
Niets kan ons beter een juist denkbeeld geven van het karakter en de levenswijze van een adellijken heer in de middeleeuwen dan zijne woning, of beter gezegd, zijn kasteel.
Hij leeft stoffelijk en zedelijk afgezonderd van zijne medemenschen en verlaat slechts zijn slot door verveling of brutale hartstochten gedreven.
De bouwvallen van een middeleeuwsch kasteel doen mij steeds denken aan het rif of geraamte van een verscheurend dier! Inderdaad, zijne ligging, zijn uitzicht, de schikking zijner verschillige deelen geven er iets hards, iets terugstootends aan, dat huiveren doet en eerder doet denken aan het hol van een roofdier dan aan de verblijfplaats van een mensch!
De ligging van zulk kasteel was steeds met de grootste zorg gekozen, 't zij op eene steile rots, 't zij op eene hoogte, 't zij in de vlakte, dicht bij een waterloop, die dan afgeleid werd om de breede slotgracht te vullen.
Als 's morgens de zonne in het oosten oprees en haar rozig licht over het landschap uitstrooide, dan zag men op de gekanteelde muren en de torengalerijen de wapenrustingen der schildwachten schitteren; dan weerspiegelde zij in de ruitjes der smalle tralievensters, hier en daar in de torens en in de hooge muren van het slotgebouw aangebracht, en deed ze gelijken aan zoovele wijdgeopende oogen, waarmede het slot den omtrek bespiedde.
's Avonds, als de zon in purperen luister ter westerkimme daalde en hare laatste stralen over 't aardrijk schoot, was het soms alsof de verlichte deelen der torens en muren van het kasteel met bloed overgoten waren! En als daarna de nacht er zijn mantel over heen had gespreid en het koeltje de ijzeren windwijzers daarboven op de torentinnen deed krassen, geleek
dit geluid wonderwel op het geschreeuw van dezen of genen wakenden roofvogel. Het reusachtig gebouw schonk moed aan zijne bewoners en vervulde met angst al wie het naderde!
Nooit heeft een mensch zich van zijne medemenschen afgezonderd op eene zoo ruwe en terugstootende wijze als in de middeleeuwen! Tusschen den slotheer en den laat was er een onoverschrijdbare afgrond, door kastengeest, hoogmoed en egoïsme gegraven! Het logge kasteel, dat zijne onheilspellende schaduw wierp over de hutten der laten, die, laag en nederig, er zich rondom bevonden, was het trouwe beeld van den adellijken heer, die het bewoonde en onder zijn trots de laten verpletterde, van wier zweet hij leefde. De muren waren hoog en van zware, harde steenblokken opgetrokken; de slotheer was ruw, streng, ongevoelig! Het slot was langs alle zijden met torens en wachtposten gedekt: de slotheer ook nam alle voorzorgen en listen te baat om den dwang, dien hij op zijne onderhoorigen zoo willekeurig uitoefende, te handhaven, te verdedigen!
Maar het kasteel, was niet enkel het spiegelbeeld van het egoïsme van zijnen bewoner; op alle mogelijke wijzen droeg het bij om dit gevoel bij hem te doen voortbestaan en aangroeien! Afgezonderd als hij leefde, had hij slechts nauwe betrekkingen met zijne vrouw en zijne kinderen, welke voor hem het menschdom vertegenwoordigden; dit droeg er toe bij om zijn hart te sluiten voor al wat daarbuiten stond, om er met ongevoelig misprijzen op neer te blikken.
Binnen zijne muren had de slot- of burgheer niets te doen; zijne landerijen werden door de laten bebouwd; zoo hij ter jacht ging, was het niet omdat de honger hem daartoe aandreef, maar enkel voor zijn vermaak en om aan de verveling te ontsnappen, die voortdurend op het slot heerschte. Het was dan ook slechts wanneer zijn zelfbehoud op het spel stond, dat hij zich in zijn burg opsloot; werd zijne persoonlijke veiligheid door niets bedreigd, dan vond men hem meestal op de baan, aan het hoofd zijner wapenlieden, zich aan vernieling, roof en moorderijen overgevend.
