terug  begin  verderprepost
[p. 25]

Verzen,
door Willem Kloos

Okeanos. (Een Fragment.)

Voor den broozen, maar grandiosen en onkreukbaren Alfons Diepenbrock.

Eerste zang.

 
Okeanos, de wondre Okeanos,
 
Hij, de eerst-geborene van donkere Aard
 
En heldren Hemel, ouder dan de Nacht,
 
Maar jong als 't Licht, en als de Scheemring schoon, -
5
Met blonde lokken als de Dageraad,
 
Wanneer het eerste zonlicht zonder zon
 
Het eerste geele wolkje gouden zoomt,
 
En oogen, blauwende in dien glans en dauw
 
Zoo zacht, waar 't matte paarlemoer meê speelt, -
10
De laatste Titan lag aan Othrys' helling,
 
En zag in mijm'ring naar de hooge zon
 
En Hyperion, troonende in den gloed.
 
 
 
Want heel het hoog-opstormende geslacht
 
Der donkere Oeranionen was gevallen,
15
Uit-één-gebliksemd door de hand van Zeus.
 
 
 
De Goden zaten op hun tronen, de één
 
Zoo ver van de'ander, in een halven kring,
 
Als hier op aarde, in 't laatste licht der zon,
 
Alom-gezien, de steigerende toppen
20
Der Alpen zich verheffen heinde en veer,
 
Een ieder heerscher in zijn eigen rijk
 
En omtrek, oppermachtig en alleen,
 
Groot met den diadeem van eigen licht
 
En eigen duister, maar toch allen saam
25
Eén volk, één grootheid, ééne heerschappij.
 
Zoo ook de goden in hun hoogen raad,
 
En schoon de ruimte tusschen troon en troon
 
Den sterfling zou verscheem'ren in 't verschiet,
 
Toch kon een ieder zonder dat hij rees
30
Den beker reiken, aan wie 't naast hem zat.
[p. 26]
 
En over heel den wijden omme-trek
 
Dier eindelooze hallen gloeide en hing
 
Hun innerlijkste godheid, diep en stil,
 
Als over de aarde een zonnig lente-weder.
 
 
35
Maar de Titans stonden
 
En staarden zwijgend naar Olympos' kruin
 
En klaren dag, waar Zeus in 't licht gezeten
 
Van jonge majesteit, zijne oogen sloeg
 
De wereld dóór en dacht - of hij de hand
40
In gloed moest heffen naar dien dollen nacht,
 
Heen-dwarlende in den schok, of zorgeloos,
 
Met heel het heir der licht-geschoeide goden,
 
Opwieken zou naar hooger heemlen vreê;
 
Want zoeter Hem één eeuwig-lichte dag,
45
Door geene heugenis van wee beschaduwd,
 
Dan honderd nachten als een sluier scheurend,
 
Voor de'enklen opslag van Zijn aangezicht.
 
Zoo Zeus, en om Zijn gouden troon weerklonk
 
Een heldre lach, uit open lippen, dauwend
50
Van nektar-droppen en den laatsten kus.
 
Want in de scheemring op Zijn hel gelaat
 
Las Kupris 't peinzen van Zijn ziel, en zoo
 
Waar'nu de dartle stoet in zachte zwiering
 
Omhoog-gewiegeld als een zomer-droom,
55
Ver weg voor de oogen van dat log geslacht, -
 
En de aarde, domm'lend onder Kronos' druk
 
En langzaam zinkende in haar laatsten slaap,
 
Zou lang reeds, dolend in den andren drom
 
Der doode zonnen, door den al-nacht wanken.
 
 
60
Zij stonden allen, dekkende Othrys' rug,
 
Met dichte drommen en de gansche teelt
 
Van honderd eeuwen, dreigende in den nacht
 
Min zwart: zooals een woud en zwarte klomp
 
Van zware zuilen, reikende in het ruim
65
Zóó hoog, dat Othrys' allerhoogste top
 
Neerdook en zonk; maar plotsling boven allen
 
Hief wentelend het dof geloei zich op
 
Uit duizend boezems, dat naar flauwer verten
 
De starren deinsden in het hol heelal.
 
