Langs de hiervóór aangeduide wegen heb ik een goede honderd tekstpassages verzameld die op de een of andere wijze betrekking hebben op Goethes Werther. Daarmee is de discussie die deze roman losmaakte, althans voor zover zij schriftelijk en in het openbaar is gevoerd, naar ik mag hopen grotendeels gedocumenteerd. De vraag is nu: tot welke bevindingen brengt ons deze inventarisatie?
Die zijn van tweeërlei aard. Om te beginnen geven de referenties informatie over de wijze waarop men destijds Werther gelezen en geapprecieerd heeft. De analyse van deze kwalitatieve aspecten van de receptie staat in dit onderzoek in het middelpunt. Maar uit het verzamelde materiaal zijn ook enkele gegevens te destilleren die indicaties leveren aangaande kwantitatieve receptie-aspecten zoals de bekendheid van het boek, en de populariteit ervan in bepaalde lezerskringen. Strikt genomen treed ik met een bespreking daarvan op het terrein van het lezersonderzoek, maar een al te rigide afbakening van het eigenlijke receptiedomein komt me, zoals ik al eerder heb betoogd, geforceerd voor, en lijkt hier te minder wenselijk, omdat uit de materiaalverzameling naar voren komt dat een mening over Werther niet zelden samenhangt met de voorstelling die men heeft van de omvang en hoedanigheid van het publiek van het boek. Vandaar dat de inhoudelijke behandeling van elk van de drie periodes waarin ik het hele tijdvak heb opgesplitst, steeds wordt voorafgegaan door een bespreking van kwantitatieve aanwijzingen. Het zal geen betoog behoeven dat het hier verzamelde materiaal niet méér toestaat dan voorzichtige veronderstellingen, geformuleerd in vrij vage, algemene termen. Er is geen enkel gegeven overgeleverd dat enige werkelijke kwantificering mogelijk maakt.
Wat de kwalitatieve aspecten van de receptie aangaat: de bespreking daarvan vereist een bepaalde ordening. In principe kon ik kiezen uit twee mogelijkheden: óf een chronologische opzet, waarbij de ontwikkeling van de discussie getrouw wordt gevolgd, óf een systematische, waarbij na inhoudelijke clustering van de referenties de respectieve
visies en argumenten de revue passeren. De chronologische ordening heeft het voordeel dat aan de dynamiek van het verloop van de receptie recht wordt gedaan, maar daar staat tegenover dat, aangezien de verscheidenheid in de standpunten niet zeer groot is, een aldus opgezette bespreking al gauw leidt tot het voortdurend en weinig geschakeerd variëren op slechts enkele thema's. Een systematische ordening maakt het mogelijk meteen ter zake te komen, maar reduceert een proces van vijfentwintig jaar discussie tot een statische verzameling meningen. Ik heb tenslotte gekozen voor een combinatie van beide mogelijkheden: in hoofdlijnen wordt het chronologische verloop van de receptie gevolgd, maar waar al eerder verwoorde standpunten en argumenten herhaald worden, breng ik die bijeen in een samenvattende bespreking. Het ligt voor de hand dat de chronologie het meest strikt wordt aangehouden in de eerste jaren, als de verschillende standpunten gestalte krijgen. In de latere jaren zullen vele weinig nieuws opleverende referenties slechts terloops of zelfs in het geheel niet aan de orde komen, ten gunste van een concentratie op uitspraken die een bepaalde opvatting voor het eerst of op een bijzonder pregnante wijze verwoorden, of die de discussie verrijken met nieuwe argumenten of zienswijzen. Onvermijdelijk zal aldus aan bepaalde nuances tekort worden gedaan. Ik hoop evenwel steeds zo geselecteerd te hebben dat het verlies ten gevolge van een geringere uitvoerigheid wordt gecompenseerd door de winst van een grotere overzichtelijkheid. En in ieder geval staat het verzamelde materiaal integraal ter beschikking van de lezer die een andere ordening zou prefereren.
Tot slot van deze verantwoording: het is weinig origineel om in een voltooid proces drie fases te onderkennen, in de geest van opkomst, stabilisering en afname, maar het komt me voor dat de materiaalverzameling al heel sterk uitnodigt tot een dergelijke geleding: gedurende de eerste jaren wordt er heel weinig over Werther geschreven, in de tweede helft van de jaren tachtig en de eerste helft van de jaren negentig treft dan een vloed aan referenties, waarbij de standpunten scherpere contouren krijgen, terwijl tegen het eind van de eeuw Werther, zowel gezien de kwantiteit als de inhoud van de referenties, uit de belangstelling blijkt te verdwijnen. Het onderzochte tijdvak is daarom opgesplitst in drie periodes: 1776-1785, 1786-1795 en 1796-ca. 1800.
In april 1776 vernamen Nederlandse lezers die niet op de hoogte waren van het actuele literaire leven in Duitsland, voor het eerst van het bestaan van een werk Het lyden van den jongen Werther, en wel via de aankondiging daarvan door uitgever Van Emenes in de Utrechtsche courant (1776-1). Begin september van dat jaar, bijna twee jaar na het verschijnen van het origineel, kon men van het werk kennis nemen in de bij Van Emenes verschenen vertaling (1776-4). Overigens zijn de lezers natuurlijk niet allen aangewezen geweest op deze uitgave; sommigen zullen Werther in het Duits hebben gelezen, anderen (waarschijnlijk waren dat er meer) hebben het werk in een Franse versie gekend.1
Er zijn geen aanwijzingen dat het boekje hier te lande onmiddellijk aansloeg. Weliswaar verschenen er spoedig de vertalingen van twee Wertheriaden - een dramatische bewerking van Werther (1776-6) en Nicolais parodie Freuden des jungen Werthers (1777-1) - maar hieruit mag niet geconcludeerd worden tot een gretig onthaal van Werther zelf: in de eerste plaats zou, gezien de korte tussenliggende tijdsspanne, het succes van de vertaalde Werther dan wel heel spoedig manifest moeten zijn geworden, en bovendien zou in het voorbericht van De vreugde daarvan naar alle waarschijnlijkheid wel melding zijn gemaakt. Het ligt eerder voor de hand om te veronderstellen dat de uitgevers van de beide werkjes zich meer door hooggespannen verwachtingen dan door een realiter zich aftekenend succes van Werther hebben laten leiden. Temeer lijkt dit waarschijnlijk omdat - ik kom daar dadelijk nog op terug - vermoed mag worden dat Werther, althans in de vertaling van Van Emenes, allerminst grif van de hand ging.
Aan Werther werd intussen bekendheid gegeven door een bespreking van de roman zelf en van de treurspelbewerking in het enige Nederlandse tijdschrift dat vrij royaal aandacht besteedde aan belletrie: de Vaderlandsche letteroefeningen (1776-5,1777-3). Niet de roman, maar wel het treurspel en de parodie zijn bovendien gerecenseerd in de orthodoxe Nederlandsche bibliotheek, zij het waarschijnlijk op oneigenlijke gronden (1774-4,5). Het feit dat dit tijdschrift zeer negatief over Werther oordeelde, heeft naar ik veronderstel Werthers reputatie weinig geschaad: het publiek van de Bibliotheek zou toch al geen waardering voor de roman hebben gehad. De bespreking in de Letteroefeningen daaren-
tegen, een tijdschrift dat een belangrijk deel van het literair geïnteresseerde publiek bereikte, zal meer gewicht in de schaal hebben gelegd.2 Fel negatief is de recensie zeker niet, maar er straalt ook allerminst een verraste bewondering in door die de lezers geprikkeld zou kunnen hebben tot kennismaking met het boek.
Terwijl Van Emenes Werther afficheert als ‘een beroemd Hoogduitsch Werkje’ (1776-3), valt het op dat niets in de besprekingen erop wijst dat men op de hoogte was van de deining die Werther in Duitsland teweeg had gebracht. Een contra-indicatie lijkt me dat de waarschuwing in de Letteroefeningen voor mogelijke gevaarlijke gevolgen van het boek weinig klemmend wordt geformuleerd (zowel in de bespreking van de roman zelf als later in die van het treurspel). A fortiori wijst dit er trouwens op dat van een onmiddellijk eclatant succes in Nederland geen sprake is geweest.
De besprekingen maken zeer duidelijk dat het verschijnen van (de vertaling van) Werther door de recensenten bepaald niet beschouwd werd als een literair evenement van groot belang, en dit zal z'n weerslag hebben gehad op de verkoop van het boek. Het heeft er in ieder geval alle schijn van dat de uitgave van Van Emenes commercieel geen succes is geweest. Na een jaar immers startte hij een reclame-offensief dat moeilijk anders is op te vatten dan als een aanwijzing dat hij het boek niet kwijtraakte (1776-6). Men mag aannemen dat wanneer het goed zou hebben gelopen, er weinig aanleiding was geweest om een dergelijke dure campagne te voeren voor het restant van de oplage. Bovendien lijkt 200 onverkochte exemplaren (een getal dat in werkelijkheid zeker niet lager zal hebben gelegen) erg hoog bij een oplage die, naar ik vermoed, niet heel veel meer dan 600 of 700 zal hebben belopen.3 In vergelijkbare acties die ik ben tegengekomen, ging het altijd om een veel geringer aantal exemplaren. En een laatste aanwijzing dat Van Emenes zijn kopers moest lokken, wordt gevormd door het feit dat hij in zijn aanprijzing niet meer, zoals het jaar tevoren, het lijden van de hoofdpersoon vooropstelt en de literaire hoedanigheden van het werk accentueert, maar het presenteert als de ‘liefdesgeschiedenis’ van de zoon van een ook hier te lande bekende en geachte ethicus.4 Blijkbaar had hij zijn hoop gevestigd op de liefhebbers van een chronique scandaleuse, nu de oorspronkelijk aangesproken ‘gevoelige harten’ het hadden laten afweten.
Of deze actie erg geholpen heeft om de belangstelling voor Werther te vergroten, is de vraag. Er zijn verscheidene redenen om te veronderstellen dat het werk gedurende de eerstkomende jaren nog geen grote
opgang maakte: in de eerste plaats zal het tien jaar duren voordat er (bij een andere uitgever) een herdruk van de vertaling verschijnt5; ten tweede duurt het eveneens tien jaar eer er nieuwe Wertheriaden in ons land het licht zien; en tenslotte wordt Werther voorlopig nog uiterst zelden genoemd.
