|
|
|
| |
| | | |
7 ‘Die tijden komen nooit meer terug’
‘De wereld waarmee elk van ons te maken heeft verandert heel
snel. Dat komt niet, omdat de wereld zo snel verandert, maar omdat ons beeld,
van wat er in die wereld gebeurt, zo snel verandert.’ - Minister
van Justitie Ivo Samkalden, 19651
Op 11 mei 1973 trad het kabinet-Den Uyl aan. Vanaf het begin straalde het nieuwe
er van af. Al in de herfst van 1972 had Keerpunt '72 van de
Progressieve Drie voorspeld dat de val van het kabinet-Biesheuvel ‘de
afsluiting van een periode’ was, een periode waarin beslissingen
werden genomen ‘buiten de mensen om’.2
De nieuwe regering zou zich volledig inzetten voor een verdergaande
democratisering van de Nederlandse samenleving en voor de
‘emancipatie’ van kansarme groepen, waaronder
vrouwen.3 Onder minister
Jan Pronk kreeg ontwikkelingshulp, aan bij voorbeeld Vietnam en Cuba, een veel
geroemde prioriteit en het kabinet breidde geestdriftig de sociale voorzieningen
uit in een tijd waarin de economische situatie het minder gunstig gezind was.
Enige ministers van dit kabinet, dat als het meest linkse in de Nederlandse
geschiedenis bekend staat, vonden dat de aanpak sterk verschilde met de door de
confessionelen gedomineerde politiek en maatschappij van het verleden.
‘Die tijden komen nooit meer terug’, zei Den Uyl,
terugkijkend op de oude verzuilde orde. Alsof hij het seculiere karakter van de
nieuwe regering en van de ontzuilde Nederlandse samenleving wilde benadrukken,
liet de ex-gereformeerde Den Uyl in 1973 voor het eerst sedert een eeuw het
gebed achterwege in de troonrede.4
Nederland van de jaren zeventig was inderdaad heel anders dan Nederland enige
jaren daarvoor. Evenals andere Westeuropese landen, was het een
‘postindustriële’ maatschappij geworden met een
hoge mate van persoonlijke vrijheid, een hoge levensstandaard en hoge
belastingen. De belastingen stegen tussen 1970 en 1980 van 41,9% tot 51,9% van
het nationale inkomen, en gingen behoren tot de hoogste in Europa.5
Kerkbezoek en -lidmaatschap bleven afnemen, samenwonen kwam steeds | | | |
vaker voor en werd ook steeds meer geaccepteerd.6 Pogingen om de kansen voor vrouwen te
vergroten, meestal door het creëren van goedbetaalde part-time banen
voor zowel vrouwen als mannen, namen toe en vooral het socialistische feminisme
werd door veel Nederlandse feministische aanvoersters ondersteund.7 De democratisering van het openbare leven bleef voortgang vinden -
hoewel de gevolgen voornamelijk zichtbaar werden in politieke partijen,
vakbonden en universiteiten8 - en politiek protest,
vaak in de vorm van ludieke acties, maakte een bloeitijd door.
Milieuactivisme en milieubewustzijn namen sterk toe in dit kleine waterige
landje, dat werd bedreigd door vervuiling.9 Het aantal immigranten groeide explosief, van
honderdeenentachtigduizend (1,4% van de bevolking) in 1968 tot ongeveer
vierhonderddrieënzeventigduizend (3,4%) in 1980. Slechts een klein
gedeelte van deze buitenlanders was afkomstig uit de voormalige (en dunbevolkte)
kolonie Suriname, die in 1975 onafhankelijk werd; de meesten kwamen uit het
Middellandse-Zeegebied.10
In de jaren zeventig maakte Nederland, evenals andere Westeuropese landen en
Noord-Amerika, ook minder positieve ontwikkelingen door: chronische inflatie,
werkloosheid en overheidstekorten. Arbeidsrelaties kwamen onder druk te staan
(mede door de steun van Den Uyl voor de looneisen van werknemers),
polariseerden, en stakingen kwamen vaker voor. De sociale problemen namen
eveneens toe. Druggebruik was in Amsterdam, volgens een rapport van 1987, niet
groter dan in andere steden; evenals elders kwam het vooral voor onder
‘randgroepjongeren’.11 Er vond evenwel een levendige drughandel plaats, niet
alleen in Amsterdam, maar ook in grenssteden zoals Arnhem, en veel softdrugs
kwamen in het bezit van buitenlanders en toeristen. Al deze ontwikkelingen
gingen vergezeld van een vervijfvoudiging van de criminaliteit tussen 1970 en
1984. In de jaren tachtig telde Nederland, volgens een rapport, het hoogste
aantal misdrijven in heel Europa, een omvang die vooral scheen te worden
veroorzaakt door de fietsendiefstallen.12
In de meeste opzichten verschilde Nederland in de jaren zeventig statistisch
gesproken nauwelijks van zijn buurlanden. Op sociaal gebied leek Nederland in
dat decennium meer op West-Duitsland en België dan in de jaren
vijftig. Maar wat Nederland anders maakte, zo merkten veel commentatoren op, was
zijn tolerantie. Zowel de Nederlandse overheid als de
bevolking schenen veel meer genegen mensen en gedrag te aanvaarden dat elders
