terug  begin  verder
[p. 31]origineel

De Wereldstaat.
Inleiding of eerste zang.

 
Godin der toekomst, zing het pronkstuk dezer aarde,
 
Den mensch, niet in dien staat waarin hem Tellus baarde,
 
Verwantschapt aan het dier, en aan dien stand geklemd;
 
Ook niet, gelijk hij zich tot hooger doel bestemd
 
En aangetrokken voelt; maar, tot den rang verheven,
 
Dien hij zich in den kring der wezens zelf moet geven!
 
 
 
Verbeelding, schets mij hem in 't laatre nageslacht!
 
Toon mij dien wereldstaat, die uit der eeuwen nacht
 
Gelijk een Godsrijk op zal dagen! - Sterk mijn pogen;
 
Breng me al den rijkdom van uw scheppingskracht voor oogen;
[p. 32]origineel
 
Hervorm, verhoog, beziel de beeldspraak, die weleer
 
Homerus geest ontvonkte in de oude fabelleer,
 
En 't zwart orakelkleed, omzoomd met gouden stralen,
 
Waarin wij Klopstocks held vol moed zien zegepralen;
 
Dicht nieuwe wezens in het eindeloos gebied
 
Der mooglijkheid! - Onttrek me uw' godlijk' invloed niet,
 
Wanneer ik met het vuur der Dichtkunst in mijne aderen,
 
En langs uw zinlijk spoor d'onzigtbren troon wil naderen
 
Van hem wiens kroost wij zijn, wiens wil in d'onzen spreekt,
 
En, onveêrstaanbaar, door den nacht van 't noodlot breekt! -
 
 
 
Voer me eerst, Urania, in 't verst verschiet der sferen,
 
Waar melkwegstelsels zich als nachttrawanten keeren
 
Om grooter' Oceaan van Zonnen, voor 't gezigt,
 
En Hershells wapentuig nog ongenaakbaar, digt
 
Opeengedrongen voor het oog dier Godenzonen,
 
Die 't laatste nevelstip, voor ons bereik, bewonen!
 
Voer mij, van daar, naar 't vast, in schijn onwrikbaar oord,
 
Dat als een noordergloed van wereldzonnen gloort,
 
Elk, eindloos grooter dan 't gestarnte, waar we om rollen. -
 
't Ontzaglijk middenpunt dier glinsterende bollen
[p. 33]origineel
 
Is zilverwit, en wordt bewoond door 't schoonst geslacht
 
Der stervelingen, dat het Oost' ten aanzijn bragt.
 
Dit volk doorleeft een jeugd van milioenen jaren;
 
Waarna 't gelijk een damp ten hemel opgevaren,
 
Maar zonder krankte of dood, in de etherstof verdwijnt,
 
En, na die overvaart, in 't wonderoord verschijnt,
 
Waar starrenwolken, in hun draaikolk rondgedreven,
 
In schijnbre wanorde en als ligte stofjes, zweven
 
Om 't staâg verwisslend punt van 't gierend evenwigt;
 
Maar eindloos sneller dan 't verbijstrend bliksemlicht.
 
 
 
Zeg mij, wat wezens in 't beweeglijk heer dier hemelen
 
Gevoelen, denken, en schier stofloos, 't licht doorwemelen,
 
Waarmeê 't gevoed wordt. Meld me, indien 't uw taal vermag,
 
Wat teelt van Englen of van Goden, met den lach
 
Van zuivren wellust op 't gelaat, van ijver blaken
 
Om hun geluk, en deugd, en kennis te volmaken;
 
Hun lichtgedaante en gansch doorschijnbre rozenkleur;
 
Den glastoon hunner stem, den waasmend' ambergeur,
 
Die prikklend voortstroomt uit onzigtbaar krinklende aderen,
 
Wanneer ze in dartle liefde elkander spelend naderen,
[p. 34]origineel
 
En, zalig zwijmende in het heiligst mingenot,
 
Zich-zelf verliezen in de liefde van den God
 
Der scheppende Natuur, vol Godlijke gedachten,
 
Van 't wakendste besef der vrije levenskrachten
 
Doorgloeid, en telkens aangeprikkeld door den lust
 
Die geen verzading kent, en nooit wordt uitgebluscht!
 
 
 
Geen schaamte of minnenijd, geen zelfbedoelend blaken,
 
Ontadelt ooit den gloed van hunne minvermaken.
 
Één echt vereenigt ze alle. - In alles lotgemeen,
 
Zwiert alles vrij, vol drift, en zwermende ondereen.
 
Hun smachtend oog doorkruist 't oneindig ruim dier transen
 
En etherkolken, waar geen nacht ooit de oosterglansen
 
Verdooft. Geen slaap sluit ooit voor 't ongeschapen licht
 
Hun onvermoeide, nooit bevangen oogen digt.
 
Hun pligt is leven, en hun leven is genieten.
 
Hun denkkracht en gevoel in stroomen uit te gieten,
 
Te rijpen voor het doel der hoogste wetenschap
 
(De kennis van 't heelal en God) van trap tot trap,
 
De wet, die stof en geest vereenigt, te doorgronden,
 
En 't immer naadrend rijk der Godheid te verkonden -
 
Is aan de omhelzing hunner gaden steeds verknocht.
[p. 35]origineel
 
Ze juichen, daar ze elkaâr omstrengelen, 't gewrocht
 
Der almagt toe. 't Heelal ontvouwt zich aan hunne oogen.
 
