terug  begin  verderprepost
[p. 35]

Transcripties en facsimile's van de handschriften

Alle doorhalingen plaatsten wij tussen vierkante haken. Daar waar Willem Kloos voorlopig twijfelde tussen twee mogelijkheden is de eerste mogelijkheid tussen ronde haken geplaatst.

Het teken - vóór een versregel geeft aan dat Kloos uiteindelijk deze versregel niet heeft gebruikt.

 

De handschriften zijn op ware grootte afgebeeld met uitzondering van:

blz. 73 - ware grootte: 17 × 21.5
blz. 74 - ware grootte: 17 × 21.5
blz. 75 - ware grootte: 17 × 21.5
blz. 76 - ware grootte: 16.5 × 21.5
blz. 77 - ware grootte: 17 × 21.5
blz. 80 - ware grootte: 17 × 11
blz. 81 - ware grootte: 23 × 20
blz. 82 - ware grootte: 20.5 × 26.5
blz. 97 - ware grootte: 17 × 22.5
blz. 98 - ware grootte: 17 × 22.5
blz. 99 - ware grootte: 17 × 22.5
blz. 100 - ware grootte: 17 × 22.5
blz. 101 - ware grootte: 17 × 22.5
blz. 103 - ware grootte: 22 × 34
blz. 104 - ware grootte: 22 × 34
blz. 105 - ware grootte: 22 × 34
blz. 106 - ware grootte: 22 × 34
blz. 107 - ware grootte: 22 × 34
blz. 108 - ware grootte: 22 × 34
[p. 36]


illustratie

[p. 37]

A III [zie blz. 36]

1.Zwerftocht over de aarde.
2.Afrodite neemt hem in den hemel.
Zang van Morgen en Avond. Tracht de Moira te vatten.
3.Wordt terneêrgebliksemd. Komt in den Tartarus. eeuwen later, ziet al de menschen die verlangd hebben.
4.[Komt] Brengt het geluk in den Tartarus. wordt door Hermes teruggehaald. en die zal hem naar Hyperion brengen. over de zee naar het westen.
Hij vergaat in Hyperions gloed[en]
[p. 38]

A II [zie blz. 78]

 
Okeanos, de wondre Okeanos,
 
Hij de eerstgeborene [uit] van donkere aard
 
En hellen hemel, ouder dan [den] de nacht,
 
Maar jong als 't licht en als de scheemring schoon, -
10
De laatste Titan lag aan Othrys'helling,
 
En zag in mijmring naar de hooge zon
 
En Hyperion troonend in den gloed.
 
 
 
Want heel het hoog-opstormende geslacht
 
Der donkere Oeranionen was gevallen
15
Uitééngebliksemd door de hand van Zeus.
 
 
 
          Zijn niet zijn lokken
5
Zijn blonde lokken als de dageraad
 
Wanneer het eerste zonlicht zonder zon
 
Het eerste gele wolkje gouden zoomt
 
En o die oogen, blauwende in een glans
 
Zóo vreemd, waar 't matte paarlemoer mee speelt.

A IV [zie blz. 81]

 
Okeanos, de wondre Okeanos,
 
Hij, de eerstgeborene van donkere aard
 
En hellen hemel, ouder dan [den] de nacht
 
Maar jong als 't licht en als de scheemring schoon,
5
Met blonde lokken als de dageraad,
 
Wanneer het eerste zonlicht zonder zon
 
Het eerste gele wolkje gouden kleurt,
 
En oogen, blauwende in dien dauw en glans,
 
Zoo diep, waar 't matte paarlemoer mee speelt -
10
De laatste Titan lag aan Othrys'helling
 
En zag in mijmring naar de hooge zon
 
En Hyperion, troonend in den [glans] gloed
 
 
 
Want heel het hoog-opstormende geslacht
 
Der donkere [Titanen] Oeranionen was gevallen
15
Uitéengebliksemd door de hand van Zeus.
[p. 39]

A III [zie blz. 80]

 
Okeanos, de wondre Okeanos,
 
Hij de eerstgeborene van donkere aard
 
En hellen hemel, ouder dan de nacht
 
Maar jong als 't licht en als de scheemring schoon
5
Met blonde lokken als de dageraad
 
Wanneer [het] [in 't] het eerste zonlicht zonder zon
 
Het eerste [gele] gele wolkje [geelt met] gouden [zoom] zoomt
 
En oogen, blauwende in dien glans [van] en dauw
 
Zóo [diep] zacht, waar 't matte paarlemoer mee speelt -
 
[Okeanos de laatste Titan zat]
10
De laatste Titan lag aan Othrys' helling
 
En zag in mijmring naar de hooge zon
 
En Hyperion, troonend in den gloed.
13
Want heel het hoog-opstormende geslacht

A I [zie blz. 73]

