terug  begin  verderprepost
[p. 34]

Twee onuitgegeven fragmenten van Okeanos

I.

336
Zeus zag 't en op zijn oogen viel
 
En op zijn ziel de halfgeheven slip
 
Terug: maar in zijn binnenst gloeide een drang
 
Een groote drang naar daden en hij sprak:
340
‘O harten, wufter dan de lichte pluim
 
Die op den adem vaart des winds. O hoofden,
 
Bekranst met rozen, waar de lauwer voegt!’

II.

 
Zooals wanneer bij starrenloozen nacht
 
In 't stormig herfstgetij de wilde orkaan
345
Loeidavert door de rondom-donkre ruimt...
 
Men ziet niets, hoort slechts 't donderend geklots
 
Der waatren en het klagelijk getier
 
Des nachtgods rukken door het gierend want;
 
Tot dan op eens een bliksem zikzakt snel
350
Langs 't zwarte uitspansel wijd en flikkrend zet
 
Den heelen hemel in een vloed van licht.

prepostterug  begin  verder