terug  begin  verder

[p. 22]

3. Kiliaans taalbeschrijving en taalvergelijking

Zoals uit zijn voorrede blijkt, wilde Kiliaan woorden verzamelen uit alle Nederlandse gewesten: ‘Teutonicas siue Teudiscas dictiones, quibus Germania inferior praecipuè nunc vtitur, aut olim vsa est’. Deze laatste woorden wijzen erop dat Kiliaan ook verouderde woorden opnam, die hij merkte, ook reeds in zijn Dictionarium van 1588, met vet. of vetus. In de volgende paragraaf zullen we zien dat bij het opnemen van oude woorden vaak etymologische redenen meespeelden.

De grondslag van Kiliaans Etymologicum vormde zeker zijn eigen Brabants dialect40; woorden uit andere gewesten merkte hij, ook reeds in 1588, als zodanig. Volgens zijn voorrede neemt hij op: ‘Voces itaque Brabantis in primis vsitatas; plurimas insuper Flandris, Selandis, Hollandis, Frisijs, & Sicambris (Gheldris nempe, Cliuiis & Iuliacis,) Saxonibus quoque & Alamanis siue Germanis superioribus vsitatissimas, nobis autem nunc minus tritas’. Zijn bedoeling hiermee verklaart hij zelf: ‘vt non Brabantiae solùm, sed & aliis Germaniae, praecipuè inferioris, regionibus, noster hic labor vsui esse posset’. Vermoedelijk zag, zoals Heeroma schrijft, de uitgever Plantijn het commerciële belang in van een werk dat ‘niet alleen in Brabant, maar ook in andere streken van Germanië’ gebruikt, en dus ook verkócht kon worden41. Toch stond bij Kiliaan zelf wel de wetenschappelijke belangstelling voor de taalbeschrijving en taalvergelijking op de voorgrond. Hierbij dacht hij aan de hele Germaanse taalstam, maar inzonderheid aan ‘Germania inferior’; in de tweede helft van de zestiende eeuw groeide inderdaad een samenhorigheidsgevoel in de Nederlanden, boven de gewesten uit42.

[p. 23]

Op 691 lemmata van het Etymologicum heb ik de volgende 109 bijzondere aanduidingen gevonden: 28 vet., 18 Fland., 11 Sax. Sicamb., 7 Ger. Sax. Sic., 7 Holl., 3 vet. Fland., 3 Fris., 3 Sax., 2 Ger. Sicamb., 2 vet. Sax., 2 vetus Holl., 2 Sicamb., 1 Sicamb. Sax., 1 Fris. Sicamb., 1 Ger. Sax. Fris. Sicamb., 1 Sax. Fris. Sicamb. Holl., 1 Brux. Louan., 1 Ger. Sax., 1 vet. Angl., 1 Fland. Holl., 1 Zeland., 1 vetus Sax. Sicamb. Holl. Fris., 1 vetus Sicamb., 1 vetus Holl. Sicamb., 1 Holl. Fland., 1 Sax. Fris. Sicamb., 1 Fland. vetus, 1 Ger. Sax. Sicamb. Holl., 1 vetus Sax. Sicamb., 1 vetus Germ., 1 vetustissimis Teutonibus, 1 Ger. Sax. Sicamb. Fris. en 1 Germanis superioribus et inferioribus.

In deze lijst komen ook namen van steden voor: Brux. Lovan.; in de vorige paragraaf heb ik ook de afkorting campin. (Kempen; i.v. Ghenen) vermeld. De Vooys heeft nog gevonden: Fland. orient., Fland. occid., ca. 20 maal Brug., ca. 5 maal Gand. 43. Verder komen ook nog voor: fland. brug. (Brugge; i.v. woecker), holl. gorck. (Gorkum; i.v. afhouwer) en sicamb. colon. (Keulen; i.v. Ake, aecke, naecke); in deze drie gevallen is de stadsnaam blijkbaar een nadere bepaling van de naam van het gewest. Wanneer de namen van twee gewesten naast elkaar staan, zal het woord volgens Kiliaan in beide voorkomen, maar de betekenis van vet. of vetus samen met een andere aanduiding is niet duidelijk. De Vooys beschouwde de opvatting van Verdam, dat vetus Holl. zou betekenen ‘verouderd Hollands’ als de meest waarschijnlijke, maar schreef toch: ‘het is niet onmogelijk dat Verdeyen gelijk heeft met zijn opvatting: voor ons in Brabant verouderd, maar in Holland nog gebruikelijk’44. In een geval als ‘vetustissimis Teutonibus’ in de vorige alinea is de betekenis duidelijk ‘verouderd Nederlands’, maar voor ‘vetus Sax. Sicamb. Holl. Fris.’ is het weinig waarschijnlijk dat Kiliaan

