[p. 289]
De Post van den Helicon. No. 37.
Homerus Ilias.
Eerste boek.
- Hef aan, ô Zanggodes, zing d'onverbidbren toren,
- Door Peleus dappren zoon aan Atreus zoon gezworen;
- Die 't Grieksche Leger op ontelbre plagen stond,
- En duizenden te vroeg naar 's afgronds duister zond,
- En 't zielloos overschot der strijdbaarste Oorlogshelden
- 't Verslindend roofgediert' ten prooi' gaf op de velden,
- Naar d'onweêrstaanbren wil van 't achtbaar Hoofd der
Goôn.
-
- Wat Godheid wrocht die twist? - Latones blonde
zoon.
- Dees, door zijn gramschap op het Legerhoofd gedreven,
- 1
- Verspreidde een pest door 't heir, die volk bij volk deed
sneven.
[p. 290]
-
- Zijn' Offeraar ter gunst', door Atreus zoon gesmaad.
- 't Was Chryses: Chryses, die in 't priesterlijk gewaad,
- En met Apolloos staf en sluierkroon in handen,
- (Met inzicht of 't ontzag dier Godgewijde panden
- Op 't hart des Griekschen volks iets tot zijn voordeel wrocht)
- De havenlegering der Oorlogsvloot bezocht,
- Om voor zijn huwlijksspruit, gevangen bij de Atrieden,
- Een' mateloozen schat tot losprijs aan te bieden.
- Gij Vorsten, Atreus zoons, en strijdbre Heldendrom
- 2
- (Dus sprak hij) strijdt in gunst van 't Hemelsch Godendom!
- Dat geve u Priams stad ten grondveste uit te delgen,
- En schenke u eens weêrom aan Echtgenoote en Telgen!
- Maar wilt mijn dierbre telg uit heuren band ontslaan,
- En neemt dees dankbre gift voor heur bevrijding aan.
- Ontzegt die weldaad niet aan 't vaderlijke smeeken,
- En vreest den God van 't licht, die gruwzaam is in 't wreken.
- Dees taal behaagde 't volk, en 't had zich des
verklaard,
- 's Mans waardigheid geëerd, en 't grootsch randsoen
aanvaard,
- Was Agamemnons spijt, op 's Grijzaarts rede ontstoken,
- 3
- Niet dreigende in een' vloed van smaadreên
uitgebroken:
- Vermeetle! vlied mijn oog, en zoo ge uw leven mint,
- Zorg, dat m' u nu noch ooit omtrent het leger vind'!
[p. 291]
-
- Eer de ijdle staf en kroon, waar op ge u durft verlaten,
- Bij een' gebelgden Vorst u mooglijk weinig baten.
- 'k Ontsla uw dochter niet, ik geef haar niet weêrom;
- Ze is mijne, en blijft mijn goed tot aan heur' ouderdom.
- Zij zal, in Argos hof, en verr' van u gescheiden,
- De spil hanteeren, en bij nacht mijn leger spreiden.
- Dus ga, en terg mij niet, of sidder voor mijn wraak!
- 4
- Hij sprak. De Grijsaart beefde en stond beroofd van
spraak.
- Stilzwijgend zwierf hij rond langs 't kabblen van de baren,
- En voedde aan 't ruischend strand zijn zielsmart onder 't
waren.
- In 't eind: Verhoor me, ô gij, Latonaas blonde spruit!
- (Dus riep hij, smekende, in zijn eenzaam mijmren, uit)
- Gij, Vorst Apollo! die, met zonneglans omschitterd,
- De zilv'ren wraakboog voert, op d'overmoed verbitterd;
- ô Smintheus, die zoo fel uw mogendheid verweert,
- Wien Chrysa, Tenedos, en 't wondre Cilla eert!
- Zaagt gij me uw' tempel ooit door 't heilig dak volmaken,
- 5
- U immer rundrenvet of geitenspieren blaken,
- Verleen, verleen me een wraak, die aan de aarde siddren doet,
- En boete 't Grieksche volk mijn tranen met zijn bloed!
- De Godheid hoort zijn bede, en daalt, in euvlen
moede,
- Olympus bergkruin af, en ademt wraak en woede.