Zij zien het: - want hun snel en krachtig denkvermogen
 
Aanschouwt, gelijk een aldoordringend oog, elk oord
 
Van 't overliggend West' en zijdlingsch Zuid en Noord;
 
Die, beiden, met het Oost' ('t gewest dier hemellingen)
 
't Omsloten middenvak van elke zijde omringen
 
Gelijk een holle sfeer, verwulfd aan alle kant.
 
Zij zijn de grenzen, die, zelf grensloos, 't Vaderland
 
Der myriaden melkwegstelsels in zich sluiten,
 
Van binnen boogsche wijs gebakend, maar van buiten
 
Naar de eindloosheid gekeerd, waaraan alle omtrek faalt,
 
En door geen ledigheid omvangen of bepaald. -
 
De mindre wezens, die het Oostlijk deel bevolken,
 
Voor wie het onbegrensd gewest dier lichtstroomkolken
 
Te hevig straalt, zijn aan den grensboog van 't heelal
 
Het meest verknocht; zij zien in 't wentlend zonnendal
 
Meer orde en regelmaat dan in die straalgewelven,
 
Waar de ongeschapen geest, eenstemmig met zich-zelven,
 
Zijn raadzlig aanzijn met meer Majesteit vertoont,
 
Dan in den middenkring, die 't sterflijk kroost bewoont.
 
 
[p. 36]origineel
 
Hier toefde eloïda sints twee paar werelddagen
 
In zachte mijmering, met de oogen neêrgeslagen
 
Op 't donker noorderpunt, dat van de schemering
 
Der glooijende Oosterkromte op ééns een' glans ontving,
 
Nog nooit bemerkt in 't oord der zwermende Orionnen.
 
 
 
‘Wees driewerf welkom! riep ze, in 't Rijk der oosterzonnen!
 
De noorder chaos, die u baarde, ontsloot zijn' nacht.
 
Ik groet u, jongste welp van 't Noodlot! - Vlied zijn magt;
 
Spoed, zonder aarzlen voort, en tracht de streek te naderen
 
Waar lichtstofvonken zich in 't hoogere Oost vergaderen,
 
Die, nog onzeker, dan eens hier dan daar verspreid,
 
Een rustpunt zoeken, dat hen aantrekke en geleid'!
 
Ontvlugt, ontvlugt, vooral, het breede middennoorden,
 
Met zwarten damp bevrucht, en van wiens vale boorden
 
Een bloedig, rookend vuur den omtrek kennen doet -
 
't Gewest van 't misdrijf, waar 't onsterfelijk gebroed,
 
't Kwaadwillend kroost van 't boos beginsel, euveldaden
 
Op euveldaden hoopt, en zich niet kan verzaden
 
In 't haten van de bron des lichts, wier laatste kracht
 
Het tastbaar duister van hunn' zaamgepersten nacht
 
Drukt - en huns ondanks (schoon zij 't in hun woede ontveinzen)
[p. 37]origineel
 
Traag en onmerkbaar naar hunn' afgrond heen doet deinzen,
 
Die, telkens meer verdikt, te feller weêrstand biedt. -
 
Zijn donder brult u achterna! Vlied, elos, vlied!
 
Verhef u, schemerlichtje, aan 't eind dier nevelvlakken
 
Wier zonnenrijen zich als neêrgebogen takken
 
Van 't Noorden afgewend vertoonen, flaauw van glans;
 
En word mijn lievling aan dien kleinen hemeltrans!’
 
 
 
Dus sprak ze. - En miral, wien die taal de ziel verrukte,
 
Terwijl hij haar voor 't eerst den maagdeboezem drukte,
 
Smolt in de omarming weg, waarmeê hij haar omving.
 
‘Ach! riep hij, met het vuur eens minnaars, Hemelling,
 
Die naauwlijks d' eersten rang bekleedt aan de Oosterkimmen!
 
Voelt ge uw bestemming reeds? - Voelt gij de vonk reeds glimmen
 
Van 't Godlijk liefdevuur, dat ons de borst doorwoelt,
 
Dat telkens sterker blaakt, dat nimmer wordt bekoeld,
 
Maar aangroeit als de dag van 't eeuwig rijpend leven?’ -
 
‘Het zonnestelsel, dat gij, wagglend nog, ziet zweven,
 
Tot welks beschermgeest ge u zoo plegtig hebt gewijd,
 
Zij u ten bruidschat, en uw lievling voor altijd!
 
Gij noemde 't elos, naar uw' naam; 't zij u geschonken.’
[p. 38]origineel
 
Nu voelde eloïda de koesterende vonken
 
Van 't geestig vuur, dat hart, en brein, en boezem treft,
 
De rede aanschouwen doet, en 't zelfsgevoel verheft
 
Tot de eigenliefde van een hoog vrijmagtig wezen.
 
Haar ligte rozenkleur gloeit hooger dan voor dezen,
 
En langzaam daalt ze omlaag, bekleed niet Majesteit,
 
Naar 't oord, waar elos kern haar somber licht verspreidt.
 