 
70
De uit hoog-gehouden vuist geklonken rosse,
 
Reuzige slang doorslingerde de lucht
[p. 27]
 
Ver-heen, tot waar hij Koios kliefde in 't hoofd,
 
Dat ruggelings de God met breeden zwaai
 
Heenkantelde in het ijle.
 
 
75
Een donkre rotsen-regen, blok bij blok,
 
Vloog door de wijde lucht, in logge dwarr'ling
 
Neer-ploffend voor Zeus'voet, en waar 't gebergte
 
Zijn harde hellingen in de'afgrond zond,
 
Bonsden zij op en neer met doffen dreun
80
Van diep in diep tot de ongepeilde krochten,
 
Waar nooit een straal van 't godlijk licht in drong,
 
Dat de echoo's eindeloos op rots en wand
 
Weer-dondrend rilden door Olympos' romp,
 
Van schicht op schicht, en klimmend tot de kammen,
85
Zeus' eeuwgen zetel op zijn grondvest schokten.
 
 
 
Toen werd het stiller in der goden stoet,
 
Want de altijd-snappende Afrodite zweeg;
 
Zij zag zich-zelf in 't goud haars bekers bleek
 
En borg, beschaamd, in de opgeheven sluier
90
Haar nooit bewolkt gelaat en vale trekken.
 
Toen, als een vliet die van de rotsen stort,
 
Zóó ging een ruischen door de rijen der
 
Lach-lievende Kromden, klaar en luid.

Tweede zang.

 
Het zachte lichten van hun glimlach vloeit
95
Als heldere muziek door al de lucht
 
En klaart de diepten van den afgrond op
 
Boven hun hoofden waar de Chaos gaapt,
 
Wanneer zij van des bekers rand slechts even
 
't Gelaat verheffend naar den schenker zien.
100
De blonde schenker, Ganymedes, hij,
 
Schoon als een dageraad en even jong,
 
Hel in het zonlicht van zijn lokken-val.
 
Zeus' wijd-gewiekte vogel, telkenacht,
 
Droeg 't sluimerende kind, met krachtgen klauw
105
Van de aarde omhoog door 't starrelicht azuur,
 
Boven de sterren en het licht der maan,
 
Tot waar de jonge Goden-stoet haar stoel
 
Gevest had, na der Oeraniden val.
 
Hij was een kind der menschen, opgevoed
110
Bij menschen, en als menschen sterfelijk.
[p. 28]
 
Bij vroegen uchtend ging hij uit, wen nauw
 
Der bergen toppen in de scheemring grauwden,
 
En wen het vlottend rood des hemels straks
 
In bloed'ge vlokken viel op 't vale weiland,
115
Dat verder naar het West in mist verliep,
 
Voerde hij reeds, met vluggen tred, en dreef,
 
Op velerhande wijzen zijner fluit,
 
Zijn willig-volgend vee langs 't bochtig pad,
 
Dat zachtjes hellend naar het hoog-land leidde.
120
En als de zon dan op het hoogste stond,
 
En heel de stralend-helle middag-lucht
 
Gloeiende neerhing over 't stille veld,
 
En 't wijd-uitgrazend vee zich, langzaam
 
De een na de ander had ter-neer-gevleid in 't gras
125
Tot niets zich meer bewoog, dan zocht ook hij,
 
Met achteloozen tred, in 't naaste lommer,
 
Een ongestoorde rust - en lag, en sliep,
 
En als soms, bij geval, een sluwe Faun
 
Of wilde Sater, op dat zelfde pad
130
Geraakt, behoedzaam met de hand de takken
 
Uit-één-schoof, en twee fonklende oogen gluurden
 
Door 't donker-groen geblaart', dan dacht die wel,
 
Verrast door de'aanblik van dat schoon gelaat,
 
Dat in die schemering als daglicht gloorde,
135
Een jongen God te zien, een zoon van Zeus,
 
Hermes of Phoibos-zelf, en tripte verder.
 
