Bladz. 96.
De betrekkelijkheid onzer kennis aangaande de voorwerpen der zinnen schildert kant zelve zeer poëtisch af, wanneer hij het voor ons mogelijke rijk der waarheid een eiland, van alle zijden omringd door eene stormachtige zee, en deze zee de zitplaats van den schijn noemt; eenen onvermijdelijken schijn, nogtans, welke zijnen grond heeft in onze wijze van aanschouwen en bevatten, welke slechts in de ervaring geldig zijn kan, schoon wij niet kunnen nalaten, haar ook op het gene buiten en boven onze ervaring ligt, toetepassen; en, dus, aan het geen slechts volgens onze wijze van weten en kennen, (dat is: betrekkelijk) waar is, eene volstrekte waarheid toetedichten. Daar ik om dit te verzinnelijken geen beter beeld vond, dan dit beeld van kant zelve, heb ik het slechts meer uitgebreid, en op de verschillende gedeelten van zijne kritiek der zuivere rede, welke
het voorwerpelijk gedeelte van zijn stelsel uitmaken, toegepast.
Deze ophelderende wijze van beschouwen, welke stout en dichterlijk is, behoort hem geheel. Eenmaal door hem gebezigd, om den aard en het wezen der voorwerpelijke wetenschap af te schetsen, was het niet moeijelijk van dit van rondom door den schijn omringde eiland der waarheid eene doorgaande leenspreuk te maken.
Het dogmatische Fatalismus is niets anders dan een begrip, 't welk uit de verkeerde toepassing van onze kennis, (als een volstrekt weten beschouwd) op een bovenzinnelijk bestaan der buitenzinnenwereld, geboren wordt.
In dit Dichtstuk, vooral, waagde ik het, de drie werken van den onsterfelijken zelfsdenker, te weten, de kritieken der zuivere rede, der praktische rede en der oordeelskracht, onder één oogpunt op te nemen. Streng genomen, is het niet geheel naauwkeurig, wanneer ik (bladz. 121) zeg:
Alleen in het eerste werk volgt hij gestreng een' eenigen leiddraad, dien, namelijk, langs welken hij de eerste formen en begrippen onzer kennis opspoort, en waarin de ontwikkeling der eerste of grondbeteekenissen, welke tot de twee overige kritieken behooren, even weinig als in die beide werken zelf, gevonden wordt.
Naar kants beschouwing moesten zij er ook niet in gevonden worden: dewijl hij aan de rede, in haar beoefenend (dat is: werkdadig, eigendadig) gebruik, en aan de oordeelskracht, in de begronding van de Theoriën der kunst, alle aanspraak op eigenlijk gezegde kennis of wetenschap ontzegt. Aan de theoretische stambegrippen of de kategoriën, slechts voor zoo ver deze, op tijd en ruimte, en dus ook op voorwerpen, doch niet op de zelfs-bewustheid, noch op het daar mede verbonden eigendadige, toegepast worden, staat hij op het veld der wetenschap eene plaats toe. En zie daar wel! de voornaamste oorzaak van de eenzijdigheid der kritische Filozofie. Dit belet echter niet, dat zijne kritiek der zuivere rede, afzonderlijk genomen, onomstootelijk en onwederlegbaar zij; maar het ontneemt ook tevens aan de beide overige
vakken der wijsbegeerte, die vastheid en eenstemmigheid, met het geen hij eigenlijke zuivere kennis noemt, welke eenstemmigheid, en doorgaande overeenkomst met zich-zelve zijne wijsbegeerte voorzeker zou bezitten, wanneer zij, gelijk men zegt, uit één stuk gehouwen ware.
Het is hier de plaats niet, hierover verder uit te weiden; ik spreek er slechts van om eene onnaauwkeurigheid in de drie laatste verzen van het bovenstaande couplet aan te wijzen.
Zoo ik in plaats van het denkbeeld, dat er in voorgedragen wordt, achter te laten of te veranderen, het in tegendeel bij het herdrukken versterkt heb, deed ik dit, vooreerst, om dat mijne eerste bedoeling daar door klaarder uitgedrukt wordt; maar ook, om dat, zoo niet de letter, immers de geest van het kriticismus, dien éénigen leiddraad aanwijst. Wanneer het een' ander gelukte het zamenstel der kritische wijsbegeerte naar dit rigtsnoer te voltooijen, zou hij dit niet anders kunnen doen dan naar den geest dier wijsbegeerte zelven, en naar de ééne hoofdgedachte, welke haren geheelen omvang beheerscht.