[O.C.F. Hoffham, Particuliere brief aan P.J. Uylenbroek.]
Berlin 2 May 1775
[...] Nieuws in de Duitsche geleerde waereld, waarnaar Gy vraagt, is hier genoeg; maar zulks is verbaasd wydloopig, en voor het grootste deel niet bruikbaar noch interessant voor U. - Duitschland bezit thans voortreflyke koppen, en een Abt, een Isselin, een Lavater, een Kant, een Göthe, en anderen, leveren geduurig doorwrochte en körnighe Werken in de fraaije weetenschappen. - Is U by toeval nog niet bekend geworden: Die Leiden des jungen Werthers? - Zo Gy het nog niet kent, durf ik het U wel aanraden; en waarschynlyk zal Schreuder het wel hebben. Het is van Göthe, een uitmuntend Genie, en behelst (onder dien versierden naam) de geschiedenis van den zoon des Abts Jerusalem, die zich heeft doodgeschoten. - Nog durf ik U aanraaden: Über die Ehe, van een onbekenden schryver. - Dit kan ik U verzekeren, dat ik nimmer Neêrduitsche boeken heb geleezen, die een zweem van deeze twee, slechts kleine werkjes hebben.
De brief bevindt zich in de collectie brieven aan P.J. Uylenbroek, K.B. sign. 133 M 140. De hier gecursiveerde woorden en namen staan in het origineel in fraktuurschrift, met uitzondering van het onderstreepte Schreuder.
Berlin: Hoffham, Duitser van origine, was na vanaf zijn tiende jaar in Nederland te hebben gewoond, in 1773 naar zijn vaderland teruggekeerd.
Schreuder: Bedoeld is naar alle waarschijnlijkheid de Amsterdamse boekhandelaar Johannes Schreuder, die ook een zaak in Leipzig bezat.1
Het is van Göthe: Ofschoon Werther anoniem was verschenen, raakte al spoedig algemeen bekend dat Goethe de auteur was. de geschiedenis van den zoon des Abts Jerusalem: Inderdaad stond voor Werther gedeeltelijk model Karl Wilhelm Jerusalem (1747-1772), zoon van een ook in ons land door verscheidene ge-
schriften bekende theoloog. Onder meer was hieraan bekendheid gegeven in het als sleutel tot de roman gepresenteerde pamflet van Von Breitenbach, Berichtigung der Geschichte des jungen Werthers (1775).
Über die Ehe: Lovende beschouwing over het huwelijk van de hand van T.G. von Hippel (1741-1796). Het in 1774 verschenen werkje beleefde vele herdrukken.
[Annonce in de] Utrechtsche courant, 4, 6 en 9 september 1776.
h.v. emenes, Boekverkoper te Utrecht, geeft uit en heeft alomme verzonden: Het lyden van den jongen werther, een beroemd Hoogduitsch Werkje, vertaald in 2 Deeltjes, in klein 8vo., vol van aandoen-lyke Tooneelen, en naast de Lydende Freule van sternheim van den Hr. wieland, en de lydende clarisse van den Hr. richardson, waardig om gelezen en herdacht te worden van alle gevoelige harten; de prys is 18 stuiv.
de Lydende Freule van Sternheim van den Hr. Wieland: Bedoeld is: [Sophie von La Roche], Geschichte des Fräuleins von Sternheim [...] Herausgegeben von C.M. Wieland (1771). Een Nederlandse vertaling was verschenen als: De Hoogduitsche Clarissa, of geschiedenis van de Freule van Sternheim: door ene van hare vriendinnen uit oorspronglyke stukken getrokken. Uitgegeven door C.M. Wieland. Utrecht 1772.
de lydende Clarisse van den Hr. Richardson: Samuel Richardson,
Clarissa. Or the history of a young lady (1747-1748). Vertaald als Clarissa, of de historie van eene jonge juffer, waarin de gewigtigste belangen des gemeenen levens vervat zijn. Harlingen 1752-1755.
Het lyden van den jongen Werther. Uit het Hoogduitsch. Utrecht, H. van Emenes, 1776.
Het boekje, in klein octavo, bestaat uit twee delen in één band, met doorlopende paginering. Het bevat geen voor- of narede, noch andere ingrepen van de vertaler. Op de titelpagina van het eerste deel is als motto afgedrukt:
Op de titelpagina van het tweede deel:
Deze disticha zijn bewerkingen van de mottoverzen die Goethe heeft toegevoegd op de titelpagina's van de ‘zweyte ächte Auflage’ van begin 1775.
Verdere gegevens over de vertalingen zijn te vinden in de Bijlage.
Vaderlandsche letteroefeningen 1776 dl. 1, p. 558. [Recensie van] Het lyden van den jongen Werther. Uit het Hoogduitsch.
Werther is een hartstogtlyke Jongeling, die zigzelven ongelukkig maakt. Hy lydt, 't is waar, en drukt zyn lyden, dat ten leevendigste afgemaald wordt, zeer natuurlyk uit. Maar hy lydt door zyne eigen schuld, ter oorzaake dat hy zyne hartstogten niet heeft leeren beteugelen, en hy pleit voor 't involgen zyner hartstogten, als ware zulks, uit hoofde der menschlyke natuure, verschoonlyk. Dit maakt deezen Roman eenigzins gevaarlyk voor de Jeugd. De manier van voor-draagen is inneemend voor hartstogtlyke gestellen; en de Zedeleer boezemt denkbeelden in, die, uit eigen aart, het pleitgeding voor 's menschen neiging ter involginge der driften begunstigen. Het tegengift zou nog zyn, de ongelukkige uitslag van alles, daar Werther zigzelven van 't leeven berooft; maar ook de Zelfsmoord wordt door Werther vrygesproken; en dus vervalt de kragt, welke die ongelukkige
1. Titelpagina van de door Van Emenes uitgegeven vertaling (1776-4).
uitkomst anders mogt hebben. - Werther naamlyk is verliefd op Charlotte, die reeds verloofd was; Werther wederstaat zyne drift niet ernstig, maar kweekt ze eerder aan. Charlotte gedraagt zig in die dagen, en vervolgens, gehuwd zynde, schoon tot geene volstrekte buitenspoorigheden overslaande, niet zo voorzigtig omtrent Werther, als wel betaamde. Werther blyft, na Charlottes huwelyk, nog even dezelfde; en een
samenloop van omstandigheden doet hem eindelyk, uit mistroostigheid over zyn lot, wanhoopig, zich door den kop schieten. - Die 't leest; die leere 'er uit opmerken, hoe gevaarlyk het is, aan eene zyner driften den vryen teugel te geeven; want het geen hier plaats heeft in dit geval, kan in andere gevallen plaats hebben. Niet wel bestierde hartstogten hebben altoos gevaarlyke gevolgen.
De jonge Werther, treurspel. Amsteldam, M. Schalekamp, 1776.
Het werkje is een vertaling van Die Leiden des jungen Werthers, ein Trauerspiel in drey Aufzügen, fürs deutsche Theater. Ganz aus dem Original gezogen. Frankfurt am Mayn 1776.2 In het eveneens vertaalde voorbericht wordt, waarschijnlijk voor het eerst in ons land, Goethe in het openbaar genoemd als auteur van Werther.
De belangrijkste scènes van het onhandig samengeflanste stuk3 zijn de ontmoeting van Werther en Wilhelm (!) met de krankzinnige klerk, het afscheid van Werther en Lotte, en Werthers zelfmoord. Alberts ongevoeligheid wordt erg zwaar aangezet, aan de andere kant wijst Wilhelm voortdurend op het gevaar van Werthers hartstocht. Het laatste woord is ook aan hem: ‘ach God! hy is dood! - ach! die schriklyke hartstogt! rampzalige Werther!’ (p. 51)
Het boekje is afzonderlijk geannonceerd in de Utrechtsche courant van 11 november 1776. In het voorjaar van 1777 verschijnen er aankondigingen van de roman en het treurspel samen (zie 1777-2). Recensies in de Vaderlandsche letteroefeningen (zie 1777-3) en in de Nederlandsche bibliotheek (zie 1777-4).
Ik heb geen vermelding van een opvoering gevonden.
De vreugde van den jongen Werther. Door den Heer Fredrich Nicolai. Schryver van Het leven en de gevoelens van Sebaldus Nothanker. In drie deelen. Uit het Hoogduitsch vertaald. Amsterdam, J. Dóll, 1777.
Het kleine werkje, 't welk wy hier onzen Lezeren aanbieden, kan aangemerkt worden, als eene volgeestige Parodie op den onlangs in 't Hoogduitsch uitgekomen en in 't Nederduitsch vertaalden Roman, het
Lyden van den Jongen Werther. [...] Wy zullen aangaande dit kleine werkje nog maar met weinige woorden aanmerken, dat het eenige of voornaamste doelwit des Schryvers, zo het ons toeschynt geweest zy, door eene gepaste aartige en geestige ironie, die overal doorstraalt, het Lyden van den Jongen Werther, op eenen zeer bescheiden en wysgeerigen trant in zo verre ten toon te stellen, als dat Werkje door de buiten-spoorige romaneske en zomwylen gevaarlyke trekken en stellingen, die 'er in gevonden worden, op de onbedagtzaame gemoederen van jonge Lezeren schadelyke indruksels maken konde: de Heer Nicolai tragt dit gevaarlyke en schadelyke, zo veel als mooglyk is, weg te neemen, door den Lezer zeer gepast het ongerymde en belagchlyke eener blinde hartstogt, die geene grenzen of paalen kent, onder 't oog te brengen. Zyn redeneertrant is niet minder nut dan aangenaam, zynde doormengd met de zuiverste zedelyke beginsels en de nuttigste Lessen tot waarschuwing voor een ieder die gevaar mogt loopen om in de rampzalige voetstappen van den dwaazen en ongelukkigen Werther te treeden. (‘Voorberigt van den uitgever’)
Nicolais Freuden des jungen Werthers. Leiden und Freuden Werthers des Mannes (1775) was een van de bekendste reacties op Werther.4 In het boekje debatteren Hanns (21 jaar) en Martin (42 jaar) over Goethes roman. Hanns (in de vertaling: Jan) dweept met de hoofdpersoon, maar Martin (Marten), die het boek bewondert, laakt Werthers karakter, met name zijn afkeer van de burgerlijke moraal. Ook acht Martin zelfmoord niet de enige weg die Werther nog openstond: een geringe verandering van de omstandigheden, zo betoogt hij, zou tot een heel ander verloop van de geschiedenis hebben geleid. Dit andere verloop is dan het verhaal van Werthers vreugde, lijden en vreugde:
Albert heeft, Werthers voornemen doorziende, de pistolen geladen met een blaas gevuld met ganzebloed. Als Werther denkt te sterven, leest hij hem de les over zijn dwaze daad en... staat hem Lotte af. (In Nicolais verhaal zijn Albert en Lotte nog niet in de echt verbonden.) Na een kortstondige periode van geluk wordt het huwelijk van Werther en Lotte door allerlei gebeurtenissen zwaar op de proef gesteld, maar dankzij het ingrijpen van de wijze Albert, en dankzij het feit dat Werther tot het inzicht komt dat zijn vroegere individualistische opvattingen in het maatschappelijke leven onbruikbaar en ongewenst zijn5, komt alles terecht: Werther accepteert de conventionele
waarden, en leeft met Lotte tevreden verder.