In de jaren 1778, 1779, 1780 en 1781 vond ik te zamen niet meer dan vier werken waarin de naam Werther viel. De verwijzing in Van Alphens Theorie (1778-1) geldt daarbij in feite niet Werther zelf, maar een Duitse bespreking ervan. Het stuk van Garve (1778-2) zegt evenmin iets over de belangstelling voor Werther in ons land: het is vertaald als onderdeel van het tijdschrift waarin het was opgenomen, en niet omwille van zichzelf. Wel kan het hebben bijgedragen tot het bekendworden van Werther: in verscheidene latere Nederlandse beschouwingen klinken echo's ervan door.
Van Hasselt (1780-1) schijnt echter in 1780 Die Leiden des jungen Werthers bij zijn lezers bekend te veronderstellen. In het bijzonder valt dat op te maken uit zijn eerste verwijzing: kortweg noemt hij ‘Werther’ als voorbeeld, zonder verdere toelichting. Evenwel blijkt het uit feit dat de (consciëntieuze) Nederlandse vertaler van De mensch van zijne zwakke zijde beschouwd (1781-1) het jaar daarop Werther vernederlandst tot Werder, dat Werther nog niet een algemeen bekende naam was in ons land. Illustratief lijkt me ook dat Feith in zijn in 1781 bekroonde Verhandeling over het heldendicht (1782-1) het nodig vindt om - anders dan bij vrijwel alle andere werken die hij ter sprake brengt - een korte samenvatting te geven bij het aangehaalde citaat. Het is trouwens een intrigerende vraag of hij, indien hij het boek bekend had verondersteld bij zijn lezers, de verandering zou hebben durven aanbrengen die hij zich veroorloofd heeft.
Toch lijkt in deze jaren de kennis van Werther snel toe te nemen. Van Alphen (1782-2) schrijft er in hetzelfde jaar over als over een erkend meesterwerk, en de door hem geciteerde regels uit ‘Klagen unglücklicher Liebe’ kunnen in zijn betoog als illustratie alleen functioneel zijn voor de lezer die op de hoogte is van Werthers geschiedenis. Misschien heeft het betekenis dat Feith naar zijn eigen zeggen met zijn Verhandeling een literair belangstellend, maar zeker niet bijzonder gevormd, publiek op het oog had6, terwijl Van Alphen (alsook mogelijk Van Hasselt) hoger mikte. Anderzijds brengt ook in 1782 de vertaler van Stella (1782-3) in zijn voorrede Werther ter sprake op een wijze die alleen begrijpelijk is voor iemand die de roman al kent. De vermelding op de
titelpagina van Stella: ‘Gevolgt naar [...] de Heer Goethe, Schryver van Werther’, werkt trouwens alleen indien de potentiële lezers dit als een aanbeveling kunnen opvatten. In de voorrede van Stella vinden we bovendien voor het eerst een specificatie van de lezers op wie Werther (en Stella zelf) volgens de vertaler de meeste aantrekkingskracht uitoefent: ‘voor 't grootste gedeelte’ zou dit publiek bestaan uit ‘jonge menschen’.
Een bevestiging van de veronderstelling dat Werther in deze jaren 1782-1783 algemene bekendheid moet hebben verworven, levert Feiths Julia (1783-1): voor een goed begrip van de daarin voorkomende Werther-episode is een meer dan globale kennis van Goethes roman vereist. In de korte periode tussen het schrijven van de Verhandeling en van Julia, zo mogen we wel concluderen, is - althans naar Feiths taxatie - Werthers faam dusdanig gegroeid dat zijn naam bij het romanlezend publiek een specifieke signaalwaarde gekregen heeft. En Feith is niet de enige die erop rekent dat een breed lezerspubliek Werther weet te plaatsen; in hetzelfde jaar blijkt uit het stukje ‘Iets, uit de levensbeschrijving van myn’ neef Willem', in het Mengelwerk van de Vaderlandsche letteroefeningen (1783-2) dat de naam Werther voldoende is om aan een bepaald type minnaar gestalte te geven.
Een dergelijke vanzelfsprekendheid bij het verwijzen naar romanpersonages treft men in deze jaren alleen aan waar het gaat om figuren uit bijzonder bekende werken: allereerst de romans van Richardson, in mindere mate ook Rousseaus La nouvelle Héloïse en Tristram Shandy van Sterne. Na, naar het schijnt, aanvankelijk niet erg de aandacht te hebben getrokken - althans bij het literaire establishment; mogelijk genoot het werk bij jongeren al vroeg enige faam - lijkt Werther in het begin van de jaren '80 in ons land een bekendheid te hebben verworven vergelijkbaar met die van de tot dan toe beroemdste romans van zijn tijd.
Afgezien van Hoffham (1775-1) - in feite een Duitser - is de eerste Nederlander van wie we zeker weten dat hij Werther gelezen heeft, de anonymus die de vertaling ervan voor Van Emenes heeft geleverd. Over het geheel genomen heeft hij zijn werk goed gedaan, zeker in vergelijking met veel andere vertalingen uit deze jaren7; er zijn weinig echte fouten aanwijsbaar, en de tekst van het origineel is zeer getrouw

gevolgd. Slechts in één opzicht krijgt de lezer van de vertaling volstrekt niet een adequate indruk van het oorspronkelijke werk: er lijkt zelfs geen poging te zijn gedaan om Goethes markante Sturm und Drang-stijl in enigszins vergelijkbaar Nederlands te benaderen. Alle eigenaardigheden in spelling, syntaxis en woordkeuze zijn verdwenen, waardoor de vertaling wat bezadigd en omslachtig klinkt in vergelijking met het origineel.8 In hoeverre hier sprake is van onvermogen dan wel van opzet, is niet te achterhalen. De vertaler heeft niets van zijn opinie omtrent het boek prijsgegeven, noch direct in een voor - of narede of in voetnoten, noch indirect door het weglaten, toevoegen of veranderen van passages.9 De enige tekstexterne lezerssturing in Van Emenes' uitgave is er een die Goethe zelf had aangebracht: de versregels op de beide titelpagina's (1776-4) zijn rudimenten van de twee gedichtjes die waren toegevoegd aan de oorspronkelijke tweede druk10; hierin is de liefde van Werther weliswaar als ideaal voorgesteld, maar tevens wordt de lezer opgeroepen hem niet na te volgen.
De eerste Nederlander van wie een oordeel over Werther is overgeleverd, is (afgezien alweer van Hoffham) de uitgever Van Emenes, die in een wervende tekst de verschijning van de vertaling aankondigt in de Utrechtsche courant van begin september 1776 (1776-3). Het feit dat Van Emenes daar Werther parenteert aan de toentertijd ongetwijfeld meest gerespecteerde roman: Richardsons Clarissa, en aan een Duitse verwant daarvan11, is uit uitgeverspolitiek oogpunt bezien niet zo verrassend. Wél opmerkelijk is de onmiddellijk aan het sentimentele idiolect herinnerende terminologie waarin hij zijn aanprijzing verpakt: ‘vol van aandoenlyke Tooneelen’, ‘waardig om gelezen en herdacht te worden van alle gevoelige harten’, en ook de - niet door de titels van de betreffende werken verantwoorde - kwalificatie ‘lydende’ voor Clarissa en de Freule van Sternheim.12 Van Emenes legt dus sterk de nadruk op het effect van het werk op het geïntendeerde publiek: de gevoeligen. Verder geeft hij in de verwijzing naar de werken van Richardson en La Roche een impliciete waarborg voor het morele en het literaire gehalte van de aangekondigde roman.
Als Werther vervolgens het publiek bereikt, roept het werk voor zover valt na te gaan geen opmerkelijke reacties op, evenmin als de beide spoedig volgende Wertheriaden: de gedramatiseerde bewerking en Nicolais parodie. Van de bespreking van Werther in het toonaangevende literaire tijdschrift de Vaderlandsche letteroefeningen (1776-5) is men
haast geneigd te zeggen dat die treft door haar onopvallendheid. Hoe verbazingwekkend vanuit een later perspectief ook, uit niets blijkt dat de recensent het idee had een bijzonder werk voor zich te hebben wat betreft de thematiek, de vertelwijze of de (in de vertaling weliswaar sterk gedempte) stijl.13
De bespreking besteedt, zoals gebruikelijk in romanrecensies in de Letteroefeningen, veruit de meeste aandacht aan de uit het werk af te leiden zedenleer, en gaat nauwelijks in op specifiek literaire hoedanigheden. Kritiek heeft de recensent op het feit dat er in Werther geen afstand wordt genomen van Werthers toegeven aan zijn hartstochten en van zijn zelfmoord, temeer daar Werther beide zelf nadrukkelijk verdedigt. Dit ontbreken van een uit het verhaal te trekken lering maakt het boek ‘eenigszins gevaarlijk’ (een overigens opmerkelijk gematigde formulering) voor die categorie van lezers waarvoor de Letteroefeningen zich, met name in romanbesprekingen, steeds bezorgd toont: de jeugd. In deze preoccupatie met de zedenleer past ook dat de recensent een vrij uitvoerige beschouwing wijdt aan het morele gehalte van Werthers gedrag: Werther heeft zijn ellende aan zichzelf te wijten, ofschoon ook Lotte niet geheel vrijuit gaat.
Wat betreft de literaire kwaliteiten: zonder voorbehoud, maar tamelijk terloops, wordt erkend dat Werther zijn lijden ‘ten leevendigste afgemaald’ en ‘zeer natuurlijk’ uitgedrukt heeft. De recensent ziet hierin echter een gevaar temeer: het boek wordt er des te innemender door voor de argeloze lezer.
Al met al is de recensie afwijzend, maar zij mist ten enen male de heftigheid waarmee later niet zelden de intentie van het boek veroordeeld of het karakter van de hoofdpersoon gediskwalificeerd zal worden. Noch in positieve, noch in negatieve zin blijkt de verwachtingshorizon van de recensent doorbroken te zijn.
De bespreking van de treurspelbewerking van Werther in de Letteroefeningen (1777-3) voegt geen nieuwe dimensies aan de receptie toe. Hoogstens valt op dat de recensent de ‘uitvoering’ even ‘sterk’ vindt als die van het oorspronkelijke werk; dit lijkt symptomatisch voor de betrekkelijk geringe belangstelling die het tijdschrift aan de dag legt voor subtiliteiten in compositie, vertelwijze en stijl.