[p. 24]

viermaal in oude geschriften uit verschillende gewesten dit woord heeft aangetroffen; zou de betekenis hier niet zijn: verouderd Saksisch en nog voorkomend bij de Sicambren, Hollanders en Friezen? Of, zoals Verdeyen zei, in Brabant verouderd, maar in de genoemde gewesten nog voorkomend? Op dezelfde wijze kan vetus Fland. louan. (i.v. Nichelen) betekenen: uit een oude Vlaamse en een recente Leuvense bron.

G. de Smet signaleerde me nog de volgende andere afkortingen van Kiliaan: zeland, hol. septent., leod., fris. emden (i.v. kolde-schael), sax. vvestphal. (i.v. knack-worst), sicam. fris. vvestphal. (i.v. stijgh), sicamb. iuliac. (i.v. enckel, enckle), iuliac., cimbr. en heluet.

In hoeverre nu zijn Kiliaans aanduidingen juist? Fokkema, die de Friese woorden bij Kiliaan bestudeerd heeft, vond dat Kiliaan hiervoor betrouwbaar is, al heeft hij vele woorden te eng begrensd en komen deze ook buiten dat gebied voor45. Voor de 133 woorden met Fris. Holl. zijn er ca. 75 goed aangegeven, behalve dat de grenzen wel eens te nauw zijn genomen; een dertigtal woorden is alleen Hollands in de betekenis die Kiliaan aangeeft; een twintigtal woorden kon voorlopig niet nader bepaald worden46.

Ook De Vooys had eerst een gunstige indruk van Kiliaans betrouwbaarheid na een onderzoek van een tweehonderdtal van zijn ca. 465 Holl.-woorden, en maakte als enig voorbehoud dat in veel gevallen zijn begrenzing te eng was. Meermalen bijv. noemt Kiliaan een woord uitsluitend Sax., dat in Holland blijkens de plaatsen in het Middelnederlandsch Woordenboek goed bekend is geweest47. Later merkte De Vooys echter op dat Kiliaans ‘aanwijzingen, meermalen op gezag van anderen, niet steeds betrouwbaar zullen zijn, zodat alleen ten opzichte van

[p. 25]

de kwalificatie ‘niet-Brabants’ bij zulke woorden vrij grote zekerheid bestaat’48.

Volgens De Vooys telt het hele woordenboek van Kiliaan ca. 1150 ‘Vlaamse’ woorden, waarvan er voor ca. 500 Middelnederlandse bewijsplaatsen te vinden zijn. Kiliaan geeft echter ook tal van woorden, vooral die hij alleen met vetus tekent, van typisch Vlaamse oorsprong. Voor een taalgeografische onderscheiding van dertiende- en veertiende-eeuws Vlaams en Brabants is Kiliaan geen betrouwbare getuige49. Jacobs, die schreef dat de meeste woorden met fland. tot heden bewaard zijn gebleven, telde 253 woorden met vet. fland. Dit interpreteerde hij als ‘verouderd in de aan Kiliaan bekende geschreven of gedrukte Vlaamse taal’, zodat het nog kon voortbestaan in de volkstaal en in niet-literaire bronnen, die Kiliaan niet kende. Zo noemt Kiliaan vaak ten onrechte een woord verouderd; volgens Jacobs zou slechts een vierde van de vet. fland.-woorden werkelijk Vlaams én verouderd zijn50.

