Hulde aan de verdienstelijke Johanna Cornelia Wattier,
Bij gelegenheid van hare vijfentwintigste verjaring als tooneelkonstenaresse aan den Amsterdamschen schouwburg, aldaar den 31. october des jaars 1805. Gevierd.
De maagd van Nederland, alleenspraak,
Voorkomende in eene zinnebeeldige voorstelling, bij gelegenheid dezer hulde en der daarbij op den Amsterdamschen schouwburg plaats gehad hebbende feestviering vervaardigd;
voorafgegaan door de volgende cantate.
De tweedragt. - Op mijn erf uit weelde en trots geteeld,
Verlamde zij mijn' arm, en hield mijn magt verdeeld. -
Als anderen den twist, die hen verscheurde, smoorden,
En, worstlend met elkaâr, nogtans de roepstem hoorden
Van 't algemeen belang; dan zag ik in mijn land
Alleen de vanen van den burgerkrijg geplant.
Als andren, op den wenk van 't wetteloost vermogen
(Schoon zij 't vervloekten) van hun erf ten slagveld vlogen;
Dan wederstond mijn kroost, bestookt door 's vreemden list
Het wettigste gezag, ten prooi aan burgertwist.
Het zwaard ontviel hen als de dolk werd opgeheven.
Laat, laat die smet niet meer op mijne glorie kleven!
Vereenig u, mijn kroost, door welk een' mond ik smeek',
En wie, wanneer 't slechts mijn belang geldt, tot u spreek'!
(Naar de vaas wijzende.)
Vereenig u - gevoel u waarde, en ken dit teeken;
Laat dit, als alles zwijgt, voor mijn belang nog spreken.
(*)Men herinnere zich dat deze feestviering onder het raadpensionarisschap inviel.
(§)Waarin de meest beroemde namen van hen, die, in verschillende vakken, in Nederland uitgemunt hebben, besloten zijn. De vaas is geplaatst op een voetstuk, verbeeldende een rots, omringd van de kenteekenen en zinnebeelden van de Nederlandsche Maagd. De speer en de hoed der vrijheid vallen het meest in 't oog.