De overige receptiedocumenten uit deze allereerste jaren sluiten bij het oordeel van de Letteroefeningen aan. In het voorbericht van de Nederlandse uitgever bij Nicolais De vreugde van den jongen Werther (1777-1) wordt eveneens gewezen op het gevaar dat Werthers karakter
en opvattingen, en met name zijn blinde, ongebreidelde hartstocht kan opleveren voor ‘de onbedagtzaame gemoederen van jonge Lezeren’, die wellicht in Werthers voetsporen zouden treden. De besprekingen van het treurspel en van De vreugde in de Nederlandsche bibliotheek (1777-4,5) zijn belangwekkender voor de receptie van Nicolai dan voor die van Goethe. Duidelijk is evenwel dat ook deze recensent Werther ethisch en maatschappelijk gevaarlijk acht; zijn beoordeling van de hoofdpersoon is daarbij radicaal negatief (‘zot geklap’, ‘Romaniek praatje van eenen jongeling, wiens herzens op hol zijn’), zonder de nuances die zijn collega van de Letteroefeningen aan de dag legt.
Na 1777 kan de receptie van Werther een paar jaar niet getraceerd worden: ik heb tot 1782 geen oordelen over de roman van Nederlandse lezers gevonden. Wel verschijnt in 1778 in vertaling de sympathiserende en in verscheidene opzichten bewonderende bespreking van Garve (1778-2), die uiteindelijk echter toch negatief uitvalt: Werther als mens schiet tekort in zijn gebrek aan liefde jegens zijn medemensen, en het boek schiet tekort omdat deze eenzijdigheid niet als zodanig belicht wordt. Hoeveel genuanceerder en fijnzinniger deze beschouwing ook is dan die in de Letteroefeningen, in wezen verwoorden beide hetzelfde oordeel. Het stuk is niet onopgemerkt gebleven: de vertaler van Stella (1782-3) citeert eruit, Feith (1787-4) verwijst er expliciet naar, en spreekt daarbij het vermoeden uit dat ook De Perponcher (1786-7) erdoor geïnspireerd is.
Afgezien van twee passages bij Van Hasselt (1780-1) waaruit moeilijk een oordeel over Werther gedestilleerd kan worden (al lijkt het waarschijnlijk dat hij het werk waardeerde), is in de Verhandeling over het heldendicht van Feith (1782-1) de eerste getuigenis na 1777 te vinden van belangstelling voor Werther, en bovendien de eerste uitvoerige reactie van een lezer die niet behoorde tot de kringen van respectievelijk uitgevers en recensenten.
Feith brengt Werther in de Verhandeling twee maal ter sprake, beide keren in het eerste hoofdstuk ‘Algemeene aanmerkingen over het Belang’. Het ‘Belang’ waar het hier om gaat is de emotionele betrokkenheid van de lezer bij het literaire werk, en de ‘algemeene aanmerkingen’ die Feith daaromtrent maakt, handelen over middelen waarmee dit belang-nemen kan worden versterkt.
Uit de eerste verwijzing naar Werther is op zichzelf nog geen waardering voor het boek op te maken, maar wel komt er markant in naar
voren hoe een specifieke passage Feith en zijn medelezers in het hart trof: allen hadden, net als Lotte, bij het wandelen in de maneschijn associaties met dood en onsterfelijkheid. Een stukje verwachtingshorizon dat zich uit talloze contemporaine literaire werken laat afleiden, vinden we hier expressis verbis door een lezer verwoord.
Uit de tweede verwijzing spreekt duidelijk bewondering voor Werther, en wel voor een strikt literaire kwaliteit ervan: het verwerken van details met een groot evocatief vermogen. Dit op zichzelf interessante gegeven wordt evenwel wat vertroebeld door de complicerende bevinding dat Feith zich enige vrijheden blijkt te hebben veroorloofd bij de weergave van het gebeuren. Allereerst is de door hem opgegeven reden van Werthers vertrek: Werther ‘mistrouwt zijne deugd in langer bij haar [Lotte] te vertoeven’, op z'n minst tendentieus te noemen. Pas in de loop van het tweede deel van de roman manifesteren zich bij Werther twijfels aan de zuiverheid van zijn gevoelens14, terwijl hij als reden voor het door Feith beschreven eerste afscheid enkel de onverdraaglijke aanwezigheid van Albert noemt.15 Veel ingrijpender is echter dat Feith Albert geheel uit de geciteerde scène elimineert. Het drastische van deze wijziging - hoe gering de tekstuele veranderingen op zichzelf ook zijn - krijgt nog meer reliëf tegen de achtergrond van het onmiddellijk aan de bewuste passage voorafgaande gesprek: Lotte heeft daarin onder meer verteld hoe haar moeder op haar sterfbed de verbintenis met Albert haar zegen heeft gegeven. Wat heeft Feith tot zijn ingreep bewogen? Een echt overtuigende verklaring kan ik niet geven, maar voor een bepaald vermoeden lijken wel gronden aanwezig.
De door Feith geschilderde relatie tussen Werther en Lotte doet sterk denken aan de latere verhouding tussen Eduard en Julia in zijn eigen roman Julia: er is weliswaar een derde die een vereniging onmogelijk maakt, maar in de gevoelswereld van de beide hoofdpersonen speelt deze geen enkele rol. Wel leidt de onmogelijkheid van een huwelijk ertoe dat de deugd gevaar loopt, en in Julia is dat inderdaad de reden voor Eduards vertrek. Feith lijkt zijn conceptie van een voorbestemde wederzijdse liefde, die wel praktisch gehinderd, maar volstrekt niet in haar wezen aangetast kan worden door een van buitenaf opgedrongen huwelijkscandidaat, hier in de geschiedenis van Werther geprojecteerd te hebben. Maar daarmee is de vraag van het waarom nog niet opgelost. Een antwoord kan ik alleen vinden in de context van de betreffende passage. Feith heeft een voorbeeld willen geven van een treffende scène die door karakteristieke details nog meer deelneming
opriep. Naar het zich laat aanzien meende hij dat een door de deugd gedicteerd afscheid van twee gelieven die voor elkaar zijn geschapen maar die geen verbintenis mogen aangaan, meer belang wekt dan een scène waarin een wanhopige minnaar het door hem aanbeden meisje ziet verdwijnen samen met de man die zij zonder enig voorbehoud als de hare beschouwt. Het door Feith naar voren gehaalde detail van Lottes witte jurk kan in zijn versie ook een pregnantere betekenis krijgen, namelijk als symbool voor de zuiverheid van de relatie; volgens hem vertrekt Werther immers omdat hij ‘zijn deugd mistrouwt’. Men vergelijke de witte rozen in Julia's haar in de evident door de hier besproken passage geïnspireerde scène in Julia, na het moment waarop de deugd het zwaarst beproefd was.16
Het lijkt me niet waarschijnlijk dat Feiths modificaties opgevat moeten worden als kritiek op de in zijn ogen te weinig hooggestemde liefdesopvattingen in Werther - die zou hij dan wel heel versluierd hebben geuit. Aannemelijker komt het me voor dat hij veel van zijn idealen in Werther herkend heeft, zowel inhoudelijk als qua vormgeving. Terwille van een volledige overeenstemming veroorloofde hij zich enkele - in zijn eigen ogen waarschijnlijk geringe - aanpassingen.17 Als deze veronderstelling juist is, dan is er geen sprake van een verholen polemiek, maar veeleer van een op gevoelens van bewondering en geestverwantschap gegronde adaptatie. Misschien is hier zelfs de term annexatie niet misplaatst.18
In hetzelfde jaar als Feiths Verhandeling over het heldendicht verschenen Van Alphens Digtkundige verhandelingen (1782-2), waarvan de tweede, de Verhandeling over het aangeboorne in de poëzij, drie verwijzingen naar Werther (en één naar een Duitse Wertheriade) bevat. Ter verheldering van de portee daarvan zij hier in vogelvlucht de context geschetst.
In principe komt Van Alphens Verhandeling over het aangeboorne uit een zelfde emotionalistische kunstopvatting voort als het eerste hoofdstuk van de Verhandeling over het heldendicht van Feith: bij beide ligt de nadruk niet op poëticale regels of wetmatigheden, maar op de voor de dichter noodzakelijke sensibiliteit, zonder welke deze nooit het hart van de lezer kan raken. Ging het Feith om de middelen die de sensibele dichter ten dienste staan, Van Alphen verdiept zich vooral ook in het wezen van de sensibiliteit zelf. Sensibiliteit of ‘teergevoeligheid’ omschrijft hij als de bijzondere vatbaarheid waardoor uitwendige gewaarwordingen en ook gedachten gemakkelijk en natuurlijkerwijs veel inwendige gewaarwordingen opwekken. Met andere woorden: de dichter
wordt aangedaan bij gelegenheden waar anderen koel blijven, en de verscheidenheid en originaliteit van zijn associaties bepalen de rijkdom en oorspronkelijkheid van zijn werken. Bovendien is de sensibiliteit een essentiële voorwaarde voor het vermogen van de dichter om zijn stof zo doorleefd gestalte te geven, dat de lezer het beschrevene als het ware zelf meebeleeft. Waar de dichter geen eigen gewaarwordingen weergeeft, maar personages creëert, bereikt hij de hoogste graad van kunst wanneer hij zich dank zij zijn sensibele verbeelding daar zo in weet in te leven, dat de lezer ze als volkomen authentiek ervaart.
