De Post van den Helicon. No. 23.(Vervolg van het voorgevallene in de Vergadering van den 18 Augustus).Melpomene.‘Aan de zijde des Toneelspelers kunnen de Alleenspraaken (zeggen zij) ook zomtijds hun nut hebben, om te doen zien, hoe waarlijk groot zij zijn, dewijl zij dan, van geene anderen afhangende, al hunne kunst met de uitterste kracht kunnen te werk stellen.’ Dit maakt ook een van die bewijzen uit, die dienen moeten om den dwalenden vrager, schoon hij misschien in zijne onzekerheid meer dan uw Meesters gevoelt waarom zij schoon en natuurlijk in een Treurspel kunnen zijn, den mond te stoppen. En niets is zekerder, dan dat hij door dien weg, hoe langs hoe meer al wat Treurspel is, belachgelijk zal vinden: ja nog belachgelijker dan hunne Prosaïsche, niets naar Poëtisch gevoel zweemende, oplossingen; vooral indien hij in zijn jeugd zijn harssens te veel gevergd heeft, met die stukken die, buiten den titel, niets van een Tragedie hebben. - Wat zullen dan hunne drooge, gewrongen, ernstige, bewijzen te weeg brengen? - Niets dan dat de vraager door hunne welmeenende onkunde in een' staat gebracht is, waar in het belachgelijke hem alleen bekwaam kan maaken om het schoone te gevoelen. De behagelijke wangestalte van een Parodie doet hem dan op die zelfde wijze het verhevene opmerken, gelijk een knellende koude die tot een zekere hoogte geklommen is, een sterke gloeiende gewaarwording veroorzaakt. Geloof mij! - de bloedigste vijanden van 't Treurspel, die, gelijk zommige het noemen, op de onedelmoedigste wijs haare verdiensten aan spotters ten prooi geven, doen meêr dienst - verheffen beter haaren luister, dan deeze ieverige voorstanders.
Thalia.Die, uit hoofde dat ze 't aangenomen hebben, om het Treurspel te verdedigen, de tegensprekers niet overtuigen, maar door goedaartigheid - en een inneemende redenering over zoeken te haalen en tot zwijgen te brengen. En, die, met de beste zaak van de waereld, in plaats van zich taai te houden, het op een accoordjen zoeken te gooijen.
Melpomene.Hadden zij liever het woord, waar mede zij zo veel op, en waar van zij zo dikwils verkeerd gebruik gemaakt hebben, doen dienen, om reeds bij den eersten aanhef van hunne verdediging in de verbeelding hunner lezers een' zwaai - een wending te doen geboren worden, die, zo zij eerst gelegd ware geweest, een al te gemakkelijke houding te weeg zou gebracht hebben om het ware denkbeeld van een eigenlijk Treurspel, met uitsluiting van alle andere Toneelspellen, te ontfangen; dan, dat zij door ongelukkig tegenkanten er zich onvatbaar voor zouden poogen te maaken! Hadden zij gezegd, dat de Vertooners zeer ongetwijfeld de spraakbuizen van den Dichter zijn - dat de Dichter niets beter wenschen kan, dan van 't begin tot het einde in zijn schilderij tegenwoordig te weezen - achter zijn spraakbuizen zich te plaatsen - hen met het vuur der Poësij te vullen, en zo, als hij het op de gemakkelijkste en natuurlijkste wijze in het character dat er mede bezield is, kan doen ontbranden. Ja, 't is zo! De Dichter spreekt het geheele stuk door! Niemand dan hij alleen - Hij zweeft door de handeling heen, gelijk een scheppende geest; dan in die, dan in deeze spraakbuis - character - of Vertooner van zijn Treurspel. - Al 't geen gij ziet gebeuren op 't Toneel, is niets anders dan gedaanteverwisselingen van den Dichter: en dees is nooit alleen in zijn Alleenspraken, zelfs is hij het als dan 't allerminst - hij vergt niet, Mijnheer de Courier! dat gij gelooven zult dat men dagelijks zulke Alleenspraken in 't gemeene leven ontmoet - hij heeft er niet aan gedacht! - en wil alleen maar dat gij uw verbeeldingskracht door zijne spraakbuizen en alles wat u voorkomt dien weg zult laaten wandelen, dien zijn genie voor u geopend heeft. 't Is dus een Dichtstuk - en alle Dichtstukken kunnen tot
Toneelspellen gemaakt worden, zonder dat zij daarom haaren aart zouden
verliezen; en wanneer uw Meesters op dien voet, waar op zij begonnen zijn, alle
tegenwerpingen, welken er gemaakt worden van lieden die niet weten wat Poësij' is, op willen lossen; dan zijn zij niet meer te beklagen dan die geenen welke zich moedwillig ten prooi van 't wild gedierte geven: terwijl zij aan den andren kant bezig zijn, om zo sterk als ooit al wat genie, smaak en gevoel is, van de aard' te verbannen. - Hebben zij ook geen opheldering gevraagd omtrent het Natuurlijke der Reiën van 't oude Treurspel? - Wat zou toch hun antwoord geweest zijn, op deeze vraag? -
‘Wat kan er onnatuurlijker zijn dan dat b.v. de Rei in den Edipus van den Heer Bilderdyk, pag. 48. naa het vertrekken van Edipus en Kreon bij coupletten aldus aanheft?’