Na dit verhaal erkent Hanns dat het inderdaad ook zó met Werther had kunnen aflopen, en dat de zelfmoord niet nodig en dus onverstandig was.
Het werk is geschreven in een stijl die de Sturm und Drang-taal parodieert. In de vertaling is daar weinig van terug te vinden.
De verschijning van De vreugde wordt door Dóll zonder verder commentaar geannonceerd in de Utrechtsche courant van 23 december 1776. Recensie in de Nederlandsche bibliotheek (zie 1777-5). Ter verklaring van de felle kritiek die daarin geleverd wordt op Nicolai, is het volgende van belang: In het hier niet opgenomen deel van de voorrede verklaart de uitgever dat Nicolai zich reeds als een verdienstelijk en scherpzinnig auteur heeft doen kennen met zijn roman Het leven en de gevoelens van den eerwaarden heer Sebaldus Nothanker6; hij verwijt de recensent van de Nederlandsche bibliotheek dat deze in zijn bespreking van dat boek Nicolai volstrekt ten onrechte heeft gekwalificeerd als vrijgeest en religieuze spotter. (Sebaldus Nothanker hekelt het orthodoxe fanatisme, hetgeen de heftige reactie van de zeer orthodoxe Nederlandsche bibliotheek begrijpelijk maakt.7)
[Annonce in de] Utrechtsche courant, 3 en 12 maart 1777.
h. van emenes en m. schalekamp Boekverkopers te Utrecht en Amsterdam hebben gedrukt en alom verzonden [...] By dezelven word mede uitgegeven Het lyden van den jongen werther uit 't Hoogduitsch 2 Deelen 8vo. a 18 st. de jonge werther Treurspel uit het Hoogduitsch a 6 st.
Vaderlandsche letteroefeningen 1777 dl. 1, p. 187-188. [Recensie van] De jonge Werther. Treurspel.
Het rampzalig uiteinde van den jongen Werther, een gevolg zyner onbeteugelde drift, waar van wy onlangs ter waarschuwinge gewag maakten, wordt hier ten Tooneele gevoerd. Het Tooneelstuk vangt aan met eene ontvouwing van zyne verbystering, die hem den dood boven het leeven doet waardeeren; en een samenloop van omstandigheden strekt om deeze verbystering ten hoogsten top te brengen, die hem ten laatste zigzelven van 't leeven doet berooven. - De
uitvoering is sterk, even als de voorgemelde beschryving van 't lyden van dien Jongeling.
Zie voor het stuk zelf 1776-6.
Nederlandsche bibliotheek 1777 dl. 1, p. 305. [Recensie van] De jonge Werther, treurspel.
Een zoo genaamd rijmloos Treurspel, waar in werther, de Held van dit toneel, den desperaaten speelt wegens het gemis van charlotte, (vrouw van zijnen vriend albert en van eene twijffelbaare standvastigheid) waar op hij smoorlijk verliefd is. Na veel zot geklap, in den smaak der doolende Ridderschap, uitgeslagen te hebben, neemt hij een pistool, dat hij kust, om dat charlotte, het heerlijkste schepzel op aarde, en Gods evenbeeld, het met haare handen aangeraakt heeft, en schiet zich zelven voor den kop, zoo dat 'er de dood na volgt.
Behalven dat in dit Treurspel dikwerf Gods naam ijdelijk misbruikt en ligtvaardig aangeroepen wordt, behelst het niet een eenige schoone gedagte, maar daarentegen veel, het welk voor de goede zeden en maatschappij nadeelig is.
Zie voor het stuk zelf 1776-6.
De streng orthodoxe Nederlandsche bibliotheek placht in het geheel geen aandacht te besteden aan niet-stichtelijke lectuur. Het feit dat het tijdschrift geen bespreking geeft van Het lijden van den jongen Werther, wekt dan ook minder verwondering dan het wél recenseren van het treurspel. Als mogelijke verklaring diene de volgende reconstructie: Onmiddellijk na deze recensie volgt de bespreking van Nicolais De vreugde (zie 1777-5); het verschijnen van dat boekje gaf het tijdschrift de gelegenheid om nog eens af te rekenen met de gehate Nicolai - een reactie waartoe de uitgever van De vreugde in zijn voorrede bijna had uitgenodigd. Het bespreken van de parodie op Werther noodzaakte de recensent evenwel min of meer om de lezers ook in kennis te stellen van het origineel. Waarom hij echter het treurspel recenseerde in plaats van de roman is me niet duidelijk.
Nederlandsche bibliotheek 1777 dl. 1, p. 305-308. [Recensie van] De
vreugde van den jongen Werther, door den Heer Fredrich Nicolai.
De Schrijver wil het Lijden van den jongen werther, zoo als het te voren uitgekomen en naderhand in de form van een Treurspel (zie onze naast voorgaande Aankondiging) gebragt is, op zijne wijze verbeteren. Het stoot hem, dat charlotte een getrouwde vrouw is, en dat werther zich zelven vermoordt. Het een en ander dunkt hem maakt den Roman van werther schadelijk voor jonge en onbedagtzaame Leezers. Dit is in zoo ver zeer wel gedagt, en het verblijdt ons dat een Man, die nog onlangs, in zijnen nothanker, zoo baldaadig den draak gestooken heeft met de tederste leerstukken van het Christendom, nu zoo conscientieus geworden is, dat hij zelfs geen Romaniek praatje van eenen jongeling, wiens herzens op hol zijn, jegens een getrouwde vrouw kan verdraagen, noch dulden dat werther, in navolging van den eertijds zoo hemelhoog gepreezenen held en wijsgeer cato, zich zelven om hals brengt, (p. 307)
Zie voor het werk zelf 1777-1 en de aantekening daarbij. De aangehaalde passage wordt gevolgd door een parafrase van het eerste deel van het boekje. De recensent acht het - sarcastisch - even weergaloos van vinding als De menuet en de dominees pruik van Betje Wolff.
[Annonce in de] Utrechtsche courant, 1 augustus 1777.
Tot den laatsten september dezes lopenden jaars, word by den Boekverkoper h. van emenes in de Ligtegaart te Utrecht, voor den geringen prys van 18 st. (indien 200 Exempl. zo lang strekken kunnen), afgelevert: 't lyden van den jongen werther (Zoon van den Abt jerusalem.) Dit fraaye en plaisant Werkje ziet reeds in alle Taalen om deszelfs waardigheid ter leezing, het licht; in 't zelve vind men de levensloop en liefdegeschiedenis van den Ongelukkigen en by ieder beklaagden werther, van 't begin zyner komste by charlotte tot zyn naare en Elendige doods uur toe. Dit Werkje is zeer net en compres in 2 Delen in klein 8vo. gedrukt, en is mede alome te bekomen.
Deze annonce wordt in bijna alle volgende nummers tot 1 oktober herhaald, zij het dat de 200 exemplaren er vanaf 5 september nog maar 100 zijn.
Zoon van den Abt Jerusalem: Zie de aantekening bij 1775-1.
ziet reeds in alle Taalen [...] het licht: In werkelijkheid was Werther behalve in het Nederlands nog alleen in het Frans vertaald. In Engeland verscheen de eerste vertaling in 1779, in Italië en Rusland in 1781.
H. van Alphen, Theorie der schoone kunsten en wetenschappen, grootendeels overgenomen uit het Hoogduitsch van F.J. Riedel, en met bijvoegselen, aanteekeningen, en eene inleiding vermeerderd, dl. 1. Utrecht 1778.
En daarom heeft men altoos prijs te stellen op goede kunstrigters. Voorbeelden van zulke beoordeelingen zijn b.v. shaftesbury over de schilderij van het oordeel van Hercules (Charakteristiks Vol. iii) gellerts Beurtheilung einiger Fabeln ---- klopstocks urtheilen über einige gemählde ----winkelman over den Laöcoon, de Niobe, en den Apollo; het Essay on the genius and writings of Pope van Warton en de Observations on the Fairij Queen van Spenser --- de recensie van die Leiden des jungen Werthers in de Leips. Bibl. der sch. Wissenschaften --- Het hapert ons voornamelijk aan kunstrigters over de uitkomende poetische stukken: zelden of nooit worden ze grondig beoordeeld, en het goede zo wel als het kwade van dezelven overtuigend aangewezen. Wil men dergelijke recensien zien, die in hun soort meesterstukken zijn, men moet ze voornamelijk thands bij de Duitschers zoeken. (‘Inleiding’ p. lxxxv-lxxxvi nt.(t))
De Werther-recensie waarnaar Van Alphen verwijst was verschenen in de Neue Bibliothek der schönen Wissenschaften und der freien Künste 18, 1775, dl. 1, p. 46-95.8 Het anonieme stuk is van de hand van de bekende theoreticus van de roman Friedrich von Blanckenburg. Het blinkt uit onder de Duitse recensies van Werther door de interpretatieve diepgang en door de zeer uitvoerige aandacht die besteed wordt aan de artistieke aspecten van het werk. Blanckenburgs recensie zal nog ter sprake komen op p. 161-162 van deel 1.