[p. 292]
-
- De ontsloten pijlbus hangt, naast de onontwijkbre boog,
- Van 's wreekers schoudren af, verborgen voor het oog.
- De pijlen rammlen vast al schuddende onder 't zweven
- Langs rug en lenden heen, met duisternis omgeven.
- Hij zet zich neêr op de aarde en in 't gezicht der
vloot,
- 6
- En schiet zijn' pestpijl af, bezwangerd met den dood.
- De zilvren boog springt los met naar en ijslijk gieren,
- Treft last- en huisdier eerst en 't soort van mindre dieren,
- En spaart den Krijgsman nog, die 't zorgloos ziet vergaan.
- Doch eindlijk tast ze ook dien met haar verdelging aan,
- En woedt, dat wijd en zijd de stapels lijken groeien,
- En hout- bij houtmijtvuur door heel het leger gloeien.
- Tien dagen weidde aldus 't ontvolkend waakgeweer,
- En breidde een slachting uit door 't werkelooze heir,
- Wen 't volk door Peleus zoon ten raadsplaats' wierd vergaderd.
- 7
- Want Juno, die met schrik hun uiterst zag genaderd,
- Gaf zelv hem dit besluit tot hun behoudnis in;
- Zij, steun van 't Grieksche bloed, en hun Beschermgodin.
- De saamgevloeide schaar had nu heur' kring
gesloten,
- Als wakkre Achilles rees aan 't hoofd der Legergrooten,
- En dus zijn aanspraak wendde aan Atreus oudsten zoon:
- 't Wordt eindlijk dan ons lot, ô heerlijk kroost
der Goôn,
[p. 293]
-
- Om, wraakloos en beschaamd, uit deze onzaalge palen
- (Is slechts de dood te ontvliên) en weêr te rug te
dwalen;
- Daar de oorlog en de pest ons beî te gaâr
bestookt.
- 8
- Gij ziet, hoe 't doodlijk vuur door onze tenten rookt:
- Wat toeven we om zijn' loop te sluiten onder 't woeden,
- En ons en 't strijdbre volk van 't wis verderf te hoeden?
- Men raadpleeg 's Hemels tolk voor 't blakend veldaltaar!
- Of wichlaar, die 't geheim uit lucht of droom verklaar',
- (Want ook de droom is van de Goden) dat we ervaren,
- Wat de oorsprong zij der ramp van zoo veel legerscharen;
- Of licht Apol zoo fel verzuimde gaven wreekt,
- Of mooglijk offers vergt, waarom zijn wraak ontsteekt,
- En of veellicht het bloed van uitgelezen rammen
- 9
- Zijn grimmigheid verzoen' door geurige offervlammen?
- Dus zegt hij, zit weêr neêr, en de
Opperpriester rijst.
- 't Was Calchas: Calchas, die, in wichelkunst vergrijsd,
- In al wat is, wat was, en wezen zal, ervaren,
- Der vloot naar Trojes kust het spoor wees door de baren.
- Hij, die, door Febus-zelv' met hemelgeest bezield,
- Achilles woord verving, en deze rede hield:
- ô Vriend van 't Godendom, en steun van'hunne
altaren!
- Gij wilt dan, dat wij u Apolloos wraak verklaren!
[p. 294]
-
- 'k Gehoorzaam u. Maar gij, wanneer ik u voldoe,
- 10
- Zeg, bij de macht der Goôn, mij u bescherming toe!
- 'k Moet thands, of 'k zou mijn' plicht en heel het heir
verraden,
- Den onverzoenbren haat des Veldheers op mij laden.
- Een haat, die mooglijk nu verborgen blijft in 't hart,
- Maar eindloos smeulen zal tot hij verzadigd wordt!
- Een haat, dien duizenden gereed staan, op zijn wenken
- Te dienen, wil me uw gunst geen zeekre toevlucht schenken!
- Achilles andwoordt hem: Ontsla uw hart van zorg:
- Spreek, en verheel ons niets, en neem mijn' eed ten borg.
- Ik zweere u bij dien God, wiens outers gij doet rooken,
- 11
- Die thans, op 't gantsche heir zoo vreeslijk wordt
gewroken,
- En door wiens geest vervuld uw nimmerfeilbre mond
- Voor 't oor des Griekschen volks verborgenheên verkondt!