In deze context kiest Van Alphen een paar maal Werther als voorbeeld. De eerste keer noemt hij het werk als een van de romans die bewijzen dat ook prozaïsten ‘geboren digters’ kunnen zijn, en dat derhalve - zo is de implicatie - de roman evenzeer een literair kunstwerk kan zijn als een gedicht. Uit deze verwijzing mag zonder enige twijfel worden opgemaakt dat Van Alphen Werther bewonderde, en wel op artistieke gronden. Men ziet hoe Werther hier expliciet (zoals bij Feith impliciet) een van de romans is die het literaire prestige van het genre hebben verhoogd. Toch had Van Alphen ook wel kritiek op het werk, zoals blijkt uit de tweede vermelding. Van Alphen merkt daar op dat de dichterlijke sensibiliteit ook ‘boven het menschelijke’ kan zijn, gelijk in Werther. Mogelijk geeft hij hiermee de reden waarom hij Richardson hoger stelt dan Goethe. Jammer genoeg licht hij niet toe waarin zich deze buitensporigheid manifesteert. Gezien de onmiddellijke relatie die hij legt tussen de dichterlijke ‘teergevoeligheid’ en het weergeven van het gemoedsleven van de personages, lijkt het zeer waarschijnlijk dat hij hier het oog heeft op de sensibiliteit zoals Werther zelf die ten toon spreidt. In dat geval komt zijn kritiek in de buurt van die van Garve, die immers Werthers gevoelens als ‘ten enenmale overspannen’ had gekwalificeerd. Maar hoezeer de bedenkingen van Garve en die van Van Alphen in de praktijk mogelijk overeenkomen, het komt me toch voor dat hun optiek enigszins verschilt: Garve belicht Werthers overspannenheid als een morele tekortkoming, Van Alphen als een te ver gedreven modaliteit van essentiële dichterlijke eigenschappen. Als ik de strekking van zijn opmerking juist interpreteer, gaat het hem niet primair om de ethische consequenties van Werthers buitensporige sensibiliteit, maar om de psychologische dimensies ervan.
Interessant is in dit verband ook Van Alphens derde Werther-vermelding. Daar blijkt dat deze bedenking bij hem geen afbreuk heeft gedaan aan de suggestie van authenticiteit die Werther weet te wekken.
Goethes sensibiliteit moge dan in Werther de menselijke maat te buiten gaan, artificieel vindt Van Alphen haar niet. Integendeel: het werk geeft blijk van een dusdanig inlevingsvermogen, dat hij, zoals hij het voorzichtig uitdrukt, zich ‘niet verwonderen zou, dat [Goethe] hier en daar zig zelven geschilderd had’. In dit opzicht staat Werther klaarblijkelijk niet bij Richardsons romans ten achter. Zoals ik daarstraks heb betoogd, is de sensatie van ‘echtheid’ die wordt gewekt een uiterst belangrijk artistiek criterium in de Verhandeling over het aangeboorne in de poëzij; adagium is, zoals in alle emotionalistische poëticale verhandelingen, het Horatiaanse ‘Si vis me flere, dolendum est primum ipsi tibi’.19 In dit licht bezien houdt Van Alphens vermoeden omtrent de authenticiteit van Werthers aandoeningen een artistieke loftuiting van de eerste orde in.
Helaas heeft Van Alphen betreffende Werther niet meer nagelaten dan deze terloopse vermeldingen. In zijn overige werken brengt hij het boekje nergens ter sprake, en evenmin rept hij ervan in zijn overgeleverde brieven.20 Dat is daarom zo jammer omdat onder de in deze studie verzamelde lezers hij een van de zeer weinigen is, die een artistieke appreciatie heeft geformuleerd. Graag had ik een nadere uitwerking van zijn opvattingen dienaangaande gevonden.
Het jaar 1782 levert ook een negatieve reactie op: de onbekende vertaler van Goethes Stella (1782-3) acht, evenals indertijd de recensent van de Vaderlandsche letteroefeningen, Werther gevaarlijk voor de jeugd, in het bijzonder voor de toch al naar het melancholieke neigende gevoelige zielen. En zeker de teleurgestelde minnaar zou in Werther een fataal voorbeeld kunnen vinden. Niettemin lijkt de vertaler wel affiniteit tot de roman te hebben (wat gezien zijn waardering voor Stella ook wel voor de hand ligt): zijn toon klinkt eerder wat teleurgesteld dan gispend.
Als afloop had hij liever gezien dat Werther zijn hartstochtelijke liefde had weten om te zetten in een stille, zachte, verheven vriendschap, en dat hij het gevaarlijke van zijn vroegere hevige driften had beseft. Het is een soort oplossing die karakteristiek is voor een literatuuropvatting waarin psychologische waarschijnlijkheid of ‘waarheid’ van personages nagenoeg zonder voorbehoud ondergeschikt wordt gemaakt aan de geïllustreerde zedenles die een roman dient te zijn. De Stella-vertaler beseft wel dat hij van Werther een psychische volte-face vergt, maar ondenkbaar is die zijns inziens niet (‘God weet, wat dit kost! Maar dit is evenwel mogelyk’), en daarmee is in zijn ogen de door hem
voorgestane wending behalve moreel gerechtvaardigd ook verdedigbaar uit het oogpunt van karaktertekening.
Curiositeitshalve zij nog opgemerkt dat de vertaler de vrijheid heeft genomen om het volgens de gangbare moraal evenmin stichtelijke slot van Stella te wijzigen. Kennelijk vanuit de overtuiging dat iedere afloop beter is dan een ménage à trois, laat hij Fernando de hand aan zichzelf slaan...
Men zou kunnen zeggen dat de vertaler van Stella, met zijn voorstel voor een ongewelddadig einde van Werther, op zijn wenken bediend wordt, als het jaar daarop Julia (1783-1) verschijnt, waarin (in het verhaal Julia zelf21) een Werther figureert die zich niet om het leven brengt.22 Is deze Werther-episode inderdaad bedoeld als een corrigerend alternatief voor het slot van Goethes roman? Verscheidene onderzoekers zijn daarvan overtuigd23, maar ik meen dat zij de kwintessens van dit ingekaderde verhaal missen.
Vooropgesteld moet worden dat er weinig twijfel over kan bestaan dat Werthers einde Julia moet demonstreren hoe volgens Feith de door het lot geteisterde gevoelige ziel sterft. In dat opzicht zal deze Werther een geïdealiseerde versie van de oorspronkelijke zijn. Maar uit het feit dat Goethes Werther in Feiths ogen vermoedelijk te kort schoot als gevoelige ziel, mag men nog niet afleiden dat Feith dus vond dat Goethe zijn personage een ander einde had moeten laten kiezen.
Belangrijker is echter dat naar mijn mening de Werther-episode in Julia traditioneel ten onrechte gereduceerd is tot een uitspraak over de zelfmoord. Het is waar: Werthers sterven wordt relatief uitvoerig beschreven, maar een conclusie of oordeel wordt er in het hele werk niet aan verbonden. Men kan ook moeilijk verdedigen dat de hier gekozen afloop in het licht stelt hoe verwerpelijk en kortzichtig zelfmoord is. In wezen zitten Feith en de vertaler van Stella dan ook minder op één lijn dan op het eerste gezicht lijkt: de laatste voorspelde aan een tot inkeer gekomen Werther een leven dat ‘eene aaneenschakeling van aangenaamheden en vergenoegens zou geworden zyn’, terwijl het leven van Feiths Werther ‘eene afgaande schaduwe gelijk is geworden’ (Julia p. 122). Het stellig wezenlijke punt van verschil tussen Goethes Werther die het recht van leven en sterven in eigen hand neemt, en Feiths Werther die geduldig-vroom wegkwijnt, mag een fundamenteel punt van overeenkomst niet overschaduwen: beide Werhers zien voor zichzelf geen bestaansreden meer op deze wereld als zij hun liefde niet kunnen realiseren.24 Beider hoop is slechts
gericht op een vereniging in het hiernamaals.25
Het komt me voor dat dit - op aarde - uitzichtloze lijden wezenlijker is in de Werther-episode dan de wijze van Werthers sterven. Veel meer dan op zijn dood ligt het accent op zijn rampzalig-zijn. Eduard, die tot op dat moment meende dat hij de ongelukkigste mens aller tijden was, wordt door de ontmoeting met Werther krachtig gecorrigeerd: Werther is ‘duizendmaal ongelukkiger’ (p. 118). Díens geliefde wil immers niets meer van hem weten, vermoedelijk omdat hij zich ooit een keer te hartstochtelijk heeft betoond. Deze twee factoren in Werthers lijden: het niet beantwoord worden van zijn liefde, en het risico dat de sexualiteit levert voor een zuivere relatie, geven aan de Werther-episode een exemplarische waarde binnen het Julia-verhaal. Op beide aspecten gaat Julia in haar brief naar aanleiding van Werthers geschiedenis ook in, en níet op Werthers wijze van sterven.
Wat beminnen wij toch als wij stof beminnen? - o mijn Eduard! - ook onze liefde heeft die zuiverheid nog niet bereikt, die ze bezitten moet om ons voor altijd gelukkig te maken -
zo schrijft ze (p. 129), en dit moet wel betrekking hebben op het incident dat Werther uit de omgeving van zijn geliefde bande, en natuurlijk op de vergelijkbare ervaring van Eduard en Julia zelf. Werthers geschiedenis leert eens te meer welke bedreiging de driften voor een (noodzakelijkerwijs) volstrekt zuiver te houden liefdesrelatie inhouden. In wezen onderstreept Werthers verhaal de juistheid van het besluit van Julia en Eduard om de omgang met elkaar te vermijden, zolang hun liefde nog niet volkomen op een ideëel plan staat.
Maar Werthers rampzaligheid is niet in de eerste plaats een gevolg van dit ongelukkige voorval. Anders dan Eduard heeft hij geen contact meer met zijn aanbedene, is hij zelfs ‘mooglijk van haar vergeten’ (p. 124). Waar de liefde van Julia en Eduard tegen een hartstochtelijk moment bestand was, is de relatie tussen Werther en zijn geliefde dat blijkbaar níet geweest. Deze kwetsbaarheid zal verklaard moeten worden uit het wezenlijke verschil tussen beide verhoudingen: ofschoon het verhaal dienaangaande bijzonder weinig duidelijkheid verschaft, mag men er toch uit opmaken dat Werthers liefde van meet af aan niet beantwoord werd met een gelijkwaardige wederliefde.26 Ik vermoed dat Feith hier een probleem heeft aangestipt waarvan hij zich realiseerde dat het binnen zijn conceptie van de unieke, voorbestemde liefde onoplosbaar was, namelijk dat van de ziel die gewaarwordt de zusterziel gevonden te hebben, terwijl deze beleving niet wederzijds is of mag zijn. Mogelijk zinspeelt Julia op dit enigma als ze erkent:
Ik gevoel het, mijn Eduard! alle uwe bedenkingen tegen de Voorzienigheid zijn hier niet mede opgeheven - de levensloop van Werther blijft voor u en mij een onoplosselijke knoop - maar o Eindige! - wilt gij de Oneindigheid peilen? -- (p. 132)
Het enige wat de mens kan doen, is zich deemoedig aan Gods ondoorgrondelijke plan onderwerpen. In deze levensbeschouwing past niet de eigenmachtige ingreep van de zelfmoord, maar evenmin geeft Feith voor de teleurgestelde minnaar mogelijkheden aan om op aarde nog tot een zinvol bestaan te komen. Wél kan zijn Werther vertrouwen op een vereniging met zijn geliefde in het hiernamaals, een vertrouwen dat ook Goethes Werther - zij het pas op het laatst - uitspreekt. Voor beide Werthers is ontrouw aan de als voorbestemd ervaren liefde ondenkbaar. Die standvastigheid is bij Feith een van de kenmerken van een gevoelig hart - en de bezitters daarvan moeten hun voorrecht dan ook veelal duur betalen (p. 118).
