De Post van den Helicon. No. 28.Bij de laatste sessie waar in Apollo zelf praesideerde, is de hierna volgende resolutie genomen. Melpomene en Calliope scheenen er in 't eerst niet toe over te kunnen gaan; doch ziende dat hunne tegenkanting door geen der overige stemmen ondersteund wierdt, gaven zij - haare schouders optrekkende, even als wilden zij tegen elkander zeggen ‘waar zal het toch toe dienen’ - ook haar stemmen. De reden hier van zal naderhand beter kunnen blijken.
Resolutie.Alzo bij herhaalde reizen en bij verloop van tijden bevonden is,
dat de kunstrechters der onderscheiden laage Poëtische jurisdictien
in Nederland meestal zonder zelfs bevorens adviesen van des kundigen in
te nemen, niet zelden op een verkeerde wijze met het uitdeelen, der
eerpenningen te werk gaan. Dat daarenboven zich van tijd tot tijd gezelschappen
opwerpen welke zonder eenige Approbatie nochte roeping zich den naam van
kunstrechters aanmatigen, zo dra zich maar eenige lieden aan hunne
judicatuure gesubmitteerd hebben, schoon henlieden ten voordeeligste
genomen geen andere naam competeert dan dien van Arbiters en
goede mannen; en gelijk hieromme tot maintien van alle goede Zangsters
en derzelver meesters of meesteressen respective op het krachtdaadigste
dient te worden voorzien. Zoo is 't, dat die President en die Negenen, uitmakende de Souvereigniteit van den Nederlandschen Helicon en deszelfs onderhoorige Landen en Provincien, geordonneert ende gestatueert hebben, ordonneeren en statueeren bij dezen:
I.Dat van nu voortaan het aan elk en een iegelijk vrij zal staan, van alle definitive vonnissen of dispositien hoegenaamd en onder welken pretexie ook bij voorn. kunstrechter bekomen, bij het hooge gerichtshof der Zanggodinnen in reformatie te komen. Mitsgaders van alle interlocutoire sententien, waar van d'executie ten definitive reparabel is.
II.Dat men mede van alle gewijsden van arbiters en goede mannen voorn. in reductie zal mogen komen bij den zelven hove; zonder dat absolute ofte penale submissie aan dezelven arbiters hier in de reducenten hinderlijk zijn zal.
III.Dat men van voorsz. gerichtshove niet hooger zal kunnen appelleeren, wijzende het zelve bij arrest.
IV.Dat bij de mandamenten van reformatie, de clausulen van inhibitie of van surcheance niet verleend zullen worden; als zijnde geheel onnoodzaakelijk, dewijl het uitdeelen van gouden of zilveren penningen, als anderzints; niet als een executie kan aangemerkt worden, maar slechts als een' arbitrairen daad, in gevalle van een hooger en contrarie gewijsde, zonder eenige consequentie.
En wordt bij dezen den onlangs aangestelden Fiskaal van den voorsz.
hove belast, tegen alle die zich tegens deze heilzame poincten mogten vermeten
aan te druizen, naar gelegenheid van zaaken te procedeeren. Gedaan op den
Helicon in de Volle Vergadering, en haar lieder Zegel hier op gedrukt, en geordonneert gepubliceert te worden. Den 21 Octobris Anno 1788.
Onder stond Ter Ordonnantie van den Souvereign, Was getekend Pegasius.
De reden nu waarom Melpomene en Calliope zo traag
waren in 't geven hunner stemmen, was deeze; welke men vrij natuurlijk uit
haare navolgende bedenking kan opmaken. - ‘Wat zal 't helpen (zei de
laatstgenoemde) dat men b.v. de Prijsuitdeelaars van 't Haagsche Genootschap in
't ongelijk stelt, wanneer van Os die den minsten gekeurd is, der geen
die naar den prijs gedongen hebben met een' Lierzang tot onderwerp hebbenden -
De mensch geschikt voor de eeuwigheid - met het uitdeelen der medaille
niet te vreden is? Zeker is het dat hij den toon dien hij aangeheven heeft
beter vol houdt dan de anderen. Maar zal het iets uitdoen? - Neen: 'k durf vast
stellen, dat de kunstrechters en hij zélf zullen staande houden, dat de
Dichtstukken der anderen in Poësie verr' boven het zijne verheven zijn:
schoon die geheele verhevenheid alleen in den aanhef bestaat en in de menigte
van woorden, waar in zij het zeker op hem winnen. Nogthans maakt het zijne een
redelijk goed geheel uit; Dat van Maria Petronella Elter bezit veele
schoonheden, maar is te veel geladen met overtolligheden en niet tot het plan
behoorende cieraaden, dus ontbloot van de schoone eenheid - Doch Lambertus
van Oyen, aan wien de gouden eerpenning toegewezen is komt met stukken en
brokken voor 't licht, die niet alleen, niet in elkander passen; maar waar van
schier geen een deeltjen een geheel kan uitmaken. Uitgezochte spreekwijzen die
het blokken van zijn Zangster allerelendigst verraden, en gewoone termen van
Mr.
Reynvis Feith tot walgens toe
herhaald en gezocht te pas gebracht; zo als de tegenstelling van den Worm en den Seraph enz. - doen hier alles af. Telkens verlegen met den toon dien hij aanheft, gaat hij schielijk tot een' anderen over op hoop van beter te slagen. Parturiunt Montes! Hij begint als blaakte het sterkste Dichtvuur in zijn aadren.
Dan zegt hij in zeven volgende coupletten veel van zingen - van 't gezang der englen - van zijn' eigen' zangtoon, dien hij wil dat rijzen zal - en eindelijk van zijn onmacht in 't volvoeren van zijn voornemen. In die ongesteldheid maakt hij drie onderscheiden Koorzangen van Engelen; (waar in men zeer wel de waarheid van zijn bekentenis gewaar wordt zonder dat iemand het voor een gemaakte Poëtische nedrigheid opnemen zal) - om eindelijk geheel verwarring, met exclamaties, zaaken niets tot het souteneeren van zijn onderwerp dienende - en met versen zo ongelijk in maat en stijl, als zijn Dichtstuk in gedachten, zijn Prijsvaars den mensch geschikt voor de eeuwigheid te eindigen: en wel zo te eindigen; dat men onder het lezen het geheele onderwerp zou verliezen zo hij niet uit voorzorg (pag. 21.) het aan zijn lezers of hoorders herinnerde, op deeze wijs:
En zo er ooit iemand verlegen geweest is om een staaltjen van
overdrevenheid te zien; - waar uit hem duidelijk mogt blijken waar in die fout, schoon aan veel geniën eigen, met de waare verhevenheid verschilt, dien kan ik niets beter tot een voorbeeld aan de hand geven dan zijn vijfde couplet (pag. 5.) en bij die gelegenheid het zevende vers daar van.
Hadt men liever aan den Maker een medaille gegeven om alleen het couplet op pag. 31 voor het geheele Prijsvaars te doen doorgaan; op dat het niet, gelijk nu, in de menigte verdrongen wierdt; men hadt het nooit vermoeid van verveeling - ongemerkt voorbijgegaan, zo als het nu dit lot ontwijffelbaar dikwils te beurt zal vallen. -
Doch is dit de reden waarom ik hem een zweem van recht geef op den gouden eerpenning die hij niet verdient - Het couplet in den tweeden Lierzang |
* Ja wel een kunstgenoot! - Maar elk diertje
verkreeg geen gouden medaille! -
** Thalia hadt geen zin in dit
ronken, en zei: dan hadt men even goed snorken kunnen zeggen, om
nog grooter contrast met de vernietiging te maken. Ook wilde zij iets
anders voor ovens hebben.
|
|
(pag. 43) zou een diergelijke reden zijn waarom ik denzelven aan de Zangster van dien zang betwisten zou, welke hem anders buiten tegenspraak gewonnen heeft. Wie zal ooit iets diergelijks in een Prijsvaars brengen, die niet opzettelijk voorgenomen heeft, zijn eigen kunstrechters voor den gek te houden.
Doch men zegt dat er geen mogelijkheid is naar wensch te slagen indien men niet het een of ander compliment aan dien rechtbank aflegt. Dit echter moest hun te veel in 't oog loopen om van een goed gevolg te zijn. Ondertusschen de ongelukkige Van Os laat zijn Ode zo maar zonder recommandatie heen wandelen.
En nogthans is hij in zijn soort de volmaaktste van allen. Alleen is het met het ongelukkig kleed van gewoonheid bedekt; en zijn eenvoudig begin belooft niets dan het dagelijksche. (Pag. 83)
Doch dit alles zo zijnde - wat zal evenwel het voordeel, dat men zich van deeze resolutie voorstelt, zijn? Niet dat men zich gebelgd zal toonen, zonder het ongelijk te gevoelen, en dewijl dit gevoel eigenlijk alleen het voordeel van den Appellant, onder verbetering, uitmaakt, wil ik er gaarne mijn toestemming toe geven; maar beken tevens dat wij gelijk meermaals vergeefsche moeite doen.’ Melpomene zuchtte. En zei dat het ongelukkig was dat men tegenwoordig geen keus meer scheen te hebben dan tusschen het drooge en 't verwilderde - omstuimige. - dan tusschen woestheid en beschroomtheid. Men zingt zonder eenig but verward door op plaatsen daar men met bedaartheid een vaste grond moest leggen om zich vervolgens zo veel te zekerer aan zijn zangdrift over te kunnen geven - men vliegt daar men stand houden moest om met beleid zijn onderwerp neder te leggen. (pag. 6)
‘En flaauw, nietig, kruipend, daar men verheven moest zijn en daar de wildheid minder schaden kan.
Er staat een (!) achter; maar ik vind dat men alzulke flaauwe denkbeelden die iemand de lust van verder te lezen geheel beneemen zo (i) moest brandmerken. En eens voor al - (vervolgde zij) zou ik verbieden, dat men voor, achter of in 't midden (want men plaatst die of zij een goeden val hebben of niet) eens voor al - zou ik verbieden dat men nooit die beedelende rijmpjens in een Prijsvaars mogt doen vloeijen, gelijk: (pag. 40)
Thalia ziende dat Melpomene begon driftig te worden, en vreezende dat het van gevolgen mogt weezen, zei: ‘je moest in 't vervolg met Calliope maar partij maken van nooit weêr in de Vergadering te verschijnen als er over Prijsvaarzen gehandeld wordt.’ Dit voorstel namen de twee Musen gretig aan en vertrokken om niet nijdig te worden uit de Vergadering; terwijl ik bezig was met nog twee coupletten uit het Vaars van Brender à Brandis te herleezen.
NB. Ismaël, Argus, en de pretense Oppasser van den tooren van Babel; hebben stil en bij nacht hun logement verlaaten.
Te Amsterdam, Bij J. ten Brink Gz., word dit No. à 1 ½ st. uitgegeven. |