|
|
|
| |
| |
| | | |
3. Kiliaans taalbeschrijving en taalvergelijking
Zoals uit zijn voorrede blijkt, wilde Kiliaan woorden verzamelen uit alle Nederlandse
gewesten: ‘Teutonicas siue Teudiscas dictiones, quibus Germania inferior praecipuè
nunc vtitur, aut olim vsa est’. Deze laatste woorden wijzen erop dat Kiliaan ook
verouderde woorden opnam, die hij merkte, ook reeds in zijn Dictionarium van 1588,
met vet. of vetus. In de volgende paragraaf zullen we zien dat bij het opnemen
van oude woorden vaak etymologische redenen meespeelden.
De grondslag van Kiliaans Etymologicum vormde zeker zijn eigen Brabants
dialect40;
woorden uit andere gewesten merkte hij, ook reeds in 1588, als zodanig. Volgens zijn
voorrede neemt hij op: ‘Voces itaque Brabantis in primis vsitatas; plurimas insuper
Flandris, Selandis, Hollandis, Frisijs, & Sicambris (Gheldris nempe, Cliuiis & Iuliacis,)
Saxonibus quoque & Alamanis siue Germanis superioribus vsitatissimas, nobis autem nunc
minus tritas’. Zijn bedoeling hiermee verklaart hij zelf: ‘vt non Brabantiae solùm, sed
& aliis Germaniae, praecipuè inferioris, regionibus, noster hic labor vsui esse posset’.
Vermoedelijk zag, zoals Heeroma schrijft, de uitgever Plantijn het commerciële belang in van
een werk dat ‘niet alleen in Brabant, maar ook in andere streken van Germanië’
gebruikt, en dus ook verkócht kon worden41. Toch stond bij Kiliaan zelf wel de wetenschappelijke belangstelling voor de
taalbeschrijving en taalvergelijking op de voorgrond. Hierbij dacht hij aan de hele Germaanse
taalstam, maar inzonderheid aan ‘Germania inferior’; in de tweede helft van de
zestiende eeuw groeide inderdaad een samenhorigheidsgevoel in de Nederlanden, boven de
gewesten uit42.
| | | |
Op 691 lemmata van het Etymologicum heb ik de volgende 109 bijzondere
aanduidingen gevonden: 28 vet., 18 Fland., 11 Sax. Sicamb., 7 Ger. Sax.
Sic., 7 Holl., 3 vet. Fland., 3 Fris., 3 Sax., 2 Ger. Sicamb.,
2 vet. Sax., 2 vetus Holl., 2 Sicamb., 1 Sicamb. Sax., 1 Fris.
Sicamb., 1 Ger. Sax. Fris. Sicamb., 1 Sax. Fris. Sicamb. Holl., 1 Brux.
Louan., 1 Ger. Sax., 1 vet. Angl., 1 Fland. Holl., 1 Zeland., 1
vetus Sax. Sicamb. Holl. Fris., 1 vetus Sicamb., 1 vetus Holl. Sicamb., 1
Holl. Fland., 1 Sax. Fris. Sicamb., 1 Fland. vetus, 1 Ger. Sax. Sicamb.
Holl., 1 vetus Sax. Sicamb., 1 vetus Germ., 1 vetustissimis Teutonibus,
1 Ger. Sax. Sicamb. Fris. en 1 Germanis superioribus et inferioribus.
In deze lijst komen ook namen van steden voor: Brux. Lovan.; in de vorige paragraaf
heb ik ook de afkorting campin. (Kempen; i.v. Ghenen)
vermeld. De Vooys heeft nog gevonden: Fland. orient., Fland. occid., ca. 20 maal
Brug., ca. 5 maal Gand.
43. Verder komen ook nog voor: fland.
brug. (Brugge; i.v. woecker), holl. gorck. (Gorkum;
i.v. afhouwer) en sicamb. colon. (Keulen; i.v.
Ake, aecke, naecke); in deze drie gevallen is de stadsnaam
blijkbaar een nadere bepaling van de naam van het gewest. Wanneer de namen van twee
gewesten naast elkaar staan, zal het woord volgens Kiliaan in beide voorkomen, maar de
betekenis van vet. of vetus samen met een andere aanduiding is niet duidelijk.