niet zou worden geaccepteerd. C.P. Middendorp concludeerde in zijn statistisch
onderzoek naar Nederland dat de blijvende gevolgen van de jaren zestig niet de
radicale politiek, maar een libertijnse tendens en grotere vrijheid van
meningsuiting waren.13 In
een tijd dat de ‘I'm o.k., | | | | you're
o.k.’-filosofie door veel hoogopgeleide mensen in de meeste
West-europese landen werd uitgedragen, hielden de Nederlanders zich daar beter
aan dan de anderen. De instroom van immigranten uit Turkije, Marokko en Suriname
veroorzaakte enkele raciale spanningen, maar de Nederlanders accepteerden hen
over het algemeen veel beter dan de bewoners van buurlanden hun
immigranten.14 Erik van
den Berg, die in de jaren zestig vanuit Aruba vertrok naar Amsterdam, vond het
culturele klimaat in Nederland toen gastvrij, in tegenstelling tot het Nederland
van de jaren tachtig.15 Onder veel jonge Nederlanders werd in de
jaren zeventig een bijna dogmatische niet-dogmatische, democratische en
informele gedragscode sterk benadrukt. Janneke Haak, een bewoonster van de
Amsterdamse binnenstad, herinnert zich dat, toen drugverslaafden zich in de
jaren zeventig als krakers in haar buurt vestigden, iedereen
‘tolerantie’ en ‘begrip’ moest
tonen, een zienswijze die in de jaren tachtig weer verdween.16 De
Nederlanders protesteerden niet méér dan bewoners van
andere landen, maar ze toonden wel een grotere verdraagzaamheid voor politieke demonstraties.17 Toen de
jurist-politicus Edward Brongersma laat in de jaren zeventig in een
VARA-programma op de televisie pleitte voor de legalisering van pedofilie,
ontving hij vrijwel geen negatieve reacties; pas in de jaren tachtig, zei hij
verbitterd, zouden Amerikaanse invloeden en feministen de tolerante atmosfeer
verpesten met hun nadruk op ‘macht’.18
De Nederlandse overheden zouden het gebruik van softdrugs door de vingers
blijven zien, en tot verbazing van de Amerikaanse autoriteiten gingen ze zelfs
over tot het verstrekken van schone naalden aan verslaafden. Bij de toenemende
toepassing van euthanasie keek de overheid gewoon de andere kant op;
‘doden blijft verboden, maar niet heus’, merkte Hans Ree
begin jaren negentig op in de NRC.19
Het is niet moeilijk een doorgaande lijn van verdraagzaamheid te constateren in
de Nederlandse geschiedenis, van de legendarische tolerantie van de regenten in
de Nederlandse republiek tot aan de tegemoetkomendheid van burgemeester
Samkalden. Er werd een grote mate van vrijheid toegestaan opdat de orde kon
worden gehandhaafd. Zowel in de zeventiende eeuw als in de jaren zestig van deze
eeuw trokken de Nederlandse gezagdragers dezelfde conclusie: in een
pluralistische en snel veranderende samenleving was het laten vieren van de
teugels de beste optie. Goed bestuur betekende vooral het zich ervan verzekeren
dat de zaken niet uit de hand liepen en dat vereiste - in Nederland - een sterk
besef van de begrensdheid van het eigen vermogen om gebeurtenissen te
beteugelen. De belangrijkste taak voor de autoriteiten was om de
‘vooruitgang’ en de ‘sociale
ontwikkelingen’ in de juiste richting te sturen. In een land waar | | | | zaken zorgvuldig waren geregeld en uitgedacht, van de naoorlogse
verzorgingsstaat tot aan de Deltawerken20,
leek de kanalisering van mogelijk gevaarlijke sociale krachten even cruciaal
voor overleving als de dijken en de kanalen die het Nederlandse landschap
ordenden. Een tijdig begrip van en behoedzame concessies aan ontwrichtende
ontwikkelingen konden de zo verfoeide chaos, revolutie of onenigheid voorkomen.
Daardoor leken rationele, voorzichtige elites de ideale bestuurders voor
Nederland. Dit besef van beperktheid en behoedzaamheid bracht de wijze regenten
voort waarover Johan Huizinga in zijn klassieke Nederland's
Geestesmerk (1934) schreef:
‘Hoeden, wegwijzen, zorgen, besturen, het is de oude groep
van beelden, waaronder reeds Augustinus de ware staatstaak zag tegenover de
beginselen van macht en heerschappij, die uit den booze zijn. Een staatkundig
denken, dat de geboden der gerechtigheid en de grenzen van menschenmacht kent,
zal altijd weer terugkomen op die oude beelden van den stuurman, die, van zijn
geringe kracht bewust, het roer houdt in den storm, of van de weerlooze kudde,
die den hoeder behoeft.’21
Maar deze paternalistische visie op het ‘hoeden’ van de
samenleving gaf ook aanleiding tot een zelfvoldane houding. De stuurlieden en
hoeders van de Nederlandse samenleving waren niet altijd wijs en bescheiden,
laat staan tolerant en progressief. Hoe konden deze gezagdragers Nederland dan
toch leiden naar de culturele veranderingen van de jaren zestig?