En, pag. 49.
‘Wie heeft het ooit gehoord, dat de inwooners van een
plaats het als afspreken om in zangerige coupletten over hunne
zielsbezwaaren te klaagen, en dat wel zingende, wanneer het in volle orders
ging? - En hoe gevallig! - dat zij juist gedaan hebben als Edipus
weêr uit het paleis komt. Wie kan zich verbeelden dat dit zo geschied is?’ Hoe zullen zij goedvinden om op deze zotte vraag te antwoorden? Zeker in hun smaak - maar, hoe?
Thalia.Ik vind niets gemakkelijker dan te raaden hoe dat weezen zou: zij zouden dien nieuwsgierigen man op een' meesterlijken en beslissenden toon al vragende antwoorden. - ‘Waarom zou een volk, in de omstandigheden der Thebanen zich bevindende, niet luidkeels hunne rampspoeden verhaalen en de Goden hun noodlot klaagen? Wat is natuurlijker dan dat zij zich bij elkander voegen om troost in elkanders bijzijn te zoeken? En waarom zouden ze dit zo wel niet in coupletten als in Alexandrynsche versen mogen doen? -
Melpomene.Die in deezen Rei niet gevoelt dat hij als in een wolk weggevoerd wordt bij het klagende volk om zelf getuige te zijn van hun lijden; die zich daar door niet weggevoerd vind om zich met de gantsche handeling te vereenigen en verder tot het uiteinde toe vereenigd te blijven, is bekwaam zulk een vraag te doen, en verdient geen antwoord; maar die hem als de Heeren van 't Genootschap door Natuur en Kunst, beantwoordt, verdient dat men hem onder 't gewicht van de tergendste Parodien doet bezwijken, en belachgelijk maakt. 't Is waar, er worden menschen gevonden die het schoone gevoelen zonder het te durven gevoelen, om dat zij in schijnbaar gelijkende zaaken het tegenovergestelde gevonden hebben; want het is zeker, dat wanneer men de reien in onbekwame oogenblikken ten toneel voert, zij niet dan belagchelijk kunnen zijn. Doch al' zijn ze dan reeds met het vooroordeel, daar uit voortspruitende, doortrokken, zoo zal het verdwijnen, indien zij deeze of dergelijke zien opkomen. Dan gevoelt men een gewaarwording, volstrekt gelijk aan een treffend choor, dat zich, op een pathetiek recitatif volgende, van de aandoeningen die het laatstgenoemde heeft veroorzaakt, verzekerd, aan zich vastkluisterd. Dit doen ook de coupletten. (pag. 51.)
Thalia.Als gij weêrkomt na het uitgeven van het tweede Deel zult gij hem het overige wel zeggen, 't zal anders zo laat worden: hij heeft hier ook voor eerst wel aan. Doch mij dunkt, Mijnheer de Courier! dat dit Genootschap tot wederopzeggings toe de Zinspreuk moest veranderen, en in de plaats van door natuur en kunst - Natuur of Kunst schrijven. Want het eenigste dat hun hapert naar mijn begrip, is, dat zij die vereeniging van deeze twee onderwerpen hunner naspeuring niet bevatten. 't Schijnt dat door elkaâr hakken bij hen vereenigen is; Dit is bij ons anders.
Apollo.Voor uw vertrek wenschte ik wel iets aan te merken op de Dichtstukken, welke zij achter ieder der Stukjens geplaatst hebben. Het grootste dezer Stukjens, dat om die reden ook meêr dan de anderen in 't oog loopt, is - Gods wijsheid in zijne werken, in eenige Zangen, waar van het einde in het tweede of nog verder volgende Deelen beloofd word. Buiten het eindelooze Prosa dat er in gevonden wordt, wil ik wel toestemmen, dat er iets Dichterlijks in is - doch dit is de reden niet dat ik u ophoud'. -
Thalia.Ja, hoe komt hij nog thuis? hij kan kwalijk op zijn kousen loopen. Hier zijn nog een paar oude schoenen van 't Genootschap Nihil volentibus arduum... Zo u die van dienst kunnen zijn? ...
