|
|
|
| |
| | | |
Karaibische Verhalen
Peter Kloos
*
| |
Inleiding
Karaiben is de betiteling van de grootste van de vijf Indianenvolken in
Suriname. Zijzelf noemen zich kali'na, hetgeen ‘mensen’
betekent. Zij onderscheiden zich van de andere Indianen in Suriname
(Arowakken, Trio, Wayana en Akurito) door hun taal.
Karaibisch is geen geschreven taal, zodat het strikt genomen moeilijk is van
Karaibische literatuur te spreken. De Karaiben hebben echter een rijke schat
aan verhalen die mondeling van generatie op generatie zijn overgedragen.
Deze verhalen worden, ondanks eeuwen contakt en tal van veranderingen in
samenleving en cultuur, tot vandaag de dag verteld. Soms worden verhalen
verteld tijdens feesten, vaker nog door een grootvader of grootmoeder in de
huiselijke kring. Wat hebben die verhalen voor betekenis? Waar gaan ze over?
Wat zeggen ze ons over de Karaiben?
| |
De Karaiben
De Karaiben zijn van oudsher landbouwers, jagers, vissers, verzamelaars en
handelaren. Hun landbouw is de zgn. ‘shifting cultivation’. Dit is een
landbouwstelsel waarbij periodiek een stuk bos wordt gekapt en afgebrand. De
open ruimte wordt beplant (voornamelijk kassave, maar ook banaan, suikerriet
en vele andere gewassen). Na herbeplanting, aansluitend op de eerste oogst,
wordt de tuin langzamerhand verlaten. Inmiddels heeft de eigenaar een nieuwe
tuin aangelegd. Het verlaten van een tuin heeft weinig te maken met
uitputting van de bodem maar veel meer met opdringend onkruid. Shifting
cultivation is eeen zeer efficiente vorm van landbouw.
In het voedselpakket van de bewoners van de riviermonden (en daar wonen de
meeste Karaiben) heeft jacht vanouds een geringere betekenis gehad dan de
visserij: tropisch oerwoud is dunbevolkt met dieren, er is in het water van
rivier en zee daarentegen een overvloed aan vis. De Karaiben visten en
vissen met hun boten op open zee en in de riviermonding. Zij vissen voorts
in de kleine kreken en in de zwampen. Tegenwoordig overheerst visserij met
netten. Vroeger werd veel gevist met pijl en boog, met visvergif en met
visvallen en visschermen waarmee kreken werden afgesloten.
Kwalitatief is in het voedselpakket van veel betekenis een menigte vruchten
die in het wild groeien. Handel vond vóór ca. 1500 plaats tussen
Indianengroepen onderling. Vanaf het moment dat er Europese nederzettingen
in Suriname waren is de handel vooral daarop geconcentreerd geraakt.
| |
Karaibische verhalen
Zoals in alle samenlevingen is er een nauwe relatie tussen de inhoud van
verhalen en de kenmerken van de samenleving. In sommige opzichten biedt de
verhalenschat een afspiegeling van de levensomstandigheden van een volk.
Verhalen zijn echter veel meer dan alleen maar spiegels. Veel verhalen geven
een vertaling van alledaagse gebeurtenissen in symbolische termen. Verder
vinden er in verhalen dingen plaats die in het dagelijks leven niet
voorkomen of er zelfs mee in strijd zijn. In die laatste gevallen zijn
verhalen helemaal geen beschrijvingen van het dagelijks leven, zelfs niet in
symbolisch gewaad. Het zijn gedramatiseerde verbale expressies van de zorgen
en de spanningen die in mensen, levend in een specifieke fysische en sociale
context, worden gewekt. Zij trachten die te verwerken door ze bespreekbaar
te maken, vaak door gebruik te maken van symbolen. Door in een spelsituatie
de rollen om te draaien, kunnen problemen dragelijk worden gemaakt zonder
dat de feitelijke (machts)-verhoudingen veranderen.