 
 
Straks ziet ze een zestiental voortschietende planeten
 
Haar gloeijende oppervlakte ontsnellen, afgemeten
 
Naar de eerste zwaaikracht van 't gestarnte, dat ze droeg.
 
 
 
De eerste aardklomp, dien zij aan heur evenaar ontsloeg,
 
Was typhon; dezen wierp zij krakend naar het Noorden.
 
Hij kwakte dondrend neêr op 's afgronds ijzren boorden.
 
Het nachtrijk sidderde op 't ontzaggelijk gekraak
 
Van 't schrikbaar wangevaarte, en gierde en gilde ‘wraak!’
 
Toen wierp het cyclops naar het laagre deel van 't Westen,
 
En python hooger op naar de uitgebarnde vesten
 
Van 't saprijk plantenlicht; door uranus weldra
 
Op 't eigen spoor gevolgd; hem zwiert saturnus na,
 
Doch beide laatsten meer door 't noorden aangetrokken,
[p. 39]origineel
 
Met dertien manen, die als kleinre zonnebrokken
 
De kern omsinglen, die ze voortsleept in haar vlugt. -
 
Saturnus met meer vuur en etherstof bevrucht,
 
Behoudt er zeven die hem in zijn vaart verzellen.
 
Een gordel licht schijnt uit zijn' donkren grond te zwellen
 
En lacht het noorden toe, dat, door dien glans verbaasd,
 
Dit wentlend nachtlicht vloekt; en magtloos grijnst en raast. -
 
 
 
‘Hoe? - (brulde armithoal wien 't blikkrend schijnsel kwetste,
 
Daar hij met drabbig bloed zijn' dollen wraaklust leschte)
 
Hoe, slaven! waant ge u vrij, en van de zwaartekracht
 
Der ongeworden stof en 's noodlots looden nacht
 
Ontkluisterd? In wat oord zult ge immer schuilplaats vinden
 
Voor de almagt, die 't heelal en 't Godendom verslinden,
 
En eenmaal weder in haar' chaos slingren zal? -
 
Weêrspannelingen! - Zijn dan 't onbegrensd heelal,
 
Die schijn van vrijheid, ja, God zelf, niet uit die moeder
 
Ontsproten? - Vrees haar wraak, wanneer zij eens, verwoeder
 
Dan toen zij 't eerste licht te voorschijn had gebragt,
 
Dien hoon zal wreken op 't vertroeteld nageslacht
 
Der laatste bollen die uw rooktoorts uit zal werpen.
 
Uw zucht naar vrijheid zal heur geeselroede scherpen.’ -
[p. 40]origineel
 
Hij sprak nog; - en de zon wierp rhea siddrende uit.
 
Zij week naar 't Zuiden; maar met een beklemd geluid
 
Verliet ze d' oorsprong harer wording, zonder wachter;
 
Zoo deed ook mulciber, maar lager dalend. - Achter
 
Dien laatsten Elostelg volgde eindlijk jupiter. -
 
Het tintlende Oosten zag dees zilverblanke ster
 
Zich stout verheffend en vol zelfvertrouwen naderen,
 
Met vier trawanten die zich om zijn vlak vergaderen.
 
 
 
Nu glinsterde elos kern in luisterrijker' gloed,
 
Schoot vlammende aders uit zijn vlakte - rood als bloed;
 
Zijn zwarte rook verdween voor 't vuur dier breede stralen,
 
Rust, riep eloïda; thans moogt gij adem halen;
 
Gij zijt in veiligheid; en 's afgronds gruwelnacht
 
Poogt u thans vruchteloos te storen in uw dragt:
 
Hij voelt het licht, dat hem verbijstert, langs de zoomen
 
Van zijn gevloekt gebied; met zwarte lavastroomen
 
Bestormt hij nutteloos uw donkerste planeet.
 
 
 
De tweede korst der zon zwol op, ontvlamde, en smeet
 
Een viertal bollen van zich af, vol vuur en leven,
 
Maar klein, gelijk in kracht, naar 't zuiden heen gedreven;
[p. 41]origineel
 
En kort daarop dringt mars loodlijnig naar omlaag,
 
Bloedrood van glans, gering van omgang; statig traag,
 
Maar zeker in zijn' zwaai en gang. - Met duizend monden
 
Scheen hij aan 't West' de komst van tellus te verkonden,
 
Zoo dreunde 't firmament toen hij de Zon verliet,
 
Die niet dan na dien galm onze aarde van zich stiet. -
 
Onze aarde, fonklend wit, slechts door één maan beschenen,
 
Week, afwaarts hellend, naar het noordlijk westen henen.
 
Die grootste bol der tweede schepping blonk van ver,
 
Voor 's nachtlings oog gelijk een tweede jupiter.
 
 
 
Nu wentelde de zon met zachte purperglansen
 
Zich vrolijk om hare as, en vond aan 's Hemels transen
 
't Oord dat eloïda haar aanwees. - ‘Vorm voortaan
 
Aan 't eind des neveldals, dus sprak ze, uw gloriebaan!
 
Nog tweemaal zal uw kern zich aan de beide polen,
 
Maar met verzwakte kracht, ontsluiten; diep verholen
 
Dringt venus reeds van uit uw middenpunt omhoog.
 
Zij zal den dageraad aan tellus hemelhoog
 
Verkondigen, of bij uw dalende avondstralen
 
Voor 't menschelijk geslacht in stillen luister pralen.
 