- Geen sterfling zal hier ooit, zoo lang ik adem hale,
- Zoo lang mij 't aardrijk drage, en 't licht der zon bestrale,
- (Al waar 't de Veldheer zelf, hoe veel hij ook vermag)
- De handen slaan aan u, gedekt door mijn gezag!
- Toen greep de Wichlaar moed; en, fier op 's Helds
bescherming,
- Bekrachtigd door die taal, verzeld van zijne omärming,
- Herneemt hij: 't Is geen bloed, dat Febus Godheid vergt,
- 12
- Geen onbevredigde eed, die zijne gramschap tergt.
[p. 295]
-
- Neen, 't is de hoon - alleen, zijn' Priester toegedreven,
- En 't weigren, van zijn telg voor 't losgeld weêr te
geven.
- Dit heeft op 't Legerhoofd zijn gramschap aangezet;
- Dit, op 't onnoozel volk zijn wapentuig gewet.
- Hier, hierom is de God, en blijft hij, fel verbolgen,
- En rust niet, van zijn wraak op 't ijslijkst te achtervolgen:
- Ook zal zijn grimmige arm niet afstaan van ons bloed,
- Eer 't schreeuwende ongelijk op 't plechtigst zij vergoed,
- En de overschoone maagd, van 't slaafsche juk ontbonden,
- 13
- Om niet, en zonder prijs, haar' vader
weêrgezonden:
- Met honderd lamren, versch voor 't slachtmes uitgezocht;
- Of dit zijn wraak voldoen en hun vermurwen mocht!
- Hij zweeg, als Atreus zoon, in gramschap
opgevlogen,
- Zich, gantsch van drift bedwelmd, met woeste en vlammende
oogen
- Te hemwaart wendde en sprak: ô Haarlijke onheilstolk!
- Misbruikt ge uw' invloed weêr op 't neêrgeslagen
volk?
- Ja, smaak den wellust vrij van uwe rampvoorspelling!
- (Wat wrocht me uw Godspraak ooit dan de uitgezochtste
kwelling?)
- Stel me in den nood van 't heir als de eenige oorzaak voor.
- 14
- Om dat ik Chryses telg voor 't grootst randsoen verkoor!
- 'k Erken 't, zij is bij mij voor geen' randsoen te slaken;
- 'k Weet geen begaafdheên meêr, als haar alleen
volmaken,
[p. 296]
-
- En ze evenaart voor 't minst met de edelste Vorstin.
- Maar echter 'k geef haar weêr, steekt daar de redding
in.
- Ik wensch 't behoud des volks en wil niet dat zij sneven:
- Maar geeft me een' andren prijs zoo ik dien weêr moet
geven.
- Laat ik 't alleen niet zijn uit heel de Grieksche Vloot,
- Die zonder krijgsprijs blijft, en zich om elk ontbloot!
-
- Dus verre tot nader gelegenheid.
Liefde.
- ‘Gewis, 't is te onrecht niet, zoo Griek en Frygiaan
- Om haar, al de ijslijkheên des oorlogs
ondergaan.’
- Homerus.
- Hoe groot is (groote Goôn! ) 't vermogen van
een vrouw!
- Eens, als ik 't oog liet gaan op Grieken en Trojanen,
- In 't harnas saamgeprest, bedekt met bloed en tranen;
- Half Azië uitgemoord, en gantsch Europe in rouw:
- Hoe vloekte ik in mijn hart en Griek en Frygianen,
- Om 't wreken even zeer als 't schenden van de trouw!
- Hoe lachte ik om Homeer, die dat bezingen wou! -
- Toen minde ik niet; maar thands zie ik uit andere
oogen:
- 'k Weet nu wat Liefde zij, gevoel heur Alvermogen,
- En hoe 't getroffen hart zich aan zijn' afgod hecht.
- Nu word ik door Homeer verrukt en opgetoogen;
- 'k Begrijp nu 't alles klaar, word voor Heleen bewogen,
- Geef Priaams zoon gelijk, en Atreus zonen recht -
- (V. Bernard p. m. 90.)
|