13
Want heel het hoog-opstormende geslacht
 
Der donkre Oeranionen was gevallen
15
Uitééngebliksemd door de hand van Zeus.
[p. 40]

B I [zie blz. 83 en 85]

16
De goden zaten op hun troonen, d'een
 
Zóo ver van de ander in een halven kring
 
Als hier op aard'de [alomgeziene] steigerende toppen
19
Alomgezien, der Alpen of
 
 
-
En 't zachte lichten van hun glimlach vloeit,
-
Als heldere muziek, door al de lucht
-
En klaart de diepten van den afgrond op
-
Boven hun hoofden, waar de Chaos gaapt,
-
Wanneer zij ([even] slechts van 's bekers rand) van des bekers rand slechts even
-
't Gelaat verheffend, naar den schenker zien.
 
[Als]
19
Zooals op de aarde in 't laatste licht der zon
 
Alomgezien de steigerende toppen
20
Der Alpen zich verheffen [wijd en zijd] heinde en ver
 
 
31
En over heel den wijden ommetrek
 
Dier eindelooze hallen gloeide en hing
 
Hun innerlijkste godheid [diep en klaar] [hel en diep] diep en stil
34
Als over de aard een zonnig lenteweder.

B III [zie blz. 103]

16
De goden zaten op hun troonen, de een
 
Zóo ver van de'ander, in een halven kring,
 
Als hier op aarde, in 't laatste licht der zon,
 
Alomgezien, de steigerende toppen
20
Der Alpen zich verheffen, heinde en veer.
-
Een ieder, heerscher in zijn eigen rijk
 
En omtrek, oppermachtig en alleen,
 
Groot met een diadeem van eigen licht
 
En eigen duister, maar toch allen saam,
25
Eén volk, éen grootheid, éene heerschappij.-
 
Zóo ook de goden in hun hoogen raad.
 
En schoon de ruimte tusschen troon en troon
 
Den sterfling zou verscheemren in 't verschiet,
 
Toch kon een ieder, zonder dat hij rees,
30
Den beker reiken aan wie 't naast hem zat.
-
Want grooter zij dan eenig aardsch geslacht -
-
Maar aan het mateloos Titanenlijf,
-
Reikten zij tot den schouder nauw - weleer...
31
En over heel den wijden ommetrek
 
Dier eindelooze hallen gloeide en hing
 
Hun innerlijkste godheid, diep en stil,
34
Als over de aard een zonnig lenteweder.
[p. 41]

B I [zie blz. 84]

16
De goden zaten op hun troonen, de een
 
Zóo ver van de'ander - in een halven kring -
 
Als hier op aarde in 't laatste licht der zon
 
Alomgezien - de steigerende toppen
20
Der Alpen zich verheffen heinde en ver
 
Een ieder heerscher in zijn eigen rijk
 
En omtrek - oppermachtig en alleen,
 
Groot met een diadeem van eigen licht
 
En eigen (wolken) duister, maar toch allen saam
25
Een volk, éen grootheid, éene heerschappij.
 
Zoo ook de goden in hun hoogen raad.
-
[En schoon zóo          voor een sterflijk oog]
 
[Toch kon een ieder zonder dat hij rees]
30
[Den beker reiken aan wie 't naast hem zat]
 
 
27
En schoon de ruimte tusschen troon en troon
-
[Nauw te overzien was voor een sterflijk oog]
28
Den sterfling zou verscheemren in 't verschiet
 
Toch kon een ieder, zonder dat hij rees
30
Den beker reiken aan wie 't naast hem zat
-
[Want] grooter zij dan eenig aardsch geslacht
-
Maar [bij] aan het mateloos Titanenlijf
-
Reikten zij tot den schouder nauw-weleer.

B IV [zie blz. 109]

 
Hier volgt een brok: 't begin van het tweede boek, waarvan ik 200
 
regels afheb.
 
