|
|
|
| |
| | | |
6 De vernieuwing van het Nederlandse politieke stelsel
‘Vroeger was het verwijt, dat wij ons te snel aanpasten bij
de moderne tijd, nu wordt gezegd, dat wij te traag zijn. Er is een sterke
ontwikkeling in ons denken.’ - ARP-voorzitter W.P. Berghuis
tegen aanhangers, 19661
Op woensdagavond 15 februari 1967 verzamelden aanhangers van Democraten '66, de
jongste partij van Nederland, zich in Amsterdam om de uitslagen van hun partij
in de nationale verkiezingen op die dag te volgen. Niemand vermoedde wat de
uitkomst zou zijn. De verkiezingen waren vervroegd, wegens de ontbinding van de
ARP-KVP-PvdA-coalitie op 14 oktober 1966, toen KVP'ers onder aanvoering van
Norbert Schmelzer een motie van wantrouwen tegen het door de KVP geleide kabinet
ondersteunden omdat ze geen heil zagen in belastingvoorstellen van PvdA-minister
Anne Vondeling.2 De
‘Nacht van Schmelzer’ had socialisten en confessionelen
van de linkervleugel woedend gemaakt, en door de val van het kabinet - de tweede
in achttien maanden - vroegen veel Nederlanders zich af hoe stabiel en
levensvatbaar hun politieke systeem eigenlijk was.3 De
onlusten van dat jaar in Amsterdam ondermijnden het vertrouwen in het
bestuurlijk vermogen van de autoriteiten nog verder (zie hoofdstuk vijf).
Daarnaast was de regering niet in staat gebleken dringende problemen, zoals de
woningnood, op te lossen. Al tijdens de provinciale verkiezingen van maart 1966
was de onvrede zichtbaar geworden, het meest verontrustend in de winst van de
‘anti-establishment’ Boerenpartij (BP) van Hendrik
Koekoek, die bijna zeven procent van de stemmen binnenhaalde. Veel daarvan was
afkomstig uit de grote steden.4 De kiezers waren boos, vervreemd, op drift geraakt en dus
onvoorspelbaar.5
Jacques Fahrenfort, columnist van De Telegraaf, schreef dat de
menigte, die zich de avond van de verkiezingen verzamelde op het hoofdkwartier
van D'66, anders was dan het ‘luidkeelse, provo-achtige, lang-harige
en fanatiek socialistische type’ dat hij zo verafschuwde.
Daarentegen:
‘Het publiek - de kern van de D'66 aanhang - bestond uit
studenten en jonge intellectuelen, meerendeels eenvoudig, bijna conservatief
gekleed, kort geknipt | | | | haar, ernstig debatterend (...) Een wat
oudere man naast me zei: “Ik wist niet dat dit slag mensen nog
bestond, ik dacht dat het reeds lang was
uitgestorven”.’6
Maar terwijl de avond vorderde werd duidelijk dat de D'66'ers niet uit een
archaïsch tijdperk stamden. Toen alle stemmen waren geteld bleek hun
partij viereneenhalf procent van de stemmen te hebben gekregen, genoeg voor
zeven zetels (van de honderdvijftig) in de Tweede Kamer - een uitslag die hun
stoutste verwachtingen te boven ging. Dit betekende een bliksemsnelle opmars van
een partij die nog maar zo kort bestond (sinds oktober 1966). Het succes van
D'66 in de ‘meest sensationele verkiezingen sinds de Eerste
Wereldoorlog’7, contrasteerde scherp met de ongekende verliezen die de grootste
partijen, de katholieke KVP en de socialistische PvdA, leden (zie tabel).
Verliezen die (vooral voor de KVP) het einde van de verzuilde politiek schenen
in te leiden.8
Met een bierflesje in de hand9
riep de leider van D'66, H.A.F.M.O. ‘Hans’ van Mierlo
(1931-) opgetogen: ‘Wij zijn bijzonder tevreden; de jeugd staat
achter ons’.10
Partij vertegenwoordiging in verkiezingen van de Tweede Kamer, 1959-1972; genoemd
worden partijen met minstens zeven zetels (één zetel =
0,67% van de stemmen)
|
KVP |
PvdA |
VVD |
ARP |
CHU |
CPN |
BP |
D66 |
PPR |
DS70 |
| 1959 |
49 |
48 |
19 |
14 |
12 |
3 |
- |
- |
- |
- |
| 1963 |
50 |
43 |
16 |
13 |
13 |
4 |
3 |
- |
- |
- |
| 1967 |
42 |
37 |
17 |
15 |
12 |
5 |
7 |
7 |
- |
- |
| 1971 |
35 |
39 |
16 |
13 |
10 |
6 |
1 |
11 |
2 |
8 |
| 1972 |
27 |
43 |
22 |
14 |
7 |
7 |
3 |
6 |
7 |
6 |
Andere partijen, die in deze periode in het parlement waren vertegenwoordigd
waren de PSP, de SGP, het GPV, de RKPN en de Middenstandspartij.
D'66 was een protestpartij met één doel: de
‘ontploffing’ van het Nederlandse politieke systeem.11 Volgens de oprichters van D'66 (zoals Van Mierlo
en de ex-VVD'er J.P.A. Gruijters) was de Nederlandse politiek zo ouderwets dat
deze in een snel veranderende maatschappij niet meer goed kon functioneren:
‘Wij zijn van mening dat ons staatsbestel bedroevend
functioneert. Het politieke spel moet nog steeds worden gespeeld volgens regels
die dateren uit de vorige eeuw. Die regels zijn in de jaren na 1848 opgesteld
voor een maatschappij die niet | | | | te vergelijken is met de onze. De
turbulente ontwikkelingen sinds 1900 hebben onze samenleving immers ingrijpend
veranderd. Maar nog steeds moeten regeerders en parlement het doen met de codes
van een voorbij tijdperk. De laatste jaren presenteren de bittere gevolgen
daarvan zich met steeds grotere frequentie.’12
De oprichters wilden niets minder dan een fundamentele reorganisatie van het
Nederlandse politieke systeem. De oude partijen met hun
‘negentiende-eeuwse principes’ zouden vervangen moeten
worden door programmatischer en pragmatischer partijen die de kiezers een
duidelijke keus konden bieden.13 In
plaats van coalities te vormen tijdens besloten onderhandelingen in de maanden
na de verkiezingen, zouden de partijen hun
coalitiepartners moeten kiezen vóór de
verkiezingen op basis van een gemeenschappelijk program. Geïnspireerd
door het Amerikaanse politieke bestel wilde D'66 dat de premier en de
burgemeesters direct door het volk werden gekozen en dat de evenredige
vertegenwoordiging vervangen zou worden door een districtenstelsel. In alle
voorstellen gafD'66 uitdrukking aan haar visie dat aan ‘de
burger’ in de politiek de grootst mogelijke persoonlijke vrijheid en
invloed moesten worden gegeven, een visie die naar haar idee sterk contrasteerde
met de realiteit.14
Het imago van D'66 was zeker even belangrijk als de programmainhoud. De partij
was, in de woorden van de journalist Henry Faas in 1967, ‘jeugdig,
fris en radicaal’15 in een tijd dat al deze
begrippen ‘in’ waren. De uitstraling van nieuwheid door
D'66 trok vooral jongeren aan. In de februari-verkiezingen bleek de partij het
aantrekkelijkst voor katholieke en niet-godsdienstige twintigers, die veelal
hoger opgeleid waren en afkomstig uit stedelijke gebieden.16 Het charisma
van Van Mierlo bracht veel onderzoekers ertoe hem te vergelijken met John F.
Kennedy. En de doeltreffende imitatie van de Amerikaanse campagnetechnieken,
waarin D'66 vooral nadruk op de persoon van de kandidaat
legde, voegde ongetwijfeld een spannend element toe aan een politieke cultuur
waarin partijpropaganda door de politici over het algemeen niet hoog werd
aangeslagen, hetgeen de kwaliteit ervan niet ten goede was gekomen.17 D'66 presenteerde
zich als de partij van de toekomst, die de bekrompen praktijken en
ideeën van de politiek-oude-stijl zou wegvagen.
De politieke kruisvaarders van D'66 waren, kortom, self-made politieke
‘buitenstaanders’, die geloofden dat de gevestigde
partijen niet in staat waren gebleken zichzelf te vernieuwen. Zij kregen veel
aanhang onder kiezers die waren vervreemd van de gevestigde politiek en
behaalden hun eerste succes in een verkiezing waarin eenderde van het electoraat
zijn stem op een andere partij uitbracht dan bij de parlementaire verkiezingen
| | | | van 1963.18
D'66 werd een duidelijk symbool van een electoraat dat genoeg had van het, zoals
een commentator het verwoordde, ‘wij weten wat goed voor u
is’-paternalisme van Den Haag.19
De verkiezingen van 1967 en vooral de overwinning van D'66 stelden de politieke
elites20 voor enkele lastige nieuwe uitdagingen en
verontrustende ontwikkelingen. Niet alleen de jonge, geseculariseerde
professionelen die zich wendden tot D'66 kwamen in opstand. Veel kiezers, zowel
jonge als oude, schenen weinig respect te hebben voor de politiek-oude-stijl,
vervreemd als zij daarvan waren door de complexiteit van de toenmalige politiek.
Bovendien waren zij, tot nadeel van de grote christelijke partijen, in
toenemende mate geseculariseerd.21 Het
kalme politieke milieu waarin Nederlandse politici opereerden leek plotseling
een einde te hebben genomen.22 In het midden
van de jaren zestig zagen de gevestigde politieke leiders van Nederlands
‘verkalkt politiek wereldje’23 zich opzij geduwd door een nieuwe generatie
kiezers, en door een nieuw slag politici, die zich eerder verzetten tegen het
politieke systeem, dan dat ze het verdedigden.
De befaamde aanval van D'66 op het overleefde politieke systeem van Nederland
verdoezelt het feit dat haar analyse nauwelijks door enig gezaghebbend politicus
in twijfel was getrokken. Hoewel een aantal politici de oplossingen van de
nieuwe partij te ‘on-Nederlands’ vond om bruikbaar te
zijn24,
weerspraken maar weinig politici openlijk de belangrijkste conclusie van D'66
dat hun ‘anachronistische’ politieke systeem hard aan
vernieuwing toe was. Zelfs Schmelzer erkende het teken dat de verkiezingen
hadden gegeven: ‘Het succes van D'66 is een belangrijk symptoom van
de behoeften bij de jongeren aan een vernieuwing van het kiesstelsel en het
partijwezen’.25 De roep om
substantiële politieke vernieuwing ging D'66 zelfs al decennia
vooruit. De wens te komen tot ‘doorbraak’ van de
confessionele partijen had al sinds 1945 geklonken (zie hoofdstuk
één). Binnen de bestaande politieke
partijen waren de ‘malaise’ in de Nederlandse politiek en
de noodzaak tot verandering van partijen en overheid al lang onderwerp van
discussie. In de jaren voorafgaand aan de verkiezingen van 1967 was het onder
politici, redacteuren en intellectuelen een gemeenplaats geworden te zeggen dat
de Nederlandse democratie grondig herzien moest worden26 (politieke vernieuwing was
daarentegen zelden een brandende vraag voor het grote publiek27). In deze
‘incubatieperiode’ (1958-1966)28 werden vele
politieke debatten, die in de crisisjaren van de Nederlandse politiek
(1967-1973) werden gevoerd, geïnitieerd door gevestigde politici.
Eigenlijk waren D'66-leiders als Gruijters en Van Mierlo zelf voortgekomen uit
de gevestigde politiek en | | | | het intellectuele circuit waarin de
onvrede met het functioneren van de Nederlandse democratie Ieefde.29 Doordat de politieke elites
de gebreken waaraan de Nederlandse democratie leed uittekenden en wilden
oplossen, maakten zij de opkomst van een radicalere kritiek door onder andere
D'66 mogelijk en zelfs waarschijnlijk.
In dit hoofdstuk zal ik mij dus niet zozeer concentreren op de opkomst van D'66
en nieuwe vormen van politiek radicalisme, maar op de wijze waarop de bescheiden
pogingen van het gevestigde politieke leiderschap om de bestaande partijen te
‘moderniseren’ en veranderingen te kanaliseren een
bijdrage hebben geleverd aan ‘de crisis in de Nederlandse
politiek’. Door deze ‘crisis’ leek het stabiele
Nederlandse politieke systeem, dat tijdens de jaren veertig en vijftig in
evenwicht werd gehouden door rooms-rode coalities, in het begin van de jaren
zeventig op een dood spoor te zijn gekomen.30 In dit hoofdstuk zal ik
verschillende pogingen tot vernieuwing tegen het licht houden die hebben
bijgedragen aan verdergaande instabiliteit en verwarring, namelijk: (a) de
pogingen om de drie grote ‘confessionele’ partijen samen
te voegen in een christelijk-democratische partij; (b) de pogingen om de
politiek nieuw leven in te blazen door een beroep te doen op
‘jeugd’ en ‘radicaliteit’; en (c) de
pogingen om de kiezers te voorzien van een ‘duidelijke’
electorale keus.
Nationale kabinetten, 1959-1977
| Premiers |
Periode |
Coalitie |
Parlementsleden |
| De Quay (KVP) |
1959-63 |
KVP-VVD-ARP-CHU |
95 |
| Marijnen (KVP) |
1963-65 |
KVP-VVD-ARP-CHU |
92 |
| Cals (KVP) |
1965-66 |
KVP-PvdA-ARP |
106 |
| Zijlstra (ARP) |
1966-67 |
KVP-ARP |
63 |
| De Jong (KVP) |
1967-71 |
KVP-VVD-ARP-CHU |
86 |
| Biesheuvel (ARP) |
1971-72 |
KVP-VVD-ARP-CHU-DS70 |
82 |
| Biesheuvel (ARP) |
1972-73 |
KVP-VVD-ARP-CHU |
74 |
| Den Uyl (PvdA) |
1973-77 |
PvdA-KVP-ARP-PPR-D66 |
97 |
| |
Het ineenstorten van de KVP en geboorte van het CDA
Van 1918 tot 1967 (met uitzondering van de bezettingsjaren) hadden de
verschillende ‘confessionele’ partijen - de partijen
met sterke kerkelijke bindingen - voortdurend een parlementaire meerderheid.
De Katholieke Volkspartij was altijd vertegenwoordigd in de naoorlogse
regeringen en de protestantste CHU en ARP maakten meestal ook deel uit van
rege- | | | | ringscoalities, wisselend in combinatie met de
socialisten of liberalen. En hoewel de ARP van 1948 tot 1963 eenderde van
zijn kiezers verloor31 bleken de CHU en de KVP (die meer
dan driekwart van alle Nederlandse katholieken aan zich wist te binden) zich
opvallend goed bij verkiezingen te handhaven. Zo kregen de vijf christelijke
partijen in 1963 te zamen nog tachtig zetels in de Tweede Kamer. De
dominantie van de confessionele partijen, vooral van de KVP, was tot diep in
de jaren zestig de meest voorspelbare factor in het Nederlandse politieke
bestel.32
Ontwikkelingen die al vanaf eind jaren vijftig binnen de katholieke zuil
merkbaar waren zouden echter een einde maken aan deze stabiele situatie. De
ideologische identiteit van de KVP was al lang zwak geweest (zie hoofdstuk
één), maar toen het ‘einde van de
emancipatie’ in zicht was gekomen begonnen veel katholieken zich
af te vragen of de katholieke organisaties niet langzamerhand moesten
verdwijnen (zie hoofdstuk drie). Er kwamen steeds meer aanwijzingen dat
doorsnee katholieken de katholieke zuil de rug toekeerden; al in de jaren
vijftig vroegen onderzoekers aan het katholieke sociologische instituut
KASKI zich af hoe lang demografische ontwikkelingen (minder geboorten, meer
kerkverlating) de KVP nog drijvende zouden houden.33 Nog
belangrijker was dat de katholieke partij, die altijd afhankelijk was
geweest van de steun van de Nederlandse bisschoppen, door hen overbodig werd
geacht. De ‘open’ boodschap van het Tweede Vaticaans
Concilie had de katholieke leiders hiertoe geïnspireerd (zie
hoofdstuk drie).34 De
veronachtzaming van de partij door de bisschoppen bracht de KVP in een
steeds zwakker wordende positie.35 Zoekend naar een nieuwe richting, begonnen
katholieke politici meer aandacht te schenken aan de
‘openheid’ van de KVP; in mei 1963 vertelde de
fractievoorzitter W.L.P.M. de Kort, die ervan overtuigd was dat er geen
essentiële verschillen waren tussen de vijf grote partijen36, aan een Eindhovens publiek dat zijn partij
evenals de PvdA en de VVD een doorbraakpartij was.37 Maar het gebruik van de begrippen
‘doorbraak’ en ‘openheid’ in een
uitsluitend katholieke partij was weinig geloofwaardig. KVP-politici waren
blijkbaar plotseling niet meer in staat uitdrukking te geven aan hun eigen
visie op de KVP.38
Al in het begin van de twintigste eeuw hadden katholieke leiders tot een
verenigde christelijke partij willen komen39,
maar dit was toen door protestantse politici verworpen. In de ogen van de
ARP onderwierpen de katholieken zich namelijk niet voldoende aan bijbelse
beginselen en naar de mening van de CHU zou een dergelijke unie het
fundamenteel protestantste karakter van de Nederlandse natie aantasten. Maar
door het ‘einde van de emancipatie’ en de opkomst van
het oecumenisch gedachtengoed | | | | (zie hoofdstuk drie) drongen een
aantal invloedrijke katholieke politici opnieuw aan op een verenigde partij.
De katholieken vonden inspiratie in andere landen in Europa. In geen enkel
Westeuropees land waren de christen-democratische partijen verdeeld naar
godsdienst. En vooral in West-Duitsland en Italië bloeiden de
(door katholieken gedomineerde) verenigde christelijke partijen. Dit
internationale patroon was, zelfs voor protestanten, moeilijk te negeren en
al in 1952 begonnen de KVP, de ARP en de CHU samen te werken als een
verenigd christen-democratisch blok in de Raad van Europa en (later) het
Europese Parlement. In 1959 deed C.P.M. Romme, fractievoorzitter van de KVP,
een voorzichtig voorstel om te komen tot een christen-democratische partij,
hoewel hij wist dat de protestantse partijen in een dergelijk voorstel een
plan zouden zien voor katholieke dominantie. Aanvankelijk reageerden de
protestantse leiders tamelijk gereserveerd.40 In het begin
van de jaren zestig echter raakten protestanten als ARP-voorzitter W.P.
Berghuis en CHU-theoloog G.C. van Niftrik geïnteresseerder in
nauwere samenwerking met de katholieken. Het idee van een verenigde partij
deed bij KVP-kiezers snel opgang; in 1964 was zesentachtig procent
voorstander van een verenigde christelijke partij.41 Tegen die tijd maakten ook KVP-leiders onder wie Schmelzer en
P.J.M. Aalberse, zich sterk voor de vorming van een dergelijke partij42, die in hun ogen de beste lange-termijn-oplossing was voor
hun stuurloze partij.43
In januari 1966 verscheen het rapport ‘Grondslag en karakter van
de K.V.P.’, waarin werd beweerd dat de principiële redenen voor een katholieke partij
(ideologische oppositie tegen liberalen en socialisten, emancipatie van de
katholieken) tot het verleden behoorden. De KVP was, kortgezegd, niet meer
noodzakelijk. De opstellers probeerden wel te
onderstrepen dat er nog steeds pragmatische redenen waren
voor het voortbestaan van de KVP; de opheffing van de KVP was
‘niet verantwoord’ door de afwezigheid van
‘realiseerbare alternatieven’. In overeenstemming met
de inzichten van Schmelzer en Aalberse, drongen de auteurs erop aan dat de
KVP alles zou doen om het bestaan van ‘breder opgezette doch
christelijk geïnspireerde partijstructuren’ te
bevorderen.44 Het wekt
geen verbazing dat het rapport het enthousiasme voor de partij niet bepaald
aanwakkerde, het ondermijnde eerder steun voor de KVP.45 Na de verschijning uitten veel
KVP-leden de wens dat er snel óf een nieuwe seculiere
óf een christen-democratische partij zou komen.46
Een lid van de rapportcommissie, pater J.G. Stokman, riep de KVP op
verstandig te zijn en niet ‘oude schoenen weg te doen alvorens
nieuwe te hebben’, maar toch dankte de KVP in feite haar oude
doelstelling af zon- | | | | der deze te vervangen en electorale
gevolgen bleven dan ook niet uit47: bij de landelijke verkiezingen in februari
1967 leed de KVP ernstige verliezen. De KVP zag zich meegevoerd in een
neerwaartse spiraal en haar leiders reageerden
‘fatalistisch’ op de desintegratie van de partij.48 De
grootste partij van Nederland was onmiskenbaar in staat van ontbinding. In
de woorden van de Nijmeegse hoogleraar F.J.F.M. Duynstee in 1968 rustte de
politieke kracht van de KVP nu helemaal op de ‘het feitelijk
bestaan van de organisatie, en het nasudderen van het
verleden’.49 Tegen het eind van 1967
was er onder de trouwe partijgangers vrijwel geen steun meer te vinden voor
het voortbestaan van de KVP; van de leden die eind 1967 in vierhonderd
KVP-werkgroepen participeerden, ondersteunde slechts anderhalfprocent het
voortbestaan van een katholieke partij.50
In de praktijk betekende dit dat het KVP-bestuur de meeste energie stak in
het streven naar een grotere, buiten-katholieke partij, en niet in het
handhaven van de bestaande KVP.51 Op deze manier
bevonden de katholieken zich in de ongelukkige situatie volledig afhankelijk
te zijn van de politieke medewerking van niet-katholieken om hen van
zichzelf te verlossen. Naar de visie van Schmelzer en Aalberse betekende dit
dat de ARP en de CHU hun enige hoop waren.52 De electorale vooruitzichten van deze partijen, die niet te
strijden hadden met bisschoppen en het ‘einde van de
emancipatie’, waren na 1967 veel rooskleuriger.53 De katholieken hadden
haast: ‘wij hebben niet veel tijd’, meldde Aalberse de
protestantse leiders in 1967.54 In april 1967 werden besprekingen begonnen door ‘de
Achttien’, bestaande uit zes vooraanstaande vertegenwoordigers
van elke partij, teneinde de mogelijkheden te verkennen voor een nieuwe
partij.
De protestanten waren echter verdeeld over het tempo en de wijze waarop de
samenwerking gestalte zou moeten krijgen. Aan de ene kant maakten
partijleiders van CHU en ARP zich zorgen over de snelheid waarmee hun
politieke partner inzakte. In januari 1967 vertelde Berghuis vooraanstaande
ARP'ers dat het ‘broodnodig’ was gesprekken met de CHU
en de KVP aan te gaan over eenwording, gezien het christelijk karakter van
de partijen en gegeven het feit dat de KVP, als ze aan zichzelf zou worden
overgelaten, spoedig zou ‘deconfessionaliseren’.55 Het vooruitzicht van een seculiere
of een geslonken KVP was een krachtige stimulans om te werken aan een
verenigd christen-democratisch front. Het onderscheid protestant-katholiek
was daarnaast veel minder belangrijk geworden in een tijd waarin
oecumenische preken overal werden gehoord.56 Tegen het einde van
1966 hadden ook de ARP- en CHU-kiezers laten weten dat zij het idee van een
verenigde christen-democratische partij ondersteunden, en deze steun zou
onder confessionelen | | | | gehandhaafd blijven tot die verenigde
partij uiteindelijk werkelijkheid werd in 1977.57 Vooral het Christelijk-Historisch bestuur maakte
zich zorgen over de verdwijnende partij-identiteit en wilde graag nauwer
samenwerken met de KVP om een nieuwe en beter te handhaven identiteit te
scheppen. Het Scholten-rapport, dat de CHU uitbracht in juli 1967, vertoonde
gelijkenis met het KVP-rapport van 1966: het bestaan van de CHU was
‘verantwoord’, maar veranderingen in de toekomst
werden aannemelijk geacht.58
ARP-leden waren echter sceptischer gestemd over de partij die zou ontstaan
uit een samenvoeging met de KVP. Voorzitter Berghuis had jarenlang
geprobeerd een ARP-CHU-eenheid te bereiken, juist omdat hij de invloed van
het politieke protestantisme wilde verbreden en katholieke
dominantie van de christen-democratie, zoals bij de Christlich-Demokratische
Union in West-Duitsland, in Nederland wilde voorkomen.59 Hoewel
Berghuis de dialoog met de KVP zowel noodzakelijk als wenselijk achtte,
bleef hij zich zorgen maken dat de KVP'ers niet geïnteresseerd
waren in een waarlijk ‘evangelische’ partij. Dat
eenheid met de KVP zou leiden tot een pragmatische en vormloze
centrum-politieke partij werd gevreesd door zowel de calvinistische oude
garde als de ‘radicale’ vleugel, waarvoor Berghuis
veel sympathie voelde. Deze radicalen, die binnen de ARP meer invloed
genoten dan hun tegenhangers in de CHU en de KVP (zie volgende paragraaf),
protesteerden fel tegen een brede, gedeconfessionaliseerde
‘volkspartij’.60 Maar zelfs
fractievoorzitter Barend W. Biesheuvel, die gematigder was en zich sterk
maakte voor een verenigde christelijke partij, verwierp in 1968 expliciet
het CDU-model als iets ‘vaags, logs,
ongrijpbaars’61 (de Duitse CDU was zowel te weinig christelijk als te weinig
progressief om een aantrekkelijk alternatief te kunnen zijn voor veel
ARP'ers62). De ARP had eenvoudig te veel leden met te veel bezwaren om
zich onmiddellijk te kunnen storten in politieke eenwording met een
katholieke partij die naar antirevolutionaire smaak te weinig
principiële ruggegraat had.
Tegen het eind van 1968 bevonden de leiders van de drie grotere christelijke
partijen zich dus in een tussenpositie waaruit niet makkelijk een uitweg te
vinden was. ‘De Achttien’ bleven elkaar geregeld
ontmoeten en waren druk bezig een aantal beleidsdocumenten voor te bereiden
die, naar ze hoopten, de zienswijzen van alle drie de partijen zouden
weerspiegelen. De drie fractievoorzitters in de Tweede Kamer (Schmelzer,
Biesheuvel en Mellema) betuigden in 1968 op de televisie hun steun aan een
verenigde christelijke partij en in 1970 presenteerden de drie partijen
lijstverbindingen bij de provinciale verkiezingen in Limburg en Friesland.
| | | | In 1971 publiceerden zij, naast afzonderlijke
verkiezingsprogramma's, een gemeenschappelijk nationaal
verkiezingsprogramma. Hoe langer de partijen spraken over een verenigde
partij, hoe verder andere opties uit het zicht raakten; voor de meeste
confessionele politici was de vorming van een verenigde partij
‘broodnodig’, gegeven de onmiskenbare vermindering van
de steun van kerkleden voor confessionele partijen.63 Zelfs vakbondsleider R. Gosker,
een ARP-lid van de oude calvinistische stempel die niet verder wilde gaan
dan een losse federatie, schreef in 1969: ‘Als nu niet Rome en
Dordt in de politiek samengaan is er voor de christelijke politiek geen
toekomst’.64
Tegelijkertijd bleven karakter en structuur van de toekomstige
christen-democratische partij een zaak van heftige discussies, tussen
protestanten en katholieken en tussen voorstanders van een centrum-politieke
partij en christen-radicalen, die dreigden uit hun partij te stappen als het
zover zou komen. De afnemende steun voor de KVP, die opnieuw stemmen verloor
bij de verkiezingen van 1970, 1971 en 1972, maakte de situatie nog
instabieler.65 Veel
KVP'ers, die zich ergerden aan de bijbelvastheid van de protestanten en zich
al hadden neergelegd bij de ‘onvermijdelijkheid’ van
de secularisatie66,
stonden open voor de geseculariseerde koers die door de nieuwe partijleider
Dick de Zeeuw werd uitgestippeld. Dit verontrustte op zijn beurt de CHU- en
ARP-leiders, die zich afvroegen of de KVP nog wel gered kon worden.67 In het begin van
de jaren zeventig hadden de pogingen om te komen tot partijvernieuwing en
christen-democratische eenheid dus voornamelijk tot verdeeldheid geleid,
terwijl de meeste kiezers uitzagen naar samenwerking en eenheid. Nog erger
was dat zowel de KVP als de CHU erdoor in een ernstige identiteitscrisis
waren geraakt, zij hingen tussen een vroegere en een toekomstige identiteit
in.68
Uiteindelijk was het de KVP-politicus P.A.J.M. Steenkamp die de Nederlandse
christen-democratie wist te redden. ‘Rooie Piet’,
zoals hij werd genoemd, was zowel een ‘progressief’
politicus als een gedreven christen-democraat die zich op de hoogte had
gesteld van de protestantse denktrant. Samen met gematigde protestantse
politici als Jan de Koning van de ARP69, schreef hij in 1972 het
document ‘Op weg naar een verantwoordelijke
maatschappij’, waarin hij zowel de protestantse principes als de
katholieke flexibiliteit een plaats gaf.70
In het daaropvolgende jaar werd het Christen-Democratisch Appèl
(niet Unie!) opgericht op basis van dit document. Hoewel een volledige
eenwording nog enige jaren op zich liet wachten (deels door het verzet van
de CHU tegen het kabinet-Den Uyl waaraan de ARP en de KVP deelnamen, deels
door oppositie | | | | vanuit de ARP), was het moeilijkste gedeelte
achter de rug. Tijdens de verkiezingen van 1977 maakte het CDA zelfs een
christelijk-politieke wedergeboorte mee die zeventien jaar zou standhouden
en die het CDA in het centrum van de Nederlandse politiek zou houden.
Evenals de Britse conservatieven in 1979 en de Duitse CDU in 1982, zouden
Nederlandse christen-democraten erin slagen zich weer te doen gelden in de
politiek na een lange periode vol problemen.
Deze opleving volgde echter op een periode waarin de christelijke partijen
bijna veertig procent van hun electorale sterkte hadden verloren en waarin
hun verval onherroepelijk leek. Gedurende die tijd werd algemeen
verondersteld dat de christelijke partijen eigenlijk overblijfselen waren
van een verouderd verleden. Hoewel veel confessionele leiders nog steeds
hoopten op een christen-democratische partij, zagen maar weinig politici
toekomst in de oude negentiende-eeuwse christelijke partijen. Die waren
‘tot machteloosheid gedoemd’, tenzij ze een grondige
verandering zouden ondergaan.71 Onbekwaam om gezamenlijk tot een beslissing te komen over de
te volgen koers, bleven de christelijke politici weifelende verdedigers van
partijen die in de woorden van de journalist Dick Houwaart zich in
‘de laatste fase van hun bestaan’ bevonden.72 Vooral binnen de KVP was, door de
gezamenlijke aanvaarding van de
‘deconfessionalisering’, het oude bouwwerk vernietigd
zonder dat er een nieuwe structuur voor in de plaats kwam. Nederlandse
confessionele partijleiders, en zeker die van de KVP, hebben minstens ten
dele hun eigen ondergang bewerkstelligd.73
| |
‘Jeugdig, fris en radicaal’
Het gevoel uit de tijd te zijn speelde echter niet alleen bij de KVP. Midden
jaren zestig beschuldigden D'66 en Nieuw Links het hele gevestigde systeem
van politieke partijen ervan een verouderd bolwerk van
‘conservatieve’ politiek te zijn. De politici van
middelbare leeftijd met hun grijze televisiepersoonlijkheden gaven inderdaad
reden te veronderstellen dat de Nederlandse politiek een verjongingskuur
nodig had. De zelfvoldaanheid van Den Haag, die in de eerste helft van de
jaren zestig door verschillende commentatoren werd opgemerkt, suggereerde
dat de Nederlandse politici vastgebakken zaten op hun zetels en immuun of
onverschillig bleven voor nieuwe aanwas of nieuwe vraagstukken.
Deze analyse was niet ongegrond; het Nederlandse politieke leven omstreeks
1965 was tamelijk oligarchisch. Mannelijke
manager-politici van middelbare leeftijd waren in de Nederlandse politiek
goed vertegen- | | | | woordigd. Vanaf het begin van de jaren zestig
echter toonden steeds meer politieke elites de wil hun partijen kritisch
tegen het licht te houden. Hun bereidheid daartoe kwam deels voort uit de
sinds het eind van de jaren vijftig gedeelde perceptie dat (1) het gebrek
aan ideologische smaak de kiezers vervreemdde van de politiek; (2) de in
demografisch opzicht belangrijke jongere generatie moest worden gewonnen
voor steun aan de gevestigde partijen; (3) in een tijd van ongekende
welvaart en vrede nieuwe ‘progressieve’ politiek kon
en moest worden gestimuleerd, vooral door middel van grootschalige en door
de overheid gefinancierde projecten.
Evenals elders in het Westen hadden in de jaren zestig het ‘einde
van de ideologie’ en de ‘nieuwe
zakelijkheid’ de ideologische conflicten vervangen.
Parlementariërs en regeringsfunctionarissen wijdden zich nu aan
bestuurskundige kleinigheden en technische details, en ideologische
verschillen tussen de partijen vervaagden. Binnen de gevestigde partijen
werd dikwijls de vraag gesteld of de grote
‘negentiende-eeuwse’ ideologische bewegingen hun nut
en functie niet hadden verloren. Men zou kunnen denken dat de gevestigde
politici met hun paternalistische, apolitieke en consensuele tradities juist
gedijden in een dergelijk klimaat.74 Toch waren tal van
Nederlandse politici gespitst op de gevaren van een politiek systeem zonder
ideologieën. Willem Banning, één van de
oprichters van de PvdA, sprak in 1960 teleurgesteld over de
‘malaise’, waardoor politiek niet langer leefde onder
‘de gewone man en vrouw’.75 In 1963 gaf zeventig
procent van de Nederlandse kiezers aan nauwelijks of geen belangstelling te
hebben voor de politiek (een percentage dat ook in andere Westeuropese
landen hoog was76). En de
politici raakten gealarmeerd toen uit een onderzoek in 1965 bleek dat
slechts vierentwintig procent van de mannen en tien procent van de vrouwen
het parlement positief beoordeelde.77 Bovendien werd, wegens het verlies aan electorale kracht van
ideologische partijen zoals de PvdA en de ARP, het ‘einde van de
ideologie’ voor het bestuur van deze partijen meer dan een
academische kwestie.78 Dat de Boerenpartij zoveel aanhang kreeg wekte
ook onrust. De Boerenpartij verkreeg publieke steun nadat autoriteiten in
aanwezigheid van televisie-camera's een boerenfamilie uit Hollandsche Veld
in 1962 uit haar boerderij zette. Onderzoekers interpreteerden deze steun
als een teken van toenemende vervreemding van een moeilijk beheersbaar
electoraat79 en veel politici zagen in
het rechtse protestkarakter van de Boerenpartij een gevaarlijke bedreiging
van de Nederlandse democratie.80
Slecht nieuws voor alle partijen was dat vooral de jongere
kiezers zich afkeerden van de doorsnee politiek en van de bekende partijen,
een tweede factor waardoor die partijen hun strategie veranderden. De
confessio- | | | | nele partijen, vooral de protestantse,
vergrijsden gestaag in de loop van de jaren zestig81, en de
ontwikkelingen binnen de PvdA waren niet veel beter; de
‘grijsheid’ van de PvdA werd zelfs onderwerp van een
satire in Zo is het... van de VARA-televisie.82 Alle grotere partijen gingen daarom in die periode meer aandacht
besteden aan jongerenproblemen en probeerden een beroep te doen op jeugdig
idealisme. PvdA-leiders hielden zich bezig met de vraag hoe aan deze
verontrustende ontwikkeling een halt kon worden toegeroepen (toch zou nog
tot 1966 slechts één socialistische
parlementariër jonger dan vijfendertig jaar zijn83) In televisie-propaganda van de KVP in het
midden van de jaren zestig gaf deze partij uiting aan haar wens
‘de jeugd’, die in haar ogen ‘sociaal
progressief’ georiënteerd was, voor de partij te
behouden.84 En
binnen de VVD verklaarde de jonge Hans Wiegel: ‘90% van de jeugd
is liberaal’.85
Ook de ‘baby boom’ vergrootte de dreiging van een
politiek electoraat zonder binding met de bestaande partijen.86 Zowel op ideologisch als op demografisch gebied leken
de grote partijen uitgeteld. Het wekt dus nauwelijks verbazing dat in de
eerste helft van de jaren zestig veel politici zich richtten op
‘de jeugd’ en ontvankelijk bleken voor een
‘nieuwe’ en krachtige vorm van politiek die de
jongere, in hun ogen ‘progressieve’, generatie aan zou
spreken.
De derde factor was de toenemende waarde die aan de welvaartsstaat werd
gehecht, en de bewuste verschuiving naar links die daarmee gepaard ging.
Veel politici meenden dat ze de ‘progressieve’ jeugd
voor zich zouden winnen, wanneer zij in de welvaartsstaat ernaar streefden
sociale problemen aan te pakken. In een tijd van weergaloze economische
groei en welvaart was een politiek van vrijgevigheid naar hun mening ook
mogelijk en betaalbaar geworden. Met de verschrikkingen van de crisis van de
jaren dertig in het geheugen wensten de meeste oudere politici, evenals de
Amerikaanse president Lyndon Johnson, de armoede geheel weg te werken. Dit
gold niet alleen voor de PvdA, maar ook voor de confessionele partijen. De
sociaal-economische doelen van de KVP vertoonden over het algemeen meer
gelijkenis met die van de PvdA dan met die van de VVD, en verschillende
invloedrijke en ‘progressieve’ steunpilaren van de
KVP, zoals Marga Klompé - mede-opsteller van de Algemene
Bijstandswet van 1965 - gingen uit van een soort natuurlijk verbond tussen
de KVP en de PvdA.87 Bovendien liet de partij zich voorstaan op een
aantal bekende politici die zich bewust ‘links’
opstelden, onder wie premier Jozef Cals, wiens kabinet zich had
gepresenteerd als ‘een regering van moderne energieke mannen, die
een open oog hadden voor de psychologie van deze tijd en, in het bijzonder,
van deze jeugd’.88
Evenzo was de aanvankelijk | | | | negatieve houding van de ARP
tegenover de opbouw van de welvaartsstaat omgeslagen naar het geestdriftig
omarmen van geldverslindende staatsprojecten, gericht op het bestrijden van
onrecht en ongelijkheid.89 Enige
antirevolutionaire ‘radicalen’ riepen de ARP op te
streven naar het veranderen van de wereld door herverdeling van rijkdom,
niet alleen in eigen land maar vooral ook daarbuiten.90 Tegen 1964
noemde Berghuis, tot ongenoegen van de oude garde, de ARP een sociaal-linkse
partij die zich in de ‘voorhoede’ bevond91, en in
het midden van de jaren zestig verwezen Berghuis en andere ARP'ers (b.v. de
eerste vrouwelijke ARP-parlementariër, J. van Leeuwen) naar
evangelische radicaliteit om het doel van de partij te omschrijven.92
W.C.D. Hoogendijk, die zelfbekeerd was tot het christen-radicalisme,
suggereerde dat Anti-revolutionair in werkelijkheid Anders-revolutionair zou betekenen.93 Zelfs de CHU en de VVD, die minder geestdriftig waren over
de nieuwe staatsprojecten van de jaren zestig, boden nauwelijks verzet tegen
de plannen van de andere politieke partijen voor de uitbouw van de
welvaartsstaat. De VVD probeerde op eigen wijze haar
‘vooruitstrevendheid’ op sociaal gebied te bewijzen.
Hoewel de gezamenlijke ijver voor de uitbouw van de welvaartsstaat de
gematigden-oude-stijl en de radicalen-nieuwe-stijl had kunnen verbinden,
neigden de radicalen ertoe het verschil te benadrukken tussen hun eigen
ambitieuze doelstellingen en het ‘conservatieve’ en
gecompromitteerde beleid van de gematigde politici.94
Veel gematigde politici zouden daarentegen de programma's van de
welvaartsstaat zien als een teken van hun eigen vooruitstrevendheid.
Tegen het midden van de jaren zestig bevonden de grote politieke partijen in
Nederland zich dus op een vreemd kruispunt van wegen. De technocraten van
middelbare leeftijd en de gematigde voorstanders van consensus overheersten
de partijen nog steeds. Maar velen onder hen betwijfelden de ideologische
stabiliteit van de status quo. Binnen de ARP werden de eerste geluiden die
wezen op een radicaler koers gehoord in 1962, toen haar voorzitter een
nieuwe richting uitzette. Berghuis, die eens bekend stond als traditioneel,
hield in dat jaar zijn beroemde ‘door de
bocht’-toespraak, waarin hij aankondigde dat een nieuw tijdperk
voor de ARP was aangebroken:
‘Ik geloof dat wij goed doen er oog voor te hebben, dat
wij in de eerste na-oorlagse periode aan het gevaar hebben blootgestaan met
onze beginselen te verstarren in een veranderende wereld (...) Ik dacht dat
wij over dat gevaar nu heen zijn en dat wij thans bezig zijn de bocht te
nemen naar de tijd waarin wij zeer reëel leven, en waarin wij met
dezelfde geestelijke opdracht als die van het verleden ons naar de toekomst
richten.’95
| | | |
Tegen 1966 verlangden veel vooraanstaande ARP'ers ernaar om aan te tonen dat
hun partij weer krachtig was geworden en midden in de nieuwe wereld stond.
En ditzelfde gold ook voor de leiders van de andere partijen.
Het was in dit milieu dat omstreeks 1966 jongere en hoogopgeleide
‘christen-radicalen’ hun politieke entree maakten.
Vanaf 1967 waren deze radicalen binnen de KVP en de ARP luidruchtig
aanwezig. Zij eisten ‘solidariteit’ met de Derde
Wereld en stopzetting van de, in hun ogen, egoïstische
machtspolitiek van het verleden.96 In naam van een nieuwe generatie
confessionele kiezers oefenden deze radicalen druk uit op hun partijen om
een besliste draai naar links te maken. Een aantal christen-radicalen
dreigde zelfs uit te treden uit de eigen partijen, wanneer deze politieke
wending niet zou worden gemaakt. Zodoende wekten ze de indruk dat er een
ernstige breuk dreigde, terwijl de confessionele partijen al zo zwak waren
dat zij zich een dergelijke breuk niet konden veroorloven. Eind 1967 leken
ze de steun van een groot deel van de achterban te hebben verkregen.
Enquêtes toonden aan dat ongeveer zevenendertig procent van de
CHU-kiezers op een ‘Christen-Radicale Partij’ zou
stemmen.97
De dreiging van de christen-radicalen bleek uiteindelijk niet zo groot te
zijn als de enquêtes leken uit te wijzen. Toen enkele katholieke
radicalen, onder wie Harry van Doorn en Jacques Aarden, zich in 1968 van de
KVP afscheidden wisten ze maar weinig vooraanstaande KVP'ers mee te krijgen
en geen CHU'ers en ARP'ers.98 De Politieke Partij Radikalen (PPR), zoals
de partij zichzelf noemde, deed het bij de verkiezingen in 1971 minder goed
dan verwacht en wist slechts twee zetels binnen te halen.99 Hoewel de PPR euforisch was na de winst in 1972, toen ze onder
de charismatische leiding van Bas de Gaay Fortman zeven zetels verkreeg,
werd de partij nooit een populair alternatief voor de confessionele
partijen.100 De
aantrekkingskracht van de PPR voor zowel christelijke als niet-christelijke
kiezers bleefvrij beperkt; te christelijk voor niet-christenen en voor de
meeste christenen te radicaal.101 De confessionele partijen bleven
centrumpartijen met centrumkiezers.
De zelfoverschatting van de radicalen was echter niet alleen hun eigen
schuld. Prominente gevestigde politici die sympathiek stonden tegenover hun
radicaliteit hadden hen reden gegeven om te geloven dat confessionele
partijen in werkelijkheid linkser waren dan ze bleken. Dit was ook een
indruk die veel partijleiders wilden wekken, opdat elke uitstroom naar de
PPR ingedamd zou worden. Aan het eind van de jaren zestig deden de
confessionele partijen van alles om het de christen-radicalen naar | | | | de zin te maken, terwijl ze tegelijkertijd probeerden
aantrekkelijk te blijven voor hun grotendeels conservatieve tot gematigde
achterban. Ondertussen bleven ze initiatieven tot politieke en sociale
democratisering ondersteunen. KVP-premier Piet de Jong stond erop dat zijn
kabinet, dat toezicht hield op de snelle uitbreiding van de welvaartsstaat,
‘progressief’ werd genoemd en niet conservatief. De
Jong zelf liet bij voorbeeld zijn sympathie voor de kraakbeweging
blijken.102 In een tijd waarin
‘radicale’ politiek nog iets relatief nieuws was
stapelden de bewijzen van ‘progressiviteit’ zich op,
soms afkomstig uit onwaarschijnlijke hoek. Vooral binnen de CHU was deze
ontwikkeling zichtbaar. Daar probeerden progressieven binnen de partij na
het vertrek van de traditionele leider H.K.J. Beernink hun achterstand weer
in te halen. De CHU begon haar ‘moderne’,
‘dynamische’ en
‘vooruitstrevende’ politiek te benadrukken en
secretaris H.A. Schuring verzekerde zijn televisiepubliek dat De Achttien
‘erg fris, modern en vooruitstrevend’ waren.103 In 1969 vertelde hij een
interviewer dat de CHU meer was vernieuwd dan de ARP en de
partij van de vernieuwing was geworden.104 Freule C.W.I. Wttewaal
van Stoetwegen, CHU-parlementariër sinds 1946, sprak haar
vertrouwen in ‘christelijk-radicalisme’ uit in een
interview in 1968 en zei tot haar luisteraars: ‘ik was al radicaal toen jullie nog in de politieke,
misschien zelfs nog in de gewone wieg lagen’.105 De vrouwenorganisatie van de CHU werd in het
begin van de jaren zeventig de meest feministische van alle confessionele
vrouwenorganisaties, tot verontrusting van een groot deel van de oude
garde.106
De pogingen van de partij haar imago te verbeteren hadden soms komische
effecten. Om voor de verkiezingen van 1971 het beeld van ‘recht
en orde’ van CHU-minister B.J. Udink onder de jongeren te
corrigeren, werd hij door een public-relationsbureau uitgedost met een
langharige pruik en samen met freule Wttewaal midden tussen de Amsterdamse
‘hippies’ op de Dam gefilmd.107 Ook de KVP-top probeerde een
progressief imago te ontwikkelen. In december 1967 aanvaardde de KVP, om te
voorkomen dat radicalen naar andere partijen zouden overlopen, de Arnhem
Resolutie, waardoor de partij zich verplichtte ‘consequent
vooruitstrevend’ te zijn.108 In 1971 koos het partijbestuur de minister
van Onderwijs, Gerhard Veringa (zie hoofdstuk vijf), als lijsttrekker van de
verkiezingscampagne. ‘Ik hou van vernieuwing’ liet hij
weten in een televisiespotje.109 Maar voor zowel de CHU als de KVP bleek het opbouwen van een
progressief imago voortgaande verliezen bij de verkiezingen niet te kunnen
voorkomen en het vervreemdde veel oude getrouwen van hun partij.
Confessionele pogingen om de ‘radicalen’ te paaien
leidden uiteraard | | | | niet tot een
‘radicaal’ nieuwe koers; in het begin van de jaren
zeventig, toen het ‘radicale’ gevaar weer afnam,
werden ze zelfs weer wat ‘rechtser’. Toch hadden de
confessionele pogingen om het de christen-radicalen naar de zin te maken
enige belangrijke gevolgen. Zo waren de confessionele partijen voor een
korte tijd tamelijk ‘progressief’ en gaven ze steun
aan royale staatssubsidies en plannen voor structurele democratisering van
de overheid en de werkvloer. Hun pogingen om tegelijkertijd de gematigde tot
conservatieve achterban en de meer radicale volgelingen aan zich te binden
werkten echter verwarrend. Deze halfslachtige houding speelde een rol bij de
afname van hun geloofwaardigheid bij beide vleugels. Nog belangrijker was
dat verwachtingen werden gewekt onder confessionelen, christen-radicalen en
PvdA'ers ten aanzien van een politieke verandering en een confessionele ruk
naar ‘links’ die later bedrieglijk bleken te zijn.
Deze illusie zou belangrijke gevolgen hebben, in het bijzonder voor de PvdA.
Dat de PvdA zich nog ontvankelijker opstelde voor nieuwe, radicale
ideeën dan de christelijke partijen wekt geen verwondering. Al
voor 1966 hadden partijleiders als Vondeling, Ed van Thijn en (in mindere
mate) Den Uyl gezocht naar mogelijkheden om de partij te moderniseren en
aantrekkelijker te maken.110 De verliezen bij de
verkiezingen hadden veel partijleden teleurgesteld. C. de Galan verklaarde
dat de partij ‘zichzelf een beetje kwijtgeraakt’ was
in het midden van de jaren zestig111 en
professor P. Thoenes merkte in 1966 op dat de PvdA haar kansen had verspeeld
om zich te identificeren met ‘een nieuw perspectief, een (...)
nieuwe generatie’.112 In deze
sfeer werd ‘Nieuw Links’ geboren, in september 1966.
De ‘verwekkers’ waren jongere socialisten zoals Han
Lammers en André van der Louw, die probeerden het partijprogramma
te radicaliseren door herverdeling van de inkomens te bepleiten, de
buitenlandse politiek betreffende de Koude Oorlog te verwerpen en de zorg om
de ‘kwaliteit van het bestaan’ te benadrukken. Daarbij
kenmerkten zij zich door een oppositionele houding, waarin ze weinig
compromissen wilden aanvaarden met degenen die hun doelstellingen niet
onderschreven.113
De politiek van Nieuw Links vertoonde in veel opzichten gelijkenis met de
ambitieuze doelstellingen en confronterende stijl van de linkse socialisten
in andere Westeuropese landen gedurende de jaren zestig. Wat hen
onderscheidde was hun succes in het verwerven van posities binnen de
PvdA114, te danken aan hun
goede organisatie. In 1969 waren ze als kleine groepering zelfs
(over)vertegenwoordigd in de topposities.115 Van
der Louw werd nota bene de nieuwe partijvoorzitter. In het begin van de
jaren zeventig klonken de partijprogramma's veel
‘linkser’ dan enkele | | | | jaren
daarvoor.116 Ook andere linkse groeperingen verkregen meer
invloed in de partij. Na 1969 nam de socialistische vrouwenorganisatie een
nieuwe rol op zich door te strijden voor legalisering van abortus provocatus
(zie hoofdstuk vijf). Daarnaast stimuleerde ze, onder leiding van bij
voorbeeld Hedy d'Ancona en Irene Vorrink, een actief emancipatiebeleid voor
vrouwen, dat zich voornamelijk richtte op het uitbreiden van de
arbeidskansen.117 Door dit alles veranderde het beeld
van de partij binnen een paar jaar, de PvdA kwam naar voren als een jonge,
radicale en - volgens veel commentatoren - weer opgeleefde partij.
Toch werd Nieuw Links niet door alle partijleden toegejuicht. Aan het eind
van 1969 kon slechts 22,5% van alle PvdA-kiezers zich er in herkennen.118
Sommige PvdA'ers van de oude stempel, zoals de Rotterdamse burgemeester Wim
Thomassen en de parlementariërs Frans Goedhart en Jacques de
Kadt, protesteerden heftig tegen het toenemende radicalisme binnen de
partij119, en
in 1968 vormden ‘rechtse’ PvdA'ers het Democratische
Appèl om een halt toe te roepen aan haar
‘linkse’ koers. Aan het eind van de jaren zestig werd
de PvdA verdeeld door twisten, doordat Nieuw Links, het Democratisch
Appèl en verschillende andere groeperingen alle het roer van de
partij wilden overnemen. De onenigheden kwamen vooral aan het licht tijdens
het rumoerige partijcongres van 1969.120 Evenals de Duitse SPD en de Amerikaanse
Democratische Partij werd de PvdA verscheurd door interne conflicten en
bitter venijn, zelfs nadat ‘rechtse’ socialisten in
1970 uittraden uit de partij en de Democratisch-Socialisten '70 (DS'70)
oprichtten.121
Hoewel Nieuw Links dus op tegenstand stuitte verkreeg het veel invloed, niet
alleen door de kracht van de organisatie, maar ook door de speelruimte die
het werd gegund door gematigde leiders als fractievoorzitter Den Uyl. Den
Uyl was zelf geen radicaal. Hij had een afkeer van trends en hield absoluut
niet van de polariserende aanpak van ‘links’122: hij
was met hen zelfs in een felle strijd verwikkeld. Toch ‘liet hij
zich meevoeren’ in de politieke
‘vernieuwingsgolf’ die was opgezweept door
‘linkse’ PvdA'ers.123 In het
midden van de jaren zestig was hij tot de overtuiging gekomen dat de partij
open moest staan voor alle sociaal-democratische elementen124 Ook andere bekende partijleiders
geloofden dat de aanvaarding van nieuwe ideeën en jong bloed de
partij weer leven kon inblazen. Daarnaast was er een sterk besef binnen het
partijbestuur dat ‘de jongere generatie’ nu het recht
had de partij in een nieuwe richting te sturen. Bovendien zou oppositie
tegen deze jonge radicalen in een tijd van electorale instabiliteit een
verdergaand verlies van stemmen betekenen.125 Het
resultaat was een partij die opvallend ‘open voor radicale
opvattingen’ | | | | was, zoals de Amerikaanse hoogleraar
Bernard Bellush opmerkte in 1967.126
In tegenstelling tot de besturen van de confessionele partijen, was het
socialistische partijbestuur in staat en ook bereid om de PvdA te veranderen
in een geloofwaardige ‘linkse’ partij met ideologisch
elan. De partij boekte weer enige winst bij de verkiezingen van 1971 en
1972, mede dankzij het charisma van Den Uyl. Toch was Den Uyl voor en na
zijn benoeming als premier in 1973 opgezadeld met een tamelijk onhandelbaar
mengsel van ‘linkse’ en gematigde PvdA'ers. Vooral de
goed georganiseerde linkervleugel hield de mogelijke bereidheid van Den Uyl
om compromissen te sluiten met confessionelen scherp in de gaten. De PvdA
was een partij waarin tijdens de jaren zeventig
‘linkse’ socialisten zich thuis bleven voelen. Zij
hadden veel meer invloed dan hun numerieke omvang zou doen vermoeden, deels
vanwege de bereidheid van gematigde leiders om de nieuwe radicalen een
plaats te gunnen.
Zowel de socialistische als de confessionele partijbesturen schoven dus meer
naar ‘links’ op, in de vooronderstelling dat jongere
kiezers vervreemd waren van de gevestigde politiek en eerder afkwamen op
‘progressieve’ of ‘radicale’
politiek. Hoewel jongere leden binnen deze partijen over
het algemeen tamelijk ‘links’ waren, gaven de feiten
niet veel reden te veronderstellen dat de jongere kiezers
‘linkser’ waren.127 Bij de
verkiezingen in 1971 bleken de kiezers voor D'66, DS'70 en de VVD
aanzienlijk jonger te zijn dan de kiezers voor de PvdA en
de confessionele partijen.128 Jongere kiezers leken veel minder aangetrokken te
worden tot christelijke partijen, maar hun
‘wereldlijke’ voorkeur maakte van hen nog geen
politieke radicalen. Dit was niet volgens de verwachting van Nieuw Links,
dat ervan overtuigd was dat jonge KVP'ers zich aangetrokken zouden voelen
tot een geradicaliseerde PvdA.129
De draai naar rechts van de VVD en haar winst bij de verkiezingen van 1972
toonde dit duidelijk aan. De liberale VVD zat stevig aan de rechterkant van
het politieke spectrum en was de enige grote partij die geen moeite deed om
‘radicaal’ te lijken. Maar evenals de andere partijen
kende de VVD veel strijd. Het boterde niet tussen de oude garde en een jonge
generatie ‘linkse’ liberalen als dr. E. Nordlohne van
het Liberaal Democratisch Centrum (LDC), en evenmin tussen moreel behoudende
politici zoals Harm van Riel (VVD-fractievoorzitter in de Eerste Kamer) en
de meer libertaire W.J. ‘Molly’ Geertsema
(VVD-fractievoorzitter in de Tweede Kamer).130 In de VVD, die met
vertegenwoordigers als Geertsema en Haya Van Someren-Downer (de eerste
vrouwelijke fractievoorzitter van een Nederlandse politieke partij) een
voorname uitstraling | | | | behield, kwam echter slechts zelden een
‘rechts’ populisme naar voren. Gemeten naar de
populariteit van De Telegraaf zou een dergelijk populisme
goed aangeslagen zijn bij een van de politiek vervreemd electoraat, en Van
Riel toonde dan ook dikwijls zijn bereidheid te spreken ten gunste van deze
‘zwijgzame meerderheid’.131 Hierin kwam in 1972 verandering toen de VVD, onder leiding
van Wiegel, de eenendertigjarige fractievoorzitter van de Tweede Kamer,
geconfronteerd werd met groeiende economische en sociale problemen en zich
harder ging opstellen tegen het ‘misbruik’ van de
welvaartsstaat. De grote winst in dat jaar was voornamelijk afkomstig van
jongere kiezers, waaronder veel achttien- tot eenentwintigjarigen die voor
de eerste keer hun stem uitbrachten132, en
die zich hadden laten overtuigen door het beeld dat Wiegel
creëerde van een jonge generatie liberalen die vocht tegen het
‘negentiende-eeuwse’ socialisme.133 De partij zou blijven groeien en tot in de jaren tachtig
verkiezingswinst boeken.134 De VVD was erin geslaagd het idee onderuit te
halen dat ‘jonge’ stemmen altijd
‘radicale’ stemmen waren.
Hoewel de politieke crisis van de jaren zestig wellicht bespoedigd werd door
de ‘vervreemding’ onder de kiezers, werd zij door de
politieke leiders toch grotendeels verklaard en ervaren als een probleem van
de jongere activisten in hun eigen partijen, die konden worden aangepakt
door de ‘progressieve’ politiek te bedrijven waartoe
een groot deel van de oude garde zich toch al aangetrokken had gevoeld. Maar
hun bereidheid tot het sluiten van compromissen bleek niet de stabiliteit
binnen het Nederlandse politieke systeem teweeg te brengen waarop zij hadden
gehoopt; zij vergrootte zelfs de spanningen binnen de partijen.
| |
De vernieuwing van de politiek:
‘duidelijkheid’ en
‘polarisatie’
Aan het eind van de jaren vijftig hadden de PvdA en de VVD voldoende reden
ongelukkig te zijn met hun posities binnen het politieke systeem. De
confessionelen beheersten het centrum en de socialisten en liberalen, die
met elkaar sterk van mening verschilden over belangrijke sociaal-economische
kwesties, waren beide in de uiterste hoeken van het politieke spectrum
gedrukt.135 De confessionele partijen konden hun coalitiepartners dus
kiezen uit de socialisten aan hun linkerkant en de liberalen aan hun
rechterkant.136 In
verkiezingstijd was het daarom in hun voordeel zich zo min mogelijk uit te
spreken over een mogelijke coalitie en af te wachten welke partij, de VVD of
de PvdA, tijdens de besloten maandenlange onderhandelingen bereid was de
meeste concessies te doen.137 Het confessionele gezichtspunt werd midden
jaren zestig geruchtmakend | | | | verwoord door de
ARP-fractievoorzitter Bouke Roolvink, die zei dat een keus voor de VVD of de
PvdA ‘lood om oud ijzer’ was.138
Deze onverschillige houding leek te worden onderstreept doordat de ARP en de
KVP na de val van het centrum-rechtse kabinet-Marijnen in februari 1965
(over het vraagstuk of commerciële zendtijd toegestaan kon
worden), besloten een coalitie te vormen met de PvdA in het centrum linkse
kabinet-Cals, een overgang die plaatsvond zonder dat nieuwe verkiezingen
werden uitgeschreven.139 Veel vooraanstaande
leden uit alle partijen waren niet gelukkig met deze situatie. De
ARP-politicus Siewert Bruins Slot schreef in 1964 dat in tegenstelling tot
de Engelse, Amerikaanse en Duitse democratie de Nederlandse democratie
slecht functioneerde: ‘Wij stemmen wel. Maar wij kiezen
niet’.140
Politicologen, politici en juristen kwamen in de eerste helft van de jaren
zestig allemaal met voorstellen om de Nederlandse kiezers
‘duidelijke keuzes’ te geven. Het voorstel van de
jurist J.F. Glastra van Loon om de coalitievorming en de benoeming van de
premier reeds vóór de verkiezingen te doen
plaatsvinden kreeg veel aandacht.141
Omdat het liberale en socialistische ongenoegen met de situatie zo
wijdverbreid was, werd de roep om meer ‘duidelijkheid’
steeds vaker gehoord. Vanaf 1959, na het einde van de brede naoorlogse
wederopbouwkabinetten, weigerden VVD en PvdA in toenemende mate het
confessionele spel mee te spelen. Beide partijen begonnen te
‘polariseren’ om zodoende hun eigen identiteit te
versterken en de confessionele partijen ertoe te dwingen
vóór de verkiezingen reeds een keuze te doen tussen de
VVD en de PvdA. In 1959 sleepten de liberalen een flinke winst in de wacht
(zes zetels) na een scherpe campagne tegen de PvdA142 en in 1963 liet VVD-leider Edzo H. Toxopeus KVP-leider De Kort
weten dat hij al moest kiezen tussen de PvdA en de VVD voordat de
onderhandelingen zouden starten.143 De politiek van
‘polarisatie’ die in de laatste helft van de jaren
zestig voornamelijk door politiek links werd bevorderd, werd dus eigenlijk
het eerst in de praktijk gebracht door de VVD.144
De PvdA ging echter nog een stap verder dan de VVD en eiste een
substantiële vernieuwing van het kiesstelsel. In januari 1963,
ruim drie jaar vóór de opkomst van D'66, gaf het
partijbestuur opdracht tot een onderzoek naar de wijze waarop fundamentele
veranderingen konden worden doorgevoerd.145 De commissie-Burger (genoemd naar haar voorzitter J.A.W.
‘Jaap’ Burger), die daartoe in het leven werd
geroepen, adviseerde in 1965 een ‘gepolariseerde’
aanpak, zodat aan de kiezers een ‘duidelijke’ keus kon
worden geboden.146 Na de verkiezingen
van 1963 begonnen veel PvdA-leiders de confessionele partijen te verwijten
dat zij een | | | | ‘onduidelijk’ politiek
systeem hadden bevorderd en de kiezers van zich had vervreemd. Toen de
politicoloog en PvdA-politicus Ed van Thijn in 1963 dan ook opriep tot
oppositie tegen de centrum-rechtse regering, lag daaraan de overtuiging ten
grondslag dat het succes van socialistische partijen in andere landen was
gebaseerd op een tweepartijenstelsel.147 Al vanaf het begin had de
‘doorbraak’-Partij van de Arbeid aangedrongen op een
tweepartijenstelsel, waarin een progressieve volkspartij grote kans zou
hebben een meerderheid te behalen (zie hoofdstuk één).
Deels om deze reden ondersteunden PvdA-politici voorstellen tot een
districtenstelsel opdat de partij een grotere parlementaire
vertegenwoordiging zou kunnen verkrijgen dan tot dan toe het geval was
geweest.148 Ook de commissie-Burger
bepleitte een gedeeltelijk districtenstelsel.149 De
voorkeur van de PvdA voor een tweepartijenstelsel was bovendien gegrond in
de diepgewortelde overtuiging dat de christelijke partijen al snel uit de
tijd zouden zijn. Ontwikkelingen binnen de KVP na 1963 - vooral de
verkiezingen van 1967 - en de bereidheid van katholieke arbeiders zich aan
te sluiten bij de PvdA leken het geloof dat de
‘doorbraak’ nabij was alleen maar te bevestigen. Vele
socialisten dachten dat in elk ‘modern’,
geseculariseerd politiek systeem (zoals van Amerika en Engeland) er slechts
twee grote partijen waren en twee ideologieën,
één links en één rechts,
één in de regering en één in de
oppositie. Christelijke politiek bestond eigenlijk niet; dat was slechts een
onevenwichtig mengsel van progressieve en conservatieve politiek. Zoals
PvdA-voorzitter Tans schreef in 1966: ‘Er is progressieve en
conservatieve politiek. Geen centrumpolitiek.’150
Maar aan het einde van de jaren zestig toonden Nieuw Links en andere
‘linkse’ groeperingen weinig belangstelling voor het
tweepartijenstelsel, dat volgens hen slechts zou leiden tot een vormloze en
onvoldoende ‘vooruitstrevende’ volkspartij. Het idee
van één enkele progressieve partij zou zodoende begin
jaren zeventig voorgoed verdwijnen. Gedurende de jaren zestig was het
moderne bipolaire model echter een belangrijke voorwaarde voor de politiek
van polarisatie; het was van invloed op de politieke doelen van D'66 en zou
tot in de jaren zeventig de verwachtingen van confessionele kiezers over een
‘doorbraak’ stempelen.
Na Norbert Schmelzers ‘verraad’ van het kabinet-Cals in
oktober 1966 had het woedende PvdA-bestuur zich een volledige
‘polarisatie’-strategie ten doel gesteld. Snel na de
val van het kabinet schreef Den Uyl: ‘voorwaarde voor
duidelijkheid in de Nederlandse politiek is de nederlaag van de
KVP’.151 Dit gevoelen culmineerde in de door Nieuw Links
geïnspireerde resolutie die in 1969 door het PvdA-partijcongres
werd aangenomen, waarin een coalitie met de ‘huidige
KVP’ verboden werd.152 Vanaf | | | | dat moment probeerden gezaghebbende
partijleiders als Den Uyl en Van Thijn de PvdA een
‘duidelijk’ en ‘progressief’
alternatief te laten zijn voor hun ‘conservatieve’
opponenten. Hun ideeën kwamen vooral naar voren in de
PvdA-brochure ‘Een stem die telt’ (1967), waarin werd
betoogd dat zowel het anachronistische kiesstelsel als het partijenstelsel
de werkelijke verschillen in de maatschappij verhulden (namelijk tussen
‘progressieve en radicale krachten’ enerzijds en
‘de conservatieven, de verdedigders van de gevestigde
machten’ anderzijds). Slechts een districtenstelsel en bipolaire
politieke ‘concentraties’ konden de Nederlandse
democratie de noodzakelijke vernieuwing bezorgen.153
Ongelukkig genoeg voor de PvdA, hing het welslagen van de vernieuwing van het
kiesstelsel (het potentieel meer doeltreffende onderdeel van hun
polarisatiepolitiek) af van de medewerking van de door hen veroordeelde
confessioneel-liberale meerderheid. Maar een dergelijke
vérstrekkende constitutionele hervorming zou niet tot electoraal
voordeel strekken van zowel liberalen als confessionelen, die begrepen dat
de voorstellen van de PvdA niet geheel zonder eigenbelang werden gedaan.
Veel confessionele en liberale politici waren echter wel ontvankelijk voor
een bepaalde mate van vernieuwing en een aantal sprak zelfs van de dringende
noodzaak tot grotere duidelijkheid in de politiek. Het
liberaal-confessionele kabinet-De Jong gaf zijn streven naar
‘duidelijkheid’ zelfs vorm door de
commissie-Cals-Donner te installeren met de opdracht voorstellen te doen
voor constitutionele en electorale vernieuwingen. In 1971 verwierp het
kabinet evenwel de vérgaande veranderingen die door de commissie
waren bepleit154, en
probeerden confessionelen en liberalen vernieuwingen die minder ingrijpend
waren te bewerkstelligen, zoals afschaffing van de kiesplicht en verlaging
van de kiesgerechtigde leeftijd tot achttien jaar.155 De
moeilijkste vorm van politieke vernieuwing, constitutionele hervorming, kon
niet worden gerealiseerd, ondanks herhaalde pogingen van de PvdA, D'66 en
PPR daartoe (zoals het wetsontwerp van Van Thijn-Goudsmit-Aarden van 1971
voor een gedeeltelijk districtenstelsel156).
Het welslagen van de polarisatiestrategie van de PvdA was, bij afwezigheid
van een districtenstelsel, geheel afhankelijk van het ontstaan van een
‘progressieve concentratie’ die uiteindelijk een
meerderheid zou kunnen verkrijgen in het parlement. Het PvdA-partijcongres
van 1967 gaf het groene licht voor het nastreven van een dergelijke
‘concentratie’ en in 1968 nodigde de PvdA de PSP, D'66
en de PPR uit voor overleg over de juiste strategie. Ook enquêtes
wezen uit dat er rond 1970 veel steun leefde onderde Nederlandse bevolking
voor linkse samenwerking.157
| | | |
Het streven naar een progressieve partijformatie stuitte echter op een aantal
problemen. In de eerste plaats bleek ‘progressieve’
politiek tamelijk moeilijk te definiëren. Was zij synoniem met
‘links’, of ‘radicaal’ of met
het ‘socialist’-zijn?158 De
‘droom’ van Vondeling van één
‘grote, progressieve volkspartij’ bleek veel vragen op
te roepen.159 Wie zou deel moeten uitmaken van deze
‘progressieve concentratie’ en onder welke
voorwaarden? Zou een ‘concentratie’ een federatie
moeten zijn of een volkspartij? Eind jaren zestig stond het socialistische
blad Socialisme en Democratie bol van deze discussies en
kwam een breed scala van meningen naar voren. Het gebrek aan consensus
maakte het oprichten van een ‘progressieve
concentratie’ steeds minder waarschijnlijk.
De communisten leverden weinig problemen op. De meeste PvdA-politici vonden
de Communistische Partij Nederland, die lange tijd onder
leiding stond van Paul de Groot, te ondemocratisch om haar ook maar enige
aandacht te schenken en de CPN zelf toonde ook weinig belangstelling voor
het samenwerken met niet-communisten, in elk geval niet op nationaal
niveau.160 De Pacifistisch-Socialistische Partij, die vier zetels
bezette in de Tweede Kamer, wekte hogere verwachtingen. De PSP voldeed zeker
aan de ‘progressiefste’ voorwaarden die linkse
PvdA'ers konden stellen; ze voerde in 1967 campagne met de leus
‘Tien keer zo rood’.161 Maar het pacifisme van de partij bleef een struikelblok
voor veel PvdA-leden en botste met de steun van de PvdA (en D'66) aan de
NAVO. In 1969 beëindigde de PSP zelf de landelijke samenwerking
met de linkse partijen, ontevreden geworden over de veroordeling door de
PvdA van de bezetting van het Maagdenhuis (zie hoofdstuk vijf) en rellen in
juni op Curaçao. Vol achterdocht over de radicale ideologie en de
electorale hervormingen van D'66, hield de PSP zich afzijdig van verder
overleg.162
D'66 leverde ook problemen op voor de ‘progressieve
concentratie’. Want hoe links was D'66 eigenlijk? Het hele
bestaan van de partij cirkelde om het verbeteren van de procedures binnen de Nederlandse democratie. F.W.M. van der Ven,
een voorvechter van D'66, zei in 1971 dat de partij zich sterk maakte voor
de radicale democratisering van de Nederlandse maatschappij; het maakte
echter in principe niets uit hoe die samenleving eruit zou zien.163 En in een rede in 1968 onderstreepte
Van Mierlo dat het oude onderscheid tussen ‘links’ en
‘rechts’ onvruchtbaar was.164 Dit
‘pragmatisme’ maakte D'66 niet geliefd bij overtuigde
socialisten, omgekeerd had ook het ‘ouderwetse’
ideologische socialisme van de PvdA weinig aantrekkingskracht op
D'66-leiders zoals Van Mierlo. Aanvankelijk verwierp D'66, op grond van zijn
doelstelling, alle vormen, van electorale samenwerking met andere partijen;
men wilde geen alternatief | | | | voor het kabinet-De Jong worden,
maar streven naar electorale vernieuwing. Toch nam D'66 in 1969 behoedzaam
deel aan het ‘Progressief Akkoord’ (PAK) met de PPR en
de PvdA om de mogelijkheden van een verenigde linkse partij te onderzoeken.
In 1971 werd het de D'66'ers echter duidelijk dat de oorspronkelijke missie
van de partij om het systeem te laten ‘ontploffen’ was
mislukt, en groeide hun belangstelling voor een
‘progressieve’ volkspartij.165 Maar toen was het te laat; het PvdA-bestuur zocht,
beïnvloed door de verkiezingswinst in 1971 en door de
linkervleugel van de partij, niet langer naar deze uitweg en gaf in plaats
daarvan de voorkeur aan een coalitie van partijen. Deze nieuwe koers bracht
D'66 in een identiteitscrisis en in 1972 verloor het bij de verkiezingen een
groot deel van zijn kiezers.
Aanvankelijk had Van Thijn (evenals anderen) zijn grootste hoop gevestigd op
de christen-radicalen, die hij beschouwde als de sleutel tot politieke
vernieuwing.166 De radicalen
zouden ofwel de confessionele partijen noodzaken
‘linkser’ te worden ofwel leiden tot een groot verlies
aan kiezers voor deze partijen. De PPR was echter te zwak om
één van beide mogelijkheden te kunnen realiseren en
bleek van weinig nut te zijn voor de PvdA. Het aantal confessionele politici
dat zich positief uitliet over een ‘linkser’ program
deed Den Uyl en veel andere partijleiders gedurende lange tijd in de jaren
zeventig geloven dat een flinke ruk naar links door de confessionelen nog
steeds tot de mogelijkheden behoorde.167 Maar
ondertussen ondermijnde het onvermogen van de christenradicalen om een
doorbraak waar te maken de vooruitzichten voor het in 1971 gevormde
‘schaduwkabinet’ van D'66-PPR-PvdA en de kansen op een
meerderheid van deze ‘Progressieve Drie’.
De pogingen van de PvdA en haar bondgenoten om de Nederlandse politieke
situatie te verhelderen waren dus niet zo succesvol. Het streven naar een
linkse ‘concentratie’ had geleid tot veel interne
discussie over de inhoud en omvang hiervan, maar nog niet tot
‘duidelijkheid’. Begin 1969 verkeerden kiezers van de
PvdA in even grote verwarring over de koers vanhun partij als andere kiezers
over die van hun partijen.168 De pogingen tot polarisatie door links
gaven ook weinig helderheid over de (on)wil om samen te werken met andere
partijen. De anti-KVP-resolutie van 1969 werd in 1971 verzacht, hoewel de
houding van veel partijleiders tegenover de KVP vijandig bleef. Daarbij riep
het ‘schaduwkabinet’ van PvdA-PPR-D'66, waarmee de
drie partijen een voorbeeld namen aan de Britse oppositie, meer vragen op
dan dat het beantwoordde. Zou deze coalitie van de ‘Progressieve
Drie’ alle samenwerking met confessionelen uitsluiten, en zo
niet, onder welke voorwaarden zou samenwerking plaats kun- | | | | nen
vinden? Wat zou er gebeuren wanneer zij bij de landelijke verkiezingen in
1975 geen meerderheid zouden verkrijgen, zoals de meeste commentatoren
aannamen?
De politieke commentatoren zouden echter niet hoeven te wachten tot 1975. In
juli 1972 viel het vijf-partijenkabinet-Biesheuvel omdat twee op financieel
gebied conservatieve DS'70-ministers het kabinet verlieten toen tot voor hen
onaanvaardbare uitgaven werd besloten. Biesheuvel had weinig keus en schreef
verkiezingen uit voor november 1972. Het politieke landschap zou nog grotere
wanorde vertonen. De ‘Progressieve Drie’ haalden
zesenvijftig zetels binnen van de honderdvijftig in de Tweede Kamer (een
winst van vier zetels); de confessionelen gingen omlaag naar achtenveertig
zetels, te weinig om samen te regeren met de zegevierende VVD (nu op
tweeëntwintig zetels). Het was niet gemakkelijk een coalitie te
vormen, vooral omdat de ‘Progressieve Drie’
vóór de verkiezingen de voorwaarde hadden gesteld dat
een andere regeringspartner zich volledig moest onderwerpen aan hun
campagneprogramma Keerpunt '72. Tegelijkertijd beseften
Den Uyl en veel van zijn bondgenoten dat een linkse minderheidsregering geen
reële optie was. Het werd al snel duidelijk dat alleen een soort
links-confessionele coalitie de impasse kon doorbreken. De kabinetsformatie
nam maanden in beslag en omvatte vele afgebroken pogingen tot vorming van
een kabinet uit de verslagen confessionele partijen, die volledig en
gelijkelijk in elk kabinet vertegenwoordigd wilden worden, en uit politici
van de ‘Progressieve Drie’ die van de confessionelen
zoveel mogelijk concessies verlangden, maar eigenlijk helemaal niet met hen
wilden regeren. De PvdA stond erop, gedeeltelijk in een poging om de
confessionelen onderling te verdelen, dat de CHU wegens haar
‘conservatisme’ niet in aanmerking zou komen.169 Uiteindelijk leidden de
onderhandelingstalenten van Jaap Burger en de wens van belangrijke KVP- en
ARP-politici, om niet te worden uitgesloten van een kabinet-Den Uyl, tot een
afspraak waarin ARP-en KVP-parlementariërs een
‘links’ kabinet zouden gedogen en hun partijen
gezamelijk zes van de zestien ministerposten zouden krijgen, veel minder dan
op grond van het aantal zetels in Tweede Kamer verwacht zou mogen
worden.170 Ondertussen had
de kabinetsformatie precies honderddrieënzestig dagen gekost, en
daarmee overtrof zij met gemak het record van honderdeenentwintig dagen van
1956.
Voor veel commentatoren vormden deze maanden voldoende bewijs dat het
Nederlandse politieke systeem in een crisis verkeerde. Volgens Hoogendijk
was het systeem begin 1973 in de ogen van het Nederlandse publiek een
‘beschamende vertoning’ geworden.171 Het staat buiten kijf | | | | dat de
‘crisis in de Nederlandse politiek’ zowel voortkwam
uit een veranderend electoraat als uit een institutioneel verzet tegen
hervorming. Maar zij was ook een gevolg van de bereidheid van leiders binnen
alle grote partijen om veranderingen toe te staan die in hun ogen
noodzakelijk waren geworden. De ‘crisis’ was dus niet
zozeer ontstaan doordat ‘reactionaire’ krachten zich
verzetten tegen ‘revolutionaire’ bewegingen, maar werd
voornamelijk veroorzaakt door de behoedzame, conservatieve en vaak
tegenstrijdige besluiten die gematigde politici namen om hun eigen politieke
systeem te vernieuwen.
Het gevolg was verwarring op korte termijn en stabiliteit op lange termijn.
Begin 1973 vertoonde de Nederlandse politiek noch de orde van het oude
systeem, noch de linkse ideologie van de socialisten, noch de degelijke
regering, die D'66 wenste. Maar het systeem had politieke nieuwkomers,
waaronder radicalen, een plaats weten te bieden en politiek geweld kunnen
vermijden. En hoewel weinig structurele hervormingen plaats zouden vinden,
was de politiek, evenals elders in het Westen, veel gevoeliger geworden voor
publieke inspraak. Tegen het einde van de jaren zeventig ging de Nederlandse
politiek nog steeds gebukt onder bepaalde zwakheden - de kabinetsformatie
bleefbij voorbeeld een langdurige zaak - maar die schenen na enige
verbeteringen en een verzwakt politiek radicalisme de meeste politici weinig
meer te deren. Bovendien leek de Nederlandse politiek niet minder
efficiënt te zijn dan de politiek in België,
Frankrijk, Italië of de Scandinavische landen. De bezorgdheid van
gevestigde politici over hun eigen politieke systeem heeft niet geleid tot
haar ‘ontploffing’, maar het vormde wel de aanzet tot
vernieuwing.
|
1Berghuis geciteerd in Henry Faas,
God, Nederland en de franje: Necrologie van het Nederlandse
partijwezen (Utrecht/Antwerpen: Bruna, 1967), 224.
2Vondeling had de uitvoering van bepaalde
directe belastingen willen uitstellen tot 1968 omdat de socialistische
vakbonden zich verzetten tegen hogere belastingen. Schmelzer en andere
KVP'ers dachten dat uitstel zou leiden tot een onaanvaardbaar tekort en
wilden de belastingen in 1967 uitvoering. Achterafhebben de meeste
onderzoekers Schmelzer gelijk gegeven, maar in 1966 kreeg zijn aandeel in de
val van het kabinet meer aandacht dan zijn fiscale standpunten; voor
Schmelzers kijk op de ‘Nacht van Schmelzer’, zie
Robert Ammerlaan, Het verschijnsel Schmelzer: Uit het dagboek
van een bedreven politicus (Baarn: Bosch en Keuning/SESAM, 1992),
178-215. Ammerlaans boek verscheen in 1973 in eerste druk.
3In
1965 viel het centrum-rechtse kabinet van Victor Marijnen door verschil van
mening over de openheid van het verzuilde omroepbestel. Het werd vervangen
door het centrum-linkse kabinet-Cals. Deze overgang, die plaatsvond zonder
verkiezingen uit te schrijven, deed ook al vragen rijzen over het
democratisch gehalte van het Nederlandse politiek systeem.
4Evenals de beweging die
door Pierre Poujade in Frankrijk werd geleid, was de Boerenpartij een
rechtse protestpartij, geworteld in gewettigde grieven van boeren, maar in
de politiek alleen van betekenis omdat ze profiteerde van heersende
onvrede.
5Zie De Nederlandse
kiezers in 1967 (Amsterdam: SWI/Vrije Universiteit, 1967). Een
groot deel van de onvrede kwam voort uit de inefficiënte en
irriterende wijze waarop de bureaucratie functioneerde - een publieke klacht
die tijdens de jaren zestig vrij algemeen werd gehoord in
West-Europa.
6Jacques
Fahrenfort, ‘Het jeugdige gezicht van de partij die Wat Anders
wil’, De Telegraaf, 18 februari 1967 [Provo
Archief, Doos 15].
7‘KVP verliest 8
zetels’, De Volkskrant, 16 februari
1967.
8Eigenlijk verging het de PvdA iets beter in
1967 dan bij de provinciale verkiezingen in maart 1966, toen ze er flink van
langs kreeg. In vergelijking met de verkiezingen in 1963 was het nog steeds
een groot verlies, maar de partij had niettemin reden tot optimisme.
9Het meest bekende beeld van
de verkiezingen uit 1967 is een foto van Van Mierlo met een bierflesje in
zijn hand voor een menigte opgetogen D'66'ers; zie De
Volkskrant en de NRC, 16 februari 1967.
10Van Mierlo, geciteerd in
‘Aalberse (KVP) wenst D'66 geluk’, De
Volkskrant, 16 februari 1967.
11Van Mierlo gebruikte dit begrip al snel na de
verkiezingen in 1967; geciteerd in Philip van Praag Jr.,
‘Continuïteiten verandering in de Nederlandse
politiek’, in Uwe Becker, (red.), Nederlandse
politiek in historisch en vergelijkend perspectief (Amsterdam: Het
Spinhuis, 1992), 99.
12‘Appèl aan iedere Nederlander die ongerust is over de
ernstige devaluatie van onze democratie’, D'66-pamflet, 15
september 1966. Het pamflet, dat in boekwinkels werd verkocht, werd gebruikt
om de steun voor de nieuwe partij te meten. De respons was zo positief, dat
D'66 op 15 oktober dat jaar werd opgericht.
13D'66 wilde ook af van het
verzuilde omroepbestel en het vervangen door een Nederlandse BBC.
14Zie
‘Appèl’, J.P.A. Gruijters, Daarom D'66 (Amsterdam: De Bezige Bij, 1967); en Hans van Mierlo,
De keuze van D'66 (Amsterdam: H.J. Paris, 1968) voor
een goede indruk van de ideeën van D'66 in de eerste jaren.
Gruijters was als ex-raadslid van Amsterdam zeer betrokken bij het
uitbreiden van de rechten van de burger en ook D'66 propageerde deze
rechten. Maar dat deel van de boodschap van D'66 kreeg minder aandacht dan
haar voorstellen voor herstructurering van de overheid, merkte Gruijters op
in zijn in 1967 verschenen boek; Daarom D'66,
19-20.
15Faas, God,
Nederland en de franje, 207.
16‘Aanhang D'66 voor helft katholiek’, De Volkskrant, 16 februari 1967; Clyde H. Farnsworth,
‘New Dutch party rises in parliamentary election’, The New York Times, 16 februari 1967.
17Voor een korte beschrijving van de Nederlandse politieke
propaganda in de jaren zestig, zie F.A. Hoogendijk, Partijpropaganda in Nederland (Amsterdam/Brussel: Agon Elsevier
[1971]). De Christelijk-Historische Unie (CHU) had bij voorbeeld lange tijd
weerstand geboden aan het idee enige openlijke propaganda te voeren, op
grond van het feit dat elke burger zich op de hoogte kon stellen van haar
functioneren. Maar in 1967 reserveerde de partij met tegenzin dertigduizend
gulden voor de verkiezingen; voor een vergelijking van het verschil in
aanpak tussen CHU en D'66, zie Hoogendijk, 117-141.
18‘Rooms-Rood in
trek’, De Volkrant, 17 februari 1967.
19Hoofdartikel
in Algemeen Handelsblad, 16 februari 1967.
20Ik definieer de politieke elites als de
erkende leiders van de vijf grote partijen, ARP, CHU, KVP, PvdA en VVD,
evenals dagblad- en tijdschriftredacteuren, kerkelijke leiders,
intellectuelen en andere vooraanstaande personen die invloed uitoefenden
binnen deze partijen.
21Zie Warren E. Miller en
Philip C. Stoutbard, ‘Confessianal attachment and electoral
behavior in the Netherlands’, European Journal of
Political Research, 3 (1975), 219-258. Deze politieke
wetenschappers toonden aan dat kiezers met kerkelijke bindingen die niet zo
godsdienstig waren, veel minder geneigd waren te stemmen op confessionele
partijen en voorspelden dat in een tijd van ontkerkelijking dit zou
betekenen dot steun voor christelijke partijen af zou nemen.
22Zie Hans Daalder,
‘Leiding en lijdelijkheid in de Nederlandse politiek’,
een oratie uit 1964 herdrukt in Politisering en lijdelijkheid
in de Nederlandse politiek (Assen: Van Gorcum, 1974), 9-36, voor
een karakterisering van deze rustige politieke cultuur.
23Deze
beschuldiging is uitgebracht door Jan Nagel, een politicus van Nieuw Links in de PvdA, in Martin Ruyter, ‘Verkalkt
politiek wereldje’, De Volkskrant, 18 juni 1966
[Provo Archief, Doos 15].
24Dit was het oordeel van de ARP'er Barend
Biesheuvel, geciteerd in Marieke de Koning en Murco Mijnlieff, De visie van de pers op politiek in Nederland (Den Haag: SDU,
1991), 53-54. Zie ook Norbert Schmelzers commentaar in
‘Amsterdam, een avond bruisend hart van politiek
Nederland’, NRC, 16 februari 1967.
25Schmelzer geciteerd in
‘Politiek bestel in studie’, De
Volkskrant, 17 februari 1967.
26Philip van Praag brengt deze zelfde stellingname naar voren in zijn
onderzoek naar de PvdA tussen 1959 en 1966; Strategie en
illusie: Elf jaar intern debat in de PvdA, 1966-1977 (Amsterdam:
Het Spinhuis, 1991), hoofdstuk twee.
27Het Nederlandse publiek stond over het algemeen positief
tegenover politieke verandering en vernieuwing wanneer daarnaar werd
gevraagd in NIPO-enquêtes; zie Jacques J.A. Thomassen en Jan W.
van Deth, ‘How new is Dutch politics?’ in Hans Daalder
en G.A. Irwin, (red.), Politics in the Netherlands: How much
change? (Londen: Frank Cass, 1989), 54. Niettemin duurde het nog
tot de verkiezingen in 1972 voordat de enquêtes aangaven dat
‘politieke problemen’ een dringende kwestie waren.
Politieke polarisatie en fragmentarisatie waren toen maximaal en vele
politieke leiders hadden al jaren lang om vernieuwing geroepen. In 1972 vond
18% van de ondervraagden ‘politieke problemen’ een
dringende kwestie, tegen 8%, 10% en 5% in respectievelijk 1967, 1971 en
1977. De mensen maakten zich in 1972, evenals in 1971, meer zorgen over het
milieu (34%), de woningnood (24%) en inflatie (19%) dan over
‘politieke problemen’; C.J. Wiebrens, ‘De
grootste problemen in het land’, in De Nederlandse
kiezer '77 (Voorschoten: VAM, 1977). 54-56. Gegeven de
klaarblijkelijk lage behoefte aan politieke vernieuwing weke het geen
verbazing dat op dat gebied slechts weinig structurele veranderingen door de
gevestigde Nederlandse politici werden doorgevoerd.
28De
term ‘incubatieperiode’ werd gebruikt door S.W.
Couwenberg, die ook opmerkte hoe belangrijk de periode
vóór 1966 was voor de ontwikkelingen daarna;
‘Politieke vernieuwing, 1966-1971’, Civis
Mundi, 10, 7/8 (juli/augustus 1971), 293-295.
29Het professionele, ‘onpartijdige’
pragmatisme van D'66 was eigenlijk niet eens geheel in strijd met de oude
bourgeois regentencultuur, die werd gekenmerkt door een nadruk op
efficiënt, onpartijdig bestuur en door een afkeer van
ideologische politiek. In dit opzicht waren de D'66'ers de perfecte
‘ingewijden’, die al snel deel zouden worden van het
systeem dat ze wilden laten ontploffen.
30In hun
bekende onderzoek naar Nederlandse politiek van de jaren zestig vestigden
J.Th.J. van den Berg en H.A.A. Molleman aandacht op de rol van de
‘uitzonderlijk onzekere en nerveuze reactie van de
gezagdragers’, Crisis in de Nederlandse
politiek (Alphen aan den Rijn: Samsom, 1974), 57. Hoewel ik dit
standpunt deel, denk ik niet dat de crisis begon met de ‘nerveuze
reactie’ van de gezagdragers in het midden van de jaren zestig,
maar met hun voorzichtige voorstellen tot hervorming vanaf het eind van de
jaren vijftig. Ik neig ertoe in te stemmen met het vergelijkend onderzoek
van Joseph Houska die betoogt, dat KVP- en PvdA-leiders door
‘gebrek aan belangstelling of conflicten’ hun
subculturele organisaties ten onder lieten gaan, waarmee
hij stelling neemt tegen de veelgehoorde bewering dat ‘elites
uitgeleverd waren aan sociale en economische ontwikkelingen’, Influencing mass political behavior: Elites and political
subcultures in the Netherlands and Austria (Berkeley: Institute of
International Studies, 1985), 11-12.
31De ARP kreeg in 1948 dertien
procent van de stemmen, vergeleken met negen procent in 1963. Het verval
van de ARP in de twee decennia na de oorlog was het gevolg van vele
factoren, waaronder een kerkelijke scheuring in 1944 waardoor duizenden
stemmen verloren gingen aan het concurrende GPV, een stroom hervormde
stemmen die de te ‘conservatieve’ ARP de rug
toekeerde, of de ARP juist te progressief vond en bij de SGP zijn heil
zocht, en het onvermogen van de partij om een minder kerkgebonden
electoraat aan te trekken zoals het dat deed vóór
de oorlog onder de liberalen.
32Men zou kunnen zeggen dat dit zelfs
voortduurde tot 1994, toen de christendemocraten na een verlies van
twintig van de vierenvijftig zetels voor het eerst werden uitgesloten
van het kabinet, dat nu is samengesteld uit PvdA, VVD en D'66. Maar men kan ook stellen dat de dominantie al sterk was
verminderd in de jaren zeventig.
33J. Bosmans meldt dat niemand in de KVP de KASKI-rapporten, waarin werd
voorzegd dat door industrialisatie de katholieke isolatie zou afnemen en
daardoor dus een bedreiging vormde voor de partij, ter harte leek te
nemen, in elk geval niet tot 1963 toen ‘praktische
overwegingen’ de KVP bracht tot veranderingen;
‘Kanttekeningen bij de politieke en parlementaire
ontwikkeling van Nederland’, in H.W. von der Dunk, e.a., Wederopbouw, welvaart en onrust: Nederland in de jaren
vijftig en zestig (Houten: De Haan, 1986), 54. In 1963 meldde
ex-premier Willem Drees (PvdA) dat zijn contacten in het katholieke
zuiden hem hadden laten weten dat katholieken zich minder
‘verplicht’ voelden te stemmen op de KVP, hoewel
ze nog niet voldoende reden zagen om op de PvdA te stemmen; W. Drees,
‘De Tweede-Kamerverkiezingen’, Socialisme en Democratie, 20 (1963), 417.
34Herman Bakvis, Catholic power in the Netherlands (Kingston/Montreal:
McGill-Queen's University Press, 1981), 89, 97.
35Pogingen om de KVP
bijeen te houden werden eveneens moeilijker na de pensionering van de
onverschrokken en autoritaire C.P.M. Romme in 1961, waardoor de KVP
achterbleef zonder krachtig leiderschap of een voorman met visie. Henry
Faas meldde dat sommigen het vertrek van Romme interpreteerden als het
einde van de katholieke politiek; God, Nederland en de
franje, 291.
36Geciteerd in Han Lammers, Hinderlijk
volgen: Kronieken uit de Gidst '63-'66 (Amsterdam: Polak en Van
Gennep, 1966), 30.
37Geciteerd in ‘Katholieke doorbraak tendenzen en
CDU-gedachte’, Vrijheid en Democratie, 4
maart 1965.
38Vooraanstaande katholieke PvdA'ers,
waaronder voorzitter J.G.H. Tans en Th.J.A.M. van Lier, wisten in het
midden van de jaren zestig deze zwakheid van de KVP al snel uit te
buiten, toen ze de voordelen ontwaarden van de katholieke twijfels over
het voortbestaan van katholieke organisaties; PvdA-televisiespotje met
Tans, 14 juni 1965 [Stichting Film en Wetenschap, F 1463]; Van Lier
geciteerd in L.A.H. Albring, ‘Reacties op het rapport
“Grondslagen karakter van de K.V.P.”’,
Politiek, 19, 9 (maart 1966), 253.
39Bakvis,
Catholic power in the Netherlands, 64-66.
40Zie bij
voorbeeld W.P. Berghuis, ‘De christen-democratische
samenwerking in Nederlands en Europees verband’, Anti-revolutionaire Staatkunde, 31 (1961), 3-11. Nog tot 1964
zou uit enquêtes blijken dat ARP- en CHU-kiezers weinig heil
zagen in het samengaan met katholieken in een soort Duitse CDU, zodat
een snelle vereniging ver weg leek; H.M.T.D. ten Napel, ‘Een eigen weg’: De totstandkoming van het
CDA (1952-1980) (Leiden: FSW, 1992), 63-64.
41Ten Napel, ‘Een eigen weg’,
64.
42Schmelzer gaf al snel krachtige ondersteuning aan het
idee van een christendemocratische partij; zie Van den Berg en Molleman,
Crisis in de Nederlandse politiek, 84-86. De
KVP-intellectueel K.J. Hahn, die veel contacten onderhield met Europese
christen-democraten, was een groot voorstaander van een verenigde
christen-democratische partij; zie Hahn en R. Papini, ‘Naar
een “aggiomamento” van de christendemocratische
partijen’, Politiek, 21 (1967),
289-305.
43In tegenstelling tot deze
visie wilden KVP-intellectuelen zoals S.W. Couwenberg en W.J.G.M. Gielen
een meer open centrum-partij, met minder nadruk op christelijke
inspiratie en meer aantrekkingskracht buiten de kerkmuren. Zie Ten
Napel, ‘Een eigen weg’, 66; Igor
Cornelissen, ‘Dr. Couwenberg's conservatieve
vernieuwingsdrang’, Vrij Nederland, 28 mei
1966 [Provo Archief, Doos 21]; W.J.G.M. Gielen, ‘Over
ideologie en ontideologisering’, Katholiek
Staatkundig Maandschrift, 17 (1963), 227-239. Het verschil
tussen de standpunten van Couwenberg en van Schmelzer was relatief:
beiden wilden een partij die was
‘geïnspireerd’ door het christendom,
waarin christelijk geloof geen noodzakelijke voorwaarde voor
participatie zou zijn en die niet zou staan op de handhaving van
onveranderlijke christelijke principes. Het verschil was of het
christendom een duidelijke herkenbare grondslag van de partij zou zijn
(Schmelzer) of niet (Couwenberg).
44Rapport van de structuurcommissie
van de KVP, ‘Grondslag en karakter van de
K.V.P.’(Den Haag: KVP, 1966), 1; 8-9; 11.
45Albring, ‘Reacties op het rapport’,
346-355. Zie ook N.H.L. van den Heuvel, ‘Bezinning op het
partijwezen’, Politiek, 20 (maart
1966-januari 1967), 147-151.
46Bakvis, Catholic power in the Netherlands,
135.
47Stokman zei in
november 1965 dat de KVP zijn eigen ‘frisse visie’
moest hebben totdat de tijd zou zijn gekomen voor een eenwording van
partijen; Stokman, ‘Kerk, wereld en partij’, Politiek, 19 (1965-1966), 255. Het rapport had
geprobeerd die visie te bieden, maar, gegeven de twijfel over de
noodzaak van het voortbestaan van de KVP die eruit spreekt, bleek dit
een moeilijke opgave.
48Bakvis spreekt over een ‘sfeer van
fatalisme, verbonden met een hoge mate van onbegrip’ in de
KVP, Catholic power in the Netherlands, 136.
49F.J.F.M. Duynstee
geciteerd in een interview met G. Puchinger, Hergroepering
der partijen? (Delft: Meinema, 1968), 566. Duynstee,
één van de meest gezaghebbende hoogleraren in
Nijmegen, had de KVP in 1962 verlaten.
50Ten Napel,
‘Een eigen weg’, 110.
51Bakvis, Catholic power in the Netherlands, 142; zie ook Hahn en
Papini,‘Naar een “aggiornamento” van de
christen-democratische partijen’.
52Schmelzer
geciteerd in Ammerlaan, Het verschijnsel Schmelzer,
253.
53De winst van de ARP - haar eerste landelijke winst sinds
1948 -was vooral te danken aan de populariteit van haar minister Jelle
Zijlstra, die de maanden na de ‘Nacht van
Schmelzer’ de regering (KVP-ARP) leidde. Hoewel de econoom
erg geliefd was, sloeg hij het premierschap af in 1967 en verliet hij de
politiek om het bankwezen in te gaan.
54Aalberse geciteerd in
Ten Napel, ‘Een eigen weg’,
98.
55Geciteerd in J.G.H. Krajenbrink, ‘De drie
in gesprek’, Anti-revolutionaire
Staatkunde, 42 (1972), 2.
56Zie bij
voorbeeld B. van Haersma Buma, ‘Oecumene en
politiek’. Christelijk Historisch
Tijdschrift, 13, 4 (1967-1968), 15-22.
57NIPO-enquêtes aan het eind van de jaren zestig en begin
jaren zeventig tonen dat een ruime meerderheid van KVP-, ARP- en
CHU-kiezers het bestaan van een verenigde christen-democratische partij
ondersteunde.
58Geciteerd in Ten Napel
‘Een eigen weg’,
96-97.
59Geciteerd in Dick Houwaart, De mannenbroeders
door de bocht (Kampen: J.H. Kok, 1988), 57.
60Deze
tegenstand kwam duidelijk naar voren in organisaties als ARJOS, de
jongerenbeweging van de partij; zie W.A. Haeser,
‘Evangelische politiek en christelijke partijformatie. De
ARJOS-opstelling’, Anti-Revolutionaire
Staatkunde, 42 (1972), 257-277.
61Interview van Marius
Aalders en John Jansen van Galen met Biesheuvel, ‘Een opening
naar links’, Haagse Post, 20 april
1968.
62Gegeven de
‘progressieve’ aspiraties van veel Nederlandse
politici (zie hoofdstuk één), is dit begrijpelijk;
zie Ernest Zahn, Regenten, rebellen en reformatoren: Een
visie op Nederland en de Nederlanders (Amsterdam: Contact,
1991), 197. Zelfs de PvdA-politicus Anne Vondeling merkte in 1968 op dat
het ‘a-religieuze materialisme’ van de Duitse CDU
gelukkig niet aanwezig was onder Nederlandse christen-democraten; Nasmaak en voorproef: Een handvol ervaringen en
ideeën (Amsterdam: De Arbeiderspers, 1968).
204.
63In 1956 steunde 84% van alle katholieke kiezers de KVP, 80% van alle
gereformeerden stemde voor de ARP en 39% van alle hervormden kozen voor
de CHU. In 1970 waren deze percentages echter gedaald tot
respectievelijk 59, 70 en 23; Miller en Stouthard,
‘Confessional attachment and electoral behavior in the
Netherlands’, 225-226.
64R. Gosker,
‘Verontrusten en spijtstemmers’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 39 (1969), 78-79.
65Volgens Bakvis nam de steun voor de
KVP onder alle groepen kiezers vrijwel even snel af, oudere kiezers en
aanhang op het platteland waren echter het meest trouw; Catholic power in the Netherlands, 146-164.
66In 1970 bracht de Europese Unie van
Christen-Democraten, onder leiding van Van Niftrik, een rapport uit
waarin ze ‘deconfessionalisering’ onvermijdelijk
achtte; christen-democraten konden niet langer vertrouwen op de kracht
van een exclusief christelijke appèl; H.M.T.D. ten Napel, ‘Een eigen weg’, 163-164. Het
verschil tussen christen-democraten van de KVP (zoals Hahn, die
mede-opsteller was van het rapport) en meer geseculariseerde politici
als Dick de Zeeuw was tegen die tijd tamelijk klein geworden.
67CHU-voorzitter Dr. J.W. van Hulst merkte in een rede
in december 1971 op dat enige antirevolutionairen geloofden dat de ARP
voor de eeuwigheid was voorbeschikt, terwijl een aantal KVP'ers
‘eigenlijk op de kortste termijn aanstuurt op het
faillissement van elk religieus uitgangspunt’. Hij hoopte dat
de CHU een middenkoers zou kunnen varen; geciteerd in Hans van Spanning,
De Christelijke-Historische Unie: Enige hoofdlijnen uit haar geschiedenis, vol. II, proefschrift
(Leiden, Rijksuniversiteit Leiden, 1980), 372.
68De CHU presenteerde zich afwisselend als een
nieuwe christen-democratische partij en als de CHU zoals de oude garde
die wilde behouden; zie J.W. van Hulsts kunstgrepen in de CHU-
televisiepropaganda van 15 oktober 1969 [Stichting Film en Wetenschap, F
1769]. De verkiezingen van 1972 die onverwacht werden uitgeschreven als
gevolg van een kabinetscrisis, overrompelden de CHU; het partijbestuur
had zoveel nadruk gelegd op een gemeenschappelijke
christen-democratische partij dat het tijdens de verkiezingen niet meer
in staat bleek te zijn uitdrukking te geven aan een eigen
CHU-identiteit; zie Van Spanning, De
Christelijke-Historische Unie (1908-1980), Vol II, 376.
69Interview met
Jan de Koning, Zaandam, 30 maart 1993.
70Zie Ten
Napel, ‘Een eigen weg’, 176-179.
De Wereldraad van Kerken had al jaren gesproken over een
‘verantwoordelijke maatschappij’ en dit bekende
begrip werd waarschijnlijk gebruikt om een beroep te doen op de
protestanten; zie H. Berkhof, ‘Reactie op “Op weg
naar een verantwoordelijke maatschappij”’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 43 (1973), 1-2.
71C. Rijnsdorp,
‘De “c” in de politiek’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 42 (1572),
49-52.
72Zie Dick Houwaart, Wel bedankt
(Utrecht: Ambo, 1967), 37. Houwaart was ontslagen als redacteur van het
CHU-blad toen hij in 1964 Beernink een
‘conservatief’ noemde wiens beleid identiek was
aan het VVD-beleid.
73Het
historisch debat rond de formatie van het CDA is voornamelijk
geconcentreerd op de vraag of het belangrijkste motief ideologische
verbondenheid was (Ten Napel) of een pragmatisch zoeken naar een manier
om te overleven, zoals D. Verkuil betoogt in Een positieve
grondhouding: De geschiedenis van het CDA (Den Haag: SDU,
1992). Ik zou eraan willen toevoegen dat de wijdverspreide verwachting van onvermijdelijke politieke verandering een
dergelijke vereniging ook juist en noodzakelijk leek te maken. Voor een
kort overzicht van de geschiedschrijving, zie Kees van Kersbergen,
‘Geloven in macht: een inleiding’, in Geloven in macht: De christen-democratie in Nederland
(Amsterdam: Het Spinhuis, 1993), 1-19.
74In A.M. de Boo,
‘Functionering democratie’, Christelijk Historisch Tijdschrift, 10, 2. (maart-april 1965),
10-21, wordt bij voorbeeld een
‘geontideologiseerd’ systeem niet als alleen
slecht beschouwd; zie ook Daalder, ‘Leiding en lijdelijkheid
in de Nederlandse politiek’.
75W.
Banning,‘Is er politieke malaise?’, Wending, 14 (februari 1960), 834.
76Geciteerd in Ed. van Thijn,
‘De kamerverkiezingen van 1963’, Socialisme en Democratie, 20 (1963), 505. Voor een behandeling
van het gebrek aan belangstelling voor de politiek en pogingen de
Nederlandse democratie te hervormen, zie De Boo,
‘Functionering democratie’.
77Tweeënvijftig procent oordeelde negatief over het parlement,
volgens een onderzoek gedaan door het Instituut voor
Psychologisch Markt- en Motievenonderzoek; geciteerd in T.
Cnossen, ‘'t Hervinden van het fundament’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 36 (1966),
210-211.
78Zie bij voorbeeld Socialisme en Democratie, 20 (1963), waarin talrijke artikelen
werden gewijd aan analyses betreffende het verlies van vijfzetels door
de PvdA in 1963; voor de ARP zie W.C.D. Hoogendijk, ‘Realia
der christelijke politiek’, Anti-revolutionaire
Staatkunde, 31 (1961), 129-140; J.P.A. Mekkes,
‘Heeft “christelijke politiek” nog een
zin?’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 31
(1961), 156-176.
79Een boer uit Hollandsche Veld had
geweigerd zijn verplichte bijdrage te betalen aan het Landbouwschap dat
verondersteld werd de boerenbelangen te behartigen, maar dat door veel
boeren verantwoordelijk werd gesteld voor hun economische verval als
gevolg van de toenemende concurrentie op de gemeenschappelijke markt van
de EEG. Om de bijdrage binnen te halen besloot het Landbouwschap de
familieboerderij in beslag te nemen en de bewoners eruit te zetten. Dit
gebeurde op zo'n autoritaire wijze dat veel politici al snel toegaven
dat het op z'n minst een onverstandige zet was. De Boerenpartij, die
door boze boeren werd opgericht, werd al snel de voorvechtster voor
allen die zich vervreemd voelden van de grote instituten die hun leven
beheersten. Voor het politieke programma van de Boerenpartij, zie W.
Stam, De Boerenpartij (Amsterdam: De Bezige Bij,
1966). Stam, een ingenieur, verliet de partij reeds enige maanden later
na een van de vele twisten die de partij tijdens haar bestaan
verdeelden. Voor een onthullend interview met Hendrik Koekoek, de
partijleider, zie Bibeb, Bibeb en VIP's (Amsterdam:
Polak en Van Gennep, 1965), 233-244.
80In 1963 trokken veel
commentatoren een parallel tussen de opkomst van de Boerenpartij en die
van het nationaal socialisme voor de oorlog. Deze observatie was niet
ongegrond; veel partijleden waren voormalige nationaal-socialisten of
waren lid geweest van extreem-rechtse groeperingen na de oorlog. Voor
dit verband, zie Jaap van Donselaar, Fout na de oorlog:
Fascistische en racistische organisaties in Nederland
(Amsterdam: Bert Bakker, 1991). Voor meer informatie over de
Boerenpartij, zie A.T.J. Nooij, De Boerenpartij:
Desoriëntatie en radikalisme onder de boeren
(Meppel: Boom, 1969).
81Volgens onderzoeken uitgevoerd aan de Vrije Universiteit waren de CHU-
en de ARP-kiezers ouder dan die van de andere grote partijen en was de
D'66-stemmer veel jonger dan de rest; geciteerd in W. Deetman en J. den
Ouden, ‘De CHU-kiezer en de grote politieke partijen in
Nederland’, Christelijk Historisch
Tijdschrift, 13,4 (1968), 27-28. De auteurs konden de achterban van
de Unie in twee groepen indelen: het oudere deel dat meer een
VVD-gedachtengoed aanhing en het jongere deel dat werd aangetrokken tot
PvdA-standpunten; zij suggereerden aan het laatste op lange termijn meer
aandacht te besteden. Statistisch gezien had de KVP niet met dezelfde
problemen te kampen. Daar de afname onder alle leeftijdsgroepen vrijwel
even groot was, werd de partij niet veel ouder.
82Rinus Ferdinandusse, Jan Blokker en Dmitri Frenkel Frank,
(samenst.), Zo is het toevallig ook nog's een keer: Drie
seizoenen ‘Zo is het...’ in teksten en
fotos (Amsterdam: Van Ditmar, Polak en Van Gennep, 1966),
46.
83Voor verschillende uitingen van deze bezorgdheid binnen de
PvdA, zie J. Engels, ‘Nozems en socialisten’, Socialisme en Democratie, 17 (1960), 164-171; J.J.A.
Berger, ‘Nieuwe taken’, Socialisme en
Democratie, 18 (1961), 369-376; A.Y.A. van Looijen,
‘Minus vijf- en nu?’; en E.J. Prins,
‘20 jaar PvdA - de tijd dringt’, Socialisme en Democratie, 23 (1966), 389-392. In 1961 voerde
de PvdA een onderzoek uit onder de eigen jongere kiezers, waaruit bleek
dat die zich niet erg betrokken voelden bij de partij en haar ideologie;
geciteerd in Th.J.A.M. van Lier, ‘“Regeren zonder
socialisten valt mee.” De Tweede-Kamerfractie van de Partij
van de Arbeid tussen Drees en Nieuw Links’, in J.Th.J. van
den Berg, e.a., Tussen Nieuwspoort en Binnenhof (Den
Haag: SDU, 1989), 82.
84Volgens KVP-propaganda op de televisie
rond 1966 of 1967 [Stichting Film en Wetenschap, F 3150].
85Wiegel in
VVD-televisiepropaganda uit 1967 of 1968 [Stichting Film en Wetenschap,
F 2519]. Vanaf de jaren vijftig had de VVD zichzelf gepresenteerd als
een ‘progressieve’ kracht die streed tegen
‘conservatieve’ confessionelen en vooral tegen de
‘conservatieve’ PvdA.
86A.H. Nieuwspoort, ‘De partij van morgen of de
partij van gisteren’, Socialisme en
Democratie, 22 (1965), 513-525. Volgens het artikel zou het aantal
kiezers tussen eenentwintig en negenentwintig jaar stijgen van zestien
procent bij de verkiezingen van 1962 tot eenentwintig procent bij die
van 1967.
87Zie Jan Bank, ‘De
loyaliteit van Marga Klompé’, in Michel van der
Plas, (red.), Herinneringen aan Marga
Klompé (Baarn: Arbor, 1989), 17-19; en Ineke
Jungschleger en Claar Bierlaagh, Marga Klompé:
Een gedreven politica haar tijd vooruit (Utrecht/Antwerpen:
Veen, 1990), 15.
88‘Dezer
dagen’, NRC, 17 juni 1966 [Provo Archief,
Doos 16]. De auteur, die dit artikel vlak na de rellen in Amsterdam
schreef, voegde eraan toe dat dit beeld niet strookte met de vele
‘psychologische blunders’ van het kabinet.
89De ARP-politicus Jan de
Koning wees op de ommezwaai van Siewert Bruins Slot in de
Nieuw-Guinea-kwestie (zie hoofdstuk drie) en zijn steun voor
veelomvattende sociale programma's als de twee keerpunten voor de ARP
begin jaren zestig; interview, Zaandam, 30 maart 1993.
90‘ Wij mensen, hebben deze
samenleving, in de loop van vele generaties, gemaakt tot wat die
nú is (...) maar wij konden óók
anders’, zei Hoogendijk in De samenleving
vernieuwen (Den Haag: ARJOS [1967]), 13.
91Geciteerd in P.F. van Herwijnen, ‘Dr. W.P.
Berghuis, Voorzitter A.R.P. 1956-1968’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 38 (1968), 174.
92Zie bij voorbeeld Van Leeuwens verwijzing naar
‘de radicaliteit van het evangelie’ en hoe in een
televiespotje van de ARP op 6 december 1967 werd uitgesproken dat de
bijbelse boodschap correspondeerde met
‘vooruitgang’ [Stichting Film en Wetenschap, F
1722]. Tegelijkertijd verwierp de eenenvijftig jarige Van Leeuwen, niet
de meest ‘linkse’ ARP'er, de poging van
christen-radicalen de confessionele partijen te polariseren.
93Voor een kritische noot zie A.C. de Ruiter,
‘Ethiek, politiek en de nieuwe maatschappij’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 39 (1969),
105-106.
94Ronald Ingleharts bekende studie uit 1977 The silent
revolution: Changing values and political styles (Princeton:
Princeton University Press) veronderstelt een discontinuïteit
tussen de ‘materiële’ waarden van de
oudere generaties en de
‘post-materiële’ waarden van de
naoorlogse generatie. Het verschil is natuurlijk relatief. Beide
generaties gingen in de jaren zestig uit van een positieve kijk op het
vermogen van de staat om vooruitgang te bevorderen en het menselijk
welzijn te verbeteren, hoe dat ook werd gedefiniëerd.
95Geciteerd in Van Herwijnen,
‘Dr. W.P. Berghuis’, 172.
96Zie Bas de Gaay
Fortman, Wim in 't Veld, (samenst.), Christen radicaal
(Hilversum: Paul Brand, 1967).
97Geciteerd in W. Deetman en J. den
Ouden, ‘De C.H.U. kiezer’, 24.
98In 1968 was
negenenzeventig procent van alle veronderstelde kiezers voor de
zogenaamde ‘groep-Aarden’ katholiek; Henk
Waltmans, Niet bij rood alleen: Vijftien jaar Nederlandse
politiek en de geschiedenis van de PPR (Groningen: Xeno, 1983),
30.
99Veel ARP-radicalen hoopten bij voorbeeld nog steeds op hun
eigen partij. Andere ARP-radicalen hadden niet veel op met het
gedeconfessionaliseerde radicalisme van de PPR en vonden elkaar in de
Evangelische Volkspartij (EVP), die nog minder kiezers trok dan de
PPR.
100Bij de landelijke verkiezingen in
1977 ging de PPR opnieuw terug naar twee zetels, slachtoffer als zij was
van interne conflicten en de populariteit van haar grootste
coalitiepartner, de PvdA. Voor een karakterisering van Bas de Gaay
Fortman, zie Hans van der Werf, De Gaay Fortman: Profiel
van een politicus (Baarn: H. Meulenhoff, 1973).
101Voor een zeer
teleurgestelde kritiek op het ‘door de bocht’ gaan
van de ARP, zie J. Klatter, Voor de bocht (Franeker:
T. Wever, 1968). De overtuiging van de christen-radicalen dat hun
radicaliteit hen aantrekkelijker zou maken voor de gewone confessionelen
bleek een misverstand; S.W. Couwenberg, ‘Tussen oud en nieuw.
Een DCN-visie’, Civis Mundi, 10,7/8
(juli/augustus 1971), 325-327.
102De Koning en Mijnlieff, De visie van de pers, 37; 42.
103Zie CHU-televisiepropaganda uitgezonden op 1
november 1967, 10 januari 1968 en 28 maart 1968 [Stichting Film en
Wetenschap, F 1766, 1767 en 1768].
104H.A. van
Wijnen, ‘CHU heeft grote zwaai gemaakt’, Het Parool, 22 mei 1969.
105C.W.I. Wttewaal van Stoetwegen geïnterviewd in G.
Puchinger, Hergroepering der partijen? (Delft:
Meinema, 1968), 191.
106Volgens Hillie van der Streek, de
deskundige op het gebied van vrouwen in confessionele partijen.
107B.J. Udink, Tekst en uitleg: Over sturen en gestuurd
worden, ervaringen in politiek en bedrijf (Baarn: Anthos,
1986), 152-160; Van Spanning, De Christelijke-Historische
Unie, Vol. II, 529n.
108‘Resoluties aanvaard door de partijraad van de KVP op 9
december 1967’, in Parlement en Kiezer,
1968-1969, 213-214.
109Zie KVP-propaganda
uitgezonden op 15 april 1971 [Stichting Film en Wetenschap, F
3123].
110Van Praag, Strategie en illusie, hoofdstuk 2.
111Geciteerd in
Chris van Esterik en Joop van Thijn, Jaap Burger: Een leven
lang dwars (Amsterdam: Bert Bakker, 1984), 205.
112Geciteerd in De toestand van de Partij van de Arbeid (Amsterdam:
Instituut voor Publiek en Sociaal Onderzoek, 1969), 19.
113Zie Hans van den Doel, e.a., Tien over rood: Uitdaging van Nieuw Links aan de PvdA
(Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1966); en Han Lammers, André
van der Louw en Tom Pauka, (red.), De meeste mensen willen
meer (Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1967).
114Zie voor een vergelijking van
‘Nieuw Links’ in Nederland, Engeland en de
Verenigde Staten, Rob Kroes, New Left, Nieuw Links, New
Left (Alphen aan den Rijn: Samsom, 1975). Kroes geeft aan wat
‘Nieuw Links’ in elk land inhield, en merkt op dat
het in Nederland het meest succesvol was.
115Woltjer
voegt eraan toe dat deze goed-georganiseerde Nieuw Linksers
partijposities zo gemakkelijk konden bezetten doordat de
verkiezingsvergaderingen door slechts weinig leden werden bezocht; J.J.
Woltjer, Recent verleden: De geschiedenis van Nederland in
de twintigste eeuw (Amsterdam: Balans, 1992), 366.
116Zie ‘Versnelde oplossing
van oude problemen; integrale aanpak van nieuwe problemen’,
het PvdA-D'66-PPR-programma van 1971 in Parlement en
Kiezer, 1970-1971, 537-550; en hun gezamenlijke Keerpunt '72: Kernpunten voor een nieuw beleid, een nieuw bestel,
een nieuwe democratie. Zie als voorbeeld voor hun
belangstelling voor democratisering ook H.J. Roethof,
‘Democratisering van het overheidsapparaat
noodzakelijk’, Socialisme en Democratie, 27
(1970), 280-291.
117Zie Ulla Jansz, Vrouwen ontwaakt: Driekwart eeuw sociaal-democratische
vrouwenorganisatie tussen solidariteit en verzet (Amsterdam:
Bert Bakker, 1983), 151-188.
118NIPO-enquête 1311, 9 oktober 1969.
119Zie Jacques de Kadt, De
kiezer en zijn kansen (Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1967),
48-63. De Kadt, een voormalige communist, verafschuwde het
‘seniele radicalisme’ van Nieuw Links.
120Voor een
verslag van een ingewijde, zie Milo Anstadt, ‘Het
congres’, Socialisme en Democratie, 26
(1969), 211-220.
121DS'70 benadrukte zo sterk een
conservatief fiscaal beleid, dat het voor alle partijen een bedreiging
vormde, en niet bij uitstek voor de PvdA. Na aanvankelijke vrees, kreeg
de PvdA al snel door dat DS'70 geen grote bedreiging vormde; Philip van
Praag, Strategie en illusie, 92-93.
122Ed van Thijn, ‘Het bestuurlijk elan van
een virtuoos politius’, in Marja Wagenaar, (samenst.), Herinneringen aan Joop den Uyl (Amsterdam: Van Gennep,
1988), 34-35; 40; zie ook Hans van Mierlo over Den Uyl in Wagenaar, Herinneringen aan Joop den Uyl, 160-161.
123A.E.
Visser en T.W. Westerwoudt, ‘Een haat-liefde verhouding? De
moeizame relatie tussen socialisten en christen-democraten’,
in Tussen Nieuwspoort en Binnenhof, 97.
124Felix Rottenberg, ‘De School Den Uyl: Experiment
boven de macht’, in Wagenaar, Herinneringen aan
Joop den Uyl, 67.
125Stephen
B. Wolinetz, ‘The Dutch labor party: A social democratic
party in transition’, in William Peterson en Alastair H.
Thomas, (red.), Social democratic parties in Western
Europe (New York: St. Martin's Press, 1977), 355-357.
126Geciteerd in De toestand van de Partij van de Arbeid, 32.
127De
‘linkse’ ARP-senator W. Albeda zag een groot
groeipotentieel in een ‘conservatieve’, door De Telegraaf ondersteunde,
‘CDU’, ‘De toekomst van de
Christen-Democratische partijen’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 41 (1971), 348.
128NIPO-enquêtes
1418, 1419, 1421, 1424, 1425, 1426 en 1427, uitgevoerd in april 1971;
De Nederlandse kiezer '71: een eerste verslag door de
werkgroep nationaal verkie-zingsonderzoek 1971 (Meppel: Boom,
1972), 15.
129Van Praag, Strategie en illusie, 97-98.
130Ruud
Koole, Paul Lucardie en Gerrit Voerman, 40 jaar vrij en
verenigd: Geschiedenis van de VVD-partijorganisatie, 1948-1988
(Houten: De Haan, 1988), 94-95. Geertsema sloot zich bij voorbeeld aan
bij de homoseksuele organisatie COC om zo zijn steun voor de emancipatie
van de homoseksuelen te betuigen.
131Koole, Lucardie en Voerman, 40 jaar vrij en verenigd,
95.
132Koole, Lucardie
en Voerman, 40 jaar vrij en verenigd, 110-111. De VVD
kreeg ook steun van veel katholieken bij deze verkiezingen.
133Zie ‘Liberaal Manifest’ (z.p.: VVD,
1972), 1. Sinds de jaren vijftig had de VVD geprobeerd de socialisten en
de confessionelen in een conservatieve hoek te plaatsen, maar blijkbaar
was deze boodschap pas succesvol toen de jonge Wiegel hem naar voren
bracht.
134Wiegel behoorde
aanvankelijk tot de linkervleugel van de partij; zie Hans Wiegel, Een partijtje libre (Den Haag/Rotterdam: Nijgh en Van
Ditmar, 1968); zie ook het ‘Liberaal
Manifest’.
135Veel VVD'ers hadden als voorstanders
van de vrije markt een afkeer van de socialisten, en de PvdA-leider Den
Uyl verhulde zijn minachting voor de liberalen en het liberalisme
niet.
136Tot 1967 konden de ARP, de CHU en
de KVP zonder hulp van VVD of PvdA een meerderheidsregering vormen, maar
ze gaven de voorkeur aan een ‘bredere’ coalitie,
waarvoor de steun van het parlement royaler was.
137Bovendien hadden de
confessionele partijen hun linker-en rechtervleugels, en zou een
langdurig verbond met ofwel de liberalen, ofwel de socialisten,
vervreemdend werken voor één van beide vleugels.
Dus ook om interne redenen was het belangrijk evenwicht te zoeken tussen
de VVD en de PvdA.
138Geciteerd in De Koning en Mijnlieff, De visie van de
pers, 29.
139De CHU, die algemeen werd
beschouwd als de confessionele partij die het dichtst stond bij de VVD
en het verst van de PvdA in de jaren zestig, nam niet deel aan het
kabinet-Cals. De meeste confessionele politici waren niet onverschillig
voor de keus voor PvdA of VVD, maar het was tegelijkertijd in hun
voordeel hun voorkeur voor zich te houden.
140J.A.H.J.S. Bruins Slot,
‘De crisis in de westerse democratie’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 34 (1964),
128-132.
141Glastra van Loon
had een oproep gedaan om over te gaan op een gekozen premier; Hans
Daalder, ‘Zestig jaar Nederland (1926-1986)’, in
J.H.J. van den Heuvel, e.a., Een vrij zinnige verhouding:
De VPRO en Nederland, 1926-1986 (Baarn: Ambo, 1986), 53. Zie
voor een kort overzicht van andere voorstellen, Ed. van Thijn,
‘Onze politieke cultuur’, Socialisme
en Democratie, 22 (1965), 299-302; en A.C. de Ruiter,
‘Modernisering van ons tweekamerstelsel?’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 36 (1966), 1-9.
142Op zijn beurt vertelde de PvdA-fractievoorzitter Jaap Burger koningin
Juliana dat de PvdA niet samen met de VVD zou regeren; zie Van Esterik
en Van Tijn, Jaap Burger: Een leven lang dwars,
157.
143L. Meijer,
‘Rozen doornen, en spijkers’, Vrijheid en Democratie, 27 juni 1963; ‘Een
melodrama en zijn gevolg’, Vrijheid en
Democratie, 4 juli 1963.
144Zie
ook E. Nordlohne, ‘Onduidelijkheid en vrijheid’,
Liberaal Reveil, 11, 1 (december 1967), 7-12;
‘Verlangen naar een politieke herstructurering’,
Vrijheid en Democratie, 10 maart 1967.
145Henk
Molleman, ‘De berg heeft een muis gebaard’, Socialisme en Democratie, 28, 10 (oktober 1971),
470.
146De Koning en Mijnlieff, De visie van de pers, 27.
147Van Thijn, ‘De kamerverkiezingen van
1963’, 509. In 1967 vergeleek Van Thijn de Nederlandse
democratie met de Vierde Republiek van Frankrijk. Hij voegde eraan toe
dat, hoewel er nog geen reden tot paniek was, vernieuwing noodzakelijk
was voor politieke stabiliteit; geciteerd in Van Praag, Strategie en illusie, 45-46.
148Volgens de meeste voorspellingen
zouden de KVP en de PvdA de grote winnaars zijn en zouden de ARP, de CHU
en de VVD sterk in omvang afnemen.
149Zie
Molleman, ‘De berg heeft een muis gebaard’, 470.
Hoewel de VVD een andere ‘doorbraak’-partij was,
steunde de VVD het districtenstelsel niet, de partij was namelijk zo
klein dat dit hen bijna zou hebben weggevaagd. In 1966 sprak Toxopeus
zich uit vóór een drie-partijenstelsel.
150J.G.H. Tans, ‘Socialistisch bestek’,
Socialisme en Democratie, 23 (1966), 849. In dit
gedeelte haalt Tans indirect De Clercq aan, theoloog uit Leuven, die tot
deze conclusie was gekomen.
151J.M. den Uyl, ‘Om
te winnen!’, Socialisme en Democratie, 23
(1966), 837.
152Den Uyl hield niet
van deze resolutie, omdat zij de PvdA-opties verkleinde. Zij maakte dus
geen deel uit van de polarisatiestrategie van Den Uyl en Van Thijn,
hoewel zij er door de aanname van de resolutie wel onderdeel van
werd.
153J.M. den Uyl, e.a., Een STEM die telt: Vernieuwing van de
parlementaire democratie (Amsterdam: De Arbeiderspers, 1967),
82. Onder de auteurs van de brochure waren ook Burger, Samkalden, Tans,
Van Thijn en Vondeling.
154De commissie-Cals-Donner wilde een
gekozen kabinetsformateur, opdat kiezers meer inspraak zouden hebben bij
de kabinetsformatie, en daarnaast een gewijzigd stelsel van evenredige
vertegenwoordiging. Voor de verschillende opinies over het rapport, zie
H. Daudt, ‘Staatkundige vernieuwing?’, in Tussen Nieuwspoort en Binnenhof, 126-132; interview
van Puchinger met Cals in Hergroepering der partijen?,
515-519. Voor een kort overzicht van de pogingen het kiesstelsel te
hervormen, zie Philip van Praag, ‘Continuïteit en
verandering in de Nederlandse politiek’ in Uwe Becker,
(red.), Nederlandse politiek in historisch en vergelijkend
perspectief (Amsterdam: Het Spinhuis, 1992).
155Deze bescheiden voorstellen tot vernieuwing waren niet geheel zonder
politiek risico voor de regerende partijen, want uit een
enquête bleek dat CHU- en KVP-kiezers het minst politiek
geïnteresseerd waren en afschaffing van de stemplicht kon
voor deze partijen slechts negatieve gevolgen hebben. De CHU verzette
zich lang tegen dit voorstel. Uit een enquête van 30 juni
1971 (NIPO 1443) bleek dat slechts vierentwintig procent van de
CHU-kiezers en zesentwintig procent van de KVP-kiezers
‘zeer’ of ‘tamelijk’
geïnteresseerd in politiek waren. Dit contrasteerde scherp
met de VVD- en ARP-kiezers, met respectievelijk zevenenvijftig en
eenenvijftig procent. Van de PvdA-kiezers zei drieëndertig
procent geïnteresseerd te zijn in politiek.
156Van Praag,
‘Continuïteit en verandering’, in Uwe
Becker, Nederlandse politiek, 100.
157Zie bij voorbeeld
NIPO-enquêtes 1314, 1316, 1348, 1440, 1491 en 1531, gehouden
op respectievelijk 10 november 1969, 13 november 1969, 21 april 1970, 17
juni 1971, 21 februari 1972 en 9 november 1972. Meestal steunde een
meerderheid van PvdA-, D'66- en PPR-kiezers een dergelijke partij; zij
werd door ongeveer de helft van de Nederlanders ondersteund.
158Voor
een beschouwing over deze definitieproblemen, zie C. de Galan,
‘Een soort samenvatting’, Socialisme
en Democratie, 24 (1967), 520-525.
159P. Bordewijk bekritiseerde de vage
voorstelling van Vondeling in ‘De droom van
Vondeling’, Socialisme en Democratie, 24
(1969), 105-111.
160De CPN kreeg ook weinig waardering van
linkse radicalen, zoals Ger Harmsen, die in 1967 opmerkte dat de CPN
amper het ‘blinde’ stalinisme van het verleden
achter zich had gelaten; Ger Harmsen, ‘De politieke wending
van de CPN in de jaren zestig’, De Nieuwe
Stem, 22 (1967), 252-277. Op lokaal niveau, zoals in Amsterdam en
Groningen, werkte de CPN in de jaren zestig en begin jaren zeventig
samen met andere linkse partijen. Tegen het midden van de jaren zeventig
wijzigde de CPN, beïnvloed door jongere leden, haar
pro-Sovjet houding en werd zij een gematigde
‘Eurocommunistische’ partij.
161PSP-televisiepropaganda, 6 februari 1967 [Stichting Film en Wetenschap,
F 1801].
162T. Noldus, ‘Overzicht
vernieuwingsstreven in de periode 1966-1971’, Civis Mundi, 10, 7/8 (juli/augustus 1971), 357-359.
163F.W.M. van der Ven, ‘D'66 en de politieke
vernieuwing’, Civis Mundi, 107/8
(juli/augustus 1971), 301.
164Van Mierlo, De koers van D'66, 12.
165Molleman, ‘De berg heeft een muis gebaard’,
473-474.
166Geciteerd in Van Praag, Strategie en illusie, 45-46.
167Van Praag,
Strategie en illusie, 363-367.
168NIPO-enquête
1262, 10 februari 1969. Gemiddeld dacht 23% van de Nederlanders dat hun
eigen partijen ‘duidelijk’ waren over
vraagstukken, 33% vond ze ‘onduidelijk’. Voor de
PvdA waren deze percentages respectievelijk 23% en 40%. Ook de socialist
Henk Molleman merkte op hoe de pogingen te streven naar duidelijkheid
hadden geleid tot onduidelijkheid, ‘De berg heeft een muis
gebaard’, 475.
169Het CHU-bestuur besefte dat haar achterban niet
gelukkig zou zijn met een coalitie met de drie linkse partijen en
verzette zich ook tegen deelname, aan de andere kant wist ze dat
uitsluiting de christen-democratische eenheid met de ARP en de KVP zou
kunnen schaden; Van Spanning, De Christelijke-Historische
Unie, II, 379-383.
170Zie Van Esterik en Van Tijn, Een leven lang dwars, 208-273. Het ARP-bestuur was
zeer verdeeld over de keus het kabinet-Den Uyl te steunen, maar werd
voor een voldongen feit gesteld toen twee vooraanstaande en
‘linkse’ ARP-politici, W.F. de Gaay Fortman en A.
Boersma, Den Uyl meedeelden dat zij zouden deelnemen aan het kabinet,
ongeacht de beslissing van de ARP. Frans Andriessen, de leider van de
KVP, had geen enkel motief om uitgesloten te willen worden van het
kabinet: dat zou het KVP-verlies immers slechts groter maken. Hij
beschikte daarnaast over voldoende ‘progressieve’
KVP-ministers die in het kabinet zouden passen.
171W.C.D. Hoogendijk, ‘Doorrijden of overstappen. De
nota van de contactraad en de vernieuwing van ons partijpolitieke
bestel’, Anti-Revolutionaire Staatkunde, 43
(1973), 33.
|
|