Het zij ons allereerst vergund de schoone Julia zelve op dit tooneel onzer vermakingen binnen te leiden. Of liever, wij zullen, nu het spel uit is, en de toeschouwers tranen met tuiten hebben geschreid, de gewaande tragédienne met een duw in den rug op den voorgrond doen smakken, opdat ieder zien kunne, hoe dat hoopje hout en kleurige vodden, dat daar stokstijf liggen blijft, geen levende, voelende mensch, maar slechts een doode, glasoogige marionet geweest is.
Eerst een Voorzang, een dansje van vijfmaal dertien passen, waar wij met kunstige ineenvlechting van rijmen de ge-
wone argumenten hebben samengebonden, die vroeger tegen Jacques Perk en, toen diens dood de gemoederen had omgestemd, werden aangevoerd tegen ons. Die regelen hebben dan ook eenige recensenten, die iets tegen ons schijnen te hebben, Fiore della Neve, Holda, en die ouwe brommer, Piet Brrrr...1) met gretig welbehagen aangehaald en beäamd. Zij wisten niet, dat zij ons met wezenlooze schaduwen naar het hoofd wierpen!
Ach! hadden zij 't slechts geweten, dan hadden zij 't nooit gedaan!
En nu de intrige. Zij herinnert soms in haar wendingen en in enkele stukjes tusschenbeiden aan de berijmde verhalen van den heer M.G.L. van Lochem, doch overigens is ‘Julia’ volstrekt niet als een parodie op ‘Een Liefde in het Zuiden’ bedoeld. Wij hebben slechts, evenals genoemde heer, een dwaas verhaal in dwaze verzen willen geven, opdat de critici het zouden bewonderen. Vandaar dat de verzen van ‘Julia’ veelal even slecht, dikwijls buitensporiger belachelijk maar van tijd tot tijd beter gestyleerd zijn dan die van Rosaura's poëtaster. Dit laatste nu kunnen wij heusch niet helpen: als men veroordeeld is, om achtienhonderd malle regels te schrijven, ontsnapt je wel eens, tegen wil en dank, een redelijke.
Het publiek weet niet hoeveel plezier wij aan onze Julia beleefd hebben. En hoe een grappige vertooning de heeren en dames der Hollandsche critiek voor ons hebben gemaakt. Het was of wij een klein privé-kermisje vierden in de letteren, met clowns, goochelaars, gedresseerde hondjes en een circus, alleen voor ons tweeën en introducees.
Wij lachten en werden meêlijdend bij beurte, omdat die brave critici net een verzameling gevangen muizen leken, die in hun val een liefhebberij-tooneel hadden opgericht, als tijdverdrijf, totdat ze er uit gehaald werden en voor de poes zouden zijn.
Belachelijker kan het ook niet, dan dat iemand, dien ge bezig zijt op de ergste manier beet te nemen, voortdurend buigingen voor u maakt en glimlacht en zegt dat ge zoo maar moet doorgaan.
Zoo bijvoorbeeld Fiore. Een onzer schreef aan zijn medewerker: ‘Ziehier de concept-intrige - Fiore is aan 't wandelen op Sicilië en ziet Julia aankomen in een landauer. Julia ziet er natuurlijk uit als een Juno of als een Venus.’ En denzelfden dag vermaakte hij zich met het rijmen van de volgende verzen (Julia i.)
Nu, nauwlijks komt die Juno-Julia van de pers of daar staat Fiore in het Weekblad en is innemend en gevleid en maakt buigingen.... O, hij was zoo vermakelijk!
Straks zullen wij hem nog wel even roepen om te laten zien hóe vermakelijk hij was; nu zullen wij eerst vertellen wat er al zoo te lezen is in Guido's Julia.
In den bovengenoemden brief staat iets verder: ‘Paarden slaan aan 't hollen. Julia valt uit den landauer en de dichter “redt” haar.’