 
16
De goden zaten op hun troonen, de een
 
Zóo ver van de ander - in een halven kring -
 
Als hier op aarde, in 't laatste licht der zon,
 
Alomgezien, de steigerende toppen
20
Der Alpen zich verheffen, heinde en veer -
 
Een ieder heerscher in zijn eigen rijk
 
En omtrek - oppermachtig en alleen -
 
Gróot met een diadeem van éigen licht,
 
En éigen duister, maar toch állen saâm
25
Eén volk, eén grootheid, éene heerschappij -
 
Zoo ook de goden in hun hoogen raad
 
En schoon de ruimte tusschen troon en troon
 
Den sterfling zou verscheemren in 't verschiet,
 
Toch kon een ieder, zonder dat hij rees,
30
Den beker reiken aan wie 't naast hem zat.
[p. 42]

A I [zie blz. 74]

36
En staarden zwijgend naar Olympus kruin
 
En klaren dag, waar Zeus in 't licht gezeten
 
van [eigne] jonge majesteit, zijn oogen sloeg
39
De wereld door en dacht. [Want ongezien]
-
[In 't grondloos diep was Moira en haar wil]
-
[Riep aan der ruimten verste grens de teeknen]
-
[Riep aan der ruimten verste grens de tijden]
 
          (Op voor het alziend oog...]
-
[Der toekomst voor de alziende]
 
          (Haar hand
-
Schreef teeknen)
39
          Of hij de hand
 
In gloed moest heffen naar den dollen nacht
41
[Op] Heendwarlend in den schok
 
[Of]
41
          Of zorgeloos
 
Met heel het heir der lichtgeschoeide goden
 
Opwieken zou naar hooger heemlen vreê
 
Want zoeter hem éen eeuwig lichte dag
45
Door geene heuchenis van wee beschaduwd
 
Dan honderd nachten als een nevel [wijkend] scheurend
 
Voor d'enklen opslag van zijn aangezicht
 
Zoo Zeus en om zijn gouden troon weerklonk
 
[Weêrklonk]
49
Een heldre lach van open lippen dauwend
50
Van nektardroppen en den laatsten kus.

A IV [zie blz. 82]

36
En zagen zwijgend naar Olympus'kruin
 
En klaren dag, waar Zeus in 't licht gezeten
 
Van jonge majesteit zijn oogen sloeg
 
De wereld door en dacht of hij de hand
40
In gloed zou heffen naar dien dollen nacht
 
Heen dwarlend in den schok, of zorgeloos,
 
Met heel den stoet der lichtgeschoeide goden
 
Opwieken zou naar hooger heemlen vreê.
 
Want zoeter Zeus éen eeuwig-lichte dag
45
Door geene heuchenis van wee beschaduwd
 
Dan honderd nachten als een nevel scheurend
 
Voor de'enklen opslag van zijn aangezicht.
 
Zoo Zeus, en om zijn gouden troon weêrklonk
 
Een heldre lach, uit open lippen dauwend
50
Van nektardroppen en den laatste kus
[p. 43]

A I [zie blz. 76]

36
En staarden zwijgend naar Olympus' kruin
 
En klaren dag, waar Zeus in 't licht gezeten
 
Van jonge majesteit, zijn oogen sloeg
 
De wereld door en dacht: of hij de hand
40
In gloed moest heffen naar dien dollen nacht
 
[Op] Heen dwarlend in den schok, of zorgeloos
 
Met heel den rei der lichtgeschoeide goden
 
Opwieken zou naar hooger heemlen vreê
 
Want zoeter hem éen eeuwig-lichte dag
45
Door geene heuchenis van wee beschaduwd
 
Dan honderd nachten als een [nevel] sluier scheurend
 
Voor d'enklen opslag van zijn aangezicht
 
Zoo Zeus en om zijn gouden troon weerklonk
 
Een heldre lach [van] uit open lippen, dauwend
50
Van nektardroppen en den laatsten kus.
[p. 44]

A I [zie blz. 74 en 75]

51
Want in de scheemring van zijn hel gelaat
 
Las Kupris 't peinzen van zijn ziel en zoo
 
Waar [heel] nu de dartle stoet in zachte zwiering
54
Omhooggewiegeld als een zomerdroom
-
Voor 't [grimmen] grimmend          van den loggen
55
En de aarde waar [onleesbaar]          onder Kronos kroost
56
Reeds lang ver          in den doffen slaap
57
Waarin          door den alnacht wanklen

A II [zie blz. 79]

56
En de aarde, dommlend onder Kronos'druk
 
En langzaam zinkend in haar laatsten slaap,
 
Zou in der andre doode zonnen drom,
59
Nu lang reeds droomend, door den alnacht wanklen
[p. 45]

A I [zie blz. 76]

51
Want in de scheemring van zijn hel gelaat
 
Las éene 't peinzen (zijner) van zijn ziel en zoo
-
Op Aphrodite's woord en [schalkschen] schalksche wenken
53
Waar nu de dartle stoet in zachte zwiering
 
Omhooggewiegeld als een zomerdroom.
55
Ver weg voor de oogen van dat log geslacht
 
En de [aard] aarde [weer] dommlend onder Kronos druk
57
[Reeds lang bedolven in dien doffen slaap]
57
[Reeds lang verzonken in dien doffen slaap]
57
En langzaam zinkend in haar laatsten slaap
 
Zou lang reeds dolend in [dien] den andren drom
59
Der doode zonnen door den alnacht wanklen.
 