 
 
Maar sliep hij langer dan 't zijn vee geviel,
 
Zijn speelgenooten in de groene weide,
 
Dan kwam met zachten tred zijn lievlings-lam
140
En lekte hem de handen waar hij lag;
 
Tot hij, ontwaakt, met éénen vluggen sprong
 
Zich hief, en stond, en door de struiken stoof
 
In 't volle zonlicht:daar liep alles dan,
 
Op 't luide roepen van zijn heldre stem,
145
Van heinde en verre naar den meester saam,
 
In dolleren galop of staat'gen tred.
 
Dan was het feest-tij in het open veld.
 
Het jonge broedsel huppelde aan zijn zij
 
Of joegen op zijn spoor in wilde vaart,
150
En vloden voor hem heen en keerden weer.
 
Dan zette hij de vingers aan de lippen
 
Op 't smalle fluitje, dat hij zelf in 't riet
 
Met vlugge hand zich sneed, zoo Pan verzon,
[p. 29]
 
En danste vóór op 't mollige tapijt,
155
Naar de effen maat van eigene muziek,
 
En heel dat jonge volkje met hem mee,
 
Vroolijke kalvren en het blonde lam.
 
Of wel, hij zat ter-neer in de onbewogen
 
En effen schaduw van een eenzame'eik, -
160
Maar alles daar-om-heen was zonne-licht -
 
En blies hun aller-hande liedjes voor,
 
En zong daarbij van blijden zomer-tijd,
 
Van, lange dagen, in het geurend gras,
 
Roerloos te droomen onder blauwe lucht;
165
En hoe de God, die door de weiden gaat,
 
Wanneer het middag is en alles rust,
 
Iedere kudde met haar leidsman kent,
 
En ook een God is voor het makke vee.
 
 
 
Dan leek de weide een vasten-avonds-klucht,
170
Vol grappen en grimassen van door-een
 
Buitlende kalvren met het logge schaap,
 
Drok-galoppeerend, onder zacht geblaat,
 
Terwijl een rei van witte geitjes danste
 
Een wulpsche menuet in de avond-zon.
 
 
175
Maar de oude koeien, wien de wufte zin
 
Voor hooge sprongen en on-nut gehol
 
Reeds lang verging voor 't zuivere genot
 
Van 't kalm en lang herkauwen in de zon -
 
Zij stonden met aandachtig oor van ver,
180
Of lagen, luistrend, om hem heen, heel stil,
 
En wie het naaste lag, die legde soms
 
Zijn grooten, trouwen kop op zijne knie,
 
En keek... met half-geloken oog... en sliep
 
Zoo, zachtjes, bij die zoete tonen in.
 
 
185
Zoo liepen de uren, tot het groote licht,
 
Met zachte zwiering vallende op de kim,
 
Als roerloos poosde en, éénen oogenblik,
 
De rijzende avond in haar wijde wade
 
En raggen sluier, dien zij voor zich breidde,
190
Met donker-gloeiend aan-zicht tegenzag.
 
Dan liep hij reeds met lichte stappen aan
 
Achter zijn zachtjes-dravend vee, en dreef
 
Ze 't ver-uit glooiende geheuvelte af,
 
Recht op het Westen en dien wijden gloed,
[p. 30]
195
En zag die schoft'ge flanken in hun zwaai
 
En logge schomm'ling, en de halve maan
 
Der hoorns, zich teekenend met scherpen trek
 
Tegen dien verren achtergrond van goud,
 
Als donkre schimmen in een zee van licht.
200
Zoo sleet hij zijne dagen bij het vee,
 
En was, als onder kinderen, een kind....
 
 
 
En zoo zag Zeus hem.
 
De Vader aller goden zat alleen,
 
Omhoog op zijnen troon en wierp zijn blikken,
205
Zijn lustelooze blikken door 't heelal.
 