De wysgeer voor de weereld. In het Hoogduitsch uitgegeven, door J.J. Engel. z.p. 1778. In de tweede druk van 1796 p. 64-75.
- Ik heb het karakter van den Jongen Werther ook ten uiterste belangrijk gevonden. Ik stem volkomen overeen met zijne gevoelens over het lot der menschheid, over het leven en den doorgaanden dood der Natuur, over de duisterheid en den overvloed onzer voorstellingen van het toekomende en het verr'afgeleegene, welken ons, even daerom, beiden zoo aentrekkelijk schijnen, daer zij in tegendeel bij de aennadering volkomen met het gewone overeenkomen, dewijl onze bepaeldheid dezelfde blijft, en wij het voorleedene en het tegenwoordige niet tegelijk omvatten, maer altoos in een even engen kring staen blijven. Anders zijn Werthers gevoelens ten enenmale overspannen: enen minderen trap van gevoeligheid, die ook wezenlijk zeer uitgebreid en juist zijn kan, veracht hij met dien laekbaren hoogmoed, met welken een groot geleerde enen minder beleezenen gewoon is te verachten. Hij heeft geen algemeen menschen-gevoel. Aen den enen kant ziet hij niet dan schurken en duivels; aen den anderen niet dan Engelen. Doch ofschoon ik hem in gevoelens niet volgen kan, die van ene natuur-gesteldheid afhangen, welke over 't geheel strijdig zijn met de mijnen: zoo kan ik echter begrijpen, hoe dit in zulk ene ziel plaets gevonden heeft, en ik zie de ware, mij ook bekende indrukselen der Natuur, hoewel zij enen stempel dragen die mij vreemd is, dien ener andere zintuig-vorming; --
Het Lijden van den Jongen Werther heeft mij veel opmerkzamer omtrend den Auteur gemaekt, dan alles, wat hij te voren geschreven had. Hij is, geloof ik, een van die Schrijvers, welken veel invloed op onze tijdgenoten zullen hebben. Hij heeft verstand, gevoeligheid en moed; veel ingang bij 't Publiek, en ene sterke neiging tot heerschen. [...] Gij vraegt mij mijne gedachten over den zelfmoord. Mijns bedunkens, komt daeromtrent alles op deze éne overweeging uit: dat de mensch in dingen van gewicht, die niet van hem herkomstig zijn, door hem niet bestierd en onderhouden worden, hem niet eens recht bekend zijn, den loop der Natuur door onherstelbare veranderingen zoo weinig als mogelijk storen moet. Deze overweeging wordt nog sterker voor zulk een, die deze zelfde dingen, welken van hem niet voortkomen en door hem niet beschikt zijn, aen den wijsten, grootsten, machtigsten, besten Geest als Schepper, Bestierder en Onderhouder, toekent. Wanneer hij zich den loop der Natuur overlaet, zoo betrouwt hij zijn lot der Hoogste Wijsheid aen; maer stoort hij dezen loop, dan brengt hij uitwerkselen voort, die het naest van zijne blindheid en onkunde afhangen. Ik weet niet, zegt Werther zelve, wat het heet: Leven,
Sterven. Ik weet het, bij al wat heilig is! ook niet. Maer hoe kan ik het dan wagen, mijne hand in deze donkerheid uittestrekken, en daer slagen toetebrengen, die mijn oog niet afziet?
Ik weet, dat men deze stelling te ver zou kunnen trekken, en dan ook de opoffering van een onzer ledematen, de vernietiging van het een of ander gedeelte der Natuur, voor ongeoorloofd houden. Doch het gezond verstand ontdekt ogenblikkelijk het juiste onderscheid, dat door wijsgeerig redenkavelen slechts moeilijk en langzaem zou te ontwikkelen zijn.
Ik zie namelijk in het groot Heel-al, in 't welk ik ben en voortleef, enen kring, die voor mijne kennis, beoordeeling en werkzaemheid is voorbeschikt. Daer vinden kunst, wetenschap, waerneeming der gevolgen, verbeetering der hulpmiddelen; met één woord, een oogmerk en een ontwerp, plaets. Zoo verre, als deze kennis der gevolgen strekt, zoo verre durf ik ook eige inrichtingen en veranderingen in de Natuur maken. Ik zie het af, waer 't op uit zal lopen, wanneer ik mij den arm gelukkig laet afzetten; ik zal met énen arm voortleeven, en, in den staet en het genot der menschheid, ofschoon niet zonder ongemak en pijnen, blijven. Maer zoo ik mij om 't leven breng? ja, dan weet ik niets meer van mijzelven; ik weet geen een der gevolgen, die de scheut door mijne harssenen op mijn denkend en willend wezen zal voortbrengen. Leven en dood kan bijgevolg niet tot mijnen kring behoren; maer behoort tot den hogeren kring van den Geest, die mij doet geboren worden, opwasschen, leven en sterven; die alles weet, wat vóór mij was, die weet, wat na mij zijn zal; die een ontwerp en hulpmiddelen heeft, welken eerder aenvangen en verder reiken, dan mijn leven.
Doch, het is iets anders, te onderzoeken: of het met de Natuur des menschen en der dingen overeenkomstig, dat heet, geoorloofd zij, zich om 't leven te brengen; iets anders, te vragen: hoe een mensch, die er door ongeluk en hartstocht, toe aengedreeven wordt, teruggehouden; hoe de nog niet geheel ongelukkige, maer zeer gevoelige en zwaer-moedige mensch er voor behoed worden zal? Buiten twijffel alleen door het voorkomen der hartstocht zelve.
En dit is een nieuwe grond tegen den zelfmoord. De toestand der ziel, in welken men er toe bekwaem is, is altoos een ontstelde, verdorven toestand. Gene waerheid in het aenschouwen der dingen; gene juistheid in het schatten derzelven; geen vooruitzien op een vaek nabij zijnd' toekomende; geen omzien nae al wat neven ons is: maer ene ongelukkige vereeniging aller ziels-krachten op een enkel zwart punt!
Dit maekt bij Werther een gedeelte zijner schuld uit, dat hij dezen zamendrang, deze vereeniging zijner gehele, grote aendoenlijkheid omtrend elk klein voorwerp, voor ene verdienste houdt, zich meer en meer daer in oeffent, en alles wat zijne opmerkzaemheid op wichtiger voorwerpen trekken kon, voor verstrooijing, voor afhouding van zijn streeven nae volmaektheid aenziet. Hier van daen ook zijn hoogmoed, welke anders met de liefde voor de geringste menschen, en zelfs voor planten en insekten, die hij tot zijne meest geliefkoosde eigenschap maekt, zoo weinig bestaen kan. Wanneer hij eenzaem de Natuur beschouwt, dan denkt hij slechts in zoo verre aen zich zelven, als hij er overeenkomsten mede gewaer wordt; die vindt hij tot in de verachtste dingen, en valt er dan op met de volle denkens- en gevoelens-kracht zijner ziel. Maer komt hij in gezelschap van menschen; o dan verschijnt de oneindig sterker voorstelling zijns zelven wederom, en hij gevoelt slechts het onderscheid, en niet meer zijne overeenkomst met de anderen, vooral naermate die anderen hem in stand en uiterlijken rang nader bij komen. Heeft hij een of twee menschen gevonden, die deeze moeilijkheid, van in zijn hart te dringen, te boven komen en zijne achting verwerven, dan stapelt hij op dezen, in zijne verbeelding, alle volmaektheden te zamen, die hij den overigen menschen ontrekt. Hij veracht en mijdt deze overigens zoo zeer, dat het hem onmogelijk wordt, het goede en achtingswaerdige, 't geen hij bij nadere kennis zekerlijk aen hun ontwaer zou worden, te ontdekken.