In de meeste gevallen is elk verhaal een combinatie van directe afspiegeling,
symbolische transformatie en omkering. Aan de hand van een tweetal
voorbeelden zal ik die gedachtegang illustreren. Het eerste voorbeeld sluit
aan op de traditionele samenleving, het tweede op de huidige situatie waarin
de Karaiben zich geīncorporeerd voelen in de Surinaamse samenleving maar
daarin toch met een marginale plaats genoegen moeten nemen.
| |
Ombadapo: het gezicht
‘...ombadapo tolilī ... ombadapo ga'u nan ... tīpalimī ne .. mohko nopokombo
waitobombo man ... inolombo, mohko ipalimī wa masiwa tīye tīwaiye amin
ipolilī da, amin itupo da, itupo daka. Ilombo, okabīn mohko nopoko, mohko
i'me notī wītopombo man molo masiwa îkalīka, talīka ....’
‘...het verhaal van het gezicht ... het gezicht, is het niet? .. de oude
vrouw had een schoonzoon.
Die schoonzoon had een visval (masiwa) in een kreek gezet,
in een poel. Daarop ging die oude vrouw, zijn schoonmoeder, telkens de
visval leeghalen, zij haalde hem leeg. Vaak ging haar schoonzoon kijken. De
kreek heeft alweer geen vis, zijn visval. Vervolgens gaat hij er op een dag
heen, hij gaat haar opwachten. Hij ziet haar. Ja, zijn schoonmoeder heeft de
visval leeggehald, zij heeft het gedaan. Het is goed, zegt hij, ik zal je
krijgen. Daarom spreekt haar schoonzoon met de Grootvadersgeest van de
Anjoemara (een grote zoetwatervis), opdat zij door hem opgegeten worde. De
oude vrouw had huisdieren, enkele vogels. Zij heetten Koweyupa. Zij waren
genaamd Koweyupa, haar huisdieren, het waren er veel. Ze had ze naar de peel
gebracht om te eten. De oude vrouw is erheen gegaan. Zij weet niet wat er in
de visval is geplaatst (n.l. een geest). De oude vrouw gaat er weer heen om
haar huisdieren voedsel te verschaffen, ze gaat 's morgens vroeg al. Ooooh,
ze is opgegeten door de grootvader van de Anjoemara, de watergeest, ze is
onthoofd. Alleen het hoofd dat van haar was is op die plaats achtergelaten
door iemand. Vervolgens gaat haar schoonzoon, het is al middag. Hé, daar
ziet hij het voormalige hoofd van de oude vrouw, alleeen haar hoofd. Ze
kijkt met grote ogen. Het is aan wal gekomen, op de oever van de poel.
Alleen haar voormalige huisdieren zit- | | | | ten in de mand - de
vogels weten niet waar hun bazin is heengegaan. Op dat moment is haar hoofd
daar, het kijkt met grote ogen. Alleen het hoofd dat aan haar toebehoorde is
door iemand achtergelaten. Toen bleef ze daar heel lang. Er komt geen mens
kijken. Haar dochter is erheen gegaan. Ginds heeft de watergeest je moeder
opgegeten, zegt haar schoonzoon. Alleen haar hoofd is er nog. Haar dochter
gaat kijken. Oooh, daar is het hoofd dat van haar moeder was, maar haar
hoofd is niet dood, het leeft. Het kijkt met grote ogen. Het bleef een
tijdlang op die plaats. Ze halen haar niet weg. Haar voormalige huisdieren
blijven daar op de oever van de poel op de mand die van haar was zitten. Zo
blijft het een tijdlang. Drie dagen lang denkt het hoofd na, maar het is
niet dood. Het lichaam dat erbij hoorde is al lang geleden opgegeten door de
watergeest. Toen dacht ze misschien - maar hoe ze weten waaraan ze dacht is
niet bekend - wat zal ik zijn? hoe zal ik zijn? (wat moet er van mij
worden). Maar dat hoofd is aan de hemel gaan staan. Zo had ze gezegd, in
gedachten. Nee, zei ze, het ware beter als ik een sterrebeeld, weyu yumī,
was. Laat ik naar boven gaan, ook al zullen ae mensen “het gezicht” tegen me
zeggen, zei ze. “Het ouwe hoofd” zullen ze zeggen. Daarom, zegt men, als
weyu yumï aan de hemel komt, als men “Het ouwe hoofd” zegt, wordt ze heel
erg verlegen. Zij hoort het, want dat mens is niet gestorven. Ze is
weggegaan, vanuit die plaats is zij gevlogen, zoals een ding dat kan
vliegen, naar de hemel. Naar ginds is zij gegaan, naar gods ding (i.e. de
hemel). Zij heeft het echt gedaan, om een teken van de droge tijd te zijn
vanaf dat ogenblik. Kijk maar, deze hitte komt, haar komst maakt het warm,
zij geeft hitte. Dan pas is ze te zien. Zo is het, het oude hoofd, het
gezicht. Het is echt gebeurd. Ulayumaka noemen ze haar, Ulayumaka is haar
echte naam. Aan weerszijde heeft ze een oorhanger, net als een levend mens.