Het eerst, wijl 't allernaast, naar de aarde, dansend
 
Door 't zonnig lucht-ruim, op de blijde maat
 
Van 't eigen vroolijk harte, en overal,
 
Op bergen en in dalen, was er licht.
210
Verbaasd en droevig sprak de Vader dus:
 
‘Wee mij, de dansen van dien aardschen knaap
 
Zijn bitter. 't Is mij of die rassche voet
 
Met iedren val mij op het harte trapt...
 
Wee, hebben menschen dan een goden-ziel
215
En kunnen goden slechts rampzalig zijn?
 
Wij treuren op het eeuwig feest-getij
 
En slepen dees onsterfelijken last
 
Der leden, moeizaam, door de dagen voort,
 
Wijl stervelingen, uit het stof der aard
220
Omhoog-gewassen tot een schim, zich tooien
 
En hupp'len neuriend over de'eigen grond,
 
Die heel hun toekomst in haar schoot besluit,
 
De stomme graven en hun diep geheim.
 
O, om-te-weenen wonder-blij geslacht,
225
Met dood rond-om zich, in zich, onder zich,
 
Die toch den dag, die opkomt in het Oost,
 
Toe-roepen: ‘Wees gegroet, o heil'ge dag!’
 
En als hij, bleeker van zijn langen tocht,
 
In 't West verzinkt, zacht zeggen: ‘Gij waart schoon.’

Derde zang.

230
En toen hij stond op de allerhoogste treê
 
Des hoogsten troons, waarop Zeus-zelf gezeten,
 
Hoog boven allen, over allen zag,
 
En over allen heen, door alle heem'len
 
Naar de aarde, ontwakend uit haar ouden droom
[p. 31]
235
Tot eerste jeugd en schoonheid, en den vluggen
 
Rhythmischen rei-dans in bebloemde stool,
 
Tot waar zijn blik zich in het diep verloor
 
Des aethers en de blauwe wereld-einden, -
 
Toen daar dan Ganymedes schuchter stond,
240
Bevend van eerbied voor dien hoogsten God,
 
Hoog boven allen tot Gods knieën reikend,
 
En hij hem dan, met half-gebogen hoofd,
 
Den gouden beker in de hand gaf, golfden
 
Zijn zware blonde lokken langs het kleed,
245
Dat purper-plooiend op Zeus' voeten viel.
 
En deze lachte zacht, en, wijl hij dronk,
 
Rustte zijn rechter op dat teêre hoofd,
 
Zijn rosse rechter, die den bliksem vatte
 
Toen hij God Koios heen sloeg in het ijle:
250
‘O Schoonheid, Schoonheid, waar ik zelf van leef,
 
Gij, die geen God zijt maar der Goden Kroon,
 
Ook stervelingen gaaft ge een schijn om 't hoofd!’
 
Zoo Zeus, en dronk gelijk der Goden God.
 
 
 
Maar Hera hield niet van der schoonheid roem
255
Als Zeus die prees. Zo wachtte zij zijn komst
 
En nam hem norsch, met half-gewend gelaat,
 
Den beker uit de handen, snel en ruw,
 
En liet hem vallen met een heldren slag
 
Op 't voetstuk van haar zetel, goud op goud,
260
Dat wild op eens een donker-roode stroom
 
Langs alle treden schoot, totdat hij lag
 
Op de allerlaatste, en daar allengs vervloeide
 
In tal van druppen, spattende op den vloer.
 
En alle goden zagen angstig op....
265
Maar zij zag verre naar een wreeden droom,
 
En dacht rood bloed te zien, en zei zeer zacht:
 
‘O, mocht uw hoofd, uw teeder, lokkig hoofd
 
Zoo luid eens vallen op dit hard metaal
 
Voor mijne voeten als dat gouden vat!’
270
En lachend hief zij zich, en in hare oogen,
 
Haar groot-klare oogen gloeide een donkre vreugd,
 
Terwijl zij achterwaarts-gewend haar hand
 
Bewoog, en riep met helle stem: ‘Mijn Hebe,
 
Gij jongste mijner dienaressen, kom,
275
En reik me een nieuwen beker, boordevol,
 
Want in mij rijst een wondervreemde vreugd:
 
Dien eersten plengden wij te zamen, Ik,
[p. 32]
 
En Ganymedes, beiden met een beê.
 