Terwijl hij dus aen den enen kant de Natuur in haer geheel en zelfs tot in hare meest vergeetene en veronachtzaemde werkingen levendig, schoon en belangrijk vindt; zoo vindt hij aen den anderen kant, juist in het wichtigste gedeelte der Schepping, onder de menschen, zeer weinigen die zijne achting en liefde waerdig zijn. Van dezen kant zijn zij allen beneden zijne voorstelling en verwachting, gelijk van genen kant alles zijne voorstelling overtreft. Uit deze gemoedsgesteldheid ont-staet voor eerst ene neiging tot eenzaemheid en tot bloot ongezellig peinzen; ten tweede gebrek aen meerendeels aengename en 't gemoed vervrolijkende indrukselen, die uit de achting en liefde jegens anderen ontstaen; ten derde haet en misnoegen van deze anderen tegen hem, van wien zij zich zoo onrechtmatig veracht zien, zonder dat zij zijne grootere volmaektheden kenden of er genot van hadden; ten vierde een wederzijdsche vermeerderde afkeer van den kant des hoogmoedigen. En laet nu zoo een hart, 't geen omtrend de dode Natuur gevoelig, maer tegen de menschen verbitterd, onverschillig of trotsch is; laet dat nu nog van ene hevige liefde aengetast worden en er ongelukkig in zijn:
wat blijft er dan wel overig? Eén enkel mensch had die ongelukkige slechts gevonden, dat hem recht dierbaer was; dit mensch is weg. Onder den groten overigen hoop, kan hij niets zoo dierbaer uitdenken, 't welk hem dit verlies draeglijk zou kunnen maken. Hij weet het, dat hij niet van hen bemind wordt. De eenzame, dode, stille Natuur schijnt hem veel edeler en groter. Zoo word dus all' de gevoeligheid des harte te zamen gedrongen om het menschelijk leven, zoo als het thans is, te haten, en alleen het aenwezen der Natuur te beminnen, met dewelke wij ons in den dood schijnen te vereeningen. ---
Men heeft het Lijden van Werther hier en daer voor een gevaerlijk boek gehouden, 't geen tot den zelfmoord verleiden konde. Uwe gedachten hier over zijn juist. Men wordt niet wel tot zelfmoord verleid. Evenwel kan het niet geheel en al onverschillig zijn, tot welk ene meening de mensch zich over dit stuk bepaele; zodanig ene, die de hartstochten begunstigt, of wel zulk ene, die zich tegen dezelven aenkant, en haer, zoo niet geheel en al verstikt, ten minste tracht te stuiten. En is dit zoo, dan ware het zekerlijk onrechtmatig, de spitsvindigste schijngronden vóór die daed met alle kracht van welspreekendheid voortedragen, terwijl de ware bewijsgronden er tegen voorbijgegaen of slecht verdeedigd wierden. Elke daed moet uit een tweevouwdig gezichts-punt beschouwd worden; uit het één, wanneer zij begaen is; uit het ander, wanneer zij begaen zal worden. Beide gezichtspunten zijn gewichtig. Iemand die mij den geheelen loop ener laekbare daed aentoont; die mij derzelver gronden uit 's menschen karakter en plaetsing ontwikkelt; die mij de valsche gevolgtrekkingen, de verkeerde grondbeginselen openlegt, volgens welken hij gehandeld heeft: die verdient mijne oprechtste dank-betuiging; want hij bevordert mijne menschen-kennis, mijne menschen-liefde, mijne verdraegzaemheid, mijne wijsheid. Maer geensints moet hij er het ander gezichts-punt bij vergeeten; dat is, hij moet mij de valsche gevolg-trekkingen als valsche gevolg-trekkingen, de verkeerde begrippen als verkeerd, de valsche grondbeginsels als valsch, en de daer uit ontstaende verwerpelijke daden als wezenlijk verwerpelijk voorleggen. Dat de Schrijver van het Lijden des Jongen Werthers dit niet gedaen, of niet genoeg gedaen hebbe, is wel de grootste beschuldiging die men hem doen kan, en waer omtrend hij mogelijk het minst zou te verdedigen zijn. --
Het stuk is oorspronkelijk (eveneens anoniem) verschenen als: ‘Aus einem Briefe, über die Leiden des jungen Werthers’, in: Der Philosoph für die Welt, hrsgeg. von J.J. Engel, dl. 1 2e st.,
Leipzig 1775, p. 21-33. De auteur ervan is Christian Garve.9
G. van Hasselt, Over de eerste vaderlandsche klugtspelen. Utrecht 1780.
[...]en het was te wenschen, dat ieder boek in zulke omstandigheden geleezen wierd, als van den schryver daer voor bestemd zyn, of in zulk eene plaets, die ons zyn egtheid moet voorstellen. [...] Indien u Youngs beste werk op uwe kamer bekoorde, gaet 'er dan s'avonds mede, als de bleeke maen opkomt, onder zodanig grot als Numaes Nimph bewoonde, of overdenk het in onze Veluwsche bosschen. Ik denk ook op Werther, maer hael dit niet verder uit; [...] (p. 31)
En hier mede een einde maekende, zo besluit ik, dat men nu beter leeft, dan te voren, en dat 'er na deeze Eeuw nog eene die beschaefder is wezen zal, waer in ernstige zaken ernstig zullen behandeld worden; de wetten daer zy tog zo heilig worden uitgevoerd, meer gezuiverd wezen; al wat daer in niet meer te pas komt overgeslagen zal worden; gebruiken, die oudtyds plaets moesten hebben, maer heden niet, afgeschaft zullen zyn; --- ik trek niet gaern strepen in de plaets van woorden, doch hier kan ik my niet anders uitdrukken(*). -
Youngs beste werk: Edward Young, Night thoughts on life, death and immortality (1742-1745). In de jaren 1766-1767 waren hiervan twee Nederlandse vertalingen verschenen.
ik trek niet gaern... + noot: Het citaat is te vinden in de brief van 10 oktober in het tweede deel (p. 99-100), waar Werther aarzelt uit te spreken dat Albert niet zo gelukkig met Lotte is als hijzelf zou zijn geweest. Van Hasselts formulering komt woordelijk overeen met die in de vertaling van Van Emenes (p. 149); gegeven het strepen in de plaets van woorden voor Gedankenstriche lijkt dat geen toeval te zijn.10
De mensch van zijne zwakke zijde beschouwd, [uit het Duits], dl. 1. Dordrecht 1781.
ô! Roept een ander, hebt gij hem dan al geleezen - dien met de lamme
hand? met de ijzeren wilt gij zeggen? Nu, dat kan wel wezen: ook den don quichot? Daar haalt evenwel niets bij 't Lijden van den jongen werder. [...] Leezen dat gaat bij mij noch boven eeten en drinken.-(p. 39)
Het lijden van den jongen werder? - nu, 't is bekend, gij [nl. de navolgers] hebt deerlijk geleeden, en de geheele hoop dwaas nageschrijf geeft de ballast wellicht voor een gansche vloot. (p. 250)
Het boek bevat een verzameling karakterbeelden. Het eerste citaat is afkomstig uit ‘De beleezene’ (p. 36-39), en geeft een stukje conversatie van overgeven lezers. Het tweede citaat komt uit ‘De navolger’ (p. 249-256), waarin onder meer de vele navolgers van Sternes Tristram Shandy en van Werther worden gehekeld.
met de lamme hand? met de ijzeren wilt gij zeggen: Verwijst naar Goethes toneelstuk Götz von Berlichingen mit der eisernen Hand.
R. Feith, Verhandeling over het heldendicht. In: Prijsverhandelingen, uitgegeeven door het tael- en dichtlievend genootschap, ter spreuke voerende: Kunst wordt door arbeid verkreegen, dl. 1. Leyden 1782.
'Er is een grooter overeenkomst tusschen ons gevoel dan men in den eersten opslag wel denken zou. Deeze indrukken, die des Oceaans, eener Echo, en een verbazend getal, die ik 'er zou kunnen bijvoegen, zijn vrij algemeen. Ik herinner mij in een gezelschap van smaak het Lijden van den jongen Werther van Göthe te hebben horen voorlezen. Wij kwamen aan den laatsten brief van het eerste deel, daar Charlotte tot Werther, beide in den maaneschijn wandelende, zegt: Nooit ga ik in den maaneschijn wandelen, of altoos denk ik aan mijne gestorven Vrienden, altoos overvalt mij het denkbeeld van den dood en van toekomenheid - en met eenen mond vielen wij den lezer in, om te betuigen, dat wij in dezelfde gelegenheid juist het zelfde gevoel hadden. (p. 41)
Ik heb twee voorbeelden bij de hand die het tot hier toe beredeneerde staven kunnen, beide zijn ze juist uit het gevoel, dat het maanlicht, en een bosch verwekken, genomen; beide hebben op mijn hart de grootste
uitwerking gedaan. Het eerste is uit den Werther van Göthe getrokken.
Werther, wiens Ziel onafscheidbaar met die van Charlotte, een meisje, dat aan een ander verloofd was eer Werther ze kennen leerde, vereenigd is, mistrouwt zijne deugd in langer bij haar te vertoeven. Hij is bepaald om haar des anderen daags te verlaten. Hij vreest dat deeze scheiding eeuwig zijn zal - zijn voornemen is voor haar verborgen - den avond voor zijne reis bezoekt hij haar voor 't laatst - ten prooi aan de hevigste aandoeningen, bewandelt hij een laan van beuken boomen, die aan haare plaats behoorde, en die door een boschje, dat 'er aanraakte, gestadig al donkerder werd - midden in deeze mijmering hoort hij Charlotte op het terras klimmen - hij loopt haar te gemoet en met eene zekere grilling vat hij haare hand en kust ze - naauwlijks waren ze boven op het terras, of de maan ging achter een boom-rijken heuvel op - zij gaan voort, en komen ongemerkt in een donker prieel. - Hier rakenze in een gesprek, dat verstijven doet, over den dood - over de eeuwigheid - eindelijk - het gevreesde oogenblik van scheiding komt; en zie hier hoe Werther het afmaalt: Zij stond op, en eensklaps ontwaakte ik en begon te trillen: ik bleef zitten, en hield haare hand vast. Wij moeten heen, zei zij, het word tijd. Zij wilde haare hand te rug trekken, maar ik hield haar nog vaster, Ja! wij zullen elkander wederzien, riep ik uit, wij zullen ons weervinden, onder alle gedaantes zullen wij ons herkennen. Ik ga, voer ik voort, ik ga gewillig, en evenwel zoo ik zeggen moest voor eeuwig - neen! dit zou ik niet kunnen uitstaan. Vaar wel Charlotte! - wij zien elkaêr weder. - Morgen denk ik, antwoordde zij lagchende; o ik voelde dat Morgen! Helaas zij wist niet toen zij haar hand uit de mijne trok... Zij ging de laan uit, ik bleef staan, keek haar door 't maanlicht na, en wierp mij op den grond om door 't storten van eene zee van traanen mijn beklemd hart eenigzins lucht te geven; ik sprong weer op, liep naar voren op het terras, en van verre zag ik in de schaduw der hooge lindeboomen haar wit kleed bij de tuindeur nog schemeren; ik strekte mijne armen uit, en het verdween. Hoe belangrijk wordt hier dat schemeren van Charlottes wit kleed - gewis! alles wordt belangrijk zo dra smaak en gevoel het bezigen - niets uitgezonderd! (p. 42-44).
Het eerste citaat staat in de context van een betoog dat de emotionele reacties op een tekst niet strikt individueel gebonden zijn. De suggestieve beschrijving van bijvoorbeeld de oceaan, de echo, een duister bos werkt op het gemoed van iedere lezer, evenals die - zoals Feith in de aangehaalde passage illustreert - van de maneschijn.
In de tweede passage wil Feith in dit verband aantonen dat ook details uiterst belangwekkend kunnen zijn voor de ontvankelijke lezer.