Haar volg' mercurius aan de andre zij' der as!’ -
[p. 42]origineel
 
't Geschiedde op haar bevel; en 't zonnestelsel was
 
Voltooid. - Nu kwam het heer der zwervende oostervlokken
 
Uit vloeijbre stof gevormd, door elos aangetrokken,
 
D' ontboeiden Noordeling begroeten, en begon
 
Zijn' langen kringloop om de jongste wereldzon. -
 
 
 
Aan mirals zijde, sloeg eloïda hare oogen
 
Op 't aardrijk, woest en dor, of met een zee omtogen
 
Van gloeijend lava, dat uit duizend Etna's spoot,
 
En dwarlende onderéén langs smeltende oevers vloot.
 
Het vuur woedde op de stof, en deed ontembre wolken
 
Van zwarten rook en damp opdondren uit de kolken
 
Van 't ziedend middenpunt der aarde, of smolt tot glas
 
En lagen bergkristal wat niet tot kalk of asch
 
Verteerde, of overging in stroomende metalen. -
 
De bergen ploften neêr, terwijl de ontroerde dalen
 
Hunn' schoot al klaatrende uit dien vreeselijken poel
 
Van duizend strijdende elementen, en 't gewoel
 
Van pool- en zwaartekracht, naar 't donker zwerk verhieven. -
 
 
 
Gij zongt een scheppingslied, onsterslijke gelieven!
 
En daalde, zeegnend, op heur zwangre wolken neêr,
[p. 43]origineel
 
Toen de eerste regenvloed, gelijk een stortend meer
 
In alle rigtingen op de aarde losgebroken,
 
Haar sissende oppervlakte aan allen kant deed rooken.
 
Een tweetal eeuwen hield dit aan, terwijl het paar
 
Den zwangren dampkring aan den zwellend' evenaar
 
Doorzweefde, en barstte los in heldre waterstralen.
 
Het plaste stroomende op de neêrgedrukte dalen,
 
Doordrong de diepten, klom van daar geduríg op,
 
Tot dat het, eindlijk, om der hoogste bergen top
 
Met kokend golfgeklots de laatste vlammen koelde,
 
En slechts één Oceaan het aardrijk overspoelde. -
 
Een dikke op eengedrongen mist, met gruis bevracht,
 
Omkorstte van rondom den bol; een dikke nacht
 
Woog op d'ontembren vloed, tot dat de zon haar stralen,
 
Uit reiner bron geteeld, op 't zwerk deed nederdalen.
 
Toen scheurde 't zich vanéén, en de eerste dag brak aan.
 
 
 
‘Hier moet mijn invloed, als eerst 't menschdom zijn bestaan
 
Aan de aarde ontwoekerd heeft, zich 't krachtigst' doen ontwaren,
 
(Sprak Mirals gade, en bleef op 't wentlend aardrijk staren)
 
Hier, niet te ver van 't vuur der zon, en niet te digt
[p. 44]origineel
 
Aan 't anders al te fel neêrstralend hemellicht,
 
Moet eens, als 't vratigste gedierte zal verdwijnen,
 
Een eedler schepslenteelt vol Majesteit verschijnen,
 
Dat heerschend aan het hoofd des dierenrijks zal staan.’
 
Nu kruiste 't zalig paar van uit de zonnebaan
 
Der aarde, en 't peinzend oog naar 't noorden heengeslagen,
 
Door 't overige stel van bollen; rondgedragen
 
Op de eigenste etherwolk, waarmeê 't Mirrosamiet,
 
Hun eeuwig Vaderland en woonoord, 't eerst verliet. -
 
 
 
Maar - toen 't van cyclops vlakte ook typhon wilde naderen,
 
Gevoelde eloïde in haar fijn bewerktuigde aderen
 
Een ligte huivering. Zij deinsde een oogenblik
 
Te rug; haar gloênde kleur verbleekte, als of een schrik
 
Voor naderend gevaar haar eensklaps had bevangen. -
 
Een vreeslijk rot, de baard en 't hoofd met ratelslangen
 
Gewapend, kiemde voort uit Typhons looden klomp.
 
Het hoofd draaide ijsselijk langs d' opgezwollen romp,
 
Wiens reuzengrootte 't zwaarst gebergte van onze aarde
 
In digtheid overtrof, in omvang evenaarde.
 
't Ontwrong zich 't bloedige moeras waarmeê 't zich voedt;
 
De wenkbraauw beefde, en dreigde, en zwol van euvelmoed,
[p. 45]origineel
 
Of dwong zich doddrig naar de navelbuis, wier koorden
 
De oppuilende aarde van de moederkorst doorboorden
 
Der barende planeet; waaraan elk wangedrocht,
 
Nog niet voldragen, in zijn' wasdom bleef verknocht.
 
Een walglijke ouderdom met rimpels overladen
 
Vertoonde zich aan 't zwellend voorhoofd, breed van naden
 
En zaamgetrokken; 't wrong de handen in elkaâr.
 
De lippen grijnsden, en een akelig en naar
 
Geluid vervulde alom de vruchtbre jammerstreken,
 
Waar dit wanschapen kroost al weemlend door kwam breken.
 