Apollo.(vervolgende) Maar zeg mij toch eens wat de reden is waarom die Zangen met zulk eene wonderlijke verheffing eindigen. Zo eindigt de eerste Zang (Pag. 81. Eerste Stukjen van Gods wijsheid in zijne werken.)
Thalia.Van al het geen daar opgenoemd word geloof ik niet dat de Maker een getuigschrift bekomen zal. Men doet geheel anders wanneer men zingt.
Apollo.En wat is het einde van den tweeden Zang Syllogistisch! (Pag. 88.)
Thalia.Neen, daar heeft het einde van de tweede Zang meer van. Daar maakte hy in drie Versen een dichtmatige Major, en laat de Minor en Conclusie in 't vierde volgen. (Pag. 178. Tweede Stukjen)
Apollo.En wat het slot van den vierden Zang aangaat, dat is zo bijzonder, dat ik geloof dat de Schrijver van de Eigebaat er de hand in gehad heeft. (Pag. 274. derde Stukjen)
('t Vervolg in 't volgend No)
Na het verlof dat de Dichtkunst aan den schim van
Swanenburg gegeven heeft om eenigen tijd te mogen rusten, verscheen de
Zangster van den Heer Kumpel met een Tambourin in haar hand. 't
Is raar dat men op dat Eiland zints onheuchgelijke tijden altijd zo veel werk heeft gemaakt van die instrumenten die 't meeste geraas maaken. Aan deeze verschijning zijn wij de Eugenia of Dichtmatige Redenvoering, aan de Staatelijke feestmaaltijd, gehouden ter herinnering van haare koninglijke Hoogheids eersten verjaardag, na 't gezegend herstel van 's lands oude en wettige Constitutie - verschuldigd. Ongelukkig was de schim van Boileau reeds vertrokken toen uw Zangster verscheen: zij had anders zo ruw niet met deeze Redenvoering in versen te werk gegaan: ten minste, zij had het voor 't in 't licht geven nog wel wat beschaafd kunnen gekregen hebben. Men zegt er hier niet zeer veel van, dan alleen, dat er zeer veel woestheid in is, die naar grootsheid grijpt en heen en weêr slaat, zoo dat het meer dan wonder zou zijn indien zij niet nu en dan eens geraakt wierd. Zoo een gelukkige aanbotsing vind men, pag. 18.
Hier ook:
Wat verder:
Ook zegt men dat uw Zangster zomtijds iets schoons in 't oog denkende te hebben, een grootsche aanhef gmaakt heeft. Pag. 14.
Maar digter bij komende, zag ze dat het geheel iets anders was dan ze dacht - en toen liet zij het er ook bij, laatende onmiddellijk, zonder den minsten overgang, daar op volgen,
En om dat te doen, dunkt me, was er zo veel geraas niet nodig geweest: want die zeven eerstgenoemde Versen zien er nu uit als of zij niemand toebehoorden. Maar UE. schrapt nooit iets uit, geloof ik. Zeg mij eens wat de Dischgenooten, aan wie gij 't voorgelezen hebt, er van gezegd hebben, tegen wie gij pag. 10 zegt: ‘Hoort dan, ja hoort, en wenkt onze Zangster op dit tijdstip vriendelijk toe’. - Dit hebben zij wel gedaan, hoop ik. Ik zal haar ook vriendelijk toewenken, indien gij 't me niet kwalijk neemt, dat ik mijn' Boekverkooper naar u toezend om u op een beleefde wijs het manuscript van een Dichtstuk, de vrije Zee getiteld, af te vraagen, slechts voor een paar weeken. Zulk een vraag zou een Prosaïsche indiscretie zijn, maar gij weet - bij ons weet men daar niet af. *
Te Amsterdam, bij den Boekverkooper J. ten Brink Gz., en verder alöm, word deeze Post van den Helicon, des Vrijdags à 1 ½ stuiver uitgegeven. |
* De heer Argus, die zich sterk maakt de
geheimen van het Gerichtshof van Hippocréne aan de natie mede te
deelen, heeft een verdieping hooger dan Ismaël een kamer gehuurd
in 't logement van 't Kalvergenootschap. 't Begint daar mooi vol te
worden.
|