Beide door Feith weergegeven momenten zijn te vinden in de laatste brief van het eerste deel van Werther (10 september). Werther beschrijft hier de laatste avond van zijn eerste verblijf te Wahlheim; in een prieeltje voert hij met Lotte en Albert een gesprek over het voortbestaan na de dood. Feiths weergave in het eerste citaat, als zouden Lotte en Werther getweeën in de maneschijn wandelen, is dus niet erg adequaat.
Deze eliminatie van Albert berust niet op een vergissing, hetgeen blijkt uit het tweede citaat. In het fragment dat Feith daar aanhaalt volgt hij de tekst getrouw - en wel in de vertaling van Van Emenes11 - maar met enkele kleine ingrepen werkt hij de plaatsen die getuigenis afleggen van Alberts aanwezigheid weg. Achter ‘Vaar wel Charlotte!’ volgt ‘Vaar wel Aelbert!’; er staat niet: ‘zij ging de laan uit’, maar: ‘zij gingen’; niet: ‘keek haar door het maanlicht na’, maar: ‘keek hen’.
H. van Alphen, Verhandeling over het aangeboorne in de poëzij. In: Digtkundige verhandelingen, Utrecht 1782, p. 1-240.
Dan hier komt nog bij, dat men ook zulke Schrijvers niet vergeten moest, welken, schoon zij in geen gebonden stijl geschreven hebben, veel van het digterlijke in hunne schriften vertoonen. Ik bedoel hier zo zeer niet de schrijvers van het zogenaamd poëtisch proze; [...] maar ik heb het oog op zulken, wier werken van dien aart zijn, dat zij, als de schrijver geen digterlijke genie gehad had, egter wel zouden hebben kunnen worden uitgevoerd. Bij voorbeeld sommige Romanschrijvers. fenelon's Telemachus verraadt den Digter; zo wel als wielands Agathon, de Nouvelle Heloise van rousseau, en Die Leiden des jungen Werthers van göthe; ook vooral richardson, dien ik het laatst noem, omdat hij boven allen uitsteekt. (p. 53-54)
Het gebrek aan sensibiliteit maakt een vers droog, en men hoeft dikwijls niet te vragen, waarom N.N. zijne stoffen droog behandeld heeft. Het antwoord is gereed, om dat hij insensibel is. Men geeft mij een vers op het huwelijk van A.B. op de dood van B.C. en zij treffen mij niet? Waarom tog niet? Er is meer of min geest in; er zijn geen
fouten in; Ik zeg maar, de maker heeft zijn voorwerp met geen gevoelig hart beschouwd, en wat zal ik dan gevoelen? maar ik lees in tegendeel de lijkklacht van David op Jonathan, den Zegezang van Mozes, en ik hoef niet te vragen of de digter aangedaan is geweest onder de behandeling van zijn onderwerp; ik gevoel het zelf.
Schoon nu deze gevoeligheid dan buitensporig wordt, wanneer zij boven het menschelijke is, gelijk in Werther; of op eene verkeerde wijze kan opgewekt worden, gelijk in dweepers, is zij egter zulk eene noodzakelijke eigenschap in den digter, dat men volstrekt zeggen kan, dat een mensch, die dezelve mist, geen geschiktheid ter weereld hebbe, om een digter te zijn; en dat de grooter of kleiner mate van dezelve den groter, of kleiner digter maakt; zo dat schrijvers, die teergevoelig zijn, zonder de geschiktheid tot eene harmonische uitdrukking te bezitten, in hun prose zelfs poëtisch schrijven, gelijk Fenelon, Rousseau, Göthe, Lavater, en dergelijken. (p. 105-106)
richardson was bij uitstek met deze teergevoeligheid begaafd; vooral blijkt dit daar uit, dat zijne gevoeligste karakters zig zelf nimmer ongelijk zijn; maar altoos zodanig zijn, als zij, naar zijn geheele plan, wezen moeten. Zijne Clementina b.v., die zo bij uitstek sensibel is, is zulk een meesterstuk van die teergevoeligheid, welke zig in alle omstandigheden van een ander, de kleinste niet uitgezonderd, verzetten kan, dat men het tafereel niet volkomener zoude kunnen hebben, bijaldien er eene Clementina aanwezend was, en deze haar eigen aandoeningen geschilderd had. Van dit vermogen ziet men ook zo veele trekken in de beschrijving van göthe's Werther, dat ik mij niet verwonderen zou, dat hij hier en daar zig zelven geschilderd had. (p. 110)
[Men vindt zulk eene teergevoeligheid] niet minder in het zangstukjen van wieland genaamd Lotte am Werthers grabe, vooral in de volgende coupletten:Einsam weil ich auf der rasenstelle,Wo uns oft der späte mond belauscht:Jammrend irr' ich an der silberquelleDie uns lieblich wonne zugerauscht.Bis zum lager wo ich träumend leide,AEngsten schrecken meine phantasie:Blutig wandelst du im sterbenkleide
Mit den waffen die ich selbst dir lieh.Dann erwach ich bebend, und erstickeNoch den seufzer, die mir schon entrann,Bis ich weg von Alberts finstern blickenMich zu deinen grabe stehlen kan.Hier am grabe fullt mich heilger schauer;Jetst noch trauert die natur um dich,Rasen pflänzt' ich an des kirchofs mauer,Selbst die rasen, ach! sie blühen nicht. (p. 119)
Clementina: Een van de hoofdpersonen in Richardsons roman The history of Sir Charles Grandison.
het zangstukjen van Wieland: Merkwaardigerwijs citeert Van Alphen hier een composietgedicht, waaraan Wieland part noch deel heeft gehad. De eerste drie strofen zijn afkomstig uit de in Duitsland zeer populaire, in vele bundels opgenomen Wertheriade ‘Lotte bey Werthers Grab’ (‘Ausgelitten hast du - ausgerungen’), die wordt toegeschreven aan C.E. von Reitzenstein. De laatste strofe is ontleend aan ‘Klagen unglücklicher Liebe, bey Werthers Grabe im Mondschein’, waarvan de auteur zich verschuilt achter de initiaal R. Dit gedicht was gepubliceerd in de Almanach der deutschen Musen 1777, p. 215-216.12 De Rasen in Van Alphens versie zijn in het origineel Rosen.
Stella, toneelspel voor verliefden, in vyf bedryven. Gevolgt naar het Hoogduitsche van de Heer Goethe, Schryver van Werther. Deventer 1782. ‘Voorreden van den vertaler’.
Onder het overzetten, dagt ik geduurig, zou goethe met het schryven van zyn' werther en stella, hoe geestig, hoe vernuftig, hoe gevoelig ook geschreven, aan het gros zyner leezeren, die voor 't grootste gedeelte jonge menschen zyn, niet meer nadeel, dan voordeel toegebragt hebben?
stella en werther hebben dit gemeen, dat zy onbegrypelyk aandoenlyk, en daarom voor gevoelige Zielen, die altoos een weinigje naar het melancolique trekken, gevaarlyk zyn; vooral kan werther doodelyk weezen voor een' jongman, die in diergelyke of byna dezelve omstan-
digheden is, en dit wil eene verhitte verbeeldingskracht ons in onze jeugd al ligt diets maaken;
Waarom moet juist de uitkomst van werther zoo elendig tragiek zyn? Zou het niet mogelyk zyn, dat iemand, met de gevoeligheid en het hart van werther, zich aan eene Stille Vriendschap en zagtere aandoeningen met charlotte gewend had? werther heeft geen algemeen gevoel van menschelykheid, die hy veracht is een' Duivel, die hy bemind een Engel, en in zyne verbeelding was charlotte zeker het voortreffelykste van alle wezens, op deeze waereld, - hierom dan hadt werther Werther kunnen blyven, wanneer hy begrepen hadt, dat zyn leven eene aaneenschakeling van aangenaamheden en vergenoegens zou geworden zyn, door eene Vriendschap van dien verheven' aart, als de zyne met charlotte hadt kunnen worden; 't Is waar hy beminde haar, jonge zielen vergeeten niet gemaklyk de indrukzelen der liefde, het kost haar veel de Vriend te moeten worden van haar, die zy bemind hebben of noch beminnen, - God weet, wat dit kost! Maar dit is evenwel mogelyk, en had, zeer wel, natuurlyk geschilderd kunnen worden. In dit geval hadt men werther op het punt kunnen brengen van die wanhoopige daad, daar zyn lyden nu mede eindigt, en, wanneer hy 'er van te rug gekomen was, het schadelyke, het ongelukkige der hevige driften kunnen tekenen, en met zulk eene uitkomst hadt werther oneindig veel nuttiger geweest, en zachtere aandoeningen in het hart van den Leezer nagelaaten, die nu, zo hy maar een grein gevoel bezit, by den dood van die armen jongeling verscheurd word. (p. *2v-*3v)
De toevoeging Schryver van Werther achter Goethes naam op de titelpagina komt waarschijnlijk voor rekening van de uitgever; ik heb althans geen Duitse editie met een dergelijke aanprijzing gevonden.
In de voorrede dankt de vertaler de schrijver voor de ‘menige verkwikkelijke traan’ die Stella hem heeft doen schreien. Maar belangrijker nog acht hij ‘die gelukkige mengeling van liefde en Godsdienst’ die hij in het stuk heeft aangetroffen - ‘het juiste middel, om ons tegens de woede der driften te waarschouwen, en het voortreffelyke der zuivere liefde te doen zien’.13 Dit brengt hem op de aangehaalde beschouwing over Werther.
Werther heeft geen algemeen gevoel [...] een Engel: Vrijwel woordelijk ontleend aan het stuk ‘Over Werther’ in De wysgeer voor de
weereld; zie 1778-2 eerste alinea.
R. Feith, Julia. Leyden 1783.
Al dikwijls is opgemerkt dat Feiths roman Julia14 allerlei reminiscenties aan Werther wekt, onder meer in de thematiek van de absolute, maar belemmerde liefde, in het sensibele karakter van de hoofdpersoon, en in karakteristieke zinswendingen.15 Bovendien figureren er in Julia twee personages die de naam Werther dragen, en wel in het titelverhaal (in de hoofdstukken ‘De rampzalige’ en ‘De uitkomst’, p. 118-128), en in het Mengelwerkgedicht ‘Werther aan Ismeene’ (p. 221-225).