 
 
‘Herstel u, eloïde, en ken dit basterdzaad
 
Van 't Noord, (sprak miral) in zijn' magteloosten staat!
 
Dit heilloos overschot dier poel kleefde in het vlugten
 
Uw' lievling aan; maar 't heeft er niets meer van te duchten;
 
't Verloor de onsterflijkheid, en wijdt zich aan den dood,
 
Sints 't met zijn' gruwbren bol ontvlugtte uit elos schoot,
 
Om tegen 't Noorderstand weêrstandloos neêr te ploffen. -
 
Van daar te ruggekaatst, tot in zijn kiem getroffen,
 
Verloor deze eerstgeboorne en woeste nachtplaneet
 
Al, wat me een oogenblik voor elos siddren deed.
 
't Is wijl wij naderen dat zij dus kermend huilen;
[p. 46]origineel
 
Besefloos zoeken zij voor ons zich te verschuilen;
 
Hun slangen zwellen en verheffen zich omhoog,
 
Of lekken met hun tong het half geopend oog.’ -
 
‘Het zal zich onderling bestrijden en verdelgen,
 
En typhons ertsgrond zal hun etterbloed verzwelgen
 
Als eenmaal 't schandrot, in zijn' hoogsten groei en kracht,
 
Zijn' oorsprong in zich-zelf herkennen zal.’ - ‘Wat magt
 
(Vroeg thans eloïda, en in haar Godlijke oogen
 
Gevoelde zij voor 't eerst een traan - van mededogen)
 
‘Wat magt, zoo onbegrensd en onverzetlijk kwaad,
 
Zoo ver verwijderd van de liefde, en aan den haat
 
Geheel ten prooi - beheerscht dan de andre duisterlingen?
 
Zoo dit het lot zij dier verzwakte bannelingen;
 
Wat is dan 't onheil, dat in d' eindeloozen nacht
 
't Onsterslijk eigen kroost van 't eeuwig noodlot wacht?’
 
 
 
‘Wat vraagt gij, teedre bloem, geteeld aan de Oostertransen
 
En met het zog gevoed, dat afdrupt van de glansen
 
Des zuivren luchtstrooms, die ons hemelsch oord doorwoelt,
 
En staâg versnellende en verheldrende opwaards spoelt; -
 
(Hervatte miral:) Wat, toch, vraagt ge naar 't gebroedsel,
 
Dat eeuwig hongrend naar het zielverpestend voedsel
[p. 47]origineel
 
Van bloedige offers, aan zijn moord- en gruwelpoel
 
Gewijd, en aan zijn snood, weêrbarstig zelfgevoel
 
En wreeden tijgeraard geheel ten prooi gegeven -
 
Een voor zich-zelve slechts gevoelend, wrokkend leven,
 
Vol afgunst, wrevel en ijskoude trotsheid leidt?’ -
 
 
 
‘Wat vraagt gij naar het ras der laagste dierlijkheid;
 
Dat, met den hoogsten graad van kennis, list, en oordeel
 
Verbonden, 't misdrijf mint, doch niet om eigen voordeel;
 
Niet om 't geluk, of ter vermindring van zijn smart,
 
Maar zelfs in weêrwil van zijn fijn bewerktuigd hart,
 
Dat door 't bewustzijn zijner snoodheid wordt gemarteld,
 
Zich tegen 't leed verhardt, en in de wanhoop dartelt;
 
Dat alles voor zich-zelf, voor andren niets wil zijn?
 
Hun middelbare lengte is aan de middellijn
 
Van jupiter gelijk, voor hen die aan de boorden
 
Van 't nachtrijk wonen, maar die dieper in het Noorden
 
Doordringen, wassen staâg in snoodheid, lengte en kracht;
 
Doch meer verblind dan de andre in hunne woede - tracht
 
Hun trotsche razernij het lichtrijk te verdelgen:
 
Hun stoutheid, wanen zij, zal 't Oosten eens verzwelgen.
 
Moeddronken, zien zij niet, dat elke poging faalt,
[p. 48]origineel
 
Ja, dat ze, integendeel, het oosterlicht doorstraalt,
 
Zoo vaak ze aamechtig in 't verderven en vernielen
 
De stof, die weêrstand biedt, vergruizende bezielen,
 
En uit den steenklip- en bergbrakende oceaan
 
Met eeuwig afgrondijs beladen, vonken slaan.
 
Zij zelf doen de in elkaâr gekramde en ongeworden
 
Doode alstof rijpen, en tot de eerste levensorden
 
Ontwaken; 't is door hen, dat de afgronds kerker baart,
 
En langs zijn grondloos diep nachtstelsels scheidt, en paart,
 
Die eindloos traag, zelfs voor het oog dier noordelingen
 
Onmerkbaar wentlen in hun nooit voltooide kringen;
 
Tot, eindelijk, het lot een' afgeweken bol
 
Bij de oost- of westerrand aan 't duister jammerhol
 
Ontscheurt, om, even als gij elos zaagt ontsnellen,
 
Een' rang te zoeken bij de ontelbre wereldstellen. -
 
Maar wee den vlugteling! die in zijn vaart gestremd
 
En in de klaauwen van die Molochs vastgeklemd,
 
Te ruggevoerd wordt, en verbrijzeld op de stranden,
 
Waar zich armithoal, het Hoofd dier dwingelanden,
 
Als beul en wreker van het Noodlot kennen doet,
 
Aan d' oever van dat meer van schier geronnen bloed
 
Dat langzaam golft en zwelt en opsplijt onder 't lillen.
[p. 49]origineel
 
Vraag niet wat Monsters daar den eeuw'gen moordkreet gillen,
 
De streek bevolkend, waar ge uw bevend oog op vest;
 
Wend, wend uw Goddelijk gezigt van dit gewest!’
 