[Zou in der andre]

A IV [zie blz. 82]

51
Want in de scheemring van zijn hel gelaat
 
Las éene 't peinzen van zijn ziel en zoo
-
Op Afrodite's woord en [dartlen] schalkschen wenk
53
Waar nu de dartle stoet in zachte zwiering
 
Omhooggewiegeld als een zomerdroom
55
Vèrweg uit de oogen van dat log geslacht
 
En de aarde, dommlend onder Kronos' druk
 
En langzaam zinkend in haar laatsten slaap,
 
Zou in der andre doode zonnen drom
59
Nu lang reeds droomend door den alnacht wanklen.
[p. 46]

A I [zie blz. 73]

60
Zij stonden dreigend, dekkend
 
 
-
En de as der wereld waggelde op haar spil.
 
 
60
Zij stonden dreigend met
60
Zij stonden dreigend, dekkend Othrys' rug
61
Met dichte drommen, muur aan muur
 
En muur [op] aan muur geklemd, een zwarte klomp
64
Van zware zuilen, reikend in het ruim
65
Zóo hoog, dat Othrijs allerhoogste top
 
 
-
          dreunend in het diep
 
 
66
          maar boven allen
 
Hief wentelend het dof geloei zich op
 
Uit duizend boezems, dat [in] naar flauwer verte
69
De sterren deinsden [aan] in het hol [gewelf] heelal.

A I [zie blz. 77]

60
Zij stonden allen dekkend Othrys rug (steilte)
 
Met dichte drommen en de gansche teelt
 
Van honderd eeuwen, dreigend in den nacht
 
Min zwart: [gelijk] zooals een woud en zwarte klomp
 
Van zware zuilen, reikend [in het ruim] langs den rug
65
Zoo hoog,
[p. 47]

A I [zie blz. 77]

60
Zij stonden dreigend met de gansche vrucht
61
Van honderd eeuwen, dekkend Othrijs [rug] steilte
-
Met rij op rij [geklemd] geketend, [en] muur aan muur
-
Geklemd met ijzren band, een zwarte klomp
64
Van zware zuilen, reikend in het ruim
65
Zoo hoog, dat Othrijs allerhoogste [top] kruin
 
Ont          dook maar plotsling boven allen
 
Hief wentelend het dof geloei zich op
 
[Dat] Uit duizend boezems, dat [in] naar flauwer verte
69
De sterren deinsden in het hol heelal

A I [zie blz. 73]

70
[En de uit geheven] De uit hoog gehouden vuist geklonken [Rosse] rosse
 
Reuzenslang doorslingerde de lucht
 
Ver heen, tot waar hij [Kronos] Koios kliefde in 't hoofd
 
Dat ruggelings de god met breeden zwaai
74
[Neêr] Heenkantelde in het ijle.. slag op slag
[p. 48]

A I [zie blz. 73]

75
Een donkre rotsenregen, blok [na] bij blok
 
Vloog door de wijde lucht in logge dwarling.

A II [zie blz. 79]

75
Een donkre rotsenregen, blok bij blok,
 
Vloog door de wijde lucht, in logge dwarling
 
Neêrploffend voor zijn voet: en waar 't gebergte
 
Zijn harde hellingen in de'afgrond zond,
 
Bonsden zij op en neêr met doffen dreun,
80
Van diep in diep, tot de ongepeilde krochten,
 
Waar nooit een straal van 't godlijk licht in drong -
 
Dat de echoos eindeloos op rots en wand
 
Weerdondrend, rilden door Olympus'romp
 
Van schicht op schicht, en klimmend tot de kammen,
85
Zeus eeuw'gen zetel op zijn grondvest schokten

B I [zie blz. 112]

100
De blonde schenker-Ganymedes hij
101
Schoon
 
 
100
De blonde schenker-Ganymedes hij
 
Schoon als een dageraad en even jong
 
Hel in [het] 't zonlicht van zijn lokkenval
103
Zeus wijdgewiekte vogel,
103
          droeg telken nacht
 
Den sluimerenden knaap met krachtgen klauw
105
Van de aarde omhoog door 't [grenzenloos azuur] matelooze [tot waar]
 
Boven de sterren en het licht der maan
107
[haren] haar stoel
 
Gevest had, na der Oeraniden val
[p. 49]

A V [zie blz. 11, noot 9]

