[p. 109]

Hoofse roman

Zoals bekend, heeft de hoofse liefde (in breedste zin) een uitzonderlijk belangrijke rol in de Westeuropese, ook de Nederlandse, letterkunde gespeeld. De hoofse liefde, maar ook alle andere verschijningsvormen van ‘de’ liefde; zij wordt een der centrale gegevens in lyriek en romankunst.

Voor wat betreft de middeleeuwse romankunst waarin zij optreedt, onderscheidt men drie groepen, en wel naar de gebieden waaraan hun auteurs hun stof ontlenen: men spreekt van klassieke, van Artur- en van oosterse romans. Deze indeling wordt ook hier aangehouden. Daarnaast lopen, kriskras door al deze stofgebieden, twee andere stofbronnen, waarop even apart de aandacht gevestigd moet worden: die van de oud-christelijke geschriften en legenden (sommigen denken dan aan invloed van de Apokalyps op Wolframs Parzival, en aan de Graallegende), en die van het oud volks cultuurgoed, met name van het sprookje. In tal van verhalen en romans treft men sprookjesachtige motieven aan, vanaf de simpele naam Elegast uit de voorhoofse epiek tot het gehele grondmotief van de Walewein, een hoofse roman die wellicht een verridderlijking is van een over geheel Europa bekend sprookje. In de Torec, in Van den VII vroeden van binnen Rome, in de Zwaanridder, in Partonopeus van Blois treft men elementen aan van hetzelfde karakter 1  . Zoals cultuurgoed uit hogere beschavingskringen kan neerzinken in lagere, zo kan ook cultuurgoed uit lagere kringen worden gesublimeerd tot literaire waarde in de meer strikte zin.

 1  Vooral J. te Winkel, Ontwikkelingsgang I, passim wees hierop. Verder Marie Ramondt, Karel ende Elegast oorspronkelijk? Proeve van toegepaste sprookjeskunde, Utrecht, 1917; A.M.E. Draak, Onderzoekingen over de roman van Walewein, Haarlem, 1936, en R. Verdeyen in de inleiding op de Esmoreituitgave, 11e druk. Groningen, 12-13.


[p. 110]

Uit de samenvloeiing van al deze componenten ontstaat tijdens de overgang van Romaans naar Gothiek in Noord-Frankrijk de nieuwe, hoofse kunst, vooral de hoofse ridderroman: een kunstwerk van andere aard dan het chanson de geste of onze Frankische epiek. Dit laatste bleef zich aandienen, allereerst als historiewerk: ‘vraye ystorie’ ende al waer’, zoals de schrijver van Karel ende Elegast zijn lezers in de eerste regel reeds verzekert. Historie vooral uit het eigen verleden. Deze historie wordt altijd min of meer zakelijk en realistisch verteld; de Frankische verhalen heten niet ten onrechte geesten, dat is vrijwel: geschiedverhalen. De hoofse romans daarentegen worden als ‘romans d'aventures’ of ‘avonturen’ gekenschetst, wonderlijke verhalen vol fantasie en symboliek. De hoofse roman is een verbeeldingsverhaal: de auteur beoogt een beeld te ontwerpen van een ideale ridderwereld, een wereld vol schittering en pracht, vol geheimzinnigheid en wondere gebeurtenissen, waarin de hoofse liefde zich van haar bezielende zijde toont. Dit streven heeft tot gevolg dat hier een geheel anderssoortig werk ontstaat; de hoofse roman is minder de resultante van een oude traditie die uiteindelijk in een kunstwerk wordt samengevat, hij wordt op een bepaald moment gecreëerd als de bewuste uiting van de ene, scheppende persoonlijkheid, die zijn geleerdheid wil tentoonspreiden, die zijn fantasie de meest wonderbare wegen laat gaan, die genoegen schept in de verwikkelingen, welke de hoofse liefde te voorschijn roept.

Daarmee wil niet gezegd zijn dat de hoofse roman door de auteur louter als verbeeldingsverhaal is gecreëerd: in vrijwel alle hoofse romans, meent men, is toch een band met (de) ‘historie’, die door de middeleeuwers waarschijnlijk ook duidelijk als zodanig gezien werd.

De voorhoofse roman staat relatief dichter bij het volksepos, de hoofse dichter bij het kunstepos 1  , - een onderscheid dat zich ook uitspreekt in het feit dat van de voorhoofse roman de auteurs onbekend, die van de hoofse, althans bij name, ten dele wel bekend zijn.