Verdeyen, die naar Kiliaans bronnen voor de fland.-woorden zocht, telde er 1400, waarvan er 720 in het Naembouck van Lambrecht staan; dit zou voor ca. 600 ervan zeker de bron geweest zijn, terwijl het Dictionariolum van Paludanus voor een dertigtal woorden de bron was; voor een honderdtal woorden kan Kiliaan zowel het Naembouck als het Dictionariolum gebruikt hebben51.

Verdere kritiek op Kiliaans ‘Vlaamse’ woorden leverde De Smet, die constateerde dat voor 26 van deze woorden de vermelding fland. hoofdzakelijk berust op de aanduidingen van de Hollander Junius in zijn Nomenclator; Junius zelf steunt voor

[p. 26]

enige gevallen weer op een Duits-Zwitsers werk van Gesner! Ook zou Kiliaan vier of vijf woorden Fris. hebben genoemd op grond van Junius' aanduidingen52.

We besluiten met de opmerking dat we voorzichtig moeten zijn met de gewestelijke aanduidingen van Kiliaan. Al zijn ze voor een groot gedeelte juist, toch was hij te zeer afhankelijk van zijn bronnen. Een woord dat Kiliaan in zijn eigen Brabants dialect niet kende, merkte hij waarschijnlijk naar gelang de bron waarin hij het vond. Zoals De Vooys schreef, kunnen we eigenlijk alleen zeker zijn van de kwalificatie ‘niet-Brabants’; verder zouden we Kiliaans bronnen moeten kunnen onderzoeken.

De aanduiding ger. na het trefwoord gebruikte Kiliaan in 1599 (en ook reeds in 1588) wel anders dan in 1574: Van den Branden heeft op 29 ger.-woorden uit 1574 er in 1599 16 gevonden zonder een bijzondere vermelding, 2 met ger., 2 met ger. sax. sicamb., 1 met ger. sax. sicamb. holl., 2 met vetus, 1 met ger. vet., 1 in het Appendix met bastaardwoorden53 en 4 ontbreken er54.

De ger.-woorden uit 1574 die in 1599 geen bijzondere vermelding meer krijgen, zijn in feite in het Nederlands gebruikelijke woorden, die misschien in 1574 ten onrechte, nl. alleen omdat ze uit een Duitse bron kwamen, de toevoeging ger. gekregen hadden: Achtbaer, Acker, Ackeren, Ackerman, Adel, Aendacht, Aendachtich, Algemeyn, Allerley, Amptman, Ander, Anders, Angst, Arg, Arckel en Axe. Blijkbaar heeft Kiliaan de ger.-woorden aan een nieuw onderzoek onderworpen. Opmerkelijk is dat ger. alléén in 1599 bijna niet meer voorkomt. Ook heeft Kiliaan

[p. 27]

enige ger.-woorden uit 1574 nu in een enigszins vernederlandste vorm opgenomen, zonder een bijzondere vermelding, bijv. gauchhaer heeft hij vervangen door guychel-haer, guych-haer en wicken door wicke j. vitse; aan andere vroegere ger.-woorden voegde hij een vernederlandste vorm toe, bijv. haderen, vulgò haeren, haderman, vulgò haerman en loch, lock, telkens met weglating van de vermelding ger.

Een aantal woorden waaraan Kiliaan in 1574 de aanduiding gal. had toegevoegd, heeft hij in 1588 en 1599 opgenomen in een afzonderlijke lijst achteraan, het Appendix peregrinarum, absurdarum adulterinarumque dictionum. In deze lijst gaf Kiliaan niet in het Nederlands ingeburgerde woorden van Latijnse, Franse, Italiaanse, Spaanse of andere vreemde herkomst; in het corpus van het woordenboek had hij behalve ‘dictiones vernaculas ac merè Teutonicas’ slechts ingeburgerde vreemde woorden gegeven, ‘assiduiore vsu nobis nunc quodammodo communes, à vulgo passim receptas, & in Teutonicam adscitas admissasque coloniam’55. De aanduiding gal. onmiddellijk na het trefwoord komt in 1599 niet meer voor.