75
Een donkre rotsenregen, blok bij blok,
 
Vloog door de wijde lucht, in logge dwarling
 
Nêerploffend voor zijn voet: en waar 't gebergt'
 
Zijn harde hellingen in de'afgrond zond,
 
Bonsden zij op en nêer met doffen dreun
80
Van diep in diep, tot de ongepeilde krochten,
 
Waar nooit een straal van 't godlijk licht in drong:
 
Dat de echoos, eindeloos op rots en wand
 
Wêerdondrend, rilden door Olympus'romp,
 
Van schicht op schicht, en, klimmend tot de kammen,
85
Zeus'eeuw'gen zetel op zijn grondvest schokten.
 
 
 
Toen werd het stiller in der goden stoet,
 
Want de altijd snappende Aphrodite zweeg:
 
Zij zag zichzelf in 't goud haars bekers, bleek,
 
En borg beschaamd in de'opgeheven sluier
90
Haar nooit-bewolkt gelaat en vale trekken.
 
En als een vliet, die van de rotsen stort,
 
Zoo ging een ruischen door de rijen der
93
Lachlievende Kroniden, klaar en luid

B III [zie blz. 103]

 
En 't zachte lichten van hun glimlach vloeit,
95
Als heldere muziek, door al de lucht,
 
En klaart de diepten van den afgrond op,
 
Boven hun hoofden, waar de Chaos gaapt,
 
Wanneer zij, van des bekers rand slechts even
 
't Gelaat verheffend, naar den schenker zien
100
De blonde schenker - Ganymedes, hij!
 
Schóon als een dageraad, en even jong -
 
Hél in het zonlicht van zijn lokkenval.
103
Zeus wijdgewiekte vogel..........
103
........droeg telken nacht
 
Den sluimerenden knaap met krachtgen klauw
105
Van de aarde omhoog, door 't starrenlicht azuur,
 
Bóven de sterren en het licht der maan,
 
Tot waar de jonge godenstoet haar stoel
108
Gevest had, ná der Oeraniden val.
[p. 50]

B I [zie blz. 86 en 87]

 
Hij was een kind der menschen, opgevoed
110
Bij menschen en als menschen sterfelijk
111
[Des daags]
111
Bij vroegen uchtend ging hij uit, [en zag] [zoodra nauw] wen nauw
 
['t Opbleekend Oost] Het Oosten bleekte in de eerste schemering
 
En-
 
[Weerglansend op de vale weiden val]
 
 
111
Bij vroegen uchtend ging hij uit, [zoodra] [zoo ras] wen nauw
 
Het Oosten bleekte in de eerste schemering
 
En wen het vlottend rood des hemels straks
 
In bloedge vlokken neêrviel op de weide
115
Die valer naar het West in mist verliep,
 
[Dan dreef hij reeds met] Voerde hij reeds met vluggen tred en dreef
 
[En] Op velerhande wijzen [van] zijner fluit
 
Zijn willig volgend vee [door 't smalle dal] langs 't bochtig pad
 
Dat zachtjes hellend naar het hoogland leidde
120
En als de zon dan op het hoogste stond
 
En heel de [donkergloênde] stralendhelle middaglucht
 
Broeiende neerhing over 't stille veld
124
          [een voor een] [na] d'een
124
[Zich] Na de ander
125
          dan zocht ook hij
127
In 't koel geboomt een droomeloze rust.

B III [zie blz. 103 en 104]

 
Hij was een kind der menschen, opgevoed
110
Bij menschen, en als menschen sterfelijk...
 
..................
 
Bij vroegen uchtend ging hij uit, [wen nauw] zoo ras
 
Der bergen toppen in de scheemring grauwden -
 
En wen het vlottend rood der lucht straks viel
 
In bloedge vlokken op de vale weide,
115
Die verder naar het West in mist verliep,
 
Voerde hij reeds met vluggen tred, en dreef,
 
Op velerhande wijzen zijner fluit,
 
Zijn willig-volgend vee langs 't bochtig pad,
 
Dat zachtjes-hellend naar het hoogland leidde.
120
En als de zon dan op het hoogste stond,
 
En heel de stralend-helle middaglucht
 
Broeiende neêrhing over 't stille veld,
 
En 't wijd-uit-grazend vee zich langzaam de een
 
Na de ander had terneêrgevleid in 't gras,
125
Tot niets zich meer bewoog, dan zocht ook hij
 
Met achteloozen tred in 't naaste lommer
127
Een ongestoorde rust - en lag - en sliep.
[p. 51]

B II [zie blz. 97]

