[p. 162]
origineel
De verrukking.
G
een grootheid der wereld bekoort mij.
Hoe zinkt gij, ô trotsche paleizen,
Wanneer ik, naast
kloë
gezeten,
Mijn oog op uw grootheid laat scheemren!
Wanneer op haar' zwellenden boezem
Mijn rusteloos harte mag kloppen -
ô Vorsten, wat zijn dan uw troonen? -
Daar ginds dwaalt de onleschbere hebzucht;
Verzadeloos hongert zij eeuwig.
De bleekheid bedekt hare wangen,
En de overvloed volgt hare schreden.
De heerschzucht, met fonkelende oogen,
Door rustlooze driften gefolterd,
Omstuwd van waanzinnige slaven,
[p. 163]
origineel
Holt blindelings voort om de volken,
De Vorsten en Grooten der aarde aan
Zijn ijzeren Rijksstaf te kluistren.
Hoe nietig, hoe klein in mijn oogen! -
Och,
kloë
! uw oog wordt veel schooner;
Bekoorlijker worden uw wangen,
Uw boezem wordt blanker dan immer,
Verleidender zijt gij voor mij - als
Mijn oog op den glans van een kroon ziet!
ô Laat het heelal ons vergeten!
Wij minnen, wij minnen mijn
kloë
!
Hoe?.... Lacht gij betooverend meisje,
Om dat uw bezit voor mij alles,
En alles, bij u, voor mij niets wordt?
Gij lacht, om die schoone verrukking?....
Ik zal die betoovrende roosjes,
Hoe schoon ze op uw kaakjes ook bloeijen,
Door zuigende kusjes verbleeken,
Die flonkerende oogjes doen kwijnen,
[p. 164]
origineel
En zoo die vermetelheid straffen!
Ik zal ze.... Neen, zegt gij? - Ja zeker!
Mij nu te weêrhouden, waar wreedheid,
En kunt gij voor
lykas
wel wreed zijn?
Och, laat mij die banden ontstrikken!
Van hier al die schoone beletsels!
'k Wil niets dan mijn
kloë
omarmen!
- - - - - - - -
kloë
.
Ach, zinken ook nu nog die troonen,
Mijn
lykas
, of klimt hunne waarde?
lykas
.
Zij zijn mij nog minder dan voormaals!
1786.