terug  begin  verder
[p. 152]origineel

Aan de behaagzieken.

- - - mais une coquette est un Tyran, qui veut tout asservir, pour le seul plaisir d'avoir des esclaves - - son orgueil se fait un jeu de notre foiblesse, et un triomphe de nos tourmens: ses regards mentent, sa bouche trompe, son langage et sa conduite ne sont qu'un tissu de piéges, ses graces sont autant de Sirènes, ses charmes autant de poisons.
marmontel.
 
Och, mogt ik u nimmer aanschouwen,
 
ô Schoonen, wier bijzijn ik ducht!
 
Mijn oog is bevreesd u te ontmoeten;
 
Ligt mogt u mijn hart niet weêrstaan.
 
Niet gij, ô bekoorlijke schooheên
 
Die, zelf door de liefde geleerd,
[p. 153]origineel
 
Aan de oogen van hem wilt behagen,
 
Om wien gij in 't eenzame zucht!
 
Ook gij niet, die al te ongestadig,
 
Nu lycas dan damon bemint!
 
Uw omgang is minder gevaarlijk;
 
Gij voedt in uw hart geen verraad.
 
Uw ontrouw, uw zwakheid, uw liefde
 
Verdienen de afkeerigheid niet,
 
Die 'k voel op het enkele denkbeeld
 
Van haar, voor wier bijzijn ik beef!
 
 
 
Gij zijt het, gevoellooze wezens!
 
Die 't zoete der liefde niet kent;
 
En die door de kunst van behagen
 
Uw hart voor haar' invloed verstaalt;
 
Wier koele, maar kunstige lonken,
 
Door haatlijke zelfsmin bezield,
 
En zachte gemaaktheid verteederd,
 
Niets aadmen dan wreedheid en wraak!
 
Uw schuw ik. De klank van uw woorden,
 
Hoe streelend voor hem, die u mint,
[p. 154]origineel
 
Voor hem, dien gij kiest tot uw offer,
 
Is doodlijk; zijn doel is verraad!
 
 
 
Eens zag ik den teederen jongling;
 
Maar 'k zag hem op d' oever des doods:
 
Hij kwijnde, en een staamlende vloekstem
 
Klom op uit zijn minnende borst. -
 
Ja, snooden! - toen zag ik een offer,
 
Gelijk uwe ziel het begeert! -
 
Verwoesters der zaligste driften!
 
Waarom gaf Natuur u die kracht?
 
Of gaf ze u, die Godlijke gaven
 
Omdat gij haar wetten verzaakt? -
 
Ontnam ze u, tot loon uwer trotsheid,
 
Al 't geen gij zoo tergend misbruikt
 
En riepen op eens al uwe offers:
 
‘Gij hebt geen bevalligheid meer!’
 
 
 
Te rug, onvoorzigtige jongling!
 
Te rug, zoo ge uw veiligheid mint!
 
Gij dwaalt, zoo gij waant dat de liefde
 
Dees giftige plaatsen bewoont! -
[p. 155]origineel
 
Ga ginds naar het beeld, dat de kunstnaar
 
Zoo schoon voor het oog heeft gevormd:
 
Voel slechts dat gelaat - en zijn kilheid
 
Roept luidkeels: ‘Ik ben niet bezield!’
 
Maar, nader dit kunstig gelaat niet:
 
't Is reeds voor den spiegel bezield.
 
Het aast op uw rust. - Treê niet nader:
 
De kilheid bewoont hier het hart;
 
Het vuur door Natuur haar gegeven,
 
Werd in zijnen oorsprong verdoofd.
 
 
 
Gaat voort, al te ondankbare schoonen!
 
Wroet vrij in de schepping! - maar, beeft!
 
Nog eens zal uw boezem ontvlammen;
 
Nog eens zult gij hopeloos minnen -
 
Hij, dien gij beminnen zult, leeft!
 
En dan.... Ja, verschrikt vrij, ontaarden! -
 
Uw schoonheid zal dan niet meer zijn.

1786.

terug  begin  verder