111
Bij vroegen uchtend ging hij uit, wen nauw
 
Het Oosten bleekte in de eerste schemering -
 
En wen het vlottend rood des hemels (straks) viel
 
In bloedge vlokken [neerviel] op de vale weide,
115
Die [valer] verder naar het West in mist verliep -
 
Voerde hij reeds met vluggen tred en dreef
 
Op velerhande wijzen zijner fluit
 
Zijn willig volgend vee langs 't bochtig pad,
 
Dat zachtjes-hellend naar het hoogland leidde.
120
En als de zon dan op het hoogste stond
 
En heel de stralend-helle middag(hemel)lucht
 
Broeiende neêrhing over 't stille veld
 
En [langzaam] 't wijd-uitgrazend vee zich langzaam d'een
 
Na d'ander had terneergevleid in 't gras
125
Tot niets zich meer bewoog, dan zocht ook hij
 
Met achteloozen tred in 't naaste lommer
127
Een ongestoorde rust - en lag - en sliep -
[p. 52]

B I [zie blz. 87 en 88]

128
En als [wel] soms bij geval een sluwe Faun
 
Of wilde Satyr op [dat zelfde pad] die zelfde plek
130
Geraakt [de takken] behoedzaam met de hand de takken
 
Uiteenschoof en twee vonklende oogen gluurden
 
Door 't donkergroen geblaârt dan dacht hij wel
 
Verrast door de aanblik van dat schoon gelaat
 
Dat in die scheemering als daglicht gloorde
 
          [dan dacht hij wel]
135
Een jongen God te zien, een zoon van Zeus
 
Hermes of Phoibos zelf - en [sloop] tripte verder
 
Maar sliep hij langer dan 't zijn vee geviel
 
Zijn speelgenooten in de groene wei
 
Dan kwam met zachten tred zijn lievlingslam
140
En lekte hem de handen, waar hij lag,
 
Tot hij ontwaakt met eenen [snellen] vluggen sprong
 
Zich hief en stond, en door de struiken stoof
143
In 't volle zonlicht
 
 
149
En joegen op zijn tred in dolle vaart
150
En vloden voor hem heen en kwamen weer

B III [zie blz. 104]

128
En als soms bij geval een sluwe Faun,
 
Of wilde Sater, op dat zelfde pad
130
Geraakt, behoedzaam met de hand de takken
 
Uiteenschoof, en twee vonklende oogen gluurden
 
Door 't donkergroen geblaêrt, dan dacht die wel,
 
Verrast door de'aanblik van dat schoon gelaat,
 
Dat in die schemering als daglicht gloorde,
135
Een jongen God te zien, een zoon van Zeus,
 
Hermes of Phoibos-zelf, en tripte verder.-
 
Maar sliep hij langer dan 't zijn vee geviel,
 
Zijn speelgenooten in de groene weide,
 
Dan kwam met zachten tred zijn lieflingslam
140
En lekte hem de handen, waar hij lag,
 
Tot hij ontwaakt, met éenen vluggen sprong,
 
Zich hief - en stond - en door de struiken stoof
 
In 't volle zonlicht: daar kwam alles dan,
 
Op 't luide roepen van zijn heldre stem,
145
Van heinde en verre naar den meester saam,
 
In dolleren galop of staat'gen tred.
 
Dan was het feesttij in het open veld
 
..................
149
Of [vlogen] joegen op zijn spoor in wilde vaart
150
En vloden vóor hem heen en keerden weêr
[p. 53]

B II [zie blz. 97 en 98]

128
En als soms bij geval een sluwe Faun
 
Of wilde Sater - op datzelfde pad
130
Geraakt - behoedzaam met de hand de takken
 
Uiteenschoof en twee vonklende oogen gluurden
 
Door 't donkergroen geblaêrt', dan dacht die wel
 
Verrast door de aanblik van dat schoon gelaat,
 
Dat in die schemering als daglicht gloorde,
135
Een jongen God te zien - een zoon van Zeus -
 
Hermes of Phoibos zelf - en tripte verder.
 
 
 
Maar sliep hij langer, dan 't zijn vee geviel,
 
Zijn speelgenooten in de groene wei,
 
Dan kwam met zachten tred zijn lieflingslam
140
En lekte hem de handen, waar hij lag
 
Tot hij ontwaakt, met éénen vluggen sprong
 
Zich hief en stond en door de struiken stoof
 
In 't volle zonlicht: daar kwam alles dan
 
Op 't luide roepen van zijn heldre stem
145
Van heinde en verre naar den meester saam
 
In dolleren galop of staatgen tred
 
Dan was het [feesttijd] feesttij in [de groene wei.] het open veld.
 