Allereerst zij hier de rol van Eduards vriend en lotgenoot besproken. Ofschoon de roman buitengewoon vaag is wat diens voorgeschiedenis aangaat16, laten zich de verspreide indicaties toch wel coherent aaneenvoegen.17 Werther heeft indertijd het meisje ontmoet waarvan hij ogenblikkelijk wist dat zij de enige uitverkorene voor hem was, maar om de een of andere reden (waarschijnlijk de oudere rechten van een andere, ‘ongevoelige’ minnaar) kan hij in dit leven niet hopen op haar bezit, en slechts uitzien naar de vereniging in het hiernamaals. Het meisje wilde of kon Werthers gevoelens niet beantwoorden, maar ze stond hem de omgang met haar toe, waardoor hij - zo is wel de implicatie - althans de zuivere zielsliefde kon beleven, zoals ook Eduard en Julia voor hun scheiding. Op een kwade dag heeft Werther zich evenwel laten gaan, misschien op het moment dat - zoals hij het uitdrukt - zijn mond zijn gehele ziel durfde openbaren. Het lijkt niet te gewaagd om hier te denken aan een uiting van verlangen naar het fysieke bezit van de geliefde, waarmee hij dan inderdaad even de geliefde (en de verheven liefde, de ‘onstoffelijke wellust’) onwaardig zou zijn geweest. Het meisje is door deze gebeurtenis verontrust en verstoord, ze miskent Werthers oprechte, zuivere bedoelingen, en ze ontzegt hem verder iedere vorm van contact. Werther kan nu nog slechts hopen op een vereniging in het hiernamaals, waar hij zijn geliefde ‘waardiger’ zal zijn en waar het ‘in den schoot der Liefde geen misdrijf [zal] zijn zuiver te beminnen’ (p. 122).
In het licht van deze reconstructie lijdt het nauwelijks twijfel
dat Feiths personage zijn naam niet uitsluitend draagt om een karakterverwantschap met Goethes Werther aan te duiden: de geschiedenis van beiden is tot op grote hoogte identiek. Zozeer identiek, dat ik vermoed dat Feith van zijn lezers verwacht heeft dat dezen aan de naam Werther genoeg hadden om de vage aanduidingen in zijn roman als het ware in te vullen met de gegevens die hun uit Werther bekend waren. Voor de lezer van Julia die dat inderdaad doet, bestaan er geen vragen met betrekking tot de beletselen van Werthers liefde, en voor hem is ook het incident dat tot de breuk leidde volledig duidelijk.18 Het zinnetje: ‘toen mijn mond haar eene enkle keer mijne geheele ziel dorst openbaren’ (p. 126) heeft in dit perspectief een pregnante inhoud: het verwijst niet naar een verbale liefdesbekentenis, maar naar het cruciale moment van: ‘und dekte ihre zitternde stammelnde Lippen mit wüthenden Küssen’ (Werther p. 145). Het verbod tot verdere omgang dat Feiths ‘rampzalige’ van zijn geliefde opgelegd krijgt (p. 121), correspondeert met Lottes omineuze woorden: ‘Das ist das leztemal! Werther! Sie sehn mich nicht wieder’ (Werther p. 145). Ook in detaillistischer zaken zijn de overeenkomsten treffend en soms verhelderend. De vergeving die Feiths Werther vraagt voor het storen van de rust van zijn geliefde (p. 126), is de echo van een gelijksoortig verzoek aan Lotte (Werther p. 155, cf. ook p. 124, 129). Het aanstippen van de verbintenis met ‘eenen ongevoeligen’ die het meisje ongelukkig zal maken (p. 122), correspondeert met Werthers overtuiging dat Lotte met hem gelukkiger zou zijn geweest, gezien Alberts ‘Mangel an Fühlbarkeit’ (Werther p. 91, ii br. 29 juli). Het enigmatische ‘schoon ook zijn lot veranderde - dat hij echter niet wenscht’ (p. 121) is op te vatten als een toespeling op Werthers minder verholen weergegeven fantasie over een mogelijke dood van Albert (Werther p. 92, ii br. 21 aug.). Na de uitvoerige bespreking van de Werther-episode in het Julia-verhaal kan de toelichting op het gedicht ‘Werther aan Ismeene’19 veel korter zijn: het gaat daarin om een vrijwel identieke situatie.20 Werther schrijft een definitieve afscheidsbrief aan zijn geliefde, Ismeene. Ook deze Werther is ‘voor de eeuwigheid verliefd, en eeuwig hooploos tevens’ (r. 11), zonder dat medegedeeld wordt waarom. Evenwel ‘eischt Rede, eischt Godsdienst, dat ik u vergeten zal’ (r. 88), zo verzucht hij, waaruit af te leiden valt dat zijn wensen niet alleen onvervul-
baar, maar ook moreel ontoelaatbaar zijn. Dit moet welhaast betekenen dat Ismeene reeds gebonden is.21
Klaarblijkelijk heeft ook in dit geval Werther de een tijdlang toegestane vriendschappelijke omgang met de aanbedene verspeeld (r. 29-36). Hij verzekert Ismeene dat zij hem met haar misschien al te strenge deugdopvatting verkeerd heeft beoordeeld, en dat zijn liefde altijd volstrekt zuiver was. Reikhalzend ziet hij nu uit naar het graf.
Vaderlandsche letteroefeningen 1783 dl. 2, p. 222-223.
Iets, uit de levensbeschryving van myn' neef Willem
De overledene was omtrent agttien Jaaren, toen hy verliefde op eene Jonge Schoone. - In weêrwil van al zyne Wysbegeerte, gevoelde hy zyne menschheid. Zyn medeminnaar was een minnaar naar den tegenwoordigen smaak; doch de ziel van het meisje was te edel, om den hedendaagschen minnaar den voorrang te geven. Myn neef Willem zegepraalde. - Ik zal, zeide hy, een zegeteken voor deze overwinninge oprigten! - Toen schreef hy, - (ik heb het handschrift nog) -
Historia Amoris, sine complimentibus,
in usum Batavorum conscripta.
Wanneer de geduurige ongestadigheid ophoudt, is de waereld geen waereld meer. Ondanks de tederste liefde, - in weerwil van het toegevendste vertrouwen, - ten spyt van het lagchendste vooruitzigt, - verliet Emilia, - zoo was de naam van het meisje, - myn' Willem, en ging met haaren anderen minnaar voort. - ‘Hemel! is het mogelyk! en schoot hy zich niet dood? - of ging hy niet dagelyks, in het bosch, zyne ongelukkige liefde beweenen, tot de droefheid hem in het graf stortte?’....
Verschoon my, Mevrouw! niets van dat alles! Myn neef was een Minnaar, doch ook een Wysgeer! 't Is waar: hy hadt Werther gelezen! maar hy heeft my dikwyls verzekerd, dat die lezing slegts een' oogenbliklyken indruk op hem gemaakt hadt. Werther is een gek! zeide hy; en zy, die hem, in goeden ernst, beklaagen, zyn ook gek! Ik heb het onderscheid leeren kennen, tusschen waare - en ingebeelde rampen: het ongeluk van Werther was slegts een ingebeelde ramp. Dat ons hart spreeke: maar! dat de rede nimmer slaape!
- ‘Vry styf!’... Zo styf niet: myn lieve Juffer! waarlyk! zulk soort van minnaars verdient de voorkeur niet! Hunne liefde is een zedelyke
ziekte, die de ziel ontzenuwt, - en dus voor de oogmerken der Natuur hinderlyk is. Wat is toch dat enkel beminnen van de ziel? Een harssenschim! - en alle de vertellingen van die liefdegevalletjes zyn romans, voor een soort van wezens, - zo al geen Engelen, - ten minsten tusschen ons en de Engelen geplaatst! - Dat de sterveling - de mensch, deugdzaam zy! - maar! dat hy mensch blyve! 't zou, voor een Haas, eene vergeefsche pooging zyn een Leeuw te willen worden!
Myn meisje heeft my verlaaten! het smert my! zeide de gevoelige Willem. - Maar verdient zy, zeide de wysgeerige Willem, uwe gevoeligheid? Willem beminde als mensch: hy waardeerde de edele hoedanigheden der ziele; - doch hy was nimmer van gevoelen dat het Lighaam te vergeefsch geschaapen was.
Emilia is my ontrouw geworden, zeide Willem; - nu zal ik Cecilia beminnen! Hy beminde haar; - en was gelukkig! Juist op den zelfden dag, dat hy zich, voor eeuwig, met Cecilia zou verbonden hebben, rukte een hartvang Cecilia uit het leeven. Zy is dood! zeide Willem. Zy is dood! Zyne geheele ziel deedt dezen uitroep. - Maar! ging Willem in het graf zyner afgestorvene bruid, om zich met haar te laaten begraaven? Neen! Willem bleef een Wysgeer, terwyl zyn hart schreide! - Willem was meermalen ongelukkig; - doch hy bleef een Wysgeer.-
B.
De stijl van het stukje doet denken aan Bellamy, en de ondertekening B. versterkt de gissing dat deze de auteur zou kunnen zijn. Het wordt evenwel niet genoemd in het door Nijland gegeven lijstje van bijdragen van Bellamy aan de Letteroefeningen.22
De rhapsodist dl. 6, 1783, p. 215-268. J.J.G. Schelle, ‘Redevoering over de vorming van het hart [...]’.