Van den Branden heeft op 27 gal.-woorden uit 1574 er in 1599 23 in het Appendix gevonden, terwijl er nog slechts 4 in het corpus voorkomen, telkens in een enigszins vernederlandste vorm en zonder enige bijzondere vermelding: admiral werd ammirael, ambassade werd ambassaed, ambassaet 56, ambre werd ambre j. emmer en emmer, ember, ammer, amber j. barnsteen, auenturier werd auend-urier 57. Andere voorbeelden voor dergelijke vernederlandste vormen zijn gage (1574) dat gagie (1599) werd, gallerie dat veranderde in galerije en de verwijzingen garde j. gaerde en garnison j. gaernison. Bij de meeste van deze woorden staat in 1599 gal. met het Franse equivalent nog na de Latijnse synoniemen.

[p. 28]

De equivalenten na de Latijnse synoniemen heeft Kiliaan ongetwijfeld, zoals ook in 1574, aangebracht om op de verwantschap met andere talen te wijzen. Etymologische belangstelling stond hier op de voorgrond.

40Cfr. K. Heeroma, in Brabant, 1969, nr. 2, pp. 6-10.
41 K. Heeroma, a.w., p. 8.
42Volgens Hoogewerff ‘verdwijnen’ tussen 1560 en 1590 de ‘Hollanders, Brabanders, Henegouwers ... allengs en worden tot “Vlamingen” en “Belgae”, welke woorden niet anders dan met “Nederlanders” mogen worden vertaald’ (L. van der Essen en G.J. Hoogewerff, De historische gebondenheid der Nederlanden. Brussel, 1944, p. 81).
43 C.G.N. de Vooys, Bijdragen tot de middelnederlandse woord-geografie en woord-chronologie, in Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde, 60 (1941), pp. 245-248.
44 C.G.N. de Vooys, Bijdragen tot de middelnederlandse woord-geografie en woord-chronologie, in Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde, 63 (1944), p. 266.
45 K. Fokkema, De Friese woorden bij Kiliaan, in Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde, 54 (1935), pp. 210-235.
46 K. Fokkema, De ‘Fries-Hollandse’ woorden bij Kiliaan, in Leuvense Bijdragen, 37 (1947), pp. 41-61.
47 C.G.N. de Vooys, Het onderzoek naar de Middel-nederlandse woord-geografie, in Verzamelde taalkundige opstellen, II, pp. 425-427.
48 C.G.N. de Vooys, Bijdragen tot de middel-nederlandse woord-geografie en woord-chronologie, in Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde, 63 (1944), p. 265.
49 C.G.N. de Vooys, Bijdragen tot de middel-nederlandse woord-geografie en woord-chronologie, in Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde, 60 (1941), pp. 245-248.
50 J. Jacobs, ‘Vetus’ en ‘Vetus flandricum’ bij Kiliaan, in V.M.K.V.A., 1927, pp. 300-314; cfr. ID. De verouderde woorden bij Kiliaan, pp. 6-8.
51 R. Verdeyen, Inleiding op Het Naembouck van 1562, pp. XXXVI-XL.
52 G. de Smet, Junius' Nomenclator, Hollandse bron van Kiliaens Vlaamse woorden, in Album Edgard Blancquaert, pp. 197-208.
53Dit woord, Archier, heeft in 1574 blijkbaar bij vergissing de aanduiding ger. gekregen in plaats van gal.; volgens mijn bronnenstudie is het immers overgenomen uit het Dictionnaire francoislatin van Thierry. Deze vergissing is te verklaren door de vermelding ger. bij Arckel, dat onmiddellijk aan Archier voorafgaat.
54 L. van den Branden, Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de zestiende eeuw, p. 109.
55 C. Kilianus, Etymologicum, Appendix, p. 691.
56I.v. A M noemt Kiliaan am-bassaet en am-mirael nog wel vreemde woorden: ‘harum similiter peregrinarum, am-bassaet, am-mirael, &c.’
57 L. van den Branden, Het streven..., p. 111.

terug  begin  verder