Het waren zowel het besef van tijd en verandering als het traditionele idee van beperktheid waardoor de
Nederlandse elites in de jaren zestig de onwaarschijnlijke rol van progressieven
op zich namen. Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral tijdens de jaren zestig,
deelden deze leiders het geloof dat ‘ontwikkelingen’
binnen en buiten hun land zo razendsnel verliepen dat alleen nog door aanpassing
de sociale orde gehandhaafd kon worden. Onder deze omstandigheden was het
verleden niet meer belangrijk. De depressie had een eind gemaakt aan de
geloofwaardigheid van het economische laissez-faire-beleid, en de oorlog aan de
neutraliteit van Nederland (niettegenstaande de pogingen later in de jaren
zeventig haar in gewijzigde vorm weer te doen herleven). Europese samenwerking
en de dekolonisatie in Azië - waaronder het fiasco van Nieuw-Guinea -
ontnamen Nederland de illusie van nationale onafhankelijkheid en confronteerden
het met hachelijke situaties waarin het werd gedwongen zijn vroegere politiek
prijs te geven. Ook de noodzaak van modernisering en de sociale veranderingen
die daarvan het gevolg waren gaven de gezagdragers de indruk, dat aanpassing aan
de eisen van de moderne tijd was ver- | | | | eist. De late industrialisatie
stimuleerde het besef dat grote en onverbiddelijke veranderingen zich hadden
aangediend. De ommezwaai van het koesteren van het verleden naar de aanpassing
aan de toekomst werd vooral belichaamd door de groeiende zeggingskracht van de
naoorlogse generatie, die ontdekte dat zowel demografische ontwikkelingen als de
algemene afkeer van oude gebruiken en de oudere generatie in haar voordeel
uitpakten. Het was in de loop van de eerste twee decennia na de oorlog voor de
Nederlandse elites dus steeds moeilijker geworden de schijnbaar onvermijdelijke
ontwikkelingen tegen te houden. Het verkiezingsprogramma van de VVD van 1971
verwoordde deze gevoelens:
‘Razend snel verandert de wereld, veel sneller dan vroeger.
Nieuws uit de hele wereld, nieuwe gedachten bereiken ons direct. We moeten alles
meteen verwerken, ons aanpassen aan nieuwe situaties.’22
Dit bewustzijn betekende niet dat de Nederlandse leiders de ontwikkelingen altijd
aan zagen komen; vaak werden zij erdoor verrast. Maar het betekende wel dat zij
ertoe neigden problemen en crises te interpreteren als tekenen van een
onontkoombare mega-ontwikkeling, die Nederland - en de wereld - de toekomst in
zou leiden. In een tijd waarin bijna iedereen het erover eens was dat het
culturele landschap snel en onstuitbaar veranderde, hoefden de Nederlandse
elites niet profetisch of progressief te zijn om concessies aan ‘de
tijd’ te doen. PvdA-leider Ed van Thijn merkte dit op in 1971, toen
hij schreef:
‘De veranderingen in onze samenleving overspoelen alle
partijen en niemand kan ze stopzetten, al is hij nog zo conservatief. In dit
opzicht zijn alle partijen dus progressief.’23
Met een afgestorven verleden en een open toekomst was het van vitaal belang om de
toekomst op rationele en ordelijke manier naar het heden te brengen.24 Dr. E. Bleumink betoogde in 1968 in het CHU-blad:
‘Door het enorme versnellingsproces dat zich nu aan het
voltrekken is, is de futurologie dan ook geen dure hobby voor een aantal
intellectuelen maar een noodzaak geworden om als land, overheid en instelling
het hoofd te kunnen bieden aan problemen die zich (zullen) voordoen, om
verantwoord richting te kunnen geven aan het beleid. Het vroegtijdig
onderkennen van ontwikkelingen geeft immers de mogelijkheid minder gewenste
trends bij te sturen...’25
Het veelgelezen Cultuur in stroomversnelling van C.A. van
Peursen, geschreven in 1970, beschreef een
‘ontwikkelingsmodel’ van de maat- | | | | schappij,
dat ‘een instrument moet zijn tot bijsturing van onze eigen
ontwikkelingsgeschiedenis’.26
In de jaren zestig ging de regulatie en beheersing van sociale ontwikkelingen
door gezagdragers dus gepaard met een ‘moderne’, flexibele
en vooruitziende aanpak, waardoor toekomstige problemen zouden kunnen worden
vermeden, maar waardoor tegelijk substantiële vernieuwing zou worden
geïnitieerd en toegelaten. Onverzettelijk reactionair gedrag was geen
optie voor de meeste Nederlandse elites. Natuurlijk leefden deze sentimenten in
de jaren zestig wel onder veel Nederlandse burgers, die
gefrustreerd of boos waren als gevolg van sociale ontwikkelingen die ze niet
wilden of niet begrepen. Zij leden aan dezelfde
‘toekomstschok’ die de Amerikaan Alvin Toffler in 1970
beschreef.27 Maar
pure vijandschap tegenover nieuwe ontwikkelingen was geen houding die de
Nederlandse elites zich meenden te kunnen veroorloven. Voor
hen was een dergelijke conservatieve instelling, die door Staphorst werd
gesymboliseerd, noch een aantrekkelijke, noch een levensvatbare reactie op de
uitdagingen van de moderne tijd.