Welke zyn dan de uitwerksels van het naarstig leezen en beoefenen dier aangenaame, hartroerende, vertederende schriften? Daardoor worden zeer dikwils lieden gevormd, welkers zenuwen allengs verslappen en die nergens weêrstand kunnen bieden; lieden, die slaaven worden van hunne verbeeldingskracht, en die hunne harssenschimmen voor zinnelyke gewaarwordingen houden; [...] Vandaar ontstaan juist die menigte van ongelukkigen, welkers hart by ieder niet vooruitgezien ongelukkig voorval wegsmelt, en die straks den moed verliezen
en nooit wedervinden, maar geheel en al wanhoopig worden. Van daar ontstaan juist die jonge Werthers, die aan allen weêrstand ongewoon, wanneer zy hunne eigenzinnigheid en toomelooze begeerten niet kunnen verzadigen, zich veel liever voor het hoofd schieten, dan dezelve beteugelen; en dewyl zy de waereld niet kunnen gebieden, liever dezelve trotschlyk willen verlaaten, dan 'er zich naar plooijen en schikken. Want zulk een man immers moet die vergoode Werther geweest zyn. - Zie daar de vruchten van eene groote, ongeregelde, onbeperkte aandoenlykheid! (p. 228-230)
De fraaije Wetenschappen, om thans niets van de fraaije Kunsten te zeggen, zyn zekerlyk op zichzelve geen oorzaak van eene alte groote aandoenlykheid, noch minder van de uitwerking der laatste. Niettegenstaande zich de jonge Werther dood schoot, na dat hy in Homerus geleezen had, ken ik daarentegen veel Geleerden, die Homerus ook geleezen en misschien dikwyls by herhaaling doorleezen hebben, en die hem, zo niet beter, ten minsten even zo goed verstonden als Werther; die hem ook niet zonder smaak en aandoening geleezen en zich evenwel niet dood geschooten hebben, en zich ook naar alle waarschynelykheid niet doodschieten zullen. Bygevolg heeft de goede Homerus zo min schuld aan den dood van Werther, als aan den dood van den Conrector Dresigs te Leipzig, die omtrent dertig jaaren geleeden, zich verhing en Horatius in zyn zak had. (p. 235)
Deze bestrijding van een al te grote aandoenlijkheid is blijkens allerlei verwijzingen uit het Duits vertaald. Het origineel heb ik niet gevonden. Schelle is niet opgenomen in de Allgemeine deutsche Biographie.
R. Feith, Brieven over verscheiden onderwerpen dl. 1. Amsterdam 1784.
‘Ik heb het schoone werkje van den Heer*** gelezen, en op ieder bladzijde de tederheid en kieschheid van gevoel in dien Schrijver bewonderd [...]. [Anderen evenwel zijn van mening:] “De geheele kleene Roman is met gevoel en kieschheid geschreven - alleen is het te bejammeren, dat alle de sentimenten boven de natuur, de hartstochten geoutreerd, en een groot gedeelte der toneelen romanesk zijn. In een woord; hij [de schrijver] kan bij ons worden, wat, göthe bij de Duitschers rousseau bij de Franschen, petrarcha bij de Italiaanen, en
richardson bij de Engelschen is.”’ (p. 59-61)
De Vernuften, die in de renbaan der fraaie Letteren als starren van de eerste groote uitgeblonken hebben, bezaten eenen hoogen trap van gevoel - eene sterke en vruchtbaare verbeeldingskracht, die elk voorwerp, dat hen omringde, het kleenste niet uitgezonderd, gretig ontving en met verdubbeling te rug kaatste. Hier bij hadden ze zich door eene vlijtige oeffening die algemeene kundigheden verkregen, die zo onontbeerlijk voor den Dichter zijn, en elk deezer kundigheden werd door hun verfijnd en uitgebreid gevoel bezield en gebezigd. Kan het nu anders zijn of de met minder gevoel en kunde begaafde Lezers hunner schriften moeten dezelve over 't algemeen geoutreerd en romanesk vinden, en vooral op die plaatsen, die aan gevoelige harten en geoeffende hoofden het meeste behagen moeten, om dat ze 'er hunne eigen gewaarwordingen in ontmoeten, en de Dichter daar, om zo te spreken, zijn geheel gevoel in uitgeput heeft?
Hoe is het mogelijk, bij voorbeeld, dat de meeste Jongelingen de nouvelle Heloïse van rousseau niet geoutreerd zouden vinden, daar bijna alle zijne toneelen door het fijnste gevoel gekozen zijn, en alom eenen Schrijver verraden, die bij het kleenste voorwerp genieten kan, en geen zandkorrel ongemerkt voorbijgaat, zonder dat dezelve eenig voedsel aan zijn gevoelvermogen verschaft heeft; daar alle de sentimenten uit een hart voortspruiten, zo als 'er weinig, zeer weinig harten gevonden worden, dat, voor de fijnste nuances van edelmoedigheid en grootheid vatbaar, hiervoor de grovere zinnelijke genietingen ten eenenmaal vergeet; hoe is het mooglijk, vraag ik nog eens, dat het werk van zulk een' Schrijver natuurlijk zou voorkomen aan die groove harten, die geen wellust kennen dan dien ze met de dieren gemeen hebben? Voor hun zijn zeker de gevoelens van eene Julie en eenen Saintpreux onnatuurlijk en romanesk.
Ik bepaal mij hier nu nog maar bij rousseau, om dat gij hem het eerste noemt, wat moet göthe, de uit enkele snaaren van het verhevenste gevoel samengestelde göthe voor hun zijn? - Vooral zijn Werther? Zeker de hoogste ongerijmdheid of - een verzegeld boek. [...]
Van richardson zal ik hier niets zeggen. Zijne Clarisse vinde ik zeer schoon - zijn' Grandison minder schoon - maar Pamela behaagt mij in 't geheel niet. Ondertusschen zoude ik niet durven beweeren, dat bij deezen uitmuntenden, en voor de jeugd zeer stichtelijken, Schrijver alles uit de natuur genomen zij, schoon ik gewillig erken, dat eene lengte van schoonheden van den eersten rang dit gebrek alom zodanig
vergoedt, dat men zich gemaklijk geneigd vindt om het te vergeten. (p. 77-81)
Beide citaten zijn afkomstig uit de derde brief, getiteld: ‘Over het onnatuurlijke, geoutreerde, onwaarschijnlijke enz.’. Dit opstel vangt aan met een ‘Brief van Mevrouw***’, waarin de schrijfster er haar verbazing over uitspreekt dat een door haar bewonderd werkje door vele anderen overdreven geacht wordt. Zij vraagt Feith om een verklaring van dit verschil in smaak. In het eerste citaat is deze briefschrijfster aan het woord.
Het tweede citaat is uit Feiths antwoord, waarin hij betoogt dat zoals de ene mens fijner ontwikkelde smaakpapillen heeft dan de andere, er ook verschillen in esthetisch onderscheidingsvermogen bestaan.
het schoone werkje van den Heer***: Noch de ‘kleene Roman’ noch de auteur ervan wordt genoemd, maar op grond van de door de briefschrijfster gegeven karakteristiek kan men zich er in 1784 nauwelijks een andere roman bij voorstellen dan de het jaar tevoren verschenen Julia.
R. Feith, Ferdinand en Constantia. Amsterdam 1785.
ô willem! als ik op het graf van cecilia nederzitte, en de wind hevig door de schuddende toppen der dennen ruischt, hoe alle deeze beeldtenissen mijne krachten dan afstormen! - hoe gaarn ik dan met Werther al mijn menschzijn 'er voor geven wilde, om met den stormwind de wolken van een te scheuren, en de wateren der zee te omvatten. -- (dl. 2 p. 60)
De roman bevat een groot aantal reminiscenties aan Werther, zowel in de structuur van het verhaal als in het karakter en de belevingswereld van Ferdinand, als ook in vele woordelijk aan Goethe ontleende beelden en zinswendingen.23 De enige keer dat Werther met name wordt genoemd, verwijst naar: ‘O Wilhelm, wie gern hätt ich all mein Menschseyn drum gegeben, mit jenem Sturmwinde die Wolken zu zerreissen, die Fluthen zu fassen.’ (Werther p. 114, ii br. 8 (resp. 12) dec.)
[Annonce in de] Utrechtsche courant, 11 augustus 1786 (en regelmatig herhaald tot 27 september).
b. wild, Boekverkoper te Utrecht geeft uit, en heeft alomme aan zyne Correspondenten verzonden: [...] het lyden van den jongen werther; naar het Hoogduitsch, nieuwe druk vermeerdert met een zamenspraak over het zelve; op best Schryfpapier gedrukt in kl. 8vo. à f 1 - 2 -: zo ras doenlyk zal 'er een net Stel plaatjes tot dit Werkje uitgegeven worden.
Het lijden van den jongen Werther. Uit het Hoogduitsch. Tweede druk. Vermeerdert met een gesprek over het zelve. Utrecht, B. Wild, 1786.
Deze tweede druk is een herdruk van de vertaling van Van Emenes. Het enige inhoudelijke punt van verschil is (afgezien van een aantal ingeslopen zetfouten) dat de versjes op de beide titelpagina's zijn komen te vervallen.24
Het ‘gesprek’ waarmee de uitgave als ‘derde deel’ verrijkt is, is een vertaling van een anonieme, aan een zekere Riebe toegeschreven dialoog over Werther, getiteld: Ueber die Leiden des jungen Werthers. Gespräche. Berlin 1775.25 In de inleiding verklaart de auteur tot het schrijven ervan bewogen te zijn door de zorg dat jonge lieden Werther als voorbeeld beschouwen. Het bewuste gesprek wordt gevoerd door Philantropus en Alcimor. Alcimor verdedigt Werthers handelwijze als zijnde noodzakelijk en onvermijdelijk, Philantropus weet hem er in wijsgerig getinte beschouwingen uiteindelijk van te overtuigen dat Werther zijn hartstocht onder de controle van zijn verstand had kunnen en had moeten brengen, dat hij zijn liefde voor Lotte had moeten opgeven, en dat er dan een zinvol leven voor hem mogelijk geweest was. De zelfmoord veroordeelt hij omdat die naar alle waarschijnlijkheid Werther geen verlossing voor zijn lijden biedt, en omdat zij moreel ongerechtvaardigd is.26
Het lyden van de jonge Wertherin. Naar 't Hoogduitsch. Amsterdam, J.B. Elwe, 1786.

