terug  begin  verderprepost
[p. 22]

Ganymedes op aarde,1
door Willem Kloos.

 
Hij was een kind der menschen, opgevoed
 
Bij menschen, en als menschen sterfelijk.
 
 
 
Bij vroegen uchtend ging hij uit, wen nauw
 
Der bergen toppen in de scheemring grauwden,
 
En wen het vlottend rood des hemels straks
 
In bloed'ge vlokken viel op 't vale weiland,
 
Dat verder naar het West in mist verliep,
 
Voerde hij reeds met vluggen tred en dreef,
 
Op velerhande wijzen zijner fluit,
 
Zijn willig-volgend vee langs 't bochtig pad,
 
Dat zachtjes-hellend naar het hoogland leidde...
 
En als de zon dan op het hoogste stond
 
En heel de stralend-helle middaglucht
 
Gloeiende neêrhing over 't stille veld,
 
En 't wijduitgrazend vee zich, langzaam, de een
 
Na de ander, had terneêrgevlijd in 't gras,
 
Tot niets zich meer bewoog, dan zocht ook hij,
 
Met achteloozen tred, in 't naaste lommer
 
Een ongestoorde rust - en lag - en sliep.
 
En als soms bij geval een sluwe faun.
 
Of wilde sater, op datzelfde pad
 
Geraakt, behoedzaam met de hand de takken
 
Uiteenschoof en twee vonklende oogen gluurden
 
Door 't donkergroen geblaêrt, dan dacht die wel,
 
Verrast door de'aanblik van dat schoon gelaat,
 
Dat in die schemering als daglicht gloorde,
 
Een jongen God te zien, een zoon van Zeus,
 
Hermes of Phoibos-zelf - en tripte verder. -
 
 
 
Maar sliep hij langer, dan 't zijn vee geviel,
 
Zijn speelgenooten in de groene weide,
 
Dan kwam met zachten tred zijn lievlingslam,
 
En lekte hem de handen, waar hij lag;
 
Tot hij, ontwaakt, met éénen vluggen sprong
 
Zich hief - en stond - en door de struiken stoof
 
In 't volle zonlicht: daar kwam alles dan,
[p. 23]
 
Op 't luide roepen van zijn heldre stem,
 
Van heinde en verre naar den meester saam,
 
In dolleren galop of staatgen tred. -
 
Dra was het feesttij in het open veld:
 
Het jonge broedsel huppelde aan zijn zij,
 
Of joegen op zijn spoor in wilde vaart,
 
En vloden voor hem heen en keerden weer.
 
Dan zette hij de vingers aan de lippen
 
Op 't smalle fluitje, dat hij zelf, in 't riet,
 
Met vlugge hand zich sneed, zoo Pan verzon -
 
En danste vóór op 't mollige tapijt,
 
Naar de effen maat van eigene muziek,
 
En heel het jonge volkje met hem meê,
 
Vroolijke kalvren en het blonde lam.
 
Of wel, hij zat terneêr in de onbewogen
 
En effen schaduw van een eenzame'eik, -
 
Maar alles daarom heen was zonnelicht -
 
En blies hun allerhande liedjes voor,
 
En zong da[a]rbij van blijden zomertijd,
 
Van, lange dagen, in het geurend gras
 
Roerloos te droomen onder blauwe lucht;
 
En hoe de God, die door de weide gaat,
 
Wanneer het middag is en alles rust,
 
Iedere kudde met haar leidsman kent,
 
En ook een god is voor het makke vee.
 
 
 
Dan leek de weide een vastenavondsklucht,
 
Vol grappen en grimassen van dooreen
 
Buitlende kalvren met het logge schaap,
 
Drok galoppeerend, onder zacht geblaat,
 
Terwijl een rei van witte geitjes danste
 
Een wulpsche menuet in de avondzon.
 
 
 
Maar de oude koeien, wien de wufte zin
 
Voor hooge sprongen en onnut gehol
 
Reeds lang verging voor 't zuivere genot
 
Van 't kalm en lang herkauwen in de zon -
 
Zij stonden met aandachtig oor van ver,
 
Of lagen, luistrend, om hem heen, heel stil,
 
En wie het naaste lag, die legde soms
 
Zijn grooten, trouwen kop op zijne knie,
 
En keek.... met halfgeloken oog... en sliep
 
Zoo, zachtjes, bij die zoete tonen in.
[p. 24]
 
Zoo liepen de uren, tot het groote licht,
 
Met zachte zwiering vallend op de kim,
 
Als roerloos poosde en, éénen oogenblik,
 
De rijzende avond in haar wijde wade
 
En raggen sluier, dien zij voor zich breidde,
 
Met donkergloeiend aanzicht tegenzag.
 
 
 
Dan liep hij reeds met lichte stappen aan
 
Achter zijn zachtjesdravend vee, en dreef
 
Ze 't ver-uit-glooiende geheuvelt af,
 
Recht op het Westen en dien wijden gloed,
 
En zag die schoft'ge flanken in hun zwaai
 
En logge schomm'ling, en de halve maan
 
Der hoorns, zich teekenend met scherpen trek,
 
Tegen dien verren achtergrond van goud,
 
Als donkre schimmen in een zee van licht.
 
 
 
Zoo sleet hij zijne dagen bij het vee,
 
En was, als onder kinderen, een kind....
 
 
 
Januari 1885.

1Episode uit een grooter gedicht.
prepostterug  begin  verder