De concessies die niettemin door de leiders binnen politieke partijen, kerken en
andere instituten werden gedaan, waren in veel opzichten minimaal. Veel gezagdragers talmden zo met werkelijk structurele
hervormingen - zoals constitutionele en electorale vernieuwing,
vrouwenemancipatie en kerkelijke veranderingen - dat men met recht kan stellen
dat ze uiteindelijke slechts ‘quasi-vernieuwers’ waren.
Maar in veel gevallen was hun weerstand slechts onvolledig en werden zij
verscheurd door twijfel over de politieke levensvatbaarheid en de morele
integriteit van hun oude standpunten. Verzet tegen ‘het
nieuwe’ liep onder Nederlandse elites dus zelden uit op reactionaire
oppositie tegen verandering.
In 1968 schreven professor Fred Polak en H.F. van Loon in Gesprek
met morgen: ‘Het is duidelijk dat onze hele maatschappij nu
al aan het schuiven is, terwijl de gevestigde orde een achterhoedegevecht
levert’.28 Polak en Van
Loon waren amper politieke of sociale radicalen. Hoewel ze als intellectuelen
misschien beter inzicht hadden in sociale veranderingen dan anderen, werd hun
constatering toch ook door andere Nederlandse gezagdragers geaccepteerd. Het
paradoxale is dat de elites die dachten een
‘achterhoedegevecht’ te leveren, zichzelf juist plaatsen
in de voorhoede van sociale en culturele verandering. In dit
opzicht waren de architecten van het Nederlandse Nieuw Babylon van de jaren
zeventig niet de vrije nomaden van Constant, maar VVD-politici en katholieke
prelaten. De jaren zestig draaiden misschien om de ‘onttroning van
het patriarchale gezag’ zoals W.S.P. Fortuyn betoogt29, maar deze patriarchale autoritei- | | | | ten waren, in elk
geval in Nederland, niet alleen verantwoordelijk voor het mislukken van een
aantal acties van rebellen, maar ook voor het succes van vele andere.
Eén van de meest in het oog springende verschillen met Amerika in de
jaren zestig is dat veel Amerikaanse leiders, zowel in politieke partijen,
vakbonden, kerken als andere belangrijke organisaties, zich niet verwikkeld zagen in een ‘achterhoedegevecht’
tegen onvermijdelijke sociale trends en internationale ontwikkelingen. Er zijn
uiteraard veel factoren die een rol hebben gespeeld in dit verschil in beleving
van de jaren zestig in de Verenigde Staten en Nederland.30 Ten eerste had Nederland, evenals
Scandinavië, nauwelijks te lijden onder ernstige sociale, raciale en
politieke problemen, problemen die in de Verenigde Staten leidden tot de
‘val’ van het optimistische liberalisme.31 In 1974 zei de Amerikaanse futuroloog
Herman Kahn tegen een Nederlandse interviewer:
‘Jullie hebben hier geen problemen. Het hele land lijkt
één gigantisch park, er zijn hier geen armen, jullie
hebben hier geen rassenproblemen van betekenis en nu klaag je over een ongelijke
inkomensverdeling.’32
In deze omgeving, waar weinig gebeurtenissen aanzet konden geven tot politiek
extremisme of sociale onlusten, reageerden Nederlandse gezagdragers te sterk op
relatief kleine crises, maar konden zij het zich tegelijkertijd veroorloven open
te staan voor vernieuwing. Ten tweede contrasteerden de consensus- en
pragmatische tradities, die diep zijn geworteld in de Nederlandse politieke
cultuur, scherp met de redetwistende en de op meerderheidsdenken gebaseerde
beginselen van de Amerikaanse politieke cultuur. Nederlandse leiders konden
eerder beschuldigd worden van groepsdenken dan van politieke polarisatie.33
Ten derde zou men kunnen wijzen op het relatieve belang van de elites in het
vorm geven van het culturele klimaat in Nederland. In een
klein, gecentraliseerd en sociaal samenhangend land betekenen de normen en
waarden van de elites, die naar voren kwamen in zowel de bureaucratische
richtlijnen uit Den Haag als in opiniepagina's van dagbladen zoals de NRC en De Volkskrant, meer dan in het
uitgestrekte Amerika. De kleinere omvang van Nederland gaf elites meer
mogelijkheden het denkpatroon te kanaliseren zodat verzetshaarden tegen
vernieuwing gemakkelijker te neutraliseren waren.34
De beleving van tijd en verandering is echter de voornaamste factor die het
verschil in het culturele klimaat van Nederland en Amerika vanaf de jaren zestig
verklaart. Europeanen zeggen graag dat Amerika geen geschiedenis heeft. Maar
niets zet meer op het verkeerde spoor dan deze | | | | opvatting. De
Amerikaanse ‘moderniteit’ is ouder dan de Nederlandse (of