De Vooys beschouwde de opvatting van Verdam, dat vetus Holl. zou betekenen
‘verouderd Hollands’ als de meest waarschijnlijke, maar schreef toch: ‘het is
niet onmogelijk dat Verdeyen gelijk heeft met zijn opvatting: voor ons in Brabant verouderd,
maar in Holland nog gebruikelijk’44. In een geval als ‘vetustissimis
Teutonibus’ in de vorige alinea is de betekenis duidelijk ‘verouderd
Nederlands’, maar voor ‘vetus Sax. Sicamb. Holl. Fris.’ is het weinig
waarschijnlijk dat Kiliaan | | | | viermaal in oude geschriften uit verschillende gewesten dit woord
heeft aangetroffen; zou de betekenis hier niet zijn: verouderd Saksisch en nog voorkomend bij
de Sicambren, Hollanders en Friezen? Of, zoals Verdeyen zei, in Brabant verouderd, maar in
de genoemde gewesten nog voorkomend? Op dezelfde wijze kan vetus Fland. louan.
(i.v. Nichelen) betekenen: uit een oude Vlaamse en een recente
Leuvense bron.
G. de Smet signaleerde me nog de volgende andere afkortingen van Kiliaan: zeland, hol.
septent., leod., fris. emden (i.v. kolde-schael), sax.
vvestphal. (i.v. knack-worst), sicam. fris. vvestphal.
(i.v. stijgh), sicamb. iuliac. (i.v. enckel,
enckle), iuliac., cimbr. en heluet.
In hoeverre nu zijn Kiliaans aanduidingen juist? Fokkema, die de Friese woorden bij Kiliaan
bestudeerd heeft, vond dat Kiliaan hiervoor betrouwbaar is, al heeft hij vele woorden te eng
begrensd en komen deze ook buiten dat gebied voor45. Voor de 133 woorden met Fris. Holl. zijn er ca. 75 goed
aangegeven, behalve dat de grenzen wel eens te nauw zijn genomen; een dertigtal woorden is
alleen Hollands in de betekenis die Kiliaan aangeeft; een twintigtal woorden kon voorlopig
niet nader bepaald worden46.
Ook De Vooys had eerst een gunstige indruk van Kiliaans betrouwbaarheid na een onderzoek
van een tweehonderdtal van zijn ca. 465 Holl.-woorden, en maakte als enig
voorbehoud dat in veel gevallen zijn begrenzing te eng was. Meermalen bijv. noemt Kiliaan
een woord uitsluitend Sax., dat in Holland blijkens de plaatsen in het
Middelnederlandsch Woordenboek goed bekend is geweest47. Later merkte De Vooys echter
op dat Kiliaans ‘aanwijzingen, meermalen op gezag van anderen, niet steeds betrouwbaar
zullen zijn, zodat alleen ten opzichte van | | | | de kwalificatie ‘niet-Brabants’ bij zulke
woorden vrij grote zekerheid bestaat’48.
Volgens De Vooys telt het hele woordenboek van Kiliaan ca. 1150 ‘Vlaamse’
woorden, waarvan er voor ca. 500 Middelnederlandse bewijsplaatsen te vinden zijn. Kiliaan
geeft echter ook tal van woorden, vooral die hij alleen met vetus tekent, van typisch
Vlaamse oorsprong. Voor een taalgeografische onderscheiding van dertiende- en
veertiende-eeuws Vlaams en Brabants is Kiliaan geen betrouwbare
getuige49. Jacobs, die schreef dat de meeste woorden met
fland. tot heden bewaard zijn gebleven, telde 253 woorden met vet. fland. Dit
interpreteerde hij als ‘verouderd in de aan Kiliaan bekende geschreven of gedrukte
Vlaamse taal’, zodat het nog kon voortbestaan in de volkstaal en in niet-literaire bronnen,
die Kiliaan niet kende. Zo noemt Kiliaan vaak ten onrechte een woord verouderd; volgens
Jacobs zou slechts een vierde van de vet. fland.-woorden werkelijk Vlaams én
verouderd zijn50.
Verdeyen, die naar Kiliaans bronnen voor de fland.-woorden zocht, telde er 1400,
waarvan er 720 in het Naembouck van Lambrecht staan; dit zou voor ca. 600 ervan
zeker de bron geweest zijn, terwijl het Dictionariolum van Paludanus voor een dertigtal
woorden de bron was; voor een honderdtal woorden kan Kiliaan zowel het Naembouck
als het Dictionariolum gebruikt hebben51.
Verdere kritiek op Kiliaans ‘Vlaamse’ woorden leverde De Smet, die constateerde dat
voor 26 van deze woorden de vermelding fland. hoofdzakelijk berust op de
aanduidingen van de Hollander Junius in zijn Nomenclator; Junius zelf steunt voor
| | | | enige gevallen weer op een Duits-Zwitsers werk van Gesner! Ook zou Kiliaan vier of
vijf woorden Fris. hebben genoemd op grond van Junius' aanduidingen52.
We besluiten met de opmerking dat we voorzichtig moeten zijn met de gewestelijke
aanduidingen van Kiliaan. Al zijn ze voor een groot gedeelte juist, toch was hij te zeer
afhankelijk van zijn bronnen. Een woord dat Kiliaan in zijn eigen Brabants dialect niet kende,
merkte hij waarschijnlijk naar gelang de bron waarin hij het vond. Zoals De Vooys schreef,
kunnen we eigenlijk alleen zeker zijn van de kwalificatie ‘niet-Brabants’; verder zouden
we Kiliaans bronnen moeten kunnen onderzoeken.
De aanduiding ger. na het trefwoord gebruikte Kiliaan in 1599 (en ook reeds in 1588)
wel anders dan in 1574: Van den Branden heeft op 29 ger.-woorden uit 1574 er in 1599
16 gevonden zonder een bijzondere vermelding, 2 met ger., 2 met ger. sax.
sicamb., 1 met ger. sax. sicamb. holl., 2 met vetus, 1 met ger. vet., 1
in het Appendix met bastaardwoorden53 en 4 ontbreken er54.
De ger.-woorden uit 1574 die in 1599 geen bijzondere vermelding meer krijgen, zijn in
feite in het Nederlands gebruikelijke woorden, die misschien in 1574 ten onrechte, nl. alleen
omdat ze uit een Duitse bron kwamen, de toevoeging ger. gekregen hadden:
Achtbaer, Acker, Ackeren, Ackerman, Adel, Aendacht, Aendachtich, Algemeyn,
Allerley, Amptman, Ander, Anders, Angst, Arg, Arckel en
Axe. Blijkbaar heeft Kiliaan de ger.-woorden aan een
nieuw onderzoek onderworpen. Opmerkelijk is dat ger. alléén in 1599 bijna niet meer
voorkomt. Ook heeft Kiliaan | | | | enige ger.-woorden uit 1574 nu in een enigszins
vernederlandste vorm opgenomen, zonder een bijzondere vermelding, bijv. gauchhaer
heeft hij vervangen door guychel-haer, guych-haer en wicken door wicke j.
vitse; aan andere vroegere ger.-woorden voegde hij een vernederlandste vorm toe,
bijv. haderen, vulgò haeren, haderman, vulgò haerman en loch, lock, telkens met weglating van de vermelding ger.
Een aantal woorden waaraan Kiliaan in 1574 de aanduiding gal. had toegevoegd, heeft
hij in 1588 en 1599 opgenomen in een afzonderlijke lijst achteraan, het Appendix
peregrinarum, absurdarum adulterinarumque dictionum. In deze lijst gaf Kiliaan niet in het
Nederlands ingeburgerde woorden van Latijnse, Franse, Italiaanse, Spaanse of andere vreemde
herkomst; in het corpus van het woordenboek had hij behalve ‘dictiones vernaculas ac
merè Teutonicas’ slechts ingeburgerde vreemde woorden gegeven, ‘assiduiore vsu
nobis nunc quodammodo communes, à vulgo passim receptas, & in Teutonicam adscitas
admissasque coloniam’55. De aanduiding gal. onmiddellijk na het trefwoord komt in 1599 niet meer
voor.
