(Hoofse) lyriekIn Frankrijk begint een algehele vernieuwing van de letterkunde, zowel naar de geest als naar de vorm, met de Provençaalse hoofse lyriek, zoals hiervóór beschreven werd. Ook voor wat de Nederlanden betreft gaat, in bescheidener proporties overigens, zulk een vernieuwende invloed uit van de hoofse lyriek en de daarin tot uitdrukking gebrachte liefde. Te denken valt daarbij allereerst aan Hendrik van Veldeke, de auteur die in het laatste kwart van de twaalfde eeuw in Limburg werkte, de regio waar, naar wij zagen 1 , in die dagen zulk een levendige literaire activiteit heerste. Binnen het kader van deze activiteit ontwikkelt zich Hendrik van Veldekes 2 werkzaamheid. Veel blijft onzeker in zijn figuur; onzeker is het, of hij te Veldeke bij Maastricht dan wel te Veldeke tussen Hasselt en Diest geboren werd; onzeker, of hij van adel was. Ook wanneer hij stierf is onbekend; Gotfrid von Straszburg spreekt in 1210 in zijn Tristan over hem als over een overleden voorganger. Uit zijn werk valt te concluderen, dat Veldeke een veelzijdig geschoold man was, zowel voor wat ridderlijke als geestelijke zaken betreft. Hij beheerst het Frans van de hoofse maatschappij; hij kent de moderne hoofse epiek en lyriek van Noord-Frankrijk, ook de lyriek van de Provence; hij kent Latijn. Hij sprak en schreef waarschijnlijk Maaslands-Oudlimburgs, de taal van de landschappen aan de Maas. Mogelijk bezat de door Veldeke - en anderen - gebruikte Maaslandse literatuurtaal een speciale aantrekkingskracht, die van een modetaal, met invloeden uit de bewonderde Franse cultuur 3 . |
1 Zie hier p. 68.
2 Over Hendrik van Veldeke bestaat een zeer uitgebreide, voor een groot deel alweer - zo gaat het nu eenmaal! - verouderde literatuur. Ik volsta met te verwijzen naar Gabriele Schieb, Heinrich von Veldeke, Stuttgart, 1965, dat de nodige bibliografische gegevens bevat.
3 G. Schieb, Heinrich von Veldeke, 1965, 4-18.
|
|
Veel over de persoon van Veldeke moge dus onzeker zijn, met zijn werk en de invloed daarvan treedt hij uit de nevel te voorschijn. Wat hierbij allereerst opvalt, is de veelzijdigheid van deze auteur: hij schrijft een heiligenleven, een hoofse ridderroman en hoofse lyriek, - drie wezenlijke, overigens zeer onderscheiden, bestanddelen van de middeleeuwse literaire cultuur. Hij geeft zodoende in kort bestek al een schematisch beeld van wat onze middeleeuwse letteren zullen opleveren. In dit hoofdstuk nu het een en ander over zijn lyriek 1 . Dit slechts enkele tientallen korte gedichten omvattende lyrische werk is een in ónze letterkunde bijzonder opvallend novum. Betrekkelijk vroeg - nog vóor het einde van de twaalfde eeuw, waarin in Zuid-Frankrijk eerst na 1150 de ‘klassieke’ troubadourskunst tot stand komt - schrijft Veldeke zijn gedichten, en hij doet dit geheel in de hoofse (Provençaalse) geest en vorm 2 . Frings en Schieb schrijven aan Veldeke vijfenveertig ‘strofen’ toe, die tot vijfentwintig liederen samen te voegen zijn (elf van één ‘strofe’, tien van twee, twee van drie, éen van vier en éen van vijf strofen). Anderen staan een andere samenhang voor. De strofen omvatten zes tot twaalf, bij voorkeur acht versregels. Veldeke observeert nauwkeurig zijn rijmschema, en structureert zijn versregel