 

Deze romankunst, niet alleen de hoofse, maar ook de niet-hoofse, heeft klaarblijkelijk sterk de belangstelling van de tijdgenoten getrokken. Jacob van Maerlant vond het althans nodig bij herhaling te waarschuwen tegen de invloed van diverse ridderromans; de schrijver van Vanden Levene ons Heren verwerpt ze als ‘ter zielen luttel’ smakende, maar markanter is nog een plaats uit het Leven van Sinte Lutgart van

 1  G. Kalff, Geschiedenis Ned. Lett. I, 84


[p. 111]

1270, waarin de auteur erover klaagt dat de mensen niet willen luisteren naar ‘goede exempelkine’, maar graag komen

 Daer men van ouden geesten 1   singet,
 Oec daer men voert die sagen bringet
 Van wigen 2   och van tavelronden 3  ,
 Daer wilen eer hen onderwonden
 Te dichtene af die menestrele.
 ................
 Maer wonder hevet mi van desen
 Warumme si so gerne lesen
 Van ouden sagen dat gedichte,
 Ende oc geloeven also lichte
 Din logeneren die se tellen.
 ...............
 Mar die die oude bourden scriven
 Si swegen bat, dat seggic hen.

De vader der dietse dichteren schijnt niet (meer) geweten te hebben, dat het kleurige verbeeldingsverhaal te allen tijde de door zijn zintuigen levende mens meer boeit dan de meest waarheidsgetrouwe uiteenzetting over bovenzinnelijke zaken? Ook heden ten dage kijken de meesten liever naar een film dan dat zij luisteren naar een predikatie.

 1  geschiedenissen.
 2  gevechten.
 3  geschiedenis van de Tafelronde.

Klassieke romans

De eerste groep hoofse romans in het Nederlands die wij te beschouwen hebben, is die der z.g. klassieke ridderromans. De auteurs hiervan ontlenen hun stof aan de klassieke oudheid, althans aan de verhalen, sagen, fabels over de oudheid, zoals die opgetekend lagen in de manuscripten die in de kloosterbibliotheken bewaard werden, ten dele ten dienste van het onderwijs. Dat men de oudheid begreep naar middeleeuwse trant valt niet te verwonderen; men streeft er niet naar zich een, aan de historische werkelijkheid adequaat, beeld te vormen van die werkelijkheid, maar transponeert wat men leest naar 's lands gelegenheid: de helden van de oudheid worden middeleeuwse baronnen, vaak rid-

[p. 112]

ders vol middeleeuws-hoofse zwier, bedreven in de kunst der courtoisie, gaarne bereid tot het voeren van galante of tedere gesprekken, ridderlijke toernooien en krijgshaftige gevechten. De voorkeur genoten Alexander de Grote en de helden van Troje; deze voorkeur voor de Trojaanse partij staat wellicht in verband met de lof, de Trojanen door Vergilius in zijn Aeneis toegezwaaid; Vergilius' voorbeeld: in een Trojaan de stamvader van het Romeinse volk te zien, vond bij Westerse volken gerede toepassing in zover ook zij verdreven Trojanen tot stamvaders van hun volken proclameerden.

Hendrik van Veldeke: Eneide

De oudste klassieke roman in onze letterkunde is de Eneide van Hendrik van Veldeke. Rond 1174 was viervijfde van het werk gereed 1  ; rond dat tijdstip werd het handschrift op een bruiloft in Kleef ontvreemd, met het gevolg dat de auteur het lange tijd miste. Het werd voltooid in Thüringen tussen 1184 en 1190 2  .

Van Veldekes Eneasroman 3   bezitten wij zeven min of meer volledige handschriften, en dan nog fragmenten van vier andere manuscripten. Zij dateren uit de tijd van de twaalfde tot vijftiende eeuw, en getuigen van de blijvende belangstelling voor dit werk. - Uiteindelijk is de Aeneis van Vergilius bron van de stof van de roman, maar Veldeke steunde op de juist in de twaalfde eeuw opnieuw gegroeide en ‘moderne’ belangstelling voor de antieke stoffen, zoals die onder andere tot uiting kwam in de beroemde commentaar van Bernard Silvester (tegen 1150). In deze commentaar wordt Vergilius niet alleen als dichter ge-

 1  G. Schieb, Heinrich von Veldeke, 1965, schrijft: 1174.
 2  Oudere literatuur over de Eneide: Eneide, uitg. O. Behagel, Heilbronn, 1882. Over de plaats van dit werk tussen de omringende literaturen J. van Dam, Zur Vorgeschichte des höfischen Epos, Bonn, 1923; dez., Das Veldeke-Problem, Groningen, 1924; daartegen J. van Mierlo in Nieuws over H. van Veldeken, VMA, april 1939, 303 vlg., waar andere belangrijke vroegere publikaties genoemd worden. Verder D. Teusink, Das Verhältnis zwischen Veldekes Eneide und dem Alexanderlied, Amsterdam 1946 (hierover C. Minis, Museum, 1947, 120 vlg.).
 3  G. Schieb, a.w., p. 44 zegt dat de naam Eneide door Veldeke tweemaal gebruikt wordt, maar dan om de Aeneis van Vergilius aan te duiden. Daarom spreekt zij liever van ‘Eneas-roman’. De uitgave van het werk door Schieb -Frings van 1964 luidt echter: Eneide I. Vgl. Henric van Veldeken, Eneide I: Einleitung, Text, hrsg. von G. Schieb und Th. Frings, Berlin, 1964; II: Untersuchungen von G. