|
|
|
| |
| |
4. Kiliaans etymologieën
Dat Kiliaan in de derde uitgave van zijn woordenboek veel belang hechtte aan de etymologie
van de woorden, bewijst reeds de nieuwe titel Etymologicum Teutonicae linguae.
Ook in zijn voorrede heeft Kiliaan bijna twee bladzijden nieuwe tekst ingelast om op het
belang van de etymologie te wijzen. In de voorrede van 1588 had hij nog slechts enkele regels
over dit onderwerp geschreven: ‘Etymologias si non omnes veras, saltem verisimiles,
nonnullis vocabulis obiter adieci, fusiùs & copiosiùs in Etymologico Teutonicae linguae
easdem & plures alias, Deo Opt. Max. fauente, enucleaturus’. Toen kondigde Kiliaan dus
reeds zijn Etymologicum aan, waarin hij uitvoerigere en talrijkere etymologieën zou
geven.
In de voorrede op het Etymologicum verdedigt Kiliaan zijn soms uitvoerige
etymologieën, die maar waarschijnlijk en niet volledig zeker zijn: ‘si philoglotto nimis
curiosè scrutanti, longiùs, rationeque minus exacta, petitae videbuntur; is ne Varronis
quidem, Isidori, aliorumque veterum coniecturas omnibus probari sciat’. Hierop volgen
citaten uit Varro en Isidorus, die zeggen dat de oorsprong van vele woorden moeilijk te
achterhalen is en dat ook heel wat woorden werden overgenomen uit een andere taal.
| |
a) Verwantschap met andere talen
Etymologie schijnt bij Kiliaan allereerst taalvergelijking betekend te hebben. In zijn voorrede
schrijft hij immers na de teksten uit Varro en Isidorus, dat hij de Nederlandse woorden | | | |
niet alleen vergeleken heeft met Hoogduitse, Saksische (die hij ook reeds op de vorige
bladzijde bij de gewestelijke aanduidingen had vermeld) en Oudengelse of Angelsaksische
woorden (‘quae cum Germanicis inferioribus siue Teutonicis, licet dialectis nonnihil
mutatis, prorsus eadem sunt’), maar ook met Franse, Italiaanse, Spaanse, Latijnse en
Griekse. Kiliaan ziet dus de oorspronkelijke stamverwantschap van de Germaanse woorden,
maar maakt nog een onderscheid: de afkortingen ger. en sax. had hij ook
onmiddellijk na het trefwoord gevoegd als gewestelijke aanduidingen en zo blijkbaar
sommige Hoogduitse en Saksische woorden in de ‘lingua Teutonica’ opgenomen; als
vergelijkingspunt voor de oorsprong van Nederlandse woorden in een andere taal geeft Kiliaan
nu equivalenten voorafgegaan door de afkortingen ger., sax., ang(l)., gal., ital. en
his(p). (een enkele keer nog andere, bijv. heluet., Zwitsers, en sued.,
vermoedelijk een drukfout voor sueu., Zwabisch, uit Sueuia) na de Latijnse
synoniemen, waarbij soms ook een Grieks woord komt. Deze equivalenten vermeldt hij alleen
om door vergelijking de verwantschap duidelijk te maken: ‘vt mutua linguarum collatione,
illustriora fiant, quae alioqui obscura manerent’.
In 1599 heeft Kiliaan veel minder ger.-equivalenten opgenomen dan in 1574: De Smet
heeft in het Etymologicum voor de letters A tot G slechts 245 Duitse equivalenten geteld,
terwijl het Dictionarium van 1574 er voor dezelfde letters niet minder dan 1142 gaf.
Volgens De Smet bevat het Etymologicum daarentegen meer woorden met
onmiddellijk na het trefwoord de vermelding ger., die hier echter een andere betekenis
heeft dan in 157458.
Kiliaan verklaart verder de verwantschap van verscheidene Franse, Italiaanse en Spaanse
woorden met Hoogduitse, Nederlandse, Saksische of Angelsaksische: de Franken die in Gallië
| | | | en de Goten die in Italië, Spanje en Gallië geheerst hebben, waren Germanen en
hebben in die landen vroeger een Germaanse, zelfs een ‘Nedergermaanse’ taal
gesproken59. Verder dan een vergelijking met deze talen en met het Latijn en het
Grieks wil hij niet gaan; het staat ieder echter vrij, de oorsprong en de verwantschap van de
woorden nog verder te bestuderen ‘atque Babylonicum omne chaos perscrutando
discutere’.
Vaak geeft Kiliaan de equivalenten in de verschillende talen naast elkaar, zonder te zeggen in
welke taal de oorsprong van het woord ligt; hij vond het blijkbaar al genoeg, op de
overeenkomst en de (veronderstelde) verwantschap te wijzen:
Blaeuw, blauw. Caeruleus .... vulgò
blauius
60. germ. blavv:
gal. bleu: ital. biauo: angl. blevve.
Fel.
Atrox .... gal. felon: ital. fello: angl.
fell. gal. fel. i. iracundus.
Galeye.
Nauis longa .... vulgò galea .... gal.
galee, gallere: ital. galea, galera: hisp. galera: ang. galye.
Kruys.
Crux .... germ. kreutz: gal. croix:
ital. croce: hisp. cruz: ang. crosse.
louen, lof geuen.
Laudare .... germ. loben: gal.
louer: ital. lodare: hisp. loar.
Rijck.
Regnum, imperium. germ. reich: sax.
ryke: gal. regne, royaume: ital. regno, reame: his. reyno, reynado:
ang. realme.
Rijck.
Diues .... vulgò richus. germ. reych:
gal. riche: ital. ricco: hisp. rico: ang. riche.
spien, spieden.
Speculari .... vulgò spiare: vox
gallis, hispanis, italis & anglis communis. gal. espier: ital. spiare: hisp.
aspiar: ang. espie, spie.
| | | |
Soms echter geeft Kiliaan de taal van oorsprong aan, vaak met de verwijzing naar een
auteur:
Abd, abt.
Abbas .... Abba Hebraicè vel potiùs
Syriacè, pater dicitur. ger. abt: gal. abbé: ital. abate: hisp.
abad: angl. abot.
Gans, ganse.
Anser: ganza vox veterum Gallorum siue
Germanorum, apud Plinium. ger. ganss: hisp. ganso: ang. gose, geese.
Karmesijn, karmesijnen kleed.
Vestis purpurea ...:
Arabicè kermez. vulgò Carmesinum dictum, quod fiat ex vermiculo qui
Poenorum lingua carmen dicitur. gal. cramoisin: ital. chremesina: hisp.
carmesi: ang. crymesin.
Kercke (inquit P. Nannius in Miscel.) ex Graeco
originationem habet, κυριακον. ger. kirch: heluet. kilch: sued. [lees: sueu.]
kilch: ang. churche.
kerck-misse, kerck-wijhinghe. Dies compitalitius ...: nempe
ab initiatione templi: vulg festum siue solennitas dedicationis templi: plerumque
kermisse dicitur. q.d. χαρμοσυνη, à gaudio nempe & laetitia.
Schalonie.
Ascalonia .... vulgò scalonia ..., ab
Ascalone Iudeae opido dictum: Ascaloniensium enim regio, praecipuè fert caepas,
teste Strabone. gal. escalotte: ital. scalogna: his. ascalonia: ang.
scalion.
Soms ook vermeldt Kiliaan een overeenkomend Grieks equivalent zonder uitdrukkelijk te
zeggen dat in deze taal de oorsprong van het woord ligt:
Adem, aessem.
Anhelitus .... αθμος. i. vapor,
exhalatio: αθμη. spiratio.
Galle.
Bilis, fel. χολη. quasi geale siue gheele. i. flauus. ita Becanus. germ.
gall: ang. gall.
Katte.
Felis, aelurus. καττης. vulgò catus, &
cattus: cata & catta. germ. katz: gal. chat: ital. gatto, gatta: hisp.
gato, gata: ang. catte.
| | | |
klaghen, be-klaghen.
Queri, ... κλαειν i.
flere, plorare, eiulare.
Raséren.
Radere .... ang. rase:
raser autem
gal. i. tondere, attondere. ραιειν, abolere, delere ....
Roncken.
Rhonchissare ... & Crepare ..., ρογχαζειν, ρεγχειν.
gal. ronfler: ital. ronsare. his. roncar.
Een enkele keer verwerpt Kiliaan de etymologie van zijn bron, bijv.:
Kandeel, suypen .... Vox kandeel,
vt notat Adrian. Iunius, à κανδυλη Graecorum non abludit, olim in deliciis: cuiusmodi est
Frisiis recepta warmeiaute, quod sonat calidum donum
siue calidum scyphum, quasi θερμοδωρον. Posset tamen, salua Iunij opinione, dici
kaudeel, quasi. dicas calidum: qua ratione Gallis
chaudreau: & ang. caudel. cùm nos quoque vulgò huiusmodi sorbitiunculas
warm, wat warms, hoc est, calidum siue calidi aliquid
vocemus. vulgo caldellum.
| |
b) Verklaring van de oorsprong in het Nederlands zelf
Vaak verklaart Kiliaan de oorsprong van een woord (niet altijd terecht!) uit een of meer
andere Nederlandse woorden; soms vergelijkt hij ook nog met woorden in andere talen:
auend-ure.