de Europese); de grondpatronen van de huidige Amerikaanse politieke en
economische structuur (democratie en kapitalisme) zijn namelijk al langer in
gebruik dan die van het Europese continent. Dit heeft onder veel Amerikanen een
sterk besef van culturele en politieke continuïteit doen groeien. De
grondwet, de ‘Bill of Rights’, het Amerikaanse volk en
Amerika zelf zijn alle tamelijk statische constructies, waardoor een stabiliteit
in de Amerikaanse samenleving wordt gesuggereerd. Zowel op moreel, geestelijk,
politiek als wetgevend gebied lijken de grondbeginselen van de natie op dit
moment dezelfde te zijn als ze twee eeuwen geleden waren. Niets, zelfs niet twee
wereldoorlogen, heeft deze essentiële, bijna tijdloze, fundamenten
van de Verenigde Staten aangetast. Volgens Stanley Hoffman wordt zelfs
discontinuïteit in de Amerikaanse geschiedenis door de Amerikanen (in
tegenstelling tot de Europeanen) beleefd binnen de continuïteit van
de democratie en de technologische vooruitgang:
‘De snelheid van de sociale verandering is misschien even
groot als in Europa (...) maar de irrelevantie van het verleden is voor
Amerikanen absoluut niet vanzelf-sprekend. Hoe het ook zal veranderen, hun
beleid lijkt nog steeds in overeenstemming met een ontvouwing van het
“Lockeaans geloof”. Tocqueville zou waarschijnlijk enige
problemen hebben zijn voor-industriële kleinstedelijke Amerika te
herkennen; maar de grondbeginselen zijn nog steeds hetzelfde en de nieuwe
instellingen die sindsdien zijn opgekomen zijn daarop gebaseerd...’
‘Daarom staat, in tegenstelling tot wat we zouden
verwachten, de democratische maatschappij bij uitstek, de Verenigde Staten,
dichter bij zijn verleden dan de historische samenlevingen van
Europa...’35
Daniel Boorstin beweert in The Genius of American Politics
(1953) dat de eigenaardige rol van tijd en ruimte in de Amerikaanse geschiedenis
‘ons ertoe heeft gebracht om, zelfs tegen onze wil, de betekenis van
conservatisme te begrijpen’. Volgens Boorstin geloven de Amerikanen
dat:
‘...we hebben onze waarden ontvangen als een geschenk van
het verleden; onze eerste kolonisten en grondleggers hebben
onze natie bij zijn geboorte uitgerust met een perfecte en volledige politieke
theorie, toepasbaar op al onze toekomstige behoeften (...) Het idee is in wezen
statisch. Het veronderstelt dat de leer en waarden van de natie bij zijn
ontstaan voor eens en voor altijd werden gegeven.’36
Edward Purcell wijst er terecht op dat zelfs degenen die in de jaren zestig
kritiek uitoefenden op het Amerikaanse politieke en maatschappelijke | | | | systeem, niet twijfelden aan de waarde van de Amerikaanse idealen, maar
alleen aan de uitvoering daarvan. Ongeacht hun politieke inzichten waren de
Amerikanen er dus van overtuigd dat ze waren gezegend met de hoogste, feitelijk
onveranderlijke, vorm van politiek en maatschappij.37 Door dit gezamenlijk besef
van continuïteit scheen verandering van de Amerikaanse politieke en
sociale ordening voor veel Amerikanen niet alleen onnodig, maar was zij zelfs
een regelrechte ondermijning van alles wat waar en goed was.
Dit geloof in de stabiliteit van de Amerikaanse politiek verklaart mede waarom
vooral de Amerikaanse conservatieven in staat zijn geweest om economische en
technologische vooruitgang los te koppelen van culturele, sociale en religieuze
verandering, zoals Christopher Lasch en andere critici reeds hebben
betoogd.38 Dynamische economische
veranderingen betekenen voor deze conservatieven niet dat andere dingen ook moeten veranderen. Velen onder hen, zoals dominee D. James
Kennedy (geen familie), geloven stellig dat de vrije markt geheel in
overeenstemming is met de godsdienst van weleer en de politiek van de
grondleggers van Amerika. Niet alles is samengevoegd in de smeltkroes van de
moderniteit; sociale ontwikkelingen vereisen niet altijd acceptatie en
aanpassing - ze mogen zelfs weerstand oproepen. In dit milieu was het
gemakkelijk om lang bestaande politieke en sociale overtuigingen in stand te
houden en konden traditionele religie en moraal overleven en zelfs gedijen.
Volgens de Nederlanders (en andere Europeanen) leken alle overtuigingen en
praktijken daarentegen onderworpen te zijn aan verandering; religie en wetten
moesten, evenals economie en technologie, mee kunnen veranderen met de zich
wijzigende omstandigheden.
