici, om niet te worden uitgesloten van een kabinet-Den Uyl, tot een afspraak waarin ARP-en KVP-parlementariërs een ‘links’ kabinet zouden gedogen en hun partijen gezamelijk zes van de zestien ministerposten zouden krijgen, veel minder dan op grond van het aantal zetels in Tweede Kamer verwacht zou mogen worden.170 Ondertussen had de kabinetsformatie precies honderddrieënzestig dagen gekost, en daarmee overtrof zij met gemak het record van honderdeenentwintig dagen van 1956.
Voor veel commentatoren vormden deze maanden voldoende bewijs dat het Nederlandse politieke systeem in een crisis verkeerde. Volgens Hoogendijk was het systeem begin 1973 in de ogen van het Nederlandse publiek een ‘beschamende vertoning’ geworden.171 Het staat buiten kijf
dat de ‘crisis in de Nederlandse politiek’ zowel voortkwam uit een veranderend electoraat als uit een institutioneel verzet tegen hervorming. Maar zij was ook een gevolg van de bereidheid van leiders binnen alle grote partijen om veranderingen toe te staan die in hun ogen noodzakelijk waren geworden. De ‘crisis’ was dus niet zozeer ontstaan doordat ‘reactionaire’ krachten zich verzetten tegen ‘revolutionaire’ bewegingen, maar werd voornamelijk veroorzaakt door de behoedzame, conservatieve en vaak tegenstrijdige besluiten die gematigde politici namen om hun eigen politieke systeem te vernieuwen.
Het gevolg was verwarring op korte termijn en stabiliteit op lange termijn. Begin 1973 vertoonde de Nederlandse politiek noch de orde van het oude systeem, noch de linkse ideologie van de socialisten, noch de degelijke regering, die D'66 wenste. Maar het systeem had politieke nieuwkomers, waaronder radicalen, een plaats weten te bieden en politiek geweld kunnen vermijden. En hoewel weinig structurele hervormingen plaats zouden vinden, was de politiek, evenals elders in het Westen, veel gevoeliger geworden voor publieke inspraak. Tegen het einde van de jaren zeventig ging de Nederlandse politiek nog steeds gebukt onder bepaalde zwakheden - de kabinetsformatie bleefbij voorbeeld een langdurige zaak - maar die schenen na enige verbeteringen en een verzwakt politiek radicalisme de meeste politici weinig meer te deren. Bovendien leek de Nederlandse politiek niet minder efficiënt te zijn dan de politiek in België, Frankrijk, Italië of de Scandinavische landen. De bezorgdheid van gevestigde politici over hun eigen politieke systeem heeft niet geleid tot haar ‘ontploffing’, maar het vormde wel de aanzet tot vernieuwing.