[p. 273]
De Post van den Helicon. No. 35.
Heer Mercurius!
Gij schijnt een wonderbaarlijk Verzamelaar van zeldzaamheden te
zijn, van allerlei aart en smaak. Uw IJslandsche Romance heeft mij de koude
koorts op het lijf gejaagd, en misschien ben ik het alleen niet, die de
voortbrengsels van zoo'n bevrozen lucht- en landstreek niet verdragen kan. Ze
is u toegezonden, zegt gij. Wel aan, zie hier dan een vrucht van veel warmer
grond, die ik u doe toekomen, om (bij aldien gij het goed vindt) daar tegens te
kunnen stellen. Misschien zult gij dit Guineesche Dichtstuk in zijn soort zoo
heet niet vinden, als het voorige koud was, doch gelief te weten, dat ik geen
Guineesch verstaande, de Zweedsche Vertaling heb nagevolgd welke men vindt in
D. Muytens, Iter Africanum, eller Resa til Guinea, Förrättad
Ao. 1683. med manga märkvärdiga Manuscripter &c. u
buiten twijfel bekend. En wellicht dat het Noordelijk idioma van dien Vertaler
de warmte van het oorsprongklijk iets getemperd heeft. Voor mij, ik blijf u
borg, dat niemand mijne Navolging van ongetrouwheid zal kunnen overtuigen, en
dat zij (om uw uitdrukking te gebruiken, door mijn
[p. 274]
overgieten
niet verschaald is. Verkiest gij er gebruik van te maken in uw Weekblad, ik mag
het lijden, en ben intusschen van tijd tot tijd,
Uw Lezer,
Romancaeus.
Buiksloot,
den 26 van Wintermaand 1788.
NB. De talletters hier en daar in het handschrift voorkomende zijn
verwijzingen tot Aanteekeningen, het oorsprongklijke taaleigen, de
uitdrukkingen, de gewoonten, en plaatselijke toespeelingen van het Dichtstuk
betreffende. Ik heb geen' lust een Historico- Geographico- Physico-
Grammaticale Verhandeling hier bij te voegen, en bid U derhalve mij de
noten te willen kwijtschelden.
Ahacha, Guineesche romance.
- Wat ligt ge daar begraven? - ô!
- Bedolven onder 't zand?
- Wat staat uw kroeze schedel
- Daar op die 1 plek geplant?
-
- Wat had ik toch misdreven? - ô!
- Misdreven, Ahacha!
- Dat ik zoo dra na 't paren
- In 't eenzaam 2 hjnwaad ga.
-
- De dag kwam tweemaal weder - ô!
- Na tweemaal maneschijn,
- Sins onzer beider handen
- Te saam gevlochten 3 zijn.
-
- De zon rees uit de kimmen - ô!
- Als ik u eerstmal zag.
- Ik zag uw grimmig wezen
- Ontgrimmigd door een' lach.
-
- Ik zag uw' breeden boezem, - ô!
- Gezwollen door den moed.
- Ik zag uw oogen vonklen
- Van niet gemeenen gloed.
-
[p. 275]
-
- Ik zag uw gladde schouders - ô!
- En gitzwart aangezicht
- Van koopren 4 weêrglans glimmen
- Bij 't steigrend 5 zonnelicht.
-
- Ik zag u, en mijne oogen - ô!
- Mijne oogleên zonken neêr;
- Mijn boezem rees en daalde,
- Als 't golvend Westermeêr. 6
-
- Gij zaagt mijn maagdlijk schamen - ô!
- En lachend tradt gij toe!
- Uw breede mond ontsloot zich
- In 't minlijk Hikaboe. 7
-
- Ik zag uw breede tanden, - ô!
- Van 't frissche vleesch omboord;
- Van 't frissche vleesch der lippen,
- Waar in de bloedkraal 8 gloort.
-
- Ik zag die breede tanden - ô!
- Dat effen parelsnoer,
- Al lachend zich verwijden,
- Als gaapte een paarlemoêr.
-
- Uw oogen lonkten teder - ô!