Hij, sterfling, smeekte van zijn liefsten God,
280
Wie 't zij, vervulling van zijn diersten wensch,
 
Maar Ik, de Hoogste Godheid, arme! Ik heb
 
Geen enkle godheid, die mijn beden hoort.
 
Ja, één, de Moira, Haar bad Ik. Zij ziet
 
Naar plengingen van tranen, noch van wijn,
285
Zij doet slechts wijl het moet, en alles wat
 
Geschiedt, het moet geschieden wijl Zij wil.
 
Zij is onwrikbaar en Zij hoort mijn woord,
 
Want Zij schrijft nimmer in Haar Eeuwge Wet
 
De dwaze wenschen van dees ijdlen knaap,
290
Al waar de godheid die hem lieft, Zeus zelf.’
 
 
 
En zegevierend zag zij op naar Zeus.
 
Zeus dacht aan 't ordnen van der aarde staat.
 
 
 
Maar Ganymedes, al dien tijd, stond stil
 
Ter zelfder plek, aan Hera's fieren voet,
295
En dacht aan de aarde en 't verre vaderhuis,
 
En zei voor zich alleen: ‘Is dit een droom,
 
O bange droom, zoo kan ik immers wel,
 
Wanneer ik wil, met éénen forschen zwaai
 
Ontwaken en mijn oogen opslaan, en
300
Rondom mij zien of alles nog zoo is
 
Als gisteravond toen ik slapen ging.
 
Of, zoo het donker is en alles stil
 
Dan toch wel voelen naar mijn trouwen hond,
 
Die alle nachten naast mij ligt, terwijl
305
Zijn warme, ruige kop mijn wangen raakt.
 
Maar ach, ik kan niet.
 
En hij weende zacht.
 
 
 
..................
 
..................
 
 
 
En Hebe stond en toefde, een bevend beeld,
 
Noch hief naar Zeus het bukkende gelaat,
310
Bleekend en blozend in dat wondre licht,
 
Den glimlach van dien eeuwig-milden mond.
 
 
 
Het was die zelfde lach, maar zachter schier,
 
Die half verheeld, toch zooveel zaligs spelde,
 
Een verre wereld van onnoembre weelde,
[p. 33]
315
Een dageraad van on-uitsprekelijk heil,
 
Waarmee hij Hera won, en op zijn sponde
 
Haar kalme ledenpracht tot dartlen dwong,
 
Waarmee hij de aardsche vrouwen, de een na de ander,
 
Omwikkelde, en ze bannend aan de plek
320
Langzaam haar oogen optoog tot de zijne,
 
Totdat zij, bleek en op haar voeten wanklend,
 
In ademloos bedwelmen de armen strekten
 
En in Zijn armen om verniet'ging vloden,
 
Het hoofd' verbergend aan zijn goden-borst.
 
..................
 
 
325
Gelijk een bloem bij avond nauw beweegt,
 
Maar in de wind-looze atmosfeer zich heft,
 
Klaar-schijnend op het kristallijn der lucht,
 
Rees Afrodite vóór 't onmeet'lijk ruim
 
Van licht, dat om haar was, één reine eindloosheid,
330
En danste zacht, maar danste niet, bewogen
 
Maar even door het beven van haar ziel,
 
En wat daar schoonst in school. Zoo staat een kindje
 
Des ochtends in den zon-schijn en 't blond hoofdje,
 
Nog droomrig, weet niet wat dat vreemds beduidt,
335
Dat heel zoo anders is als al wat 's nachts was.

prepostterug  begin  verder