Er zijn geschiedschrijvers, die de goede trouw en het eergevoel der adellijke heeren ophemelen en er de liefelijkste en hartroerendste tafereelen van ophangen. Nu, het is mijn inzicht niet te betoogen dat er volstrekt geen koren tusschen het kaf was. Er zijn altijd edellieden geweest, die edele lieden waren, en de geschiedenis heeft de namen van velen hunner bewaard. Maar wat moet men wel niet denken, als men in de naïve kronijken der
middeleeuwen door tijdgenooten, zooals Froissart, Filips van Komen en anderen opgesteld, hoort verklaren dat de hoogste lof, dien men een baron kon toezwaaien, bestond in de verklaring, dat hij zich onthield van roof en diefstal!
De baron van Grembergen was eene dier rare uitzonderingen.
Hij behandelde zijne onderhoorigen met zachtheid en was, volgens de begrippen van dien tijd, zeer rechtvaardig. De bewoners zijner heerlijkheid hadden het veel minder hard te verantwoorden dan die van menige andere baronie of riddergoed.
Zijn kasteel was niet verre van den Dender gelegen. Om tot aan de groote poort te geraken moest men eerst over eene steenen brug, die, op pijlers rustend, tot over het midden der breede slotgracht lag; dan stapte men over eene ophaalbrug, van stevig eikenhout vervaardigd. Zooals heur naam het aanduidt, kon zij naar den binnenkant opgehaald worden. Dit geschiedde overigens elken avond bij middel van zware kettingen. Eenmaal opgetrokken, sloot zij gelijk eene overgroote deur de opening der poort en was dus elke gemeenschap met het kasteel onderbroken. Achter de ophaalbrug bevond zich de eigenlijke slotpoort, waarvan de dikke balken en planken tot overmaat van voorzorg met metalen platen beslagen waren. Daar nog achter, uit eene opening in het gewelf neerdalend, hing de stormegge, eene soort van zwaar, ijzeren hek, dat bij middel van kettingen in tijd van nood kon neergelaten worden, en dus ook weer den toegang versperde. Eens de stormegge voorbij, kwam men op het groote slotplein. Daar bevonden zich de waterputten, en links en rechts de paardenstallen, de hoender-en duivenhokken, de wagenhuizen, enz.. De kelders, gewelven en kerkers bevonden zich onder het slotgebouw, dat aan den overkant van het binnenplein naast den hoogen slottoren oprees De ridderzaal en de woontrekken bevonden zich gelijkvloers; boven deze had men de magazijnen en de arsenalen. Al de daken waren voorzien van uitstekende borstweringen, waarin kleine luiken en openingen aangebracht waren, waardoor men brandende pik, enz. naar beneden kon werpen.
De slottoren, de wallen en het hoofdgebouw dagteekenden van den eersten opbouw van het kasteel; zij waren zwaar en log zonder de minste versieringen. De andere gebouwen, in latere tijden veranderd of bijgevoegd hadden een sierlijker uitzicht; ruime gewelfde vertrekken met boogvensters, waarin geschilderde glasramen; groote zalen met gekleurde vloerstee-
nen; groote meubelen van allerlei soort, kasten, zetels, tafels, alle zeer kunstig gebeeldhouwd; groote koffers of kisten, gewoonlijk rood geschilderd, in de hoeken; groote banken met getraliede rugleuningen, met geborduurde overtrekken; groote glazen en stalen spiegels van meer dan een voet hoog. De muren van sommige zalen waren behangen met kostbaar tapijtwerk of beschilderd met levensgroote, zinnebeeldige figuren.
De stookplaats of haard in de keuken was minstens twaalf voet breed. De tangen en vuurijzers waren uiterst zwaar; de laatsten vooral wogen stellig honderd pond. De drievoeten, waarop zij rustten, hadden een gewicht van minstens vijftig pond; elk braadspit woog tien of elf pond. De lucht, welke men er inademde, was zoodanig met de geuren van het gebraad en van de andere spijzen verzadigd, zoo vettig, dat zij er den hevigsten honger deed overgaan.
In de ruime ridderzaal waren de muren hier en daar met kostbaar tapijtwerk behangen, waartusschen tropeeën en zegeteekens prijkten, zoo op de jacht als in den krijg verworven. Te midden der zaal stond eene lange zware tafel, waarrond, naar de mode van dien tijd, zetels en stoelen met hooge gebeeldhouwde rugleuningen; op de tafel stonden van afstand tot afstand zilveren en gulden veelarmige kandelaars met waskaarsen.