Ik ben me ervan bewust dat bovenstaande uiteenzetting veeleer een stukje Julia-interpretatie bevat dan dat zij Feiths receptie van Werther verheldert. Maar daarmee is dan ook precies het probleem gedemonstreerd dat zich voordoet in gevallen van produktieve receptie: de receptief belangwekkende elementen staan niet op zichzelf, maar hebben een functie in de betreffende literaire produktie. De Werther-episode in Julia is een relatief eenvoudige casus, omdat het hier een klein, en duidelijk naar het gerecipieerde werk verwijzend tekstgedeelte betreft. Toch kan zelfs in dit geval de slotsom van de analyse weinig specifieker zijn dan dat Feith de geschiedenis van Goethes Werther heeft gebruikt als een soort illustratie van zijn eigen opvattingen. Zijn Werther heeft met de oorspronkelijke niet alleen de naam gemeen, maar ook zijn lijden dat voortvloeit uit een liefde die op aarde niet te realiseren is, maar waaraan hij onwankelbaar trouw blijft. Ook met de geschiedenis van Goethes Werther correspondeert dat Feiths Werther zich eens de toorn van zijn beminde op de hals heeft gehaald. Maar verder geeft Feith aan zijn personage karakteristieke eigen trekken als vroomheid en lijdzaamheid. Om daaruit de conclusie te trekken dat Feith hiermee Die Leiden des jungen Werthers kritiseerde, dan wel dat de essentie van de roman hem te enen male ontging27, gaat naar mijn mening veel te ver: het enige wat uit de adaptatie blijkt is dat deze Werther beter paste in zijn conceptie van Julia. Wel kan men zeggen dat Feith hier wederom, net als in de Verhandeling over het heldendicht, Goethes roman als het ware annexeert. Om de in zijn ogen fundamentele verwantschap tussen Eduard en Julia enerzijds en Werther ander-
zijds in het licht te stellen, roept hij het beeld van Werther op, maar voorziet hem tevens van een ‘passend’ karakter.28
Als we de sneeren van de Nederlandsche bibliotheek in 1777 niet meerekenen, dan is 1783 ook het jaar waarin voor het eerst een onvoorwaardelijke diskwalificatie van Werther en zijn bewonderaars het licht ziet. In een Mengelwerk-stukje in de Vaderlandsche letteroefeningen, getiteld ‘Iets, uit de levensbeschryving van myn’ neef Willem' (1783-2), worden deze Willem en Werther tegenover elkaar gesteld. Willem is geen ‘gek’ zoals Werther, hij is een ‘Wijsgeer’, hetgeen betekent (zo is de strekking van het verhaaltje) dat hij weet te leven met de teleurstellingen die de liefde hem brengt. Werther moge dan bewonderd worden en beklaagd om zijn rampen, wie zijn verstand gebruikt ziet in dat hij noch bewondering noch medelijden verdient, omdat het geloof in de volstrekte uniekheid van de geliefde onzinnig is. Willem gaat dan ook niet te gronde aan een ‘ingebeelde ramp’ als Emilia's ontrouw, maar zoekt voor haar in de plaats een ander. Bovendien, zo stelt de auteur, berust een hooggestemde liefde als die van Werther op de overspannen opvatting dat alleen zielsattractie in het geding is, en dat het lichaam geen rol speelt. Daarmee wordt echter het mens-zijn van de mens (die immers niet geschapen is als engel) miskend, en verliest de liefde haar natuurlijke functie.
Drie dingen zijn opmerkelijk in dit stukje. Allereerst erkent Willem dat ondanks alles ook hij zich aanvankelijk had laten meeslepen door Werther: het boek had ‘een' oogenbliklyken indruk op hem gemaakt’. Het wordt terloops gezegd, maar onthult iets van de buitengewone suggestieve kracht die van de roman moet zijn uitgegaan. In de tweede plaats blijkt dat Werther hier het prototype is geworden van de minnaar wiens liefde onvoorwaardelijk is. Sommigen zien in hem een soort ideaal, maar Willem laakt dat als wereldvreemde dweperij. Hij keert zich daarmee niet primair tegen Goethes roman, maar tegen de liefdesopvatting die hij aan de hoofdpersoon toeschrijft. Ik gebruik met opzet het woord toeschrijft, want het derde opmerkelijke element in het stukje is dat de hier in Werther bestreden ideeën gedeeltelijk op hem geprojecteerd lijken. Het door de schrijver van ‘Neef Willem’ gesmade ‘enkel beminnen van de ziel’ wordt als zodanig nergens door Werther verdedigd, en bovendien breekt gaandeweg juist het besef bij hem door dat zijn gevoelens voor Lotte onmiskenbaar een zinnelijke component bevatten. Blijkbaar wordt Werther door Neef Willem geïdentificeerd met andere idealistische literaire minnaars. Dat hem in
ieder geval ook Feiths Eduard voor ogen stond, blijkt uit de vraag van de ‘Mevrouw’ of Willem zich niet doodschoot of althans tot zijn dood zijn ongelukkige liefde in het bos beweende, en ook uit de dood van Cecilia op de dag dat zij zich met Willem zou verbinden.29 Evenals bij Feith krijgt Werther hier een gedaante die enigszins losraakt van het origineel: andere romanfiguren versmelten als het ware het hem, waardoor hij typologische trekken krijgt als de rampzalige minnaar. Uit het onder één noemer brengen van zelfmoord en wegkwijnen blijkt trouwens dat de door Feith weergegeven wijze van sterven althans door de auteur van ‘Neef Willem’ werd beschouwd als slechts een variant van in wezen hetzelfde soort verwerpelijke gedrag.
In ‘Neef Willem’ zien we voor het eerst Werther de inzet worden van een discussie over gevoel en liefde. Al in 1776, bij de aankondiging van de vertaling, had Van Emenes Werther aanbevolen aan ‘alle gevoelige harten’, en later waarschuwde de vertaler van Stella voor het gevaar dat het boek voor ‘gevoelige Zielen’ kon inhouden. Nu, in 1783, heeft de associatie van Werther met gevoel heel nadrukkelijk gestalte gekregen: aan de ene kant rangschikt Feith Goethes hoofdpersoon onder de elite van verheven gevoeligen, anderzijds categoriseert de auteur van ‘Neef Willem’ hem, en met hem zijn bewonderaars, onder de overspannen gevoeligen. Beiden zien deze gevoeligheid geconcretiseerd in een idealistische liefdesopvatting; voor Feith is deze de hoogst denkbare, voor ‘Neef Willem’ is zij onrealistisch en pathologisch. Werther, gedeeltelijk losgeraakt van zijn oorspronkelijke gedaante, functioneert nu als toetssteen in een controverse die deels ethisch-maatschappelijk van aard is (idealisme tegenover pragmatisme) en deels psychologisch (gevoelsverfijning tegenover gevoelsbeheersing).
Bij de laatste referenties uit deze periode 1776-1785 hoef ik niet erg lang stil te blijven staan. De mening van de Duitser Schelle (1783-3), dat gevoelige literatuur de vorming van Werthers in de hand werkt (Werther is hier een soortnaam geworden!) zullen we enkele jaren later ook door verscheidene Nederlanders verwoord vinden. Vervolgens vraagt nog twee maal Rhijnvis Feith onze aandacht, in 1784 met het eerste deel van zijn Brieven over verscheiden onderwerpen (1784-1), en het jaar daarop met de roman Ferdinand en Constantia (1785-1). Aan dit laatste werk ga ik voorbij; het ene rechtstreeks naar Werther verwijzende citaat kan moeilijk als een wezenlijke bijdrage aan de discussie opgevat worden, en voor het overige roept de roman als receptiedocument hetzelfde soort interpretatieproblemen op als de Werther-episode in Julia.
De wijze waarop Feith in de Brieven over Werther spreekt, getuigt daarentegen op volstrekt ondubbelzinnige wijze van zijn bewondering voor het boek, hoe weinig hij er ook over zegt. Aan deze beschouwing ‘Over het onnatuurlijke, geoutreerde, onwaarschijnlijke, enz.’ ligt een visie op de dichterlijke sensibiliteit ten grondslag die in principe zeer verwant is aan de hiervoor besproken opvattingen van Van Alphen. Deze sprak van de bijzondere vatbaarheid van de dichter, en over de rijkdom van diens associatievermogen. Dit is precies wat Feith - rijkelijk hyperbolisch - aangeeft met zijn voorbeeld van Rousseau die ‘geen zandkorrel ongemerkt voorbijgaat, zonder dat dezelve eenig voedsel aan zijn gevoelvermogen verschaft heeft’.
Het probleem dat Feith in ‘Over het onnatuurlijke’ onder ogen ziet, is dat er in de praktijk niet steeds een communis opinio blijkt te bestaan over deze sensibiliteit: wat de ene lezer als buitengewoon treffend ondergaat, wordt door de ander gekwalificeerd als overspannen. De reden voor dit uiteenlopen van de appreciaties is volgens Feith daarin gelegen, dat het esthetisch onderscheidingsvermogen niet bij ieder in gelijke mate is ontwikkeld.30 In wezen komt zijn betoog erop neer dat de dichterlijke sensibiliteit een gelijksoortige sensibiliteit bij de lezer veronderstelt. In de zich ontwikkelende discussies over de gevoeligheid legitimeert hij aldus zijn eigen opvattingen tegenover bezwaren van het soort dat in ‘Neef Willem’ was geformuleerd.