De poëtische paraphrase van dien prozaïschen eenvoud luidt aldus:
Men zal ons toegeven dat de paarden der Romantiek hier door het geboomte van den valschen pathos springen en er lachjes van onnoozelheid zweven langs een gelaat van ónnatuur. No. ii begint:
Zoo donzig teer - of enz. Ah, juist, heel duidelijk. En Raphaël is bezig met het repareeren van ontdane meisjeswangen. Uitstekend! Loop maar door, lezer. Nummer iii is even natuurlijk:
Ja, het schieten van zoo'n ster is duidelijk hoorbaar. Het klinkt net als ‘Julia’. Vooruit maar. Nos. iv-x zijn minneliedjes, o.a.
Ze hadden 't al lang geweten: N.B.!
Iets verder leest ge van een paar - stellig heel lange - boomen:
Ja, maar starren zijn geen critici! Die kunt ge verwarren met alles wat rijmt en dwaas is: b.v. met xi en xii twee lofzangen op Sicilië. Vooral de tweede daarvan werd er op gemaakt, om, met zoo veel mogelijk woorden, niets te zeggen. Rijmen en klinkende antithesen hebben we als blinkende sluiers heen gegooid over hoopen rhetorische banaliteit en ongerijmdheid. En daar zegt Holda van, in den Spectator, dat hij ‘vol gloed’ is, die lofzang. Andere recensenten hebben er alleen de aanmerking op gemaakt, dat sommige lettergrepen als in ‘oorelogen’ op een ongëoorloofde manier waren veranderd.
Dank u wel, Holda! ‘Vol gloed’, welzoo! Dank u wel, andere recensenten! ‘oorelogen’ ongeoorloofd, wel zeker! Gij zijt knappe recensenten, hoor. En wij zijn knappe dichters, is 't niet? Tot straks, hoor.
Met xiii begint er iets te gebeuren in ons verhaal.
Guido wandelt: het is een warme morgen.
De stervelingen, die er in hun kwaliteit van critici aan te pas kwamen, hebben dien slaapdrank zonder tegenspartelen ingenomen. Intusschen is het eigendomsrecht van ‘Natuur’ niet onbetwistbaar; Fiore noemde reeds den Zephyr als
Maar voor den goeden Guido was dien dag niet alles rozen- en jasmijngeur:
Hij hangt aan zijn geloof, dat is het! Als we gezegd hadden, dat hij aan een kapstok hing, zouden de critici gehangen hebben aan het geloof, dat Julia's vader aan een kapstok hing. Nu hangen ze aan het geloof, dat Julia's vader aan zijn geloof hangt. Hangen moesten ze toch.
Ja, wat zal Guido doen? Wel, natuurlijk slechte verzen schrijven over zijn godsdienst, over zijn ziel en over zijn tweestrijd, en dan een brief krijgen van - hoe heet ze ook weer? - van Julia, en dan, dan het besluit nemen Roomsch te worden. Waar of niet, lezer?
En o, o dat heeft die Guido zoo goed gedaan: In xvi klaagt hij dat myrte, oranjebloesem, rozen en lauweren niet voor hèm groeien - (nu, lauweren! één krans van den Tijdspiegel, één van Nederland, twee van den Spectator, één - maar dat komt straks wel). En hij eindigt al zuchtende:
Maar Guido, beste jongen, pluk ze maar! Gerust, toe: ze staan daar toch zoo óm je.
Stil, lezer, Guido niet plagen:
Hè? -
Neen, lezer, waarachtig, hij zegt het er maar om. Hij weet niet goed meer wat hij zegt: hij hééft zoo lang niet staan kijken. Het kan ook wel zijn, dat hij het zegt om de Hollandsche critici te vangen; die happen altijd naar nonsens.
Ziet ge wel, lezer? 't is nét een vers om apen meê te vangen. Die het maakte, schreef er van, in een brief aan zijn collaborateur: ‘Als dit niet door 99/100 van het letterkundige Nederland voor poëzie wordt gehouden, heet ik geen Willem Kloos.’
En de apen zijn gevangen: Fiore houdt het voor zich uit in de Amsterdammer, hij citeert het heelemaal en zegt dat het ‘iets geacheveerds’ heeft.