 
 
Maar elos schutsgodin door weetlust aangedreven,
 
Antwoordde en sprak: - ‘Ik moet thans voor mijn' lievling leven;
 
Ik moet den vijand, schoon zijn magt ook grooter waar'
 
Dan de onze, kennen, hem bestrijden, en 't gevaar
 
Dat elos en, met haar, mijn tellus dreigt, doorgronden!
 
Mijn lot, ('k gevoel het) is aan 't hare thans verbonden.
 
Neen, 'k zal niet rusten, eer 'k de magt ken, die voortaan
 
Met openlijk geweld of list mij zal weêrstaan! -
 
Doch - zoo die Monsters 't diep der peillooze afgrondskolken,
 
Hoe hatend en vol wrok en afgunst ook, bevolken;
 
Dan kennen zij de liefde; en....’
 
 
 
‘Staak, riep Miral, staak
 
Dit aaklig onderzoek! - In 't foltrend minvermaak
 
(Een' togt ons onbekend, en aan die vloekgenooten
 
Ten straf gegeven) is het vloekgeheim besloten,
 
't Geen 't noodlot hun gelijk een priem in 't harte dreef!
 
Maar ge eischt het, eloïde? - ô Ken die liefde, en beef!’ -
 
 
[p. 50]origineel
 
‘Geen vrouwlijk wezen kan de stikwalmlucht verzwelgen,
 
Die de ijzren longen dier verwoede noodlotstelgen
 
Gestaâg verdikken door het gruwzaam drakenzaad,
 
Welks dojer in het zwerk zich van de schelp ontslaat;
 
Waar uit het giftig en dood-aadmend vliegend kieken,
 
Zich in de lucht verheft met knettrende arendswieken.
 
Geen vrouwen, schoon als zij onsterflijk, en geteeld
 
Uit d' eigen grondstam naar 't afschuwlijk evenbeeld
 
Van 't vloekras - kunnen in die koolgroef adem halen.’
 
‘Ze ontvlugten van rondom de omlaaggetrapte dalen,
 
En dringen telkens meer naar 't Westersche gebergt',
 
Waar 't groenend schemerlicht, ofschoon 't hare oogen tergt,
 
't Roodkoperkleurig lijf met zachten wellust prikkelt,
 
En de afgeplatte borst doet zwellen en ontwikkelt.’ -
 
‘Schoon zijn ze van gestalte en kleur, als voor het licht
 
De afzigtelijke kleur van 't opperhuidvlies zwicht,
 
En schittren als het goud, waarmeê thans elos flonkert. -
 
Doch telkens als de haat dien starrengloed verdonkert,
 
En 't sluimrend slangenhaar, dat golvend langs den hals
 
En boezem wappert, steil doet rijzen, toont dit valsch
 
Minhuichelend geslacht de oorspronkelijke trekken,
[p. 51]origineel
 
Die, lang verscholen, zich te duidlijker ontdekken.
 
De gladde huid krimpt zaam', 't eerst lonkend oog spuwt vuur
 
En doffe vlammen uit. Een rotsdoorknagend zuur
 
Breekt als een gudzend zweet uit d' ingepersten boezem.
 
De mond grijnst, en de keel braakt d' opgekropten droessem
 
Langs de opgetrokken fel bewogen lippen uit,
 
Tot de opgesperde mond zich tandenknarzend sluit. -
 
Doch nimmer woedt die kwaal zoo sterk in 't jagend harte,
 
Dan bij het nameloos gevoel der liefdesmarte,
 
Wanneer 't Godtergend vuur diens togts haar in den arm
 
Van hare beulen werpt. - In 't angstige gekerm
 
Om dat ze, in 't midden van dit blaken, vruchtloos trachten
 
Hun wreede minnaars te verwurgen, en haar krachten
 
Om niet verspillen, bij de drift die haar doorgloeit -
 
Vervloeken zij het lot dat ze aan het leven boeit,
 
En lastren.... Doch wat taal schetst u die heiligschennis?
 
ô! In dat oogenblik ontwaakt bij haar de kennis
 
Der altijd scheppende Natuur; zij zien het doel
 
Dier schepping; hoe ook zij, zich ondanks, door 't gevoel
 
Dat haar verbittert, tot een hooger aanzijn rijpen.
 
Zij onderdrukken het; en sidderend begrijpen
 
Zij 't heilig raadsel der albarende Natuur.
[p. 52]origineel
 
Dan zien zij 't met meer kracht dan wij; maar vloeken 't uur
 
Dat aanspoedt, hoe zij 't meer ontveinzen en verzaken.’
 
 
 
‘Wij zullen dan ook eens 't geluk, de liefde smaken.
 
(Zoo momplen zij, en zien elkaâr stuiptrekkend aan)
 
Hoe, wij almagtigen? - Wij zullen dan voortaan
 
Door dezen hartstogt zelf het Rijk der deugd doen dagen!’
 