voor die tijd sterk ritmisch: hij bouwt die versregel op vier geaccentueerde lettergrepen (een enkele maal afgewisseld door drie) en een niet al te variabel totaal aan lettergrepen; doordat bovendien doorgaans de voorslag ontbreekt, kreeg zijn versvorm een vrij strakke structuur. Soms helt die duidelijk over naar de bij de Provençaalse dichters voorkomende dactylische maat. Stellig hield dit streven naar vormgebondenheid verband met het feit dat de gedichten als liederen gezongen moesten worden. Het spel met de taal en de dichtvorm is aldus gebonden aan bewust gehandhaafde regels, die Veldeke in zijn toeleg op perfectie kenmerken als kunstenaar. Binnen een doorgaans zeer klein bestek, dat hij onderworpen heeft aan een nauwkeurig ritmisch en rijmschema, weet Veldeke op suggestieve wijze dus een gevoel, een stemming, een tafereel te beelden. Met een |
1 Uitgegeven in Fr. Vogt, Minnesangs Frühling, Leipzig, 1930. Bloemlezing eruit, alsook uit andere werken van Veldeke in L.J. Rogier, Henric van Veldeken, Maastricht, 1931. In Des Minnesangs Frühling (331964) gaf C. von Kraus (met gebruikmaking van Frings' materiaal) Die Lieder Heinrichs von Veldeke uit. In 1947 schreef hij een uitvoerige studie over Die Lieder, met een verbeterde en toegelichte reconstructie, in Beitrage zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur, LXIX, 1-248.
2 Vgl. P.B. Wessels, Die Sonderstellung des niederländischen Minnesangs im germanisch-romanischen Raum, Neophilologus 37 (1953), 208-18.
|
|
speelse, vaak ironische wending besluit hij soms een gedicht. Hij is een frisse, spontane natuur geweest, die niet dorweg het bekende procédé volgde, maar dit door zijn zin voor de schoonheid van de natuur en een lichte humor tot eigen leven wekte. Men onderscheidt dansliederen, spreuken en hoofse minneliederen, al zijn de grenzen niet altijd scherp te trekken. Duidelijk is echter de minne het voornaamste grondthema van alle strofen. De behandeling dáarvan besluit ook wel Veldekes ontwikkeling als lyrisch dichter; deze minneliederen vormen het hoogtepunt van zijn lyriek. Zij verraden op tal van plaatsen de duidelijk ingewijde in de hoofse minne: de minne, gesubstantiveerd gedacht, wordt volledig erkend in haar macht over de mens die zij tot haar dienaar maakt. En wanneer de allerwijste en rijkste man die ooit een koningskroon droeg (Salomon), door haar bedwongen werd, behoeft de dichter, meent hij, niet te denken dat hij zich tegen haar kracht verzetten kan, nu zij hem zo ‘algeweldig’ dwingt. Er is, bovendien, allerminst reden zich te beklagen wanneer de minne de mens overmeestert: zij immers is de schenkster van alle goed, zij veredelt het gemoed, zij verzaligt de mens:
Men heeft de eerste strofe van dit gedicht de ‘umfassende Aussage eines der frühesten höfischen Lyrikers deutscher Zunge’ genoemd, die ‘die in ihrem Gehalt dichteste und am besten zusammenfassende Aussage über die Minne in der klassischen mittelhochdeutschen Lyrik ist und als solche geradezu dogmatischen Charakter trägt’ 2 . Inderdaad geven |
1 Aangehaald uit Des Minnesangs Frühling. Nach Karl Lachmann, Moriz Haupt und Friedrich Vogt. Neu bearb. von Carl von Kraus, Leipzig, 331964; dit citaat p. 75; de volgende aanhalingen pp. 79, 83, 81, 65 en 67.