Tot de voorbeelden die Feith geeft van literatuur die zo'n gelijkgestemdheid van schrijver en lezer veronderstelt, behoort ook Werther, waarmee het toetssteen-karakter dat dit werk krijgt, opnieuw naar voren komt. Feith blijkt Werther nog hoger aan te slaan dan Van Alphen: deze laatste had, bij alle erkenning van de dichterlijke sensibiliteit die in de roman tot uiting komt, de gevoeligheid toch ‘buitensporig’ en ‘boven het menschelijke’ geacht, en gaf de voorkeur aan Richardson. Feith daarentegen lijkt Werther nog boven Clarissa te waarderen; de sensibiliteit die Goethe in zijn roman aan de dag legt, is naar zijn oordeel juist niet ‘geoutreerd’, maar van een verhevenheid die slechts door de meest subtiel gevoelende lezers te appreciëren is. Welke bedenkingen Feith mogelijk impliciet in zijn romans, en later in ieder geval expliciet in zijn Brieven, mag hebben tegen sommige hoedanigheden van Werthers karakter, zijn bewondering voor het werk als literaire creatie lijkt niet onderhevig te zijn aan enige reserve.
Wanneer we nu de bevindingen met betrekking tot de periode 1776-1785 nog eenmaal overzien, dan kunnen we concluderen dat er van een
stormachtig onthaal van Werther in de eerste jaren, ondanks een vroege en verdienstelijke vertaling, geen sprake is geweest. De vertaling lijkt in eerste instantie niet te best verkocht te zijn, en het duurt enige jaren voordat het boek merkbare bekendheid verwerft. Van een discussie is aanvankelijk ook niets te bespeuren. Noch de waardering door de ‘gevoelige harten’ waarop Van Emenes speculeert, noch het voorbehoud op morele gronden dat de Vaderlandsche letteroefeningen maakt in zijn recensie van de vertaling, vinden we door andere lezers verwoord.
In de jaren na 1780 evenwel krijgt de Werther-receptie snel duidelijke contouren. Reeds rond 1782-83 blijkt de roman algemeen bekend geworden bij het lezende publiek. Ook tekenen zich dan verschillende oordelen af. Er zijn lezers die het boek bewonderen als literair werk, op grond van de dichterlijke sensibiliteit die eruit spreekt. Van Alphen en Feith zijn de woordvoerders van deze waardering, en zij kennen beiden aan Werther een plaats toe onder de belangrijke literaire werken, en onder de allerbeste romans.
De critici van Werther - in het begin de Letteroefeningen, en later de vertaler van Stella en de auteur van ‘Neef Willem’ - ontkennen de literaire verdiensten van het werk niet. Zelfs ‘Neef Willem’ betoont zich - zij het slechts voor het moment - onder de indruk van het boek. Hun afkeuring richt zich op de morele hoedanigheden van de hoofdpersoon, waarvan in de tekst huns inziens ten onrechte geen afstand wordt genomen. Bezien vanuit een conceptie waarin aan romanpersonages primair een persoonlijkheidmodellerende functie wordt toegekend - voorbeelden ter navolging in het goede of ter afschrikking van het kwade - is Werther begrijpelijkerwijs een dubieus boek; met name het feit dat de schuld die Werther zelf aan zijn lijden droeg omdat hij zijn hartstochten niet beteugelde met zijn rede, had volgens de critici in het licht gesteld dienen te worden, en alle drie vullen zij deze leemte alsnog op. Hoezeer de karaktertekening werd beschouwd in functie van de morele vorming van de lezer, komt naar voren in het voorstel voor een ander slot dat de vertaler van Stella doet, en evenzeer in de wijze waarop de auteur van ‘Neef Willem’ over Werther spreekt: ternauwernood is uit zijn stukje op te maken dat Werther een romanpersonage is, en niet een reële mens die zijn vrienden op een dwaalspoor brengt.
Het is riskant om op grond van slechts drie uitspraken tot een ontwikkeling te besluiten, maar misschien is het niet geheel toevallig dat de gevaarlijke invloed van Werther met toenemende kracht wordt ge-
signaleerd: de recensent in de Letteroefeningen spreekt slechts zijn zorg over de mogelijkheid ervan uit, de vertaler van Stella vreest dat er reeds kwalijke gevolgen zijn opgetreden, terwijl de auteur van ‘Neef Willem’ met zijn diskwalificatie van de minnaars ‘naar den tegenwoordigen smaak’ suggereert dat Werther-bewondering een modeverschijnsel is geworden. De groeiende pertinentie zou erop kunnen wijzen dat men de gevreesde effecten van de roman metterdaad meer en meer meende waar te nemen. In de ogen van de laatste getuige manifesteert zich in de populariteit van Werther dan ook een zorgwekkende collectieve dispositie, in het bijzonder met betrekking tot de liefde.
Het soort bewondering waarover de auteur van ‘Neef Willem’ de staf breekt, is overigens niet rechtstreeks gedocumenteerd in deze periode: ik heb geen uitspraak gevonden waarin Werther inderdaad expressis verbis wordt voorgesteld als de personificatie van de ideale, gevoelige liefde. Een impliciete getuigenis van deze opvatting lijkt me echter door Feith gegeven in de Werther-episode in Julia. Deze Werther is immers in alle opzichten een zielsverwant van Eduard, die in het boek de verheven minnaar belichaamt. Veelbetekenend in dit verband is dat Feith het volle licht laat vallen op de zuiverheid en standvastigheid van Werthers liefde. Voor zover er bij zijn Werther van schuld gesproken kan worden, geldt die slechts één ongelukkig moment, maar niet zijn liefde zelf; integendeel, deze is gegrond op zielsverwantschap, en daarom principieel van een verheven orde. Feith schildert Werther zodoende als het rampzalig slachtoffer van een conflict tussen een door God voorbestemde verbinding en de belemmerende aardse omstandigheden. De voorlopige uitweg uit deze impasse is uiteraard niet het zoeken van een andere beminde, maar het betrachten van een zuivere zielsliefde; zo blijft deze liefde in haar essentie bestaan, zonder dat tegen de aardse verhoudingen gezondigd wordt. Dit is precies de liefdesopvatting die in ‘Neef Willem’ aan de kaak gesteld wordt.
Als we mogen aannemen dat zowel Feith als de auteur van ‘Neef Willem’ representatief zijn voor een belangrijk deel van de Werther-lezers, dan lijkt in een polarisering van twee strijdige concepties aangaande de liefde een enigszins vertekende Werther de rol van katalysator en toetssteen te vervullen; voor- en tegenstanders van een idealistisch beleefde liefde zien in Werther de kampioen daarvan bij uitnemendheid. Daarbij wordt hij in beide kampen voorgesteld in een gedaante die niet geheel samenvalt met het origineel. De naam Werther verwijst daardoor mede naar een type minnaar, en niet uitsluitend naar een specifieke romanfiguur.
Alleen al op grond van de chronologische spreiding van het gevonden materiaal is het aannemelijk dat de belangstelling voor Werther het grootst was in de jaren 1786-1795. In dit decennium vond ik een 75 referenties, tegen circa 25 voor de periode 1775-1785, en nog geen 20 tussen 1795 en 1801. De relatieve rijkdom aan materiaal in de nu te bespreken tien jaar correspondeert met twee andere bevindingen die op een levendige interesse wijzen. In de eerste plaats bewijst het verschijnen van herdrukken dat Werther in vertaling nu goed aftrek vindt, en in de tweede plaats blijkt het klimaat gunstig voor het gedijen van onmiddellijk door Werther geïnspireerde literaire produkten.
Wat de vertalingen betreft: van de uitgave van Van Emenes verschijnt in 1786 - nu bij diens stadgenoot Wild - een tweede druk, waarvan in 1787 een tweede uitgave het licht ziet. In 1790 reeds blijkt een derde druk uitgebracht te kunnen worden en kort daarna, in 1793, waagt de Amsterdamse uitgever Johannes Allart een min of meer als roofdruk te kwalificeren nieuwe uitgave. Terwijl Van Emenes, zoals bleek, in 1776 en de jaren daarna Werther vermoedelijk maar met moeite heeft kunnen slijten, verschijnen er nu dus drie drukken in zeven jaar tijds. Ofschoon bij ontstentenis van oplage- en verkoopcijfers vergelijkingen slechts indicatief kunnen zijn, ziet het er toch wel naar uit dat alleen al in de Nederlandse vertaling Werther een best-seller moet zijn geweest, want het verschijnen van verscheidene drukken in de loop van slechts een paar jaar was in de 18e eeuw zeer uitzonderlijk bij romans.31
Illustratief voor de belangstelling lijkt me ook dat de herdrukken van Werther mooier en dus duurder worden. Wilds tweede druk is verrijkt met het kritische Het lijden van den jongen Werther onderzocht, en de tweede oplage ervan bovendien met ‘een net stel plaatjes’, wat de prijs op ƒ1,90 brengt - ruim twee maal zoveel als die van Van Emenes' uitgave (ƒ0,90). Allart doet daar nog een stevige schep bovenop: zijn uitgave kost maar liefst ƒ3,-, waarvoor de koper een Werther kreeg zonder Het lijden van den jongen Werther onderzocht, maar met vier platen van de beroemde Reinier Vinkeles, in een royale, zij het ook niet bijzonder luxueuze uitvoering.
