terug  begin  verder
[p. 159]origineel

De gestafte nieuwsgierigheid.

 
Laat de Wijsgeer ons verachten,
 
Daar hij schimpend op ons ziet;
 
En zich boven ons verheffen!
 
Kloë! och, ontrust u niet.
 
 
 
Zaagt gij wel, toen we uit dat boschje
 
Gistren kwamen - hoe hij mij
 
Met een nijdig oog begluurde?....
 
Maar ik liep hem trotsch voorbij.
 
'k Geef hem vrijheid om te gissen,
 
Wat hij wil, uit ons gelaat;
 
'k Wed, dat hij uit twintig keeren
 
Nog niet eens de waarheid raadt.
[p. 160]origineel
 
Ja - onze oogen stonden kwijnend;
 
't Haar hing achtloos golvend neêr;
 
Uw gelaat - was als de rozen
 
In het zoele zomerweêr.
 
'k Hield mijn arm om u geslagen;
 
En als 'k u een lonkje gaf -
 
Wendde gij somtijds uwe oogen
 
Met een lachje van mij af. -
 
Ja - dit zag hij. Maar verbeeldt ge u
 
Dat hij alles weet? - ô Neen!
 
Uit uwe oogen iets te lezen....
 
Dat geheim weet ik alleen.
 
Hij benijdt mij een genoegen
 
Dat hij nooit beseffen kan.
 
Hoe toch zou hij het dan gissen?
 
Lieve kloë, troost u dan! -
 
ô Die toestand, als de liefde
 
Zelfs voor ons een raadsel wordt,
 
Als ze ons uit haar hevigste onrust
 
In den schoot der kalmte stort -
 
Als in vlugtige oogenblikken
 
Zich het hoogst gevoel verliest
[p. 161]origineel
 
In die onbeschrijfbre stemming
 
Die ons beider hart verkiest
 
Boven 't bruisen van de driften....
 
Kloë.... denkt gij dat die staat
 
Een verbeelding treft, die ophoudt
 
Als 't verstand niet verder gaat? -
 
 
 
Kon hij ons alleen verachten,
 
In zijn' hoogren kring verblijd! -
 
Maar wij zien het, hoe hij, schimpend,
 
Tandenknarzend, ons benijdt.
 
 
 
Waarom kwam hij zich ontrusten
 
En - zich tergend - ons bespiên?
 
ô Hoe wreed waar' niet zijn lijden,
 
Zoo hij alles had gezien!....
 
 
 
Kloë, laat hij ons verachten,
 
Daar hij schimpend op ons ziet!
 
Zich verr' boven ons verheffen!
 
Waarlijk.... ik benij' hem niet.

1786.

terug  begin  verder