Bij het beschouwen eener teekening, voor een op te rigten Gedenkteeken, ter nagedachtenisse van Pieter Nieuwland, voorstellende eene eenvoudige grafzuil, aan welker voet natuur, weenende om haar kind.
Wat zie ik? - In elk vak verslagen kunstgenooten!
Wat slag heeft u zoo fel ter aarde neêrgedrukt?
En tracht gij nog door kunst uw droefheid te vergrooten? -
Waarom zoo ademloos? - Is nieuwland u ontrukt?
Ja wring dan, wars van troost met lijkmisbaar uw handen!
Treurt! - Want zelfs de afgunst voelt een traan in 't grimmig oog.
Natuur zinkt magtloos neêr: haar hart en ingewanden
Zijn zaamgeprest door 't leed, dar aller hoop bedroog.
Haar zoon, haar lieveling, aan wiens gelaat en trekken,
Het moederlijke beeld - en aan wiens schoone ziel,