De belangstelling voor Werther manifesteert zich in deze jaren ook in de verschijning van gedichten en romans die deel uitmaken van wat Atkins Werthers ‘testament’ noemt32, en die ook wel met de term
Wertheriaden worden aangeduid. Zoals bekend werd Van Emenes' uitgave van Werther indertijd spoedig gevolgd door twee vertaalde werken van dien aard: een treurspelbewerking en een parodistisch vervolg, maar daarna is er in ons land acht jaar lang niets in Werthers testament bijgeboekt. Vanaf 1786 kan men echter een royale verzameling van Wertheriaden samenstellen, met niet alleen uitheemse voortbrengselen, maar ook eigen kweek:
| 1786-3 Het lijden van de jonge Wertherin (uit het Duits) |
| 1788-8 ‘Charlotte aan Werther’ (uit het Duits, ongepubliceerd) |
| 1789-3 Brieven van Charlotte (uit het Engels) |
| 1790-1 ‘Charlotte bij het graf van Werther’ (‘Al de vreugde van mijn leven’) |
| 1791-4 ‘Charlotte bij het graf van Werther’ (‘Werther, eeuwig dierbre Werther’) |
| 1792-1 ‘Bij Werthers graf’ |
| 1792-6 Wertherie (uit het Frans) |
| 1793-1 ‘Op het graf van Werther’ (‘Hier rust de Liefde zelf’) |
| 1793-7 Brieven van Albert (uit het Engels) |
| 1794-8 ‘Op het graf van Werther’ (‘'t Is dan gedaan, myn vriend’) |
| 1795-9 ‘Charlotte by het graf van Werther’ (‘Slaapt gy nog myn welbeminde’) |
| 1795-10 ‘Op het afscheid van Werther’ (‘Werther waarom dus verslagen’). |
Te zamen zijn dit vier romans en acht stukjes poëzie; de romans zijn alle vertalingen, van de gedichten zijn er - voor zover ik het heb kunnen nagaan - zeven oorspronkelijk. Niet in de inventaris opgenomen zijn de herdrukken: één van Brieven van Charlotte (1793-6), drie (tot en met 1795) van ‘Charlotte bij het graf van Werther’ uit 1790 (1792-5, 1795-8, 1795-10), en één van het gelijknamige gedicht uit 1791 (1795-10). Mogelijk is de lijst, met name voor wat betreft de poëzie, niet volledig, maar ook zo valt er reeds uit op te maken dat Werther in de jaren 1786-1795 goed in de literaire markt lag. Significant lijkt me dat de meeste Werther-poëzie wordt aangetroffen in uitgaafjes van een karakter dat vermoedelijk in sterke mate door commerciële overwegingen bepaald is, zoals almanakken en liedboekjes.
Met dit laatste is een ander opmerkelijk punt aangeroerd: niet alleen groeit het aantal Werther-referenties sterk, maar ook wordt in de loop der jaren het bronnenbestand gevarieerder. Vóór 1790 leveren noch de almanakken, noch de diverse soorten liedboekjes iets op. Ook de
spectators komen pas vrij laat over Werther te spreken: voor het eerst gebeurt dat in 1788. Het is verleidelijk om deze rijkere geschakeerdheid te interpreteren als symptoom van een toenemende bekendheid van Werther, nu ook buiten de kring van habituele romanlezers. Vooral uit het opduiken rond 1795 van Werther-poëzie in volks-liedboekjes - zeer goedkoop uitgevoerde werkjes (de prijs lag rond de twee stuivers) die dikwijls nog uit een gothische letter waren gezet - zou besloten kunnen worden tot een spectaculaire verbreidheid van de kennis van Werther, zelfs in publiekslagen waarin alleen al om financiële redenen uiterst zelden romans zullen zijn gelezen.33 Er is echter veel te weinig bekend over het 18e-eeuwse lezerspubliek en de gedifferentieerdheid daarvan, om op dit terrein meer dan voorzichtige veronderstellingen te mogen wagen. Onder dit voorbehoud wil ik op grond van de spectatoriale referenties het vermoeden uitspreken dat tegen 1790 Werther althans bij reputatie ook bekend moet zijn geweest of geworden bij lezers wier belletristische lectuur zich in beginsel beperkte tot onverdacht zedenkundige werken.
Nog meer slagen om de arm vergen de volks-liedboekjes. We kunnen alleen constateren dat in deze werkjes opmerkelijk veel ‘gesunkenes Kulturgut’ te vinden is, maar hoe en waarom het erin terechtkwam, valt niet te achterhalen. Stellig zegt de expansie van de Werther-thematiek tot in deze uithoek van de literatuur wel iets over de populariteit van de roman, maar zo'n vaststelling geldt, naar ik vermoed, enkel voor de kringen van de samenstellers van de liedboekjes, en niet voor die van de gebruikers. Dáár zullen Werther en Charlotte doorgaans even onbekend zijn geweest als de vele mythologische personages die in de liedjes figureren. Niemand immers ook zal aan het feit dat soms het ‘Io vivat’ is opgenomen (meestal deerlijk geschonden, trouwens) conclusies willen verbinden omtrent de verbreidheid van de kennis van het Latijn.34
Maar al zal men zich de kring waarin Werther gelezen werd dus ook weer niet al te ruim moeten voorstellen, het ziet er toch wel naar uit dat het boek rond 1790 werd beschouwd als bekend bij iedereen die enige literaire belangstelling had. Bovendien treffen we vanaf 1786 regelmatig uitspraken aan waarin van deze algemene bekendheid expliciet gewag wordt gemaakt. De eerste getuigenis levert Jan Aukesz. Backer, als hij meedeelt dat zijn Alardus door Werther is geïnspireerd:
De zo algemeen bekende als treffende geschiedenis van den jongen werther heeft mij aanleiding gegeeven dit stuk te ontwerpen (1786-5).
Vergelijkbare opmerkingen maken respectievelijk de vertaler van Brieven van Charlotte:
daer het lijden van den jongen werther, ook in Nederland, met ongemeene gretigheid ontvangen was (1789-3)
en Rhijnvis Feith:
Elk kent het schoone, gevoelvolle voortbrengsel van göthe's Genie: het Lijden van den jongen Werther! (1790-5).
Hier zijn drie bewonderaars aan het woord, die uiteraard weinig bezwaar kunnen hebben tegen de bekendheid die Werther geniet. Veel frequenter zijn echter opmerkingen te vinden waarin bezordheid of ergernis wordt uitgesproken over de populariteit van het boek. Het eerst werd iets van een modieuze Werther-bewondering al gesignaleerd in 1783 in het stukje over ‘Neef Willem’ (1783-2), maar pas in de jaren na 1785, en vooral vanaf circa 1790, wordt regelmatig de alarmklok geluid. Een kleine bloemlezing:
elken Romanleezer, die niet bedorven is door eenen Wertheriaanschen smaak (1787-5);
werther en siegwart zyn zwakke geestdryvers, hoe zeer zy door duizenden bewonderd en door gevoelige meisjens beweend worden (1790-4);
Waar, in ons gansche Vaderland treft men eene enkele stad aan, welke niet eene geheele schaare van vrouwen en maagden toonen kan, welke niets liever tot haare geduurige bezigheid verkiezen, dan zich met eenen Werther, en eene menigte andere dergelijke, zo wel inlandsche, als uitheemsche schriften, bezig te houden (1793-10);
te maaken dat een meisjen zig inbeeldt de heldin haars meest geliefden Romans te zijn; dat zij weldra den eersten zot of bedrieger die haar zijn hof maakt voor haaren werther, of siegward houden zal (1793-12);
Veele jonge Heeren kunnen geen verstandig woord, ja dikwyls naauwlyks hunne naamen, schryven; men kan hen tot niets gebruiken: maar zy hebben den jongen Werther geleezen (1795-1).
De intensiteit van deze bewondering komt ook tot uitdrukking in de vele tranen die bij de lectuur van het boek gestort heten te zijn. Niet alleen degenen die er aanstoot aan nemen maken daar herhaaldelijk gewag van (1788-7, 1790-4, 1794-1), verscheidene bewonderaars zeggen zelf Werther beweend te hebben (1792-1, 1795-3, cf. ook 1793-1). Nog veel spectaculairder is in Cornelia Wildschut van Wolff en Deken de vermelding dat in een gezelschap waar Werther werd voorgelezen, ‘al de
Juffrouwen van 'er zelven vielen’ (1793-12). Dit sensationele gebeuren wordt echter niet, zoals ik in hoofdstuk i al heb uiteengezet, meegedeeld door Wolff en Deken zelf, maar door het personage mevrouw Wildschut. Deze, bij uitstek verantwoordelijk voor de in deze roman met schrille kleuren geschilderde ‘gevolgen der opvoeding’ (ondertitel), is de belichaming van de oppervlakkigheid en het egoïsme. Kleinigheden blaast zij voortdurend op, en van ernstige zaken doorziet ze de portee niet. Van haar gebrek aan taxatievermogen geeft zij weer eens, en nu wel heel schrijnend, blijk in de brief waaruit het citaat afkomstig is: een harteloos gekakel als antwoord op het berouwvolle, tragische geestelijke testament van haar dochter die stervende is. Het ligt daarom meer voor de hand om mevrouw Wildschuts weergave van de reacties op Werther te interpreteren zoals zoveel van haar mededelingen opgevat moeten worden: als schromelijk overdreven. Dit lijkt me te waarschijnlijker omdat geen van de overige referenten die de Werther-dweperij hekelen, melding maakt van zulke opzienbarende gebeurtenissen als collectief flauwvallen.
Maar ook indien mevrouw Wildschut als getuige wordt afgevoerd, resteren er genoeg uitspraken waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat het ‘Wertherfieber’35 krachtig heeft gewoed in ons land. In hoeverre mogen we aannemen dat daarin wél een werkelijkheidsgetrouwe voorstelling van zaken wordt gegeven? Deze vraag zal ik in hoofdstuk v bespreken; vooralsnog zij slechts opgemerkt dat uit het feit dat Van Goens in 1787 getroffen blijkt door het ‘misbruik’ dat men in Duitsland van Werther maakt (1787-3), mag worden afgeleid dat althans tot dan toe te onzent aanzienlijk minder met de roman gedweept werd dan in het land van herkomst.
Een laatste opmerking betreft de mogelijkheid om het Werther-bewonderende publiek nader te specificeren. Een enkele maal suggereert een referent dat in het bijzonder vrouwen en meisjes in de ban van het boek zouden zijn, zoals uit enkele van de zojuist aangehaalde citaten blijkt. Maar deze en nog enkele vergelijkbare uitspraken sluiten mannelijke bewondering allerminst uit, en ze zinken qua aantal in het niet bij de referenties waarin geen onderscheid naar sexe wordt gemaakt. Veel belangrijker blijkt voor een aantal observatoren de leeftijd van de Werther-liefhebbers te zijn geweest: het heet dat vooral de jeugd met het boek dweept. Ik geef hier slechts de meest expliciete uitspraken daarover. Al in 1782 had de vertaler van Stella over Goethes lezers gezegd dat het ‘voor 't grootste gedeelte jonge menschen zyn’ (1782-3). Ockerse bekritiseert in 1788 de romanschrijver die ‘meisjens en
jongelingen eene hartverkrachtende traan afperst bij het lijk van eenen Werther’ (1788-7). Een recensent in de Vaderlandsche letteroefeningen noemt Werther ‘een algemeen leesboek, onder de Jongelingen en jonge Dochters’ (1791-1). In het gedicht ‘Bij Werthers graf’ wordt retorisch uitgeroepen: ‘Ja, Maagden! ween' hier vrij - schreit... schreit, ô Jongelingen!’ (1792-1). En tenslotte schampert de Vaderlandsche bibliotheek over ‘de aandacht en bewondering van onze teêrgevoelige Vaderlandsche Jongelingen en jonge Dochters’ voor Werther (1794-6), en wordt in de Letteroefeningen de vrees uitgesproken dat de vrije opvoeding er binnenkort toe zal leiden dat ‘Jongelingen en Maagden’ de ganse dag verbeuzelen met de lectuur van werken als Werther (1795-1).