Als het oude hoofd is het, zó ziet het eruit’.
| |
Socioculturele achtergrond
Het element van directe afspiegeling is in dit verhaal aanwezig in de vorm
van de summiere beschrijving van een man die een visscherm (masiwa) plaatst
in een kreek. Een masiwa is een scherm van palmblad met één laag punt:
proberen vissen daar overheen te springen, dan belanden zij in een mand en
zijn gevangen. De betrokken man heeft een veeleisende schoonmoeder die hem
het leven zuur maakt door zijn vis te stelen, waardoor hij telkens met lege
handen thuiskomt. Dit is een aantasting van zijn gevoel van eigenwaarde.
Het element van symbolische verhalen van een gebeurtenis ligt meer
verscholen. Het verhaal is tevens een weergave van een cosmisch gebeuren,
n.l. van de wisseling van seizoenen. Wanneer de ster weyu yumï, ofwel
ulayumaka, aan de hemel verschijnt is de droge tijd gearriveerd. Het is de
tijd van de visvangst in de moerassen. De droge tijd bedreigt de vissen die
in droogvallende poelen opgesloten raken en gemakkelijk gevangen kunnen
worden. Ulayumaka neemt wraak op de anjoemara die haar lichaam heeft
opgegeten, heet het in een andere versie van het verhaal.
Het element van verbale expressie van spanningen en zorgen in de samenleving
eist meer toelichting. In het verhaal van Ombadapo komen drie mensen voor,
in een heel specifiek patroon van relaties: een man, zijn schoonmoeder en
zijn vrouw. Anders gezegd: een moeder met haar docht-

Tekening van het sterrebeeld Ulayumaka, gemaakt door Maliyumī
Galibi 1967, is de binnenzijde van aardewerk kommen waaruit de
alcoholische kassavedrank wordt gedronken.
er, en een man als schoonzoon resp. echtgenoot. In deze kleine
groep liggen spanningen besloten (de veeleisende hebberige schoonmoeder, de
wraakzoekende schoonzoon). Aan het slot van het van het verhaal valt de
groep uiteen: de oude vrouw verandert in een sterrebeeld, de dochter en haar
echtgenoot blijven achter.
Wanneer men een overzicht samenstelt van Karaibische verhalen dan blijkt dat
ongeveer één derde ervan op dit punt sterke overeenkomsten vertoont met het
verhaal van Ombadapo. Het gaat steeds om een echtpaar en de ouders van de
vrouw (soms slechts één van haar ouders). Soms heeft
die vrouw zusters, soms broers, maar de man is altijd alleen. En in de loop
van al die verhalen wordt - vanuit de vrouw bezien - één relatie verbroken.
Soms is dat de huwelijksrelatie, soms de relatie met haar ouders of broers.
En deze verbreking neemt meestal dramatische vormen aan, zoals in Ombadapo,
door gedaanteverandering van één van de betrokkenen. Dit kenmerk van de
verhalen heeft directe wortels in de Karaibische dorpssamenleving, zonder
daar een eenvoudige afspiegeling van te zijn.