Dit verschil is zelfs nog groter geworden door de overtuiging van de Amerikanen
dat alle historische ontwikkelingen een persoonlijke bewerker hebben (zie
inleiding); er is altijd iemand verantwoordelijk voor zowel de goede als de
slechte sociaal-economische ontwikkelingen - ontwikkelingen die kunnen worden
gestimuleerd of waaraan een halt kan worden toegeroepen door middel van
wettelijke meerderheden, rechtszaken of zelfs door onverschrokken individueel
doorzettingsvermogen. Er is een neiging om de niet-persoonlijke en moeilijk te
beheersen marktkrachten en sociale ontwikkelingen niet te (willen) zien, vooral
wanneer deze inherent zijn aan vrijheden die essentieel zijn voor de
onschendbare Amerikaanse idealen. In een boek van de jaren zeventig, waarin
Nederland gunstig wordt vergeleken met Amerika, schreef de Amerikaan Maurice
Blanken:
| | | |
‘Onze gefixeerdheid op moraliteit, individuele vrijheid, de
vrije markt, amerikanisme, anti-communisme, moederschap en andere noties, heeft
ons het vermogen ontnomen om nieuwe politieke, economische en sociale
werkelijkheden te verwerken.’39
Het is niet mijn bedoeling om evenals Blanken uit te halen naar de Amerikaanse
samenleving; de Nederlanders hebben per slot hun eigen pragmatische
‘gefixeerdheid’ op ‘nieuwe
werkelijkheden’. Het gaat er hier slechts om dat het de Amerikanen,
in tegenstelling tot vele Nederlanders, niet duidelijk is waarom ze zich niet
zouden kunnen verzetten tegen nieuwe en ongewenste sociale ontwikkelingen.
Deze verschillende ideeën over tijd en verandering culmineren in
één cruciaal verschil in ervaring; Amerikanen kunnen,
anders dan de Nederlanders, terug gaan in de tijd. Voor veel
Amerikanen, die de ontwikkelingen van de jaren zestig betreurden, was de
nalatenschap van die periode omkeerbaar. Terwijl deze
‘herstellende’ impuls tamelijk zwak was in Nederland,
groeide deze sinds de jaren zestig in de Verenigde Staten, toen een
‘moral majority’ vocht voor de morele wedergeboorte van
Amerika (Jerry Falwell) en voor het herstel van de ‘American
dream’ (Robert Ringer).40 De klok kan naar betere tijden worden teruggedraaid
als de mensen dat graag willen; ‘Wat als de normen en de gebruiken
van het verleden beter zijn dan de huidige?’ merkte een Amerikaanse
aanhanger van de Republikeinen op na hun overwinning in 1994 in een brief aan
The Economist.41 Herstel
was niet alleen gewenst, maar leek mogelijk en zelfs natuurlijk te zijn. Het is
zeker niet zo dat alle Amerikanen of zelfs de meerderheid hoopten op de
terugkeer van ‘goede oude tijden’, of dat er concensus
bestond over de inhoud van het gewenste ‘herstel’, maar
wel dat deze hoop zich levensvatbaar en steeds krachtiger manifesteerde binnen
het Amerikaanse culturele, religieuze en politieke landschap.
Voor de meeste Nederlandse gezagdragers was er echter geen weg terug. Zelfs de
christen-democraten, die het sterkst waren verbonden met de verdwenen wereld van
de jaren vijftig, onderstreepten dat ze niet terug wilden naar de goede, oude
tijd. De pragmatische en adapterende koers die de Nederlandse leiders verkozen
te gaan brengt echter zijn eigen problemen en blinde vlekken met zich mee.
Evenals de illusie van stabiliteit veel noodzakelijke
hervormingen in de Verenigde Staten in de weg heeft gestaan, heeft de illusie
van verandering het opstellen van langdurig en consistent
beleid in Nederland moeilijk gemaakt. De Nederlandse leiders schenen vaak hals
over kop van de ene in de andere vernieuwing terecht te komen, zonder zich
rekenschap te geven van vroeger beleid en voormalige standpunten.42 En zo zien Nederlanders, evenals andere Westeu- | | | | ropeanen, zich gesteld voor een aantal problemen met een afgesloten
verleden en een onzekere toekomst, waarin politici ad hoc oplossingen aandragen
voor problemen die visie vereisen. De financiële crisis van de
welvaartsstaat, de toenemende immigratie en de sociale entropie zullen creatief
en vooruitziend beleid vergen. Het zou te wensen zijn dat Nederland opnieuw de
orde en vrijheid zou kennen die dit land in de jaren zestig tot een
begerenswaardige maatschappij maakten. Maar die tijd, toen Nederland
overstroomde van welvaart, hoop en, ja, verdraagzaamheid, lijkt te verdwijnen en
er zijn geen garanties dat ‘bij-de-tijd-blijven’ dezelfde
aangename resultaten zal brengen in minder vriendelijke tijden.
|
1Ivo Samkalden in
televisiepropaganda van de PvdA, 20 december 1965 [Stichting Film en
Wetenschap, F 1469].
2Keerpunt '72: Kernpunten voor een nieuw beleid, een
nieuw bestel en een nieuwe democratie (z.p., PvdA, 1972), 4.