 
149
En joegen op zijn spoor in wilde vaart
150
Of vloden voor hem heen en keerden weêr
[p. 54]

B I [zie blz. 89 en 91]

161
Of [wel hij] blies hun allerhande liedjes voor
 
 
154
En danste [hen voor] 't eerst op 't mollige [gras] tapijt
 
Naar d'enkle? maat van eigene muziek
 
En heel het jonge volkje met hem mee
157
Vroolijke kalvren en het blonde lam
 
 
 
[Moe naast en op elkander nederzeeg]
 
 
158
Ofwel hij zat
161
Of blies hen allerhande liedjes voor
152
Op 't smalle fluitje, dat hij zelf in 't riet
153
Met vlugge hand zich sneed, zoo Pan verzon.
162
Hij zong van zomer en van zonnelicht
163
En lange dagen in het geurend gras
165
En hoe de God die door de weiden gaat
 
Wanneer het middag is en alles rust
 
En al de kudden en hun leidsman kent
168
En ook een God is voor het makke vee

B III [zie blz. 104 en 105]

151
Dan zette hij de vingers aan den mond
 
Op 't smalle fluitje, dat hij zelf in 't riet
 
Met vlugge hand zich sneed, zoo Pan verzon.
 
En danste voor op 't mollige tapijt,
155
Naar de effen maat van eigene muziek,
 
En heel het jonge volkje met hem meê,
 
Vroolijke kalvren en het blonde lam.
 
Of wel hij zette zich in de onbewogen
 
En breede schaduw van een eenzame'eik -
161
En blies hun allerhande liedjes voor,
162
En zong daarbij van blijden zomertijd
 
............
163
En lange dagen in het geurend gras.
165
En hoe de God, die door de weiden gaat,
 
Wanneer het middag is en alles rust,
 
Een iedre kudde met haar leidsman kent,
168
En ook een God is voor het makke vee.
[p. 55]

B II [zie blz. 98]

161
Dan blies hij allerhande liedjes hen
152
Op 't smalle fluitje, dat hij zelf in 't riet
 
Met vlugge hand zich sneed, zoo Pan verzon
 
En danste voor op 't mollige tapijt
155
Naar de enkle maat van eigene muziek
 
En heel het jonge volkje met hem mee
 
Vroolijke kalvren en het blonde lam
 
Of wel hij zette zich in de onbewogen
 
[In de] En effen schaduw van een eenzame'eik
160
Maar alles daar om heen was zonnelicht
162
en zong daarbij van blijden zomertijd
163
En lange dagen in het geurend gras
165
En hoe de God, die door de weiden gaat,
 
Wanneer het middag is en alles rust,
 
Een iedre kudde met haar leidsman kent
168
En ook een God is voor het makke vee.
[p. 56]

B I [zie blz. 91 en 90 ]

175
Maar de oude koeien, [die het wuft vermaak] die de wufte zin
 
[Van] Voor wilde sprongen en onnut gehol
 
Reeds lang verging voor 't zuivere genot
 
Van 't kalm en lang herkauwen in de zon
 
 
180
En lagen luistrend om hem heen, heel stil
 
En wie het naaste lag, die legde soms
 
Zijn grooten, trouwen kop dan op zijn knie
183
En keek- [en sliep bij 't zoet dier tonen in] met halfgeloken oog - en sliep [in]
183
[En sliep daar] bij die zoete tonen zachtjes in
184
Zoo, zachtjes,
185
Zoo liepen de uren tot het groote licht
186
Met zachten          op de kim gevallen
188
Den [rijzenden] rijzende avond, die van de andere zijde
 
Van 't ruim heelal,
190
Met donkergloeiend aanzicht tegenzag
 
 
185
Zoo liepen de uren tot het groote licht
186
Met zachte (zwiering) zoeving op [het] de kim gevallen
188
[Den rijzende avond]
188
Een oogenblik den rijzende avond [stond] [die] stond
188
Haar wijde waden als doorzichtig rag
189
Al ver en verder voor zich uit ging breiden
190
Met donkergloeiend aanzicht tegenzag.
 
 
188
Den rijzende avond in haar wijde wade
189
En raggen sluier, die zij voor zich breidde

B II [zie blz. 98 en 99]

175
Maar de oude koeien, wie de wufte zin
 
Voor wilde sprongen en onnut [gehol] geloop
 
Reeds lang verging voor 't zuivere genot
 
Van 't kalm en lang herkauwen in de zon
 
Zij stonden met aandachtig oor, van ver
180
Of lagen luistrend om hem heen, heel stil
 
En wie het naaste lag, die legde soms
 
Zijn grooten, trouwen kop op 's zangers knie
 
En keek .. met halfgeloken oog .. en sliep
 
Zoo, zachtjes bij die zoete tonen in.
 