En Holda lispelt: ‘“Klachte” is wederom een fraai stukje.’
Als Guido Roomsch is, declameert hij een Hymne op de Moederkerk (xviii). Dit gedicht is èn als compositie èn als verzameling van verkeerde beeldspraak èn als uitdrukking van gedachten onuitsprekelijk zot. Er zijn strofen in, de tweede der hieronder geciteerde b.v., waarin - en dat met opzet - iets volstrekt onbegrijpelijks is gezegd. Men leze:
Niet één der Hollandsche critici is verstandig genoeg geweest om te zien, dat dit abracadabra is. Niet één.
Als nu Guido Roomsch is, en getrouwd met Julia, of het dán uit is, ons verhaal? Neen, lezer, neen, waarachtig niet! Wij hebben de kliek uwer recensenten nu ook achter elkander ál de onmogelijkheden laten mooi-vinden, ál de onnoozelheden laten prijzen en recenseeren, die een Hollandsch recensent uit kracht van zijn onbevoegdheid prijzen en mooi-vinden moet.
Wij hadden bewijzen noodig, weet ge? bewijzen voor onze onveranderlijke sluitreden: dat de hollandsche literaire critiek van tegenwoordig onbevoegd is tot oordeelen over literatuur.
Wij moesten dien lieden zooveel domheden ontlokken, dat
zij niet eens meer konden zeggen, met een bleek, verlegen lachje: ‘Vergissen is menschelijk, niet waar?’ Wij moesten hen zoo vol dwaasheid laten blijken, dat ieder hun als ze dát zeiden zou antwoorden: ‘Neen, zóó vergist zich geen verstandig mensch, meneer!’
Nu, wij kunnen tevreden zijn, wij.
Wij hebben den Etna laten uitbarsten op den avond van den trouwdag, boven de hoofden onzer roman-menschen.
Wij hebben Guido met Julia in zijn armen en de lava aan zijn hielen laten springen over rotskloven.
Wij hebben Julia tweemaal gered van levensgevaarlijkheden en haar toen laten sterven van niets.
Wij hebben van Guido de banaalste incarnatie der banaalste gedachte geschapen; een wanhopig jong weduwnaar, die geen echtgenoot geweest is, en genezen wordt door de kunst, zonder dat iemand weet hoe.
Wij hebben Beets geprezen in termen, waarin geen waarachtig dichter geprezen worden wíl.
En daar hebben geen geeselslagen geknetterd over onze schouders. Daar zijn geen vlammen van toorn om ons opgeslagen, geen roepen van ‘schaamt u!’ om de makers van zooveel malle vertooning en platte banaliteit.
Wij, wij klagen Julia aan. Julia, het oudvuil uit ons dichterlijk huishouden, den afval onzer letterkundige keuken, dien we hebben voorgeworpen tot voedsel aan de zwijnen onzer literatuur. Julia, de prostituée-amoureuse van zesde-rangs-romantici, die wij nog eens hebben opgeschikt en mooigemaakt naar den smaak onzer zesde-rangs-literatoren. Julia, de tooneeljapon, die we gevuld hebben met een ziel van watten; de pruik en de glazen oogen en het jurkje met een hart van mechaniek; de jongejuffrouw met dwepende oogen en gepomadeerde haren, die wij zelve zoo netjes gekamd hebben, schoon wij vies werden van de besogne.
Als wij klaar zijn moet de rommel maar worden opgeveegd op een stof blik.
Maar, wij zijn nog niet klaar.
Wij hebben pas enkele staaltjes gegeven van onze verzen: wij zullen er nog een paar opschrijven.
Maar vooraf wilden wij wel, dat onze lezers zich doordrongen van wat wij te voren zeiden: wij hebben die verzen gemaakt met de bedoeling onzin te schrijven. Wij hebben, zonder iets er voor te voelen dan lachlust, gemeenplaatsen en slechte beeldspraak vereenigd, op rijm. Wij hebben onszelven beloofd, dat men later zulk soort verzen ‘Julia-poëzie’ zou noemen.