3Zie een interview met Hedy d'Ancona en Bram
Peper, ‘Den Uyl over vrouwen en politiek’, Socialisme en Democratie, 29 (1972), 52-57; zie voor het
emancipatiebeleid van het kabinet-Den Uyl, ‘Nota over het
emancipatiebeleid’, Tweede Kamer der Staten
Generaal, Zitting 1976-1977, 14 496, nrs. 1-2.
4Ada P. Bolhuis, Johan
Knigge en Rein Tromp, (red.), Het nieuws opnieuw bekeken: Een
overzicht van veertig jaar gereformeerde journalistiek (Groningen:
De Vuurbaak, 1984), 151.
5A. Knoester, ‘Toekomstverkenning’, in A.
Knoester, (red.), Lessen uit het verleden: 125 jaar Vereniging
voor de Staathuiskunde (Leiden/Antwerpen, z.p., 1987), 503.
6Zie G.A.
Kooy, e.a., Sex in Nederland: Het meest recente onderzoek naar
houding en gedrag van de Nederlandse bevolking (Utrecht/Antwerpen:
Het Spectrum, 1983). In het boek is een vergelijking van onderzoeksdata uit
1968 en 1981 opgenomen.
7Interview met Ineke van Dijk en Thea van der Linden, Amsterdam,
14 juni 1993. Zie Anja Meulenbelts bekende Feminisme en
socialisme: Een inleiding (Amsterdam: Van Gennep, 1977), zie ook
Yvonne Barnard, e.a., Vrouwen: vooruit! De toekomst is aan
ons, discussieproject Rooie Vrouwen in de PvdA (Amsterdam: PvdA, 1985).
Voor een beschouwing over de tweede feministische golf in Nederland, zie
Hilda Verwey-Jonker, ‘Tussen rechtse vooroordelen en linkse
taboes’, Vrij Nederland, 9 januari 1993,
30-31.
8C.P. Middendorp, Ontzuiling, politisering en restauratie: De jaren 60 en 70
(Meppel: Boom, 1979), 168. Voor een kritisch artikel over de grenzen van de
democratisering binnen de universiteiten, zie Herman Vuisje en H.J. Schoo,
‘De onmacht van de democratisering’, Haagse Post, 66 (1979), 46, 32-39.
9Voor een
vroege onderkenning van dit probleem, zie C.J. Briejèr, Zilveren sluiers en verborgen gevaren (Leiden, Sijthoff,
1967).
10Geciteerd in J.W. Becker en
A.P.N. Nauta, Sociale en culturele veranderingen in de jaren
zestig: Enkele gegevens, niet-gepubliceerd document (z.p., december
1991), 34.
11Gerapporteerd in Jan-Willem Gerritsen, ‘Een hardnekkig
vraagstuk. Kanttekeningen bij de vaak vergeten samenhang tussen het
drugprobleem en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt’, in Jan-Willem
Gerritsen en G.C. de Vries, (red.), Paniek in Nederland: Over
sociale problemen en morele verontrusting (Amsterdam: Het Spinhuis,
1992), 113-114.
12Erhard
Blankenburg en Frank Bruinsma, Dutch legal culture
(Deventer/Boston: Kluwer, 1991), 36-37. Voor een vergelijkend onderzoek, zie
J.M.M. van Dijk, P. Mayhew en M. Killias, Experience of crime
across the world (Deventer/Boston: Kluwer, 1990). Gewelddadigde
misdaad kwam niet veel voor in Nederland.
13Middendorp, Ontzuiling, politisering en restauratie in Nederland.
14Zie Christopher Bagley, The Dutch plural society: A comparative study in race relations
(Oxford/New York/Toronto: Oxford University Press, 1973).
15Gesprek met Erik van den Berg,
Rotterdam, 14 oktober 1991.
16Interview met Haak, Amsterdam, 15 juni 1993.
17Jacques Thomassen en Jan van Deth, ‘How new is Dutch
politics?’ in Hans Daalder en Galen A. Irwin, (red.), Politics in the Netherlands: How much change? (Londen:
Frank Cass, 1989), 61-78. Uit een onderzoek in 1974 bleek dat personen onder
de vijfendertig jaar ‘ongewoon gedrag’ en
protestacties eerder tolereerden. Toch waren jongeren niet veel
‘linkser’ dan de gemiddelde Nederlander; Felix J.
Heunks, Nederlanders en hun samenleving: Een onderzoek naar
sociale en politieke opvattingen en participatie (Amsterdam:
APA-Hollands Universiteits Pers, 1979), 13-14; 18-20.
18Interview met Edward Brongersma, Overveen, 30 maart 1993.
19Hans Ree, ‘Wetten’, NRC
Handelsblad, 23 februari 1993. Wat euthanasie betreft weet niemand
precies hoe vaak dit plaatsvindt in Nederland; er wordt nu geschat dat dit
cijfer ligt tussen zes- en twintigduizend gevallen per jaar, vijf tot
zeventien procent van alle sterfgevallen in Nederland.
20Voor een
overzicht van de wijze waarop de Nederlanders de verzorgingsstaat
inrichtten, zie P.E. Kraemers bekende werk, The societal
state (Meppel: Boom, 1966). Zie ook Ashok Dutt, Public
planning in the Netherlands: Perspectives and change since the Second
World War (Oxford/New York: Oxford University Press, 1985).