‘Ook wij, slavinnen van de liefde? - Neen, vertragen,
 
Verdelgen wij, kan 't zijn, dien laffen dageraad! -
 
Wijkt, Goden van den nacht, wijkt oostwaarts heen! versmaadt
 
De omhelzing eener vrouw. - In 't onnatuurlijk blaken,
 
In 't zielverbijstend kunne- en scheppingsdrift verzaken
 
Bereikt gij 't best den wil der ijzren moedernacht.
 
Wat helpt ons, haters onzer schoonheid - nageslacht
 
En steeds verzwakkend kroost, dat eenmaal, aan de zoomen
 
Van 't hellend starrendal, door sterfelijke droomen
 
Ontrust, ten spot zelfs van den zwakk' armithoal
 
En 't noordsch gepeupel, over 't Godsrijk beuzlen zal.’ -
 
‘Wij zullen dieper in het vochtig zoele westen
 
Onz' invloed gelden doen; en 't avondrijk verpesten;
 
Die halve Goden in hun hoop op beter' staat,
[p. 53]origineel
 
Maar diep onkundig in hun onschuld met verraad
 
Ons juk doen torschen, en ten slavenstand vernederen.
 
Wij zullen dit verwijfd geslacht nog meer verteederen;
 
Terwijl gij - ver van ons, de Diamantenpoort,
 
Die 't noordlijk Oosten, dat op 't Oostelijke noord
 
Gedurig zwaarder weegt, verplettert of doet deinzen.
 
Wij, meer vermogend door een zielbegoochlend veinzen
 
En 't levendigst gevoel der kunst - wij zullen ras
 
Het saprijk plantenrijk, waar 't purper klavergras
 
De dorste rotsen siert, aan 't nachtrijk cijnsbaar maken.’ -
 
‘'t Is waar - wij kunnen hen 't geluk niet doen verzaken,
 
De dorst naar zaligheid, de teedre liefdesmart
 
En heil'ge dweepzucht niet verdelgen in hun hart;
 
Maar - 't noodlot zij er voor gedankt! zij kunnen lijen.’
 
‘Die troetelkindren der verbeelding, die zich vleijen,
 
Dat we eenmaal door 't genot ontwapend zullen zijn -
 
(Wat waanzin!) zullen dra in angst en boezempijn,
 
Aan ons gelijk, de deugd, zich-zelve, en God vervloeken.
 
Maar zwakker, zullen zij 't geluk in 't misdrijf zoeken.
 
De worm der wroeging, die ons nooit aan 't harte knaagt,
 
Ons door geen naberouw of zelfsverwijt verlaagt,
 
Zal hun een bron zijn van nog onbekende plagen. -
[p. 54]origineel
 
Doch magtloos om het leed, dat hen verbeidt te dragen,
 
Met de almagt, die in ons de wanhoop juichen doet,
 
Ziet ge eerlang, 't waatrig kroost, ontbloot van hoop en moed,
 
Hervormd, om aan uw zijde op de Oostlijke moerassen,
 
Waar 't noorden zich verliest in onafzienbre plassen,
 
Gehoorzaam op uw' wenk, uw' wil ten dienst te staan.’ -
 
 
 
‘Zoo sprak de eerzuchtigste dier bende ararbar aan,
 
Toen hij haar d' eersten kus ontweldigde; en ontsnelde
 
Den woesten wreedaard die haar in zijne armen knelde.
 
Haar naam is sebathel, min snood dan de andre; maar
 
Volleerd in 't veinzen en steeds dorstend naar gevaar.’
 
 
 
‘Aan 't wester-ende van den eeuwig duistren kerker
 
Vertoont zich de onbestijgbre afbaaknende oordbeperker
 
Van 't moordhol, eindloos hoog, en breed, van rondom steil. -
 
De top dier rots ontsnapt 't verst turend oogenpeil.
 
Daar stroomt de Nuschach die, opspuitend voortgedreven,
 
Zijn taai veerkrachtig vocht in 't borlen vast doet kleven
 
Aan 't goudmijn koestrende en breedruggige gebergt'
 
Dat, in den afgrond diep verholen, 't voetstuk tergt,
[p. 55]origineel
 
Waar op het schuddend rust, maar zonder neêr te ploffen. -
 
Bezwangerd met de keur der fijnste en zwaarste stoffen,
 
Strekt het ter schutsweer van het bloeijend Avondrijk.’
 
 
 
‘Hier nam de snoode met heur vrouwenschaar de wijk.’
 
 
 
‘Slechts enkle, door hun kwaal (de lichtvrees) 't minst bevangen,
 
En, aangetrokken door een heimelijk verlangen,
 
Beklauteren de rots langs d' opgedrongen stroom,
 
Die kronklend naar omhoog zich uitbreidt. Langs den zoom
 
Dier klimmende rivier bestijgen zij 't gevaarte,
 
En voelen steigrend, dat een wondre tegenzwaarte
 
Haar aantrekt, hoe zij meer de nog onzigtbre kruin
 
In 't voortgaan naderen. - Het glibberig arduin
 
Schraagt met zijn zeilsteenkracht de kromgewrongen vingeren
 
Van de ijzren vuist en voet in 't knellend bultomslingeren,
 
En 't slanke ligchaam, dat zich wrijvend langs den kant
 
Van 't kronklend water als een slang omhoog wringt, spant
 
De snelbewogen spier in 't krimpen en in 't rekken.
 