Euentus ..., vulgò auentura, dicitur
autem auend-ure. dictionè merè teutonica, q.d. hora
vespertina, auspicium vespertinum: vulgò auentura. germ. abentheur: gal.
auanture: ital. auentura: hisp. auentura.
Galerije.
Pergula .... gal. gallerie: ital.
galeria. dicitur gaelerije, q.d. gaenerije. n. in l. mutato, ab eundo, sicut Latinis ambulacrum, & Gallis
pourmenoir, ab ambulando.
Hoere, gheld-hoere.
Meretrix .... dicitur Teutonicè
hoere à hoeren, siue
hueren, à conducendo, sicut | | | | Latinè
meretrix, à merendo. quòd mercede suam exerceat militiam. Ouid. Stat
meretrix certo cuiuis mercabilis aere. &c. germ. hur: angl. hoore,
vvhore.
Kermen, karmen.
Lamentari .... q.d.
ach-armen siue ke-armen. gal.
guermenter.
Koningh.
Rex. dicitur koninck. q.d. konninck, à konnen, id est, scire: quòd Rex vera magica scientia imbutus esse debeat. Marc
Tullius in diuinat. inquit .... Sic tres illi Reges qui Christo munera obtulerunt, magi. i.
sapientes, philosophi, & teutonica lingua koninghen &
wijse dicuntur. Aut à konnen, id
est, posse, potentem esse, pollere: sicut Latini Potestates vocant Principes potentes. ger.
koningh: ang. kingh. Konning autem ang. peritus, expertus dicitur.
Pleyte. holland. Lis .... vulgò placitum. gal.
plaid: ital. piato. his. pleyto. Placita autem in Constitutionibus siue
Capitulari Caroli magni sunt vel iurisdictiones vel iudicia, vel conuentus ad
disceptandas causas instituti: fortè à plaetse, id est, area,
forum.
waeter-not. j. minck-ijser.
Tribulus aquaticus, q.d.
nuces aquaticae. profert enim haec herba fructus auellanis nucibus maiores, &
nigricantes.
Soms vermeldt hij ook voor de Nederlandse etymologieën zijn bron:
Lichaem.
Corpus. Germani quidam superiores perfectiùs
leychnam dicunt: à leych, quod
nos vocamus lijck. i. cadauer, funus: qua etiam ratione
Graecis σωμα, velut σημα, quasi animae sepulchrum, dicitur. Adrian. Iunius, Lud.
Viues, ex Platone.
Man.
Vir, mas. germ. man: ang. man.
Man (inquit Becan.) fit à men, id
est. ago, duco: praecipuum enim viri est officium vt se & caetera omnia animalia
ducat & gubernet.
pis-bedde, pis-bloeme.
Vrinaria .... gal. pissenlict:
ital. pisso in à lecto: herba sic dicta, quod puerorum vesi- | | | | cas adeò repleat vrina,
vt lectum dormientes commingant. Mat. Lobel.
Rese, reuse.
Gigas: .... à verbo rijsen, id est, in altum surgere. Ioan. Becan.
schepenen.
Duodecemuiri .... Schepen, inquit Adr. Iun. dicitur quasi dicas schaf-hin: quod
huiusmodi Scabinis tradita fuerit à Carolo magno potestas interficiendi atque è medio
tollendi, quod hin schaffen dicitur: erant autem iudices
arcani, quibus ius ac potestas erat animaduertendi in periuros, aut temeratae fidei reos,
aut facinoris compertos; inauditos atque indefensos.
waerm-moes, waerm-moes-kruyd.
Olus .... dicitur
waerm-moes. q.d. calidum pulmentum: licet hac voce
herbae non tantùm elixae aut coctae, sed frigidae & crudae etiam apud nos
vocentur. Iodocus Badius Ascensius ... Olus, inquit, calidum sumi vult: inde Flandris
pulmentarium calidum, etiam si frigidum sit, vocatur.
Een enkele keer geeft Kiliaan zonder kritiek twee tegenstrijdige verklaringen naast elkaar,
bijv.:
Kallefaten, kalfateren, braeuwen de schepen ....
kalefaten (inquit Adrianus Iunius, Animaduersorum lib. 5. cap.
6.) est consolidare & compingere hiulca, à καλαφατης, qua voce naupaegus vocatur, cuius
munus est, nauis commissuras rimasque solidare stuppa aliáve materia.