2 Herbert Kolb, Der Begriff der Minne, 9-10.
|
|
deze regels in hun strakke structuur een fraai compendium van diverse wezenlijke elementen van de theorie der hoofse minne, zoals die (ook) door de troubadours uit Occitanië begrepen werd. Maar ook andere motieven uit deze lyriek vinden bij Veldeke weerklank. Nu de winter voorbij is en de zang der voorjaarsvogels alom klinkt, is de gunstige tijd aangebroken voor de beoefening der minne; de dichter zou zich gelukkig prijzen, mocht hij ‘miner vrouwen hulde’ verwerven: moge zij de mijne wezen als tegenprestatie voor mijn liefde, die niet wankel noch vals is 1 . Om het karakter der ware minne te doen onderkennen, roept hij de tégenstelling op met de liefde van Tristan; diens onderdanigheid aan de vrouwe werd opgewekt door een drank (poisoen); bij de dichter is het de zuivere kracht der minne-zélf, die zijn liefde dan ook tot een edeler minne maakt dan die van Tristan. De minne heeft zich dus geconcretiseerd in en is gericht op de schone die hij met vaste trouw (ane wanc, zonder wankelen) bemint, zíj is het die hem zingen doet. Vraagt iemand wie zij is, men kenne haar hieraan: zij is ‘die wale gedane’, zij is de edele en vroede (31), de schoonste en de goede, de ‘beste vrouwe tusschen Roden ende der Souwen’ (38) 2 , - een en ander expressie van de traditionele, als men wil klassieke, ‘surestimation’ van de vrouwe. Zij is overigens la dame lointaine, de domna de lonh; naar reële ruimteafstand of krachtens hun onderlinge verhouding? Veldeke doelt op reële ruimte-afstand:
Niet echter de ‘afstand’ is bron van smart, maar wel de minne-zelf, die bijwijlen naast vreugde ook smart veroorzaakt:
Deze smart is inherent aan de liefde; de minnaar wéét, dat de school der liefde soms hard kan zijn, hem geduld leert beoefenen en niet doet vragen om loon: slechts wie geen loon eist, kan dit ontvangen. |
1
2 De cijfers geven de pagina's aan in de bibliofielenuitgaaf van Jef Notermans, De Mosaanse minnezanger Henric van Veldeke, Maastricht, 1958.
|
|
Maar ook om geheel andere redenen kan men bedroefd zijn: de wereld komt hem soms droef en vaal voor, omdat de echte dienst van de liefde uitsterft - traditionele klacht ook bij de dichters uit Occitanië -:
De afvalligheid van de minne en haar dienst versombert het uitzicht van de wereld, welk uitzicht daardoor aanzienlijk verschilt van dat uit de tijd ‘doe men der rechter minnen plach’. Toen werd ook, doordat men de minne beoefende, de eer gehandhaafd. Nu zijn - eveneens bekend motief uit de troubadourspoëzie van de Provence, die zich een gouden verleden tijd droomde - de zeden boos, en schelden de mannen de vrouwen (23). Hij verwenst de vreugdelozen, die ‘der minnen siin gehat ende der minneren gerne nosen’ (21); hij wraakt ook degenen die de vrouwen bewaken: zij dragen de roede waarmee zij echter zichzelf slaan. Tot de vaste motieven uit de minnepoëzie behoort ook de aanval op de ‘nidegen’, die hem om zijn minne benijden (24); hun jaloezie zal er hem echter niet van weerhouden haar, die hem zijn blijdschap geeft, te mijden. Want hij die blijdschap ontvangt ‘mit eren’, is rijk (31). Haar ‘eer’, haar genegenheid schenkt die blijdschap, de blijdschap verdrijft de smart (31-33). De liefde veredelt ook het hart, is de bron van alle zaligheid. Nochtans trachte men niet onbescheiden naar enig voordeel of genot. Door eigen schuld kan men de gunst van de geliefde verliezen, namelijk door onbescheiden wensen of verlangens. Dat is ook hier gebeurd: op zeker moment faalt de minnaar: hij verliest haar ‘hulde’, haar genegenheid ‘dore dompheid’, ‘miin dombe herte mich verriet’ (38):