Nu moet bij dit alles verdisconteerd worden dat Werther een roman was, en daarenboven in deze jaren werd beschouwd als de representant bij uitstek van het sentimentele (ik kom daarover nog te spreken). Welnu: zowel de romankritiek als de beschouwingen over het sentimentele staan over de hele linie in het teken van bezorgdheid voor het opgroeiend geslacht. Daarmee ligt het voor de hand dat Werther vooral aandacht krijgt als gevaar voor het normbesef van de jongeren. Maar al is daardoor misschien in de kritische referenties de jeugdige bijval voor het werk wat te zwaar aangezet, toch is het op voorhand aannemelijk dat het zwaartepunt van Werthers populariteit bij zijn leeftijdsgenoten heeft gelegen. Mogelijk manifesteerde zich in de verdeelde meningen tevens iets van een generatiekloof.
Wat de referenten zelf betreft laat het materiaal nauwelijks conclusies toe aangaande een correlatie tussen leeftijd en bewondering. Voor zover hun leeftijd te achterhalen was, behoren ze, op G.J. Keiser (1788-8) en A.C. Schenk (1795-3) na - die inderdaad beiden tot de bewonderaars moeten hebben behoord - geen van allen meer tot de adolescenten. In ieder geval domineert de kritiek heel duidelijk, al zijn er (afgezien nog van degenen die wél waardering voor Werther hadden maar op heel andere gronden dan de jeugdige bewonderaars) enkele opvallende uitzonderingen, zoals Feith en J.A. Backer (1786-5).
Al met al moeten de conclusies van deze paragraaf gegoten worden in een weinig bevredigende ‘wel... maar...’-formule. Zeker is wel dat de min of meer ‘algemene’ bekendheid van Werther, die zich rond 1783 begon af te tekenen, in de jaren tot 1795 nog aanzienlijk toenam; het ziet er naar uit dat in deze periode bij wijze van spreken iedereen die enige literaire belangstelling had het werk gekend moet hebben.36 Maar in hoeverre ook lezers die doorgaans weinig of geen deel hadden aan het
letterkundige leven in contact zijn gekomen met Werther en zijn lotgevallen, onttrekt zich aan onze waarneming.
En wel mogen we als zeker aannemen dat Werther in de eerste plaats aantrekkingskracht heeft uitgeoefend op jonge lezers, en dat het werk bij vele ouderen afkeer of bezorgdheid heeft gewekt, maar of het werk als ‘generatiebijbel’ symboolwaarde had voor een specifieke leeftijdsgroep die zich in verweer tegen de oudere generatie ermee identificeerde - we kunnen het vermoeden maar niet met zekerheid vaststellen.
Hoe relatief rijk de jaren 1786-1795 ook aan Werther-referenties zijn, de verscheidenheid ervan is beperkt. De - vergeleken met het voorafgaande decennium - explosieve groei van de documentatie betekent vooral een enorme toename van de kritiek op Werther. Wel krijgt ook de bewondering die het boek genoot in deze periode iets meer contouren, maar het aantal rechtstreekse getuigenissen daarvan is verhoudingsgewijs gering in aantal. Daarbij doet zich het opmerkelijke feit voor dat, waar de kritiek vooral geuit wordt in teksten van betogende aard, de bewondering zich hoofdzakelijk manifesteert in creatieve teksten. Globaal gesproken correleert de reproducerende receptie met een andere appreciatie van Werther dan de produktieve receptie. Dit alleen al maakt het op voorhand weinig waarschijnlijk dat er gesproken kan worden van een levendige discussie, van een choc des opinions waaruit zoal niet de waarheid, dan toch een bezinning op de wederzijds ingenomen standpunten resulteert. En inderdaad schrijven de kampen van bewonderaars en hekelaars langs elkaar heen: verwijzingen naar de andere partij - voornamelijk bij de laatsten te vinden, wat mede zal samenhangen met het zojuist opgemerkte onderscheid in de aard van de referenties - zijn zo goed als nooit gericht op een concrete persoon of bijdrage. De enige uitzonderingen worden gevormd door een viertal recensies van Wertheriaden (1786-4, 1793-2, 1794-6,7), en - de meest geprononceerde botsing tussen twee visies op Werther, zij het van marginaal belang in de betreffende polemiek - de kritiek die Feith heeft op De Perponchers voorstelling van Werther als protagonist van het sentimentele (1786-7, 1787-4).
Tot dusver is in deze inleiding gesproken van een tweeledige receptie:
afwijzend tegenover bewonderend. (Voor de afwijzende houding ten opzichte van Werther gebruik ik in het vervolg steeds de term kritiek; de verwoorders ervan noem ik de critici.) Incidenteel tekent zich echter een derde standpunt af. Degenen die dit vertolken waarderen Werther hogelijk, maar op wezenlijk andere gronden dan de bewonderaars die zich met de hoofdpersoon identificeren. Ik groepeer hen onder het hoofdje verdedigers: zij verdedigen de roman tegen de naar hun inzicht onjuiste visie erop waarvan én critici én bewonderaars blijk geven.
In het nu volgende zullen deze verschillende concretisatietypen aan een nadere beschouwing worden onderworpen. Allereerst schets ik de bewondering en daarna de kritiek in grote lijnen, vervolgens worden enkele nuances binnen deze beide appreciaties belicht, en tenslotte komen de verdedigers van Werther aan de orde.
Hoezeer in de kritiek ook de vrees wordt uitgesproken dat de identificerende bewondering voor Werther een bedreiging voor de samenleving vormt, en hoezeer alleen al de drukgeschiedenis van de vertalingen erop wijst dat de roman in ieder geval een gretige aftrek moet hebben gevonden in deze jaren, een feit blijft dat er nauwelijks lezers zijn geweest die een gunstig oordeel over Werther het licht hebben doen zien. Wanneer ik hier de verdedigers vooralsnog buiten beschouwing laat, dan blijft er aan referenties waarin expliciet een positief oordeel over het boek wordt uitgesproken, slechts een handjevol over: enkele aanprijzende verwijzingen in de voorredes van door Werther geïnspireerde werken (1786-5, 1793-6), en de ongespecificeerde lof van Feith: ‘het schoone, gevoelvolle voortbrengsel van goethe's Genie’ (1790-5).
De bewonderaars leggen dus in feite nergens rekenschap af van wat zij appreciëren in Werther. Om hiervan tóch een beeld te krijgen moeten we allereerst nagaan of er nog andere mogelijkheden zijn om een min of meer geëxpliciteerde waardering te achterhalen, en verder dienen we te bezien wat er uit impliciete bewondering kan worden afgeleid. Bij het eerste denk ik aan verhelderende observaties van critici, en aan de uitspraken van literaire personages voor wie Werther favoriete lectuur is, bij het tweede aan wat klaarblijkelijk ervaren werd als de meest adequate wijze om publiekelijk bewondering te uiten: de produktieve receptie.
De critici maken ons evenwel weinig wijzer. Telkens hekelen of
bespotten zij de Werther-bewondering, maar een wat uitvoeriger beschouwing, waarin duidelijk wordt welke hoedanigheden van het werk bijzonder aanspraken, wijden zij er nooit aan. Het enige wat in de kritiek telkens naar voren komt, is dat Werther in de eerste plaats geadoreerd wordt als minnaar, en in enkele referenties vinden we de precisering dat het vooral het belangeloze, opofferende c.q. het zuivere, of zelfs platonische karakter van Werthers liefde is die de bewonderaars aansprak (resp. 1791-2, 1794-1 en 1795-6).
Iets duidelijker is het beeld dat sommige Werther-bewonderende personages ons verschaffen. Deze lijken ‘betrouwbaar’; in geen van de gevallen wordt althans een duidelijk karikaturale voorstelling van zaken gegeven. Favoriete lectuur is Werther mogelijk, maar zeker niet zonder voorbehoud, voor Walburg in De jonge Walburg (1790-6), en in ieder geval voor Van der Weydes Louize (1794-10), voor de moeder van Louise in het anonieme Louise op de bank (1795-2), en voor de ‘ik’ en zijn Elize in het gedicht ‘De lente’ van A.C. Schenk (1795-3). Ofschoon ook hier in geen van de gevallen de bewondering voor Werther erg pregnant geschetst wordt, valt onmiddellijk op dat de roman steeds ter sprake komt in een problematische liefdessituatie (of, in het laatste geval, bij een voorgevoel daarvan). Er tekenen zich daarbij wel detailverschillen af. Walburg beroept zich voor zijn zelfmoordplannen min of meer op Werther, maar hij verwijt hem tegelijk het zondige karakter van zijn liefde. Louize, in Henry en Louize, ziet in Werther duidelijk een ideaal; ofschoon ze in beginsel de zelfmoord veroordeelt, impliceren haar woorden in het eerste citaat dat haar liefde van dien aard is dat zij, indien ze teleurgesteld werd, Werthers voorbeeld zou volgen. In het tweede citaat komt Werther als ideaal, en daarmee als zielsverwant in vergelijkbare omstandigheden, nog duidelijker naar voren. Zijn liefde, zo heet het, was ‘overdreeven - meer dan wij, menschen, beminnen kunnen’, maar zij wordt benaderd door de gevoelige harten, en die alleen kunnen dus ook navoelen wat hij heeft moeten doorstaan. De mogelijkheid om zich te identificeren met - ik zou haast zeggen - dit superego van de verliefden, verzacht Louizes eigen amoureuze smart. Iets vergelijkbaars zien we in Louise op de bank