Drie voorname stukken in den bundel zijn: Bruidsstonde, De Etna en Laatste Strijd. Die drie zijn geprezen door de critici. Wij stellen ons voor van elk dier drie een gedeelte te behandelen.
I. Uit ‘Bruidsstonde:’
Ja, er staat: levend. Dat moet een benauwd moment zijn geweest voor die geleide-gevende gasten. De straat wou waarschijnlijk niet voor hen onderdoen in bereidheid ‘tot den tempelgang.’
Dat Julia gaat trouwen?
Maar foei, foei lezer! Zulke geruchten verspreidt men niet in de buurt van een Siciliaansch-romantische verzen-Julia. Verbeeld u, dat een van Julia's bedienden bij haar kapper kwam en zei: Heb je 't al gehoord, juffrouw Julia gaat trouwen! Of verbeeld het u liever niet. In de buurt van Julia verspreidde zich het gerucht:
Zóó zegt men dat. En dat dit duidelijk verstaanbaar was, blijkt uit de volgende regels:
Ziet ge, hoe duidelijk dat gerucht moet geweest zijn? Er kwamen nu menschen, die men anders nooit zag, nooit. En oude vrouwtjes, die stellig niet zouden gekomen zijn, als er niet iets van Julia's ‘maagd'lijkheid’ in het gerucht gestaan had. Guido blijkt de belangstelling te waardeeren. Hij zegt: O zalig!
Leve Julia! vermoedelijk.
Dat is duidelijk. Iemand, die een minzaam handgebaar maakt en zacht lacht, kan niet anders dan een onverdorven aard hebben. Men ziet dat aan alle vorsten en hooge personen, als ze in 't publiek zijn. -
Die rijen zijn de oude vrouwtjes en menschen, die men nimmer zag. Terwijl zij ‘Leve Julia!’ riepen, bogen zij hoflijk. Dat laat zich denken.
Hier mag de lezer zelf wat bij zeggen. Hij begint misschien al te begrijpen, dat Julia een mechaniek heeft, die zeer eenvoudig uit elkaar kan worden genomen.
II. Uit ‘De Etna.’
Zeer treffend. Maar de weide moet oppassen voor die hand.
Die avondstar is een schalk; maar Guido eigenlijk ook. En als hij vraagt:
dan hopen wij voor Julia's ‘maagdlijk hart,’ dat ze niet weet, wat hij met die vraag bedoelt. Ook wat er verder volgt, zijn praatjes, die Guido niet zoo hardop zeggen moest.
Met al haar schepslen, dat schijnt zoo: Guido betuigt zijn adhaesie:
Guido's nauwkeurigheid van tijdsbepaling is niet geschikt om Julia in staat te stellen van blos te verminderen.
Hij gaat voort:
Die ondeugende gasten! foei! foei!
Wij stellen voor, een Hollandsch criticus in dien toren te stationneeren, om het oog te houden op toekomstige Julia's. Ons begint de Etna al te vervelen.
Wij meenen met dit gedicht te hebben bewezen, dat men de Hollandsche critici de grofste obsceniteiten kan laten aanbevelen, wanneer men die maar schrijft in woorden, waarvan de zin eerst na wat inspanning te vatten is en waarvan de klinkklank impressie op hen maakt.
III. Uit: ‘Laatste strijd.’
Hiervan willen wij drie fragmenten geven:
Zeg op, lezer, kón het banaler?
Zeg op lezer! kón het viezer?
Naar die Nacht met haar fulpen gewaad behoeft ge niet langer te kijken.. dat is een theater-nacht.
Dien Zephyr met geur aan zijn wieken zoudt ge wel doen niet aan te raken; dat is een foei-vies jongetje dat met ongekamde haren in een pomade-pot heeft gewoeld. En die Muze - enfin, die zal wel voor zichzelve spreken met haar sprakeloozen mond.
Maar indien gij ons volgen wilt zullen wij u onze gevangenen, de Hollandsche critici voorvoeren, en wij zullen hen een spelletje laten spelen dat zeer, zéér vermakelijk zal zijn. -