Het hierop volgend gedicht legt de vrouwe die zich verraden voelt, de klacht in de mond over de minnaar die de ‘mate’ (mezura) overschreed; het is het spiegelbeeld van het gedicht van de minnezanger-zelf met hetzelfde verwijt:
Denkend dat hij hoofs was, was zij hem ‘van herten holt’; nu hij haar gunsten buiten de ‘maat’ gevraagd heeft, spreekt zij van ‘al te lose minne, die ne vant er ane mich niet’. Ook zij noemt als oorzaak ‘dinen crancken sinne’, zijn ‘dompheit’ die het hem ried, ‘het quam van dombes herter rade’. Men kan veronderstellen dat de dichter zijn schone dit lied heeft toegestuurd als een soort zelfbeschuldiging in de hoop dat hij, door er aldus getuigenis van af te leggen dat hij haar afwijzing begreep, goed kon maken wat hij verkeerd gedaan had. Door zijn afwijzing van de liefde zoals Tristan die kende, en door de afwijzing van de liefde (hartstocht) die de mezura overschrijdt, doet Veldeke zich kennen als de typisch ‘hoofse’ minnedichter uit de school der Provence, voor wie de liefde allereerst een gesublimeerd spel blijft, het spel van de ‘rechte minne’ die ‘blitscap’ geeft (de joi). Zelf spreekt Veldeke van een ‘spel’, dat gewonnen of verloren kan worden al naargelang men de regels van het hoofse spel wel of niet beheerst; - daarmee demonstreert hij het Zuidfrans karakter. De grote zeldzaamheid van de uitingen ener duidelijke hoofse minne in onze letterkunde, wettigt de bredere aandacht die hier aan deze gedichten gewijd wordt, waarbij één, overigens zeer belangrijk, aspect buiten beschouwing blijft: het lied-karakter ervan waarover wij pas de
laatste tijd duidelijker ingelicht worden 1 . Als men de techniek, de strikt uiterlijke vorm, van Veldekes oeuvre vergelijkt met die van de gelijktijdige Duitse kunst, valt vooral op de regelmatigheid in versbouw en rijmschema van de Limburgse dichter. Terwijl in de Duitse kunst overlange verzen afwisselen met korte, bepaalt Veldeke zich tot vier heffingen, de dalingen tot hoogstens twee lettergrepen. Het rijm is bij Veldeke niet assonerend, maar zuiver. Het valt moeilijk, bij ontstentenis van andere teksten, respectievelijk als gevolg van onze gebrekkige kennis van de juiste datering van tot ons gekomen teksten, precies vast te stellen welke plaats Veldekes lyriek bekleedt in de Nederlandse letterkunde. Het valt even moeilijk vast te stellen, of deze lyriek invloed heeft uitgeoefend - en zo ja, welke - op de daarna gekomen letterkunde. Wel heeft hij invloed uitgeoefend op de kunst in de Duitse landen; zij is ten dele duidelijk op die van Veldeke geïnspireerd. In de Duitse letterkunde bekleedt hij dan ook een ereplaats. Veldeke stond in betrekking tot gravin Agnes van Loon, die zelf weer in nauwe relatie stond met het hof van Kleef en dat van Thüringen. Zij zelf was van Rieneck, bij Thüringen. Onze dichter treffen wij aan in Kleef en Thüringen. Zijn Eneide werd hem, toen hij er voor een groot deel mee klaar was, ontstolen en naar Thüringen gebracht, waar men het werk in het Thürings heeft omgedicht. Deze Thüringse bewerking kan het uitgangspunt geworden zijn van de roem die Veldeke bij zijn Duitse navolgers ten deel viel. Ook de grootsten onder de Duitse dichters, als Wolfram von Eschenbach en Gotfrid von Straszburg, roemen Veldeke uitbundig, terwijl Rudolf von Ems hem, typisch, eert als de wijze man die ‘rechte rime’, de zuivere versbouw, het eerst (in de Duitse letterkunde althans) begon. Aldus Van Mierlo 2 . G. Schieb denkt (Heinrich |
1 Literatuuropgave over Veldekes liederen, ook van de uitgaven ervan (het belangrijkste: Des Minnesangs Frühling, neu bearb. von Carl von Kraus, 31964) bij G. Schieb, Heinrich von Veldeke, 1965, 30-1. Voor wat de muziek betreft Jos. M.A.F. Smits van Waesberghe, De melodieën van Hendrik van Veldekes Liederen, Amsterdam, 1957.