Er bevindt zich geen exemplaar van dit boekje (Buisman, Populaire prozaschrijvers nr. 2191) in een van de Nederlandse openbare bibliotheken. Het moet wel een vertaling zijn van een Duitse Wertheriade: Die Leiden der jungen Wertherinn, van A.K. Stockmann (1775).27 Hierin wordt Lottes leven en lijden verhaald vanaf haar kennismaking met Werther tot haar verscheiden, kort na zijn dood.
Vaderlandsche letteroefeningen 1786 dl. 1, p. 477-478. [Recensie van] Het lyden van de jonge Wertherin. Naar 't Hoogduitsch.
De jonge Wertherin, hier lydende afgeschetst, is geene andere, dan de reeds bekende Charlotte, het voorwerp der ongelukkige liefdedrift van den jongen Werther, van wiens lyden wy voor eenigen tyd berigt gaven(*). - Zy wordt ons in dit Geschrift vertoond, als niet minder gevoelig voor Werther, dan Werther voor haar was; 't welk Charlotte, terwyl zy haaren Egtgenoot, Albert, van harte bemint, in eene gestadige verwarring van hartstogten, en daaruit voortvloeiende strydige bedryven, herom voert; dat haar zeer veel en gevoelig doet lyden; en 't welk haar, op het verneemen van Werthers wanhoopig sterflot, in eene kwynende ziekte stort, die haar eerlang ten grave doet daalen. Men kan, ter zaake van dien inhoud, dit Stukje aanzien, als een Vervolg van het voorheen gemelde Geschrift, dat ons het lyden van den jongen Werther maalde; en 't brengt ons, op eene soortgelyke wyze, onder 't oog, het gevaar van 't onvoorzigtig involgen eener niet wel geplaatste liefdedrift: welke misslag egter, zo in 't eene als in 't andere Geschrift, in een al te verschoonend licht geplaatst wordt.
Werther, van wiens lyden wy voor eenigen tyd berigt gaven + noot: Verwijst naar de recensie van Werther tien jaar tevoren (1776-5).
J.A. Backer, Alardus, of de zelfmoord door liefde. Tooneelspel. Amsterdam 1786.
De zo algemeen bekende als treffende geschiedenis van den jongen werther heeft mij aanleiding gegeeven dit stuk te ontwerpen, en zódanig op te maaken, als de Leezer het hier vindt.
Ik heb de Hoofdäctie van dat werk overgenomen; maar het Tooneel verplaatst, en de Episodes naar die verplaatzing verschikt. (‘Voorreden’ p. 1)
Wat nu nog de stoffe zelve betreft: bij mij is zij treffend voor een' gevoelig' mensch, aandoenlijk voor een welgesteld hart; en, hoe beklaaglijk in haaren afloop, dubbel waardig om op het Tooneel gebragt te worden; doch de gustibus non est disputandum, en daarom laat ik ieder hier over oordeelen naar de gevoelens van zijn hart, zonder mij daaraan immer te stooren. - [...] Maar ik heb noch in het leezen van den werther, noch in het opmaaken van mijnen alardus, ooit op het onderwerp kunnen stil staan, zonder die deernis te gevoelen, welke in het hart ontstaat, wanneer wij de waare edelen onder onze medemenschen, door het lot gedrukt, voor toevalligheden zien bezwijken, die zij met geene menschelijke wijsheid konden voorkoomen. (‘Voorreden’ p. vi-vii)
De uit Werther overgenomen ‘Hoofdäctie’ van het in alexandrijnen geschreven stuk is de ongelukkige liefde van Alardus voor Charlotte, die met Ernestus getrouwd is, en de daaruit voortvloeiende zelfmoord van Alardus. Vooral de zelfmoordscène bevat allerlei reminiscenties aan Goethes roman. Voor het overige is het stuk rijk aan incidenten en personages die van Backers eigen vinding zijn.28 Het gebeuren heeft plaats te Amsterdam.
Alardus, die moeilijk anders dan als een razende Roeland gekarakteriseerd kan worden, is in feite niet de hoofdpersoon; veeleer staat het innerlijke conflict van Charlotte in het middelpunt. Zij hield van jongs af van Alardus, maar is later met Ernestus getrouwd in de waan dat Alardus op reis in het buitenland gestorven was. Haar huidige gevoelens voor Alardus worden niet geheel duidelijk. Enerzijds verklaart ze dat haar liefde voor hem evenals vroeger ‘verfijnde vriendschap’ is, die niet berust op ‘dwaaze minnetochten’, anderzijds betreurt ze het (‘ô strijd van liefde en plicht’) dat haar plichtsgevoel jegens Ernestus haar niet toestaat om Alardus liefde te schenken in plaats van vriendschap. Op een vereniging in het hiernamaals wordt noch door haar, noch door Alardus gezinspeeld.
Het zelfmoordmotief is wel zeer nadrukkelijk uitgewerkt. Alardus spreekt talloze malen over zelfmoord, en ofschoon hij
haar reeds in het begin van het stuk als misdaad kwalificeert, dreigt hij er in bijna ieder bedrijf wel een of meer keren mee. Uiteindelijk slaat hij inderdaad de hand aan zichzelf (met behulp van een pistool dat door Charlottes handen is gegaan29), maar hij leeft nog lang genoeg om ten overstaan van alle rond zijn sterfbed verzamelde overige personages deze daad uitvoerig te betreuren. Het slotwoord is aan Ernestus: ‘Zie 't naar gevolg van hem die spoorloos heeft bemind’.
De hemelvaart van Sebaldus. Blijspel. In: De Nederlandsche dichtkundige schouwburg dl. 1, Amsterdam 1786, p. 205-284.
In dit stuk30 treedt een in zijn liefde gedwarsboomde sentimentele minnaar op, genaamd Werther, die eenmaal een (overigens impulsieve en gemakkelijk verhinderde) poging doet om zichzelf te doorsteken. Het (anonieme) werk wordt daarom door Menne, Van der Laan en Atkins tot de parodieën op Werther gerekend31, maar in feite zijn er vrijwel geen overeenkomsten met de roman. Noch de situatie (Eugenia wil graag met Werther trouwen, maar krijgt geen toestemming van haar vader Sebaldus), noch de intrige (Sebaldus geeft tenslotte toe als hij, in een mand door de schoorsteen gehesen, denkt ten hemel te varen), wekken reminiscenties aan Werther. Naast een hekeling van de Böhmistische (‘Beemsche’) mystiek zoals die wordt beleden door Sebaldus, behelst het stuk echter wél een onmiskenbare bespotting van Feiths Julia: niet alleen herinnert de karikaturaal sentimentele Werther in zijn gedrag en opvattingen veeleer aan Eduard, maar bovendien spreekt hij grote stukken op rijm gezette Julia-tekst uit.32 In de voorrede van dit deel van de Dichtkundige schouwburg verklaart de auteur dat het stuk een bespotting inhoudt van de dweperij van ‘Jacob Beem’, en van die van een ‘hedendaagschen [schrijver], welken hij verkiest hier niet bij naame te noemen, doch wiens gevoelen en wijs van denken, door den persoon onder den naam van Werther in zijn Tooneelspel ter toetse gebragt wordt’ (p. 111). Deze geparodieerde auteur is dus onmiskenbaar Feith.
Het stuk is besproken in de Vaderlandsche letteroefeningen 1787 dl. 1, p. 337. Ook de recensent maakt geen enkele toespeling op Goethes Werther, en gezien het bovenstaande is het niet waarschijn-
lijk dat zijn wens ‘dat een Zotskap, als Werther, in een nog bespottelyker licht zou voorgesteld zijn’, op de roman betrekking heeft, zoals Van der Laan t.a.p. suggereert.
[W.E. de Perponcher], Mengelwerk, onder de zinspreuk Tendimus ad Coelestam Patriam, 8e stukje, Utrecht 1786, p. 59-106. ‘Gedagten over het sentimenteele van deezen tyd’.
Ja 't is te vreezen, dat zo het sentimenteele van deezen tyd nog verderen voordgang maakt, de uitwerking in 't einde zyn zal, de driften ten troon te voeren; dezelven, onder deezen dekmantel, tot deugden, te vergoden; en dus, door deeze verwisseling van naam en schyn, een ieder aan te moedigen, om aan dezelven, gerust en vry, den lossen teugel te vieren; tot dat hy misschien, in 't einde, in eene vlaag van, tot mymering en razerny toe aangevuurde sentimenteel-kragt en drift, in de buitenspoorigste uiterstens, vervalle.
En zyn hier niet reeds voorbeelden van? De jonge Werther; de minnaar van Zimmermans ongelukkige, engelagtige, eenigste dogter; - wie siddert niet, op 't gezigt van zulke toneelen, te rug? En is het de geestgesteldheid, laat ik liever zeggen, de krankheid der ziele, welke deeze gevolgen na zig sleept, die wy koesteren, aanzetten, en voord-planten willen! (p. 93-94)
het sentimenteele van deezen tyd: Het ‘sentimenteele van deezen tyd’ dat door De Perponcher in dit opstel bestreden wordt, is een misbruikte, verbasterde teergevoeligheid die onwenselijke gevolgen heeft. De sentimentele mens meent volmaakter te worden door zich van de wereld af te wenden en de eigen verfijnde gevoeligheid en hooggespannen verbeeldingskracht te cultiveren, maar in werkelijkheid verwijdert hij zich daarmee steeds verder van de ware volmaaktheid. Dit sentimentele dreigt tot een heersende ‘krankheid der ziele’ (p. 69) te worden.
sentimenteel-kragt en drift: Vertaling van Sturm und Drang?
de minnaar van Zimmermans ongelukkige, engelagtige, eenigste dogter: Met Zimmerman is bedoeld Johann Georg Zimmermann (1728-1795), auteur van onder meer het toentertijd bekende werk Ueber die Einsamkeit33. Het enige wat ik omtrent de minnaar van zijn dochter Katharina (1756-1781) te weten heb kunnen komen, is

3. Titelpagina van de tweede druk, uitgave 1787, uitgegeven
door Wild (1787-2)