 
185
Zoo liepen de uren tot het groote licht
 
Met zachte zwiering vallend op de kim
 
Als roerloos poosde en éenen oogenblik
 
De rijzende avond in haar wijde wade
 
En raggen sluier, die zij voor zich breidde
190
Met donkergloeiend aanzicht tegenzag.
[p. 57]

B I [zie blz. 91]

185
Zoo liepen de uren tot het groote licht
 
Met zachte zwiering vallend op de kim
 
Als roerloos poosde en éenen oogenblik
 
De rijzende avond in haar wijde wade
 
En raggen sluier, die zij voor zich breidde
190
Met donkergloeiend aanzicht tegenzag

B III [zie blz. 105]

175
Maar de oude koeien, wien de wufte zin
 
Voor wilde sprongen en onnut gehol
 
Reeds lang verging voor 't zuivere genot
 
Van 't kalm en lang herkauwen in de zon -
 
Zij stonden met aandachtig [oor] van ver,
180
Of lagen luistrend om hem heen, heel stil:
 
En wie het naaste lag, die legde soms
 
Zijn grooten trouwen kop dan op zijn knie,
 
En keek ... met halfgeloken oog ... en sliep
 
Zoo, zachtjes, bij die zoete tonen in.
 
 
185
Zoo liepen de uren, tot het groote licht,
 
Met zachte zwiering vallend op de kim,
 
Als roerloos poosde, en éenen oogenblik
 
De rijzende avond in haar wijde wade
 
En raggen sluier, die zij voor zich breidde,
190
Met donkergloeiend aanzicht tegen zag.
[p. 58]

B I [zie blz. 88 en 92]

200
Dus leefde hij gelukkig bij zijn vee
201
En was als onder kinderen een kind
 
 
 
          [de bloeiende aard]
 
[In groenen bruidsdos dansend op de maat]
 
[Van eigen vroolijkheid]
206
          de aarde dansend
 
Door 't zonnig luchtruim op de blijde maat
 
Van eigen [jonge vroolijkheid] 't eigen vroolijk harte en overal
209
Op bergen en in dalen was [het] er licht
 
 
193
Het veruit glooiende geheuvelte af
-
En over alles was de blauwe lucht

B III [zie blz. 105 en 106]

191
Dán liep hij reeds met lichte stappen aan
 
Achter zijn zachtjes dravend vee, en dreef
 
Ze 't vér uit glooiende af,
 
Recht op het Westen en dien wijden gloed;
195
En zag die schoft'ge flanken in hun zwaai
 
En logge schommling, en de halve maan
 
Der hoorns zich teekenend met scherpen trek,
 
Tegen dien verren achtergrond van goud,
199
Als donkre schimmen in een zee van licht.
 
 
-
........ viel hij in de rust,
-
En sliep door de uren tot het ochtendkrieken.
200
Zoo sleet hij zijne dagen bij het vee,
 
En was, als onder kinderen, een kind.
 
 
 
En zoo zag Zeus hem ......
 
 
 
De vader aller goden zat alleen
 
Omhoog op zijnen troon en wierp zijn blikken,
205
Zijn lustelooze blikken door 't heelal
 
............
 
............
206
          de aarde dansend,
 
Door 't zonnig luchtruim, op de blijde maat
 
Van 't eigen vroolijk harte, en overal
209
Op bergen en in dalen was er licht.
[p. 59]

B II [zie blz. 99]

191
Dan liep hij reeds met lichte stappen aan
 
Achter zijn zachtjes dravend vee en dreef
 
Ze recht op 't Westen en dien wijden gloed
195
En zag die schoftge flanken in hun zwaai
 
[Die schoftge flanken] En logge schommling en de halve maan
 
Der [hoornen] hoorns zich teekenend met scherpen trek,
 
Tegen dien verren achtergrond van goud
199
Als donkre schimmen in een zee van licht.
 
 
-
          viel hij in de rust
-
En sliep door de uren tot het ochtendkrieken
200
Zoo sleet hij zijne dagen bij het vee
 
En was, als onder kinderen, een kind
 
 
 
En zoo zag Zeus hem op een heldren dag
 
[Hij zat omhoog op zijnen troon] De vader aller goden zat alleen
 
Omhoog op zijnen troon en wierp zijn blikken
205
Zijn lustelooze blikken door 't heelal
 
[Waar alles (onleesbaar) ging en toen neêr op de aard]
[p. 60]

B I [zie blz.