2 J. van Mierlo, Nieuws over Heynryck van Veldeken, VMA, april 1939, 303 vlg. en in Oplossing van het Veldeke-probleem, VMA, 1952, ook afzonderlijk uitgegeven. Vooral C. Minis, De lyriek van Henric van Veldeke binnen het kader van de Duitse Minnesang, SpdL II, 82-97. Voor de in dit verband belangrijke lyriek van Walther von der Vogelweide zie K.H. Schirmer, Die Strophik Walthers von der Vogelweide. Ein Beitrage zu den Aufbauprinzipien in der lyrischen Dichtung des Hochmittelalters, Halle (Saale), 1956.
|
|
von Veldeke) anders over deze verhouding: naar haar mening hebben de liederen van Veldeke voorzover valt na te gaan, geen invloed van enige betekenis uitgeoefend op de vroege Duitse ‘Minnesang’, evenmin als op die van de volgende generatie. Men heeft hier h.i. te doen met een aan de Limburgs-Brabantse bodem gebonden (gebleven) traditie, die het eigen-aardige van eigen streek met Latijnse, Franse en Provençaalse waarden op eigen wijze tot eenheid bracht 1 . In de Nederlandse letterkunde kan men hem het best zien in de befaamde Maaslandse traditie die een eigen aard en karakter bezit. Het uitzonderlijk belang van zijn plaats daarin wettigt, als gezegd, de speciale aandacht die hem hier gegeven werd.
Van belang voor de kennis van de ontwikkeling der lyriek zijn de zestien minneliederen die enige tijd geleden in Lund (Zweden) werden gevonden. Ze beginnen met een spreuk in een korte strofe, ‘daarna, in tien sterk gekunstelde verzen, met louter grammatische rijmen, de als persoonlijk voorgestelde ervaring of toepassing ervan, en dan weer een spreukstrofe: da capo-vorm’. In iets andere vorm kwam dit soort gedichten al eerder voor. De tekst is nogal corrupt overgekomen, maar maakt toch duidelijk dat gehandeld wordt over niet-beantwoorde liefde en vergeefs verlangen. De taal is wel Oostbrabants of Limburgs. De auteur, een waarschijnlijk vroege dertiende-eeuwer, lijkt in de traditie van Hendrik van Veldeke te staan 2 .
Voor het overige is niet veel oudere wereldse lyriek tot ons gekomen, zodat wij over het verloop van enigerlei traditie eigenlijk niet goed kunnen oordelen 3 . Het bekendst is het negental liederen, dat meestal wordt toegeschreven aan Hertog Jan I van Brabant 4 , minneliederen, dansliederen wellicht, van een bekoorlijke frisheid, die echter niet de hoge opvatting van de liefde tot uitdrukking brengen zoals die ons uit de Provençaalse lyriek en Veldeke bekend is. Uitvoeriger zullen wij hebben te spreken over het belangrijke werk van Hadewijch, dat op zijn manier in deze traditie staat. |
1 1. G. Schieb, Heinrich von Veldeke, 30.
2 Uitgave Lundse liederen door E. Rooth, VMA, 1929; vgl. W. de Vreese, TNTL, 1895, 261 vlg.
3 Vgl. echter het op blz. 75 genoemde artikel van P.B. Wessels, Die Sonderstellung.
4 H. Boerma, De liederen van Hertog Jan van Brabant, TNTL, 1896, 220 vlg.
|