Kal-vaten Becano est nauem siue vas apparare ne aquam per
rimas vllas admittat, eiq. vltimam manum imponere: dictione composita à kal &
vat. gal. calfatrer, calfeutrer.
Dat Kiliaan soms een vetus-woord opnam, om er andere woorden door te verklaren,
bewijst bijv.:
am. vetus. Nutritius; praefectus ...: qui pascit &
regit: amo Hispanis dicitur: hinc conijcio etymologiam petendam harum dictionum,
ambacht, am-man, ammaris: & | | | | harum similiter
peregrinarum, ambassaet, ammirael, &c.
Merkwaardig genoeg geeft Kiliaan echter i.v. Amman twee
andere verklaringen:
Amman, am-man. Praetor, praefectus .... vulgò
-ammannus. Amman germ. Consul.
Amman Petro
Nannio altmannus, out-mannus & olt-mannus dicitur q.d. senex vir. Becano
ampt-man. vide Am
61.
Een ander voorbeeld van een vetus-woord als etymologische verklaring voor een ander
woord, is het volgende:
Bof, boffe, pof. vetus. Bucca, buccarum inflatio, &c.
boffen. Inflare buccas: & Iactare.
Blijkens de vermelding vetus kende Kiliaan bof niet in zijn eigen taalgebruik;
hij nam het vermoedelijk enkel op om boffen te verklaren, dat hij wel kende.
Over het algemeen zijn Kiliaans etymologieën dus compilatiewerk; hij nam vooral
verklaringen over uit de hierboven vermelde auteurs die hij ook in zijn bronnenlijst heeft
opgenomen: Iodocus Badius Ascensius, Ludouicus Vives, Mathias Lobelius, Petrus
Nannius en vooral Adrianus Iunius en Ioannes Goropius Becanus. Volgens
Storme zou Kiliaan door het Dictionaire francoislatin van J. Thierry op de gedachte
gekomen zijn etymologie in zijn woordenboek op te nemen; Storme heeft in het
Etymologicum verscheidene voorbeelden gevonden waaruit invloed van Thierry
blijkt62. Zeker had
Kiliaan het woordenboek van Thierry in 1574 al voor zijn eerste Dictionarium gebruikt,
maar reeds vroeger kende hij andere woordenboeken die etymologieën gaven: het
Dictionarium Latinogallicum van | | | | Estienne, dat hij in 1563-1564 voor Plantijn
vertaalde, en het Dictionarium van Calepinus, dat een van de bronnen, zij het een
secundaire, van het Dictionarium Tetraglotton (1562) was63. Verder
verschenen bij Plantijn, Kiliaans werkgever, in 1569 de Origines Antwerpianae van
Goropius Becanus. Het is dus moeilijk uit te maken welk werk de eerste etymologische
belangstelling gewekt heeft bij Kiliaan. Uit zijn Leuvense studietijd aan het Collegium
Trilinge had hij wellicht reeds zin voor taalvergelijking meegekregen. Bovendien stonden
in de vergelijkende taalwetenschap, o.a. voor de studie van het Gotisch, de Nederlanden in de
zestiende eeuw vooraan64.
|
58
G. de Smet, Deutsche Einflüsse auf die niederländische
Lexikographie des 16. Jahrhunderts, in Niederdeutsche Mitteilungen, 22 (1966), p.
88, n. 3.
59Ten onrechte schrijft Van den Branden (Het streven naar verheerlijking,
zuivering en opbouw van het Nederlands in de 16de eeuw, p. 102) aan Kiliaan de
bewering toe dat ook het Latijn en het Grieks invloed van het ‘Duyts’ ondergaan
zouden hebben.
60Met vulgò geeft Kiliaan volgens zijn voorrede aan ‘dictiones
autem parum Latinas & barbaras, tanquam vulgo vsitatas.’
61Ik
merk op dat Kiliaan in de geschreven kanttekeningen bij het exemplaar in de K.B. te
's-Gravenhage nog een vierde verklaring geeft die hij nu als de waarschijnlijkste beschouwt:
‘mihi am-man à pascendo i. ab
ammen dici videtur vide ammen, am &c.
62
J. Storme, Een van de bronnen van Kiliaan's etymologieën, in
Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde, 33 (1914), pp. 116-122.
63Cfr. mijn studie De
bronnen van drie woordenboeken uit de drukkerij van Plantin, pp. 57-82.
64
R.G. van de Velde, De studie van het Gotisch in
de Nederlanden, Kon. Vl. Academie voor Taal- en Letterkunde, Reeks VI, nr. 97, pp.
15-111.
|
|