[p. 233]
De Post van den Helicon. No. 30
Deeze Brief enz. is mij ter plaatsing toegezonden
Mijnheer Mercurius!
Wanneer het sentimenteele nu eens, gelijk het naar mijn
inzien er al zeer wel naar begint te gelijken, van onzen Dichterlijken bodem
zal verdreven zijn - Wat dan? Ik, die geheel anders er over denk dan de
Nieuwe Nederlandsche Bibliotheekschrijvers, ben niet van gedachten, dat
het sentimenteele alleen een schrijftrant is; maar in tegendeel:
dat het in de source, in den geest van den Auteur schuilt; en
daarom geloof ik, dat men na 't gemis er van, iets anders in de plaats nodig
heeft - ten dien einde zend ik hier nevens een staaltjen van een' geheel
anderen genie, mij onlangs ter hand gekomen; en om zijn
singulariteit door mij afgeschreven, 't geen ik, om dat weinigen het
Laplandsch verstaan, uit die taal in 't Hollandsch overgezet, u ter
plaatsing in uw Weekblad toe zende. Ik ben
Zo wat half en half uw Vriend
D.D.
[p. 234]
Yrwin en Fredebag * of de steenrotsklip.
Uit het Laplandsch.
- F. Wat zuchtge, ô Yrwin, aan mijn borst?
- Van wellust? Neen, van smart!
- Wat wolkjen drijft er in uw oog,
- Als ik u druk aan 't hart?
- Ontbreekt er aan uw' heilstand iets?
- Is u mijn min tot last?
- Wat eischt, wat wil, wat wenscht uw ziel?
- Wat klemt me uw arm zoo vast! -
-
- E. Geminde! neen, ik wensch niets meer;
- Uw liefde zij mijn deel!
- Maar 'k weet niet wat voor somberheid
- Beheerscht mijn' geest geheel.
- Ik weet niet welk een voorgevoel
- Van dreigend ongeval
- Grijpt mij in al mijn leden aan:
- Wat of ons maken zal! -
-
- F. Ons naken? Yrwin! Aan uw zij'!
- Daar ken ik geen gevaar!
- De Hemel storte en brijzle mij;
- Uw boezem is mijn baar!
- Neen, Yrwin, neen, ons dreigt geen leed.
- Mijn ziel getuigt het mij:
- Zij huppelt in mijn smachtend hart.
- Wat vreeze ik aan uw zij'! -
-
- Zo spreekt de blonde Fredebag,
- Daar ze in 't gekrulde gras
- In de armen van heur' Bruigom zeeg,
- En in zijne oogen las.
- De zon, die nog een' flaauwen straal,
- Door de avondkimmen schoot,
- Verlichtte 't maagdlijk aangezicht
- Met vurig blinkend rood. -
-
|
* Frāddebäg; niet Vredebag, maar juweel der vrouwen Frädda beteekent vrouw. Trwin is schutter. Tr beteekend boog; win is man.
|
[p. 235]
-
- Ach, Yrwin, zie, hoe gloeit de kim,
- Terwijl het daglicht zinkt!
- Wat overheerlijke avondglans
- Waar meê de Hemel blinkt!
- Gewis, dit stil, dit grootsch verschiet
- Heeft iets ontzettends in.
- De nacht koomt op, de schaduw klimt,
- Kom, spoên wij naar 't gezin!
-
- Het duister valt, de wijk is verr':
- Wij zijn hier gantsch alleen.
- Ja, Yrwin, ja, ik voel het ook.
- Er waart iets om ons heen.
- Iets gruwzaams hangt ons boven 't hoofd:
- Het klamme zweet breekt me uit.
- Mijn boezem beeft als schuddend riet:
- Wat of dit toch beduidt?
-
- Maar hoe, wat wil dit woest gelaat!
- Ach, Yrwin, zijt gij 't wel?
- Nog nooit heb ik u dus gezien:
- Wat staan uw oogen fel!
- Van waar dit gruwzaam steigrend haair!
- Dat gapen van dien mond!
- De loodverf die uw kaak betrekt!
- Wat ziet ge dus in 't rond?
-
- Omhels mij! ken uw Fredebag
- Die aan uw' boezem hangt;
- Die d'adem van uw hijgend hart
- Op warme lippen vangt.
- Wat doet gij? Yrwin, zijt gij 't nog?
- Zijt gij 't, mijn Yrwin, gij!
- Is 't droom? is 't zinbedrog? is 't spook?
- ô Hemel, sta mij bij! -
-
[p. 236]
-
- Zo spreektze, en ijst van 't monsterdier,
- Dat in heure armen gromt;
- Valt ijslijk gillend, ruglings neêr,
- En blijft van schrik verstomd.
- Geen Yrwin, neen, een Winterbeer,
- Als zij zich wedervond,
- Snoof met een' vreeselijken snuit
- Om haren boezem rond.
-
- Zij gilt, zij schreeuwt, zij vlucht, zij vliegt,
- En voelt geen' grond in 't vliên!
- Reeds is zij in heurs vaders stulp,
- Maar waagt niet, om te zien.
- Zij zit: zij zwijgt: men vraagt vergeefs:
- Geen antwoord (wat men vraagt)
- Wat haar, wat Yrwin is gebeurd,
- Verkrijgt men van de maagd. -
-
- Daar brengt men Yrwins opperkleed,
- Zijn spriet, en leêren hoed
* :
- Deez', door een wolventand gescheurd,
- En 't eerste, rood van bloed.
- Nu twijfelt niemand aan zijn' dood.
- Gewis, hij is geweest!
- In weêrwil van zijn kracht, de prooi
- Van eenig grimmig beest!
-
- Nu gist men de oorzaak van heur' rouw;
- Heeft deernis met heur' staat;
- Neemt troost en teedre oplettendheên,
- En zorg, en kunst, te baat.
- Men vond haars minnaars sabelpels,
- Zijn Walvisbeenen spriet,
- En zoekt zijn overschot langs 't strand;
- Maar beenders vindt men niet.
-
|
|
[p. 237]
-
- Men werpt nochtans een' aardhoop op,
- En richt, zijn' naam ter eer',
- Een' dennenhouten staak daar naast,
- En plant er zijn geweer.
- De schoone ziet het zwijgende aan;
- En, met een' woesten blik,
- Dien niemand van heur huis verstaat,
- Verraadt zij niets dan schrik. -
-
- Dus zit zij twintig weken lang,
- Geeft spraak, noch spraakgeluid,
- En smelt in stomme tranen weg,
- En treedt de hut niet uit.
- Op 't laatst, daar niets vermogend is
- Tot stilling van haar wee,
- Voert haat heurs grijzen vaders zorg
- Naar d'oever van de zee.
-
- Nu koomt zij aan heurs vaders hand
- Bij 't dorre strandgevaart',
- Waar Thor
* d'ontzachbren mokerstaf
- Met staal en vuursteen paart.
- Zij siddren op den drempelsteen,
- Die voor den ingang ligt,
- En heffen de oogen trillende op
- Naar 't vormloos aangezicht.
-
|
* Thor, de opperste Godheid der
Laplanderen. Zijn gedaante was van ouds een oude boomstronk, waar in met een
bijl eenige tekens van holle oogen, platten neus, en wijden mond, uitgehouwen
waren. Zijn tempel stond (als hier en elders uit blijkt) voorheen aan 't
strand, en was niet dan een open plein, met denneboomen omplant; dicht omheind,
en met een' zwaren steen voor den ingang.
|
[p. 238]
-
- De Priester leidt hen voor 't altaar:
- Daar knielen zij in 't zand:
- Hij vat de grove tooverbom
* ,
- Beschilderd door zijn hand.
- Hij rommelt, draait hem over 't hoofd,
- En suist den God in 't oor,
- En smeekt hem voor de kranke maagd
- Genaderlijk gehoor.
-
- De vuurslag klinkt, de vonk springt af,
- De Godheid hoort gebeên.
- Hij strekt zich op de borst in 't stof,
- Met uitgebreide leên:
- De trommel rinkelt op zijn rug;
- 't Ontzag der Godheid groeit!
- 't Wordt aaklig in het heilig bosch
- En 's Wichlaars borst ontgloeit.
-
- De misdaad (bromt hij) treft het huis,
- Dat d'onmensch schuilplaats gaf.
- Heur wraak vervolgt en u en hem
- Tot in den nacht van 't graf.
- Het euvel beev' voor 's Hemels roê,
- Waar 't op de zwakheid woedt.
- Heur zaak is aller Goden zaak:
- Zij vordren - menschenbloed.
-
|
* De plechtigheden van den dienst van
Thor en 't orakelvragen zijn, vrij overeenkomstig met het geen men
hier vindt, afgebeeld in deGodsdienstplichten aller volken; waar men de
tooverbom in deszelfs gebruik zien kan. De vuurslag bestaat in een' stalen
ring en een' steen welken nevens een' houten hamer (de mokerstaf) aan 't
Afgodsbeeld tot zijn gebruik opgehangen was. En het schijnt, dat het slaan van
vonken voor een zichtbaarsteeken van de tegenwoordigheid der Godheid in zijn
beeld gehouden wierd.
|
[p. 239]
-
- De Wichlaar zwijgt: de tempel dreunt
- Van 't gonzen van de trom
- En 't heilig woord van d'offeraar,
- Bant elk van 't heiligdom.
- Daar gaat de droeve vader heen
- Met zijn onredbaar kind:
- Nu, beide spraak- en weezenloos,
- En in hun misdaad blind.
-
- De vader vouwt zijn handen saam,
- En slaat het oog omhoog;
- Ziet nu zijn droeve dochter aan,
- En dan des hemels boog.
- Ach hemel, zegt hij, neem dit hoofd!
- Dit bloed verzoen' de schuld,
- De bloedschuld, die mijn huis bevlekt,
- Zo dit uw wraak vervult!
-
- Mijn hart, mijn hand, zijn vrij van 't kwaad
* ,
- Mijn oogen, rein daar van:
- Mijn eenvoud kent bedrog noch list,
- Die iemand schaden kan.
- En gij, mijn kroost! en, Yrwin, gij!
- Waar zijn uw euveldaan?
- Gij immers voelt u even rein,
- Of - wat hebt gij begaan?
-
- Hij sprak, en kust zijn dochters wang,
- Van tranen thands doorgroefd:
- En zet haar aan een' heuvel neêr;
- Meer zinloos dan bedroefd.
- Hij loopt verbijsterd om en om;
- vMaar zonder oogmerk, om:
- Nu, vloekende op zijn schuldloosheid,
- En dan, op 't Godendom.
-
- Een grimmige Ysbeer heft het hoofd
- Van uit het bonzend meir,
- Schiet toe, en valt met golven nats
- Aan 's meisjens voeten neêr.
- De grijsaart schrikt: het walvisbeen
- Blinkt ijlings in zijn hand,
- Snort weg, en boort door 't borstlig hair
- In 's ondiers ingewand.
-
|
* Kwaad. Palotati, misdaden,
maleficia.
|
[p. 240]
-
- Hij schreeuwt, treedt toe; en 't monster huilt,
- En wentelt in zijn bloed.
- Hij nadert, met de vreugde in 't hart,
- Dat hij zijn telg behoedt.
- Hij trekt het wapen uit de wond,
- Maar, eer hij weder treft....
- ô Wonder! 't dier verliest zijn' schijn,
- Terwijl hij d'arm verheft.
-
- Zijn muil, die gapend scheen naar moord,
- Zijn breede snuit, versmalt;
- Zijn borstels worden menschlijk hair,
- Dat op zijn schoften valt:
- Zijn klaauwen? - armen - strekt hij uit,
- En toont een jonglings borst.
- 't Is Yrwin (hemel!) die daar ligt,
- En d'arm nog opwaart torst.
-
- 't Is Yrwin (hémel) die daar ligt,
- En in zijn' bloedstroom zwemt!
- Die nog met machtelooze hand
- Des grijsaarts handen klemt.
- Ach, zegt hij, 'k heb aan 't lot voldaan;
- Mijn onheil was verdiend:
- Ik schudde 't menschlijk hart van mij;
- 'k Verried mijn' boezemvriend. -
-
- Zo zegt hij; richt het hooft nog op;
- Bezwaarlijk! stort, en sneeft.
- Den grijsaart knikt het lijf, verstijfd,
- Niet wetende of hij leeft.
- Zijn dochter was versteend van rouw;
- Hij zelf, hij werd een klip,
- En beide strekken thands ten baak
- Aan 't golvenklievend schip.
-
- De zee besproeide sints hunn' voet,
- En sneed hem af van 't land;
- En sedert waagt geen misdaad
* ooit
- Zich zo nabij aan 't strand.
- En sedert blijft de vriendentrouw
- Bij 't menschdom ongeschend;
- Want Yrwin en de Steenrotsklip
- Zijn al wat leeft bekend.
|
* Misdaad.D[...]uwé, eigenlijk
boosartigheid, malitia.
|
|
|