| |
Sociale structuur
Wanneer men een luchtfoto van een Karaibendorp bekijkt dan ziet men dat zo'n
dorp is samengesteld uit verschillende huizengroepjes. Bij dorpen aan een
grote rivier liggen deze groepjes op een rijtje langs de oever, gescheiden
door wat bos, een tuin, e.d. Die groepen hebben een heel specifieke
samenstelling: ze bestaan veelal uit het huis van een wat ouder echtpaar en
de huizen van hun getrouwde dochters. Getrouwde zoons wonen er doorgaans
niet, die wonen bij de ouders van hun vrouwen. De kern van zo'n locale
verwantschapsgroep bestaat uit een moeder en haar dochters. Alle mannen -
behalve de nog ongetrouwde zoons - zijn ingetrouwd. Deze constellatie is
direct terug te voeren op arbeidsverhoudingen in de Karaibische samenleving
en op technologie. De technologie waarvan vrouwen gebruik maken | | | | (vooral bij de verwerking van kassave) geeft gerede
aanleiding tot samenwerken en verdelen van arbeid. Het meest voor de hand
liggende is daarbij samenwerking tussen moeder en opgroeiende dochter(s).
Mannen werken wel vaak samen, maar kennen vrijwel geen arbeidsverdeling. Dit
verschil heeft directe gevolgen voor de relaties tussen sexegenoten.
Naarmate een meisje opgroeit wordt de band met haar moeder sterker; naarmate
een jongen opgroeit wordt de band met zijn vader losser. Vandaar dat bij een
huwelijk een meisje bij haar ouders blijft wonen, en een man verhuist naar
de woonplaats van zijn vrouw.
Op die manier ontstaat het stelsel van relaties dat van verhalen zoals
Qmbadapo de kern vormt.
Na haar huwelijk blijft de vrouw met haar moeder en zusters samenwerken. Haar
man neemt een perifere plaats in in de locale groep. Hij is doorgaans alleen
door huwelijk eraan verbonden. Bovendien vermijdt hij interactie met zijn
schoonouders. Met zijn schoonmoeder praat hij in het geheel niet, de relatie
met zijn schoonvader is over het algemeen erg formeel. De ratio van deze
gedragsbeperkingen (zgn. vermijding) is te vinden in de moeilijke positie
waarin een vrouw zich geplaatst weet: zij heeft belangen en emotionele
banden in twee richtingen - naar haar ouders en naar haar man. Zou haar man
met haar moeder en/ of haar vader in conflict komen, dan staat zij voor een
verscheurende keuze. Om dat risico te verminderen mijden beide partijen
elkaar, maar daarmee is het potentiële conflict, dat het hart van
Karaibische samenleven treft, natuurlijk niet de werelduit. Over het
algemeen hebben Karaiben weinig intensieve relaties met elkaar. Gezinnen, en
zeker enkele gezinnen samen, zijn in hoge mate zelfstandig. Grote groepen
mensen komen bij elkaar alleen wanneer er feesten zijn. Deze feesten gaan
altijd gepaard met gebruik van alcohol(er wordt een uit kassave bereide,
licht-alcoholische, drank gedronken). Onder invloed van alcohol komen
latente spanningen tot uitdrukking in open conflicten. Analyse van deze
conflicten (zie Kloos 1971:199) wijst uit dat
tussen wie ze ook beginnen, de heersende loyaliteiten al heel snel een
polarisering tussen aanverwanten bewerkstelligt - waardoor, alweer, de
Karaibische samenleving in haar hart wordt aangetast. De Karaibische
samenleving-en-cultuur mist de middelen om hier iets tegen te doen, en de
Karaiben wéten dat elke spanning, elk conflict een eerste stap is die kan
leiden tot uiteenvallen van de basisgroepen, bestaande uit nauw verwante
vrouwen en hun echtgenoten. Het is m.i. de preoccupatie met deze dreiging
die in verhalen als Ombadapo op dramatische manier wordt verwoord (zie
uitvoeriger Kloos 1971: 226-33).
| |
Anansi tori
Oorspronkelijk waren het uiteraard alleen Karaibische verhalen die werden
verteld. Op het ogenblik zijn, althans tijdens feesten, de oorspronkelijke
Indiaanse verhalen in de minderheid. Zeer populair zijn de zgn. Anansi
tori's, die meestal in Sranan, en niet in Karaibisch, worden verteld. Ook de
Anansi tori heeft een zeer uitgesproken sociaalstructurele kern. Het
volgende voorbeeld, dat mij door een Karaibische verteller werd verteld, is
tamelijk typerend:
‘Anansi snoeft in bijzijn van de koning dat hij naar hem toe kan komen, de
tijger als rijdier

Karaiben indianen
gebruikend. Dit komt de tijger ter ore. Hij gaat boos naar Anansi
toe en wil dat hij met hem naar de koning gaat om deze snoeverij recht te
zetten. Anansi veinst ziekte en zwakte en wil alleen mee als de tijger hem
draagt. Dat wil de tijger wel doen. Anansi is zó zwak dat hij een touw om de
kop van de tijger bindt om niet van diens rug te vallen. Hij snijdt een tak,
want, zo zegt hij tegen de tijger, vliegen steken je, ik zal ze wegslaan.