Maar als de vonken, die zij wrijvend naar zich trekken,
 
Den gitzwart' oogbol fel doen tintlen, storten zij
 
Stuiptrekkend neder op den grond, waar 't springgetij
[p. 56]origineel
 
Van Nuschach ruischend klimt. - Maar onder al de vrouwen
 
Stijgt sebathel het snelst'. Vol moed en zelfvertrouwen
 
Verduurt zij 't knettrend licht, dat voortschiet uit de rots. -
 
Al juichend, lacht ze om 't leed der andren; in haar' trots
 
Bespot ze 't ijslijk wee en 't hartverscheurend gillen
 
Der neêrgeploften, die hun woede en kracht verspillen
 
Om haar ten tweede maal te volgen; tart en tergt
 
De diepvernederden, die van 't beslikt gebergt',
 
Dat telkens steiler wordt en afhelt, nederdondren.’
 
 
 
‘Wanneer gij (schatert zij) met mij het Westen plonderen.
 
En onderwerpen wilt aan onze duisternis;
 
Gewen u dan aan 't licht, dat minder haatlijk is
 
Dan de oostervonken, die zij vaak verzwelgen moeten,
 
Die d' ochtend diamant vertrapplen met hun voeten. -
 
Hen haat ik min dan u, lafhartigen! Zij zijn
 
Voor 't minst, hoe zeer misvormd door de uitgestane pijn,
 
Verheven boven 't wee, dat aangroeit met hun pogen.
 
't Is wonder dat gij niet met tranen in uwe oogen
 
Den oorsprong van het licht geknield vergifnis smeekt!’ -
 
 
 
‘Zij snelt met meerder kracht naar boven, daar zij spreekt,
[p. 57]origineel
 
Doorwaadt de donderwolk, die door de ontelbre kloven
 
Des rotssteens sterker brult, hoe meer zij zich naar boven
 
Ten bergtop opdwingt; maar de moed ontzinkt haar niet.
 
Vergeefs is 't, dat de wolk ontelbre bliksems schiet:
 
De ontembre spalkt te meer haar trillende oogenleden.’ -
 
 
 
‘Haast zal haar voet den grond van 't bergplateel betreden.’
 
 
 
‘Wat kalmte ontwaart zij, toen ze op eens den breeden stroom
 
Naar 't West ombuigen ziet! - Maar toen haar hand den zoom
 
Die de eigen rigting volgt, flaauw nederwaarts voelt hellen,
 
En met den laatsten greep ook de oeverbogt mag knellen,
 
Voelt ze een bedwelming, die haar hart en brein vervult.’
 
‘Maar weêrstand biedend, en met nijdig ongeduld
 
Zich opwaarts wringend, tot de knieboog rust vindt, springt ze
 
Met de armen uitgesprekt met kracht vooruit, en wringt ze
 
Om d'olmboom van de hoop, die 't eerst hare oogen treft.’ -
 
‘Geen tijger, die zijn prooi omlaag begluurt, verheft
 
Zich met die snelte, en woede, en veerkracht op van de aarde. -
 
Doch magtloos door den slaap die thans haar hoofd bezwaarde,
 
Zijgt ze ijlings neder; maar de boom, van bast ontbloot,
 
Kermt, kwijnt en dort, en laat, bij 't naadren van den dood,
[p. 58]origineel
 
Zijn klagend loover op de ontmoschte steenrots vallen.
 
De Myrthenwouden, die omlaag 't gebergte omwallen,
 
Verliezen 't fijnere gevoel van hun bestaan.
 
Zij aadmen nog, maar traag en treurig, om voortaan
 
Een groeijend leven, schier besefloos aan te vangen. -
 
Het vleezig hout verstijft, en ruwe schorsen prangen
 
De zaamgedrukte spier, die niet meer zwelt of krimpt.
 
Het melkwit gommig sap, dat uit den wortel klimt,
 
Wordt waatrig; - 't ongediert, nog vreemd in de avondstreken
 
Komt uit de kiem der aarde aan alle kanten breken,
 
En hecht zich aan den knop van 't geurigste gewas,
 
Zoo ver haar adem reikt. - De snoode ontwaakt, en ras
 
Ontdekt zij 't onheil, dat hare aankomst moest verzellen.’
 
‘De Westerlingen ziet ze alreê ten weêrstand snellen,
 
Ontelbaar als 't gestarnt', dat in de nevelzee
 
Ons oostelijk gebied ten gordel strekt. - Alreê
 
Genaken zij 't ontzield geboomte, en zien de takken
 
Der gouden palmen bleek en treurig nederzakken;
 
En van de noorderklip verheft een zwarte damp
 
Zich warlend naar omhoog. - ‘Zie daar de bron der ramp!
 
(Roept de edele olphirag) volg mij langs Nuschachs boorden,
 
Die langzaam klimmende, diep uit het grimmig noorden
[p. 59]origineel
 
Zich met vijf takken in onze oorden nederlaat! -
 
Ach, hadden wij voor lang, eenstemmig met mijn' raad,
 
Dat grensoord met ee