21J. Huizinga, Nederland's geestesmerk (Leiden: A.W. Sijthoff, 1946),
65.
22Liberalen op nieuwe wegen: Verkiezingsprogram,
1971-1975 (z.d.: Volkspartij voor Vrijheid en Democratie [1971],
1.
23Ed van Thijn, ‘Is het PvdA-socialisme een
wegwerpideologie?’, Socialisme en Democratie,
28, 11 (oktober 1971), 550. Voor hem was de sleutel tot beheersing
democratisering.
24Zie futurologische geschriften door R.F. Beerling, Morgen is vandaag begonnen (Alphen aan den Rijn: Samsom, 1967);
Fred L. Polak, De toekomst is verleden tijd (Hilversum: W.
de Haan, 1968); J. Verschuure, Nederland en de wereld op weg
naar het jaar 2000 (Hilversum: Paul Brand/Werkgroep 2000,
1968).
25E. Bleumink,
‘Morgen is gisteren begonnen’, Christelijk-Historisch Tijdschrift, 14, 2 (1968-1969), 8.
26C.A. van
Peursen, Cultuur in stroomversnelling (Amsterdam/Brussel:
Elsevier, 1982), 13.
27Alvin Toffler, Toekomstschok (Bussum: Van Holkema en Warendorf, 1978).
28Geciteerd in E. Bleumink,
‘Morgen is gisteren begonnen’, 11.
29W.S.P. Fortuyn, De zestiger jaren: Een wonderkind
of een total loss? (Groningen: Boek Werk/W.S.P. Fortuyn, 1988),
17.
30Voor een inleiding tot de Verenigde Staten in de jaren zestig, zie David
Farber, (red.), The Sixties: From memory to history
(Chapel Hill/Londen: University of North Carolina Press, 1994); David
Steigerwald, The Sixties and the end of modern America
(New York: St. Martin's Press, 1995); en Barbara L. Tischler, (red.), Sights on the Sixties (New Brunswick: Rutger's University
Press, 1992).
31David Steigerwald, The Sixties and the end of
modern America, 5.
32Geciteerd in Gertjan
Dijkink, Beleidenissen: Politieke en ambtelijke cultuur in
Nederland, 1965-1990 (Groningen: Styx, 1990), 22.
33Voor een kritische beschouwing over de gevolgen van dit
groepsdenken, zie Gertjan Dijkink, Beleidenissen.
34De
politiek wetenschapper Ken Gladdish wijst op de sleutelrol die deze elites
speelden in het sturen van de Nederlandse democratie: ‘Elites
worden meestal niet zo snel geprezen, maar ik moet zeggen dat mijn ervaring
met academische en politieke elites in Nederland me erg heeft geholpen in
het begrijpen van de opmerkelijke stabiliteit en ordelijkheid van hun
democratie’, Governing from the centre: Politics and
policy-making in the Netherlands (Londen: Hurst, 1991), vi.
35Stanley Hoffman,
‘Fragments floating in the here and now’, in Stanley
Hoffman en Paschilis Kitromilides, (red.), Culture and society
in contemporary Europe: A casebook (Londen/Cambridge: George Allen
and Unwin/Center for European Studies, Harvard University, 1981),
218.
36Daniel J. Boorstin, The genius of American
politics (Chicago: University of Chicago Press, 1953), 6-10. Boorstin
zegt bovendien dat het conservatisme van de Amerikanen voortkomt uit het
‘organische’ idee dat hun politiek en maatschappij uit
de Amerikaanse bodem zijn opgekomen. Deze
‘natuurlijke’ definitie moet niet worden verward met
de meer Europese ‘organische’ gedachte, die de nadruk
legt op groei en verandering.
37Edward A. Purcell Jr., The crisis of democratic theory:
Scientific naturalism and the problem of value (Lexington:
University Press of Kentucky, 1973), 271.
38Zie bij voorbeeld, Christopher Lasch, The true and only heaven: Progress and its critics (New
York: W.M. Norton, 1991), 512-517.
39Maurice C.
Blanken, ‘Force of order and methods...’
An American view into the Dutch directed society (Den Haag:
Martinus Nijhoff, 1976), 162.
40Jerry Falwell, Listen America! (New York: Bantam, 1980); Robert J.
Ringer, Restoring the American dream (New York: QED/Harper
and Row, 1979).
41Brief door J.F.
Johnston, The Economist, 3-9 december 1994.
42Dit is een stellingname van Gertjan Dijkink in Beleidenissen. Hij merkt dit op in verband met onder andere het
criminaliteitsbeleid in Amsterdam en het vraagstuk van de economische groei
in de jaren zeventig. Dijking haalt ook een onderzoek aan door J.E. Lane en
S. Eissen, Politics and society in Western Europe (Londen:
Sage, 1987), waaruit bleek dat publieke vraagstukken in Nederland sneller de
aandacht verliezen en minder intens worden behandeld dan in enig ander land
in West-Europa.
|
|