Op het Tooneel zag men een vrouwengedaante in eene zittende houding, in de eene hand eene stralende zon houdende, waarvan haar gelaat en kleed het licht schijnt op te vangen, en dus de Verlichting voorstellende, toonende met de andere hand een' krans, waaraan ligtgroene bladeren, bloesem en rozenverwige vruchten, zigtbaar waren. Zij was zoodanig geplaatst, dat sardet, die in het kleed van fenelon door wattier op het tooneel geleid werd, haar bij zijne opkomst niet gewaar kon worden.