Anansi slaat de tijger geducht op diens achterwerk en als ze bij de koning
zijn bindt Anansi vliegensvlug de tijger aan een van de posten van het huis
van de koning en zegt tegen de laatste: wat heb ik U gezegd? Hier is de
tijger, mijn rijdier’.
Dit is een samenvatting, want dergelijke verhalen worden meestal zeer
uitvoerig, zonder haast en met veel interrupties van luisteraars (die de
verteller beantwoordt) verteld.
Allerlei elementen uit de Anansi tori zijn de Karaibische samenleving en
cultuur geheel vreemd. Status, zoals belichaamd in de koning, is in de
uiterst egalitaire Karaibische samenleving bijvoorbeeld ondenkbaar. Waarom
zijn de Anansi tori 's dan populair? Men moet een Anansi tori niet zien in
de context van de Karaibische dorpssamenleving, maar in de context van de
positie van de Karaiben in de Surinaamse samenleving als geheel. Anansi is
de sociaal en fysiek zwakkere, die de machtigen bespot en bedriegt. Hij is
een outcast die vaak mishandeld wordt maar altijd het laatste woord heeft:
hij is slim. In de Anansi tori is de zwakke Anansi bijna altijd de
triomfator. Anansi in de Surinaamse verhalen (die voor een groot deel van
West Afrikaanse origine zijn) is dezelfde als Reinaard in Europese verhalen
en het hertje Kantjil in Indonesische verhalen. Deze verhalen behoren tot de
cultuur van de machtelozen in rigide, hierarchische samenlevingen. In
Suriname waren de Anansi tori's populair onder de negerslaven op de
plantages. Ik geloof dat de populariteit van de Anansi tori onder de
Karaiben samenhangt met hun gevoelens ten aanzien van hun plaats in de
Surinaamse samenleving.
Zij weten drommels goed dat zij de oorspronkelijke bewoners van het land zijn
maar zij ervaren dat hun plaats thans is: onderaan de Surinaamse hierarchie.
En niet alleen hebben zij het gevoel | | | | daar geplaatst te zijn,
zij hebben tevens het gevoel van volstrekte onmacht om in die onaangename
positie verandering te brengen (zie ook Kloos 1974:61-74).
Een analoge omkering is te vinden in - overigens tamelijk individuele en
weinig gestandaardiseerde - verhalen over het hiernamaals. Verhalen over het
hiernamaals hebben een sterk door het Christendom beīnvloed karakter (de
meeste Karaiben zijn roomskatholiek). In één van de beschrijvingen die mij
werd gegeven zouden de verhoudingen in de hemel precies omgekeerd worden: de
Indianen zouden heersen, de blanken zouden overheerst worden. De eersten
zouden rijk zijn, de laatsten arm. Hoe verschillend ook van verhalen zoals
Ombadapo, men kan in deze verhalen evenzeer horen wat de gevoelens van de
Karaiben zijn ten aanzien van de omstandigheden waarin zij leven.
| |
Literatuur
Kloos, Peter
| 1971 | The Maroni River Caribs of Surinam. Assen: Van Gorcum |
| 1974 | Het Indianenprobleem in Zuid-Amerika. Assen: Van Gorcum |
| 1975 | Galibi. Een Karaibendorp in Suriname. Paramaribo: Bureau
volkslectuur. |
|
*dr. P. Kloos is wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de
Rijksuniversieteit te Leiden (Stationsplein 10). In 1966-68 verrichtte hij
onderzoek onder de Karaiben van Galibi, aan de Marowijne rivier in Suriname,
Dit onderzoek werd mogelijk gemaakt door de Stichting voor Wetenschappelijk
Onderzoek van de Tropen, WOTRO.
|
|