Van den Branden heeft op 27 gal.-woorden uit 1574 er in 1599 23 in het
Appendix gevonden, terwijl er nog slechts 4 in het corpus voorkomen, telkens in een
enigszins vernederlandste vorm en zonder enige bijzondere vermelding: admiral werd
ammirael, ambassade werd ambassaed, ambassaet
56, ambre werd ambre j. emmer
en emmer, ember, ammer, amber j. barnsteen, auenturier werd
auend-urier
57.
Andere voorbeelden voor dergelijke vernederlandste vormen zijn gage (1574) dat
gagie (1599) werd, gallerie dat veranderde in galerije en de verwijzingen
garde j. gaerde en garnison j. gaernison. Bij de meeste van deze woorden staat in
1599 gal. met het Franse equivalent nog na de Latijnse synoniemen.
| | | |
De equivalenten na de Latijnse synoniemen heeft Kiliaan ongetwijfeld, zoals ook in
1574, aangebracht om op de verwantschap met andere talen te wijzen. Etymologische
belangstelling stond hier op de voorgrond.
|
40Cfr. K. Heeroma, in Brabant, 1969, nr. 2, pp. 6-10.
41
K. Heeroma, a.w., p.
8.
42Volgens Hoogewerff ‘verdwijnen’ tussen 1560 en 1590 de
‘Hollanders, Brabanders, Henegouwers ... allengs en worden tot “Vlamingen” en
“Belgae”, welke woorden niet anders dan met “Nederlanders” mogen worden
vertaald’ ( L. van der Essen en G.J. Hoogewerff, De historische
gebondenheid der Nederlanden. Brussel, 1944, p. 81).
43
C.G.N. de Vooys, Bijdragen tot de
middelnederlandse woord-geografie en woord-chronologie, in Tijdschrift voor Ned.
Taal- en Letterkunde, 60 (1941), pp. 245-248.
44
C.G.N. de Vooys, Bijdragen tot de
middelnederlandse woord-geografie en woord-chronologie, in Tijdschrift voor Ned.
Taal- en Letterkunde, 63 (1944), p. 266.
45
K. Fokkema, De
Friese woorden bij Kiliaan, in Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde, 54
(1935), pp. 210-235.
46
K. Fokkema, De ‘Fries-Hollandse’
woorden bij Kiliaan, in Leuvense Bijdragen, 37 (1947), pp. 41-61.
47
C.G.N. de
Vooys, Het onderzoek naar de Middel-nederlandse woord-geografie, in
Verzamelde taalkundige opstellen, II, pp. 425-427.
48
C.G.N. de Vooys, Bijdragen tot de
middel-nederlandse woord-geografie en woord-chronologie, in Tijdschrift voor Ned.
Taal- en Letterkunde, 63 (1944), p. 265.
49
C.G.N. de Vooys, Bijdragen tot de middel-nederlandse
woord-geografie en woord-chronologie, in Tijdschrift voor Ned. Taal- en
Letterkunde, 60 (1941), pp. 245-248.
50
J. Jacobs, ‘ Vetus’ en ‘Vetus
flandricum’ bij Kiliaan, in V.M.K.V.A., 1927, pp. 300-314; cfr. ID.
De verouderde woorden bij Kiliaan, pp. 6-8.
51
R. Verdeyen, Inleiding op Het
Naembouck van 1562, pp. XXXVI-XL.
52
G.
de Smet, Junius' Nomenclator, Hollandse bron van Kiliaens Vlaamse woorden, in
Album Edgard Blancquaert, pp. 197-208.
53Dit woord, Archier, heeft in 1574 blijkbaar bij vergissing de aanduiding ger. gekregen in plaats
van gal.; volgens mijn bronnenstudie is het immers overgenomen uit het
Dictionnaire francoislatin van Thierry. Deze vergissing is te verklaren door de
vermelding ger. bij Arckel, dat onmiddellijk aan
Archier voorafgaat.
54
L. van
den Branden, Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het
Nederlands in de zestiende eeuw, p. 109.
55
C. Kilianus, Etymologicum, Appendix, p.
691.
56I.v. A M
noemt Kiliaan am-bassaet en am-mirael nog wel
vreemde woorden: ‘harum similiter peregrinarum, am-bassaet,
am-mirael, &c.’
57
L. van den Branden, Het streven..., p. 111.
|
|