- Van bruischend liefdevier,
- En gloeiden van 't genoegen,
- Als de oogen van een gier? 9
-
- Vol vreugde en hoogmoed tevens - ô!
- Ontveinsde ik geene vreugd,
- Mijn vreugd, dat gij mij minde!
- En trilde van geneugt.
-
- Uw hand, mij aangeboden - ô!
- Aanvaardde ik met ontzag;
- En teedrer dan ooit meisjen
- Vierde ik mijn' bruiloftsdag.
-
- Ik schatte mij gelukkig - ô!
- In de armen van een' man;
- Een' man, die stevige eiken
- Als pijlen 10 buigen kan.
-
- Ik schatte mij gelukkig, - ô!
- In de armen van een' Gâ;
- Een' Gâ, die mij beminde!
- En dacht mijn' heilstand na.
-
[p. 276]
-
- Gij toogt naar gindsche heuvels - ô!
- En velde gems of stier:11
- En op uw forsche schoften
- Bracht gij mij 't wildbraat hier.
-
- Ik roostte zelv de spieren - ô!
- En 't smijdig ingewand
- Van de omgebrachte dieren,
- In gloênden oven 12 brand.
-
- Wij deelde beet bij bete, - ô!
- En vielen moê en mat,
- Met d'avond die vast daalde,
- In 't dorre palmenblad. 13
-
- We ontwaakten blij te moede, - ô!
- En eer gij mij verliet,
- Geleidde uw dappre hand me
- Naar d'aangelegen' vliet.
-
- ‘Zie ginds aan 't graauwend westen - ô!
- Dat bleekblank aangezicht.
- 't Ontschuilt daar verre in 't westen
- Aan 't schroeiend morgenlicht.
-
- Nog negenmaal na dezen - ô!
- Zal dit geborend licht
- Met de eigen kromtens prijken
- Om 't kwijnende aangezicht.
-
- Nog tienmaal zal na dezen - ô!
- Dat blinkend Hemellicht
- Zijn' heldren rand verliezen,
- En wijken uit 't gezicht.
-
- Nog tienmaal zal na dezen - ô!
- Dat slinkend aangezicht
- Zijn horens bergwaart keeren,
- Met nieuwverkregen licht.
-
- Nog tienmaal zal na dezen - ô!
- Dat wendend aangezicht
- Zijn holle kaken vullen
- Met zilverhelder licht.
-
- En eer gij dan zijn horens - ô!
- Weêr zeewaarts heen ziet staan,
14
- Zult gij een teder wichtjen
- In deze plasschen baân.’15
-
[p. 277]
-
- Hoe huppeld op die woorden - ô!
- Mijn teêrgevoelend hart!
- Hoe golfde 't in mijn' boezem,
- Of 't overweldigd werd!
-
- Uw mond drukte op den mijnen - ô!
- Het zegel van dat woord,
- En flax waart ge uit mijne oogen,
- En heden - ach! - vermoord!
-
- De dag vlood heen, ging onder; - ô!
- De vale 16 nacht viel neêr:
- De maan besteeg den heuvel:
- En gij, gij kwaamt niet weêr.
-
- Daar zat ik stil te beiden, - ô!
- En telde zonder end
- De starren die er rezen
- Aan 't draaiend firmament.
-
- Daar zat ik stil te zuchten, - ô!
- In priemend ongeduld,
- Naar 't eerste morgenstraaltjen,
- Dat de oosterkim verguldt.
-
- Daar zat ik stil te peinzen - ô!
- En vond mijn oogen nat;
- En zag als ik ze droogde,
- Mijn hand met bloed bespat.
-
- Ik schrikte van dit teeken - ô!
- En wischte hand en oog.
- Maar de eene werd niet zuiver,
- Het ander, nimmer droog.
-
- Ik rees in bangen moede - ô!
- En trad de stulpdeur uit.
- ô Hemel! welk een schouwspel!
- Wat hikkend rouwgeluid!
-
- 't Rinkinkte langs de straten - ô!
- Verwoesting, roof, en moord,
- Met bloeddorst, slachting, woede,
- 't Holde al vereenigd voort.
-
- Door wijken en gehuchten, - ô!
- Langs velden, wegen, paân;
- 't Was alles bloed en lijken!
- Doorstooten! nederslaan!
-
[p. 278]
-
- Ik zag de ruwe knotsen - ô!
- Van 't weeke brein bemorst.
- Ik zag de spitse pramen 17
- Gevlijmd door rug en borst.
-
- De zoon van Zon en Aarde 18 - ô!
- De Koning, was niet meer.
- De staf ontviel zijn handen,
- En hij den stoel van eer.
-
- Zie daar de felle krijgers - ô!
- Met opgeheven staal
- Des Vorsten uitvaart vieren
- Bij 't aaklig afscheidsmaal. 19
-
- Zie daar de stapels dooden - ô!
- Doorboord met spriet en schicht,
- Door zand en bloedstroom sleepen
- Naar 'sKonings grafgesticht. 20
-
- 'k Zag zelve den doodkuil delven, - ô!
- En bloedig lijk bij lijk
- Bij 't Vorstlijk lichaam zenden,
- Naar aller schimmen wijk.
-
- 'k Zag de opgedolven aarde - ô!
- De menigte van doôn
- Met 't eigen stof bedekken,
- Als d'eigenaar der kroon. 21
-
- 'k Zag hoofden afgehouwen - ô!
- En 't aaklig doodenbed 22
- Met de afgehouwen hoofden,
- Op piek bij piek, omzet. 23
-
- Ik dwaalde langs die hoofden - ô!
- En zag ze weenend na.
- ‘Licht vind ik onder allen
- Mijn' dierbren Ahacha.’
-
- Zoo dacht ik, en verbleekte - ô!
- Daar ik op 't oogenblik
- Mijn' Echtgenoot herkende,
- En stond versteend van schrik.
-
- Mijn' Echtgenoot! den mijne! - ô!
- Den man, dien ik aanbad!
- Die mij uit duizend vrouwen
- Zich uitgekozen had!
-
[p. 279]
-
- Die mij uit duizend maagden - ô!
- Zich uitkoos tot een vrouw!
- Dien ik me uit alle mannen
- Ten Egâ kiezen zou!
-
- Hij was het! Hij, de aanminn'ge - ô!
- En 't edel straf gelaat
- Droeg nog in d'enklen aanblik,
- Het geen een' held verraadt.
-
- Ik zag de gapende oogen - ô!
- Verwrongen en verspard!
- De lippen openhangen,
- En overdekt met zwart!
-
- De s[...]se en slappe wangen - ô!
- Van glans en schoon ontbloot!
- Den hollen mond vertrokken,
- Van 't grijnzen van den dood!
-
- De zwartgekroesde hairen - ô!
- Van 't ronnend bloed verstijfd.
- Den hals van 't bloed nog leekend,
- Dat langs de tombe drijft.
-
- Dit zag ik, en, mijne oogen - ô!
- Hoe hebt gij 't kunnen zien?
- En - zonder weg te smelten?
- In tranen weg te vliên
* ?
-
- Ach! doet de rouw slechts lijden - ô!
- Slechts lijden zonder maat?
- En voedt hij zich door 't lijden?
- En wordt hij nooit verzaad?
-
- Ach! waren er geen knotsen - ô!
- Geen stalen spiessen meer,
- Om mij met een' te dooden
- Op 't feest van 's waerelds heer? 24
-
- Helaas! rampzaalge weduw - ô!
- Waar henen thans gevlucht?
- Rampzalig zijt gij heden!
- Rampzalig is uw vrucht!
-
- Ga henen, arme droeve - ô!
- Vlied henen verr' van hier!
- En voer uw wee en klachten
- Naar woud- en heuvelstier! 25
-
|
* Men leest in de Verlustiging,
ontleên voor ontlaten. Door dezelfde Poëtische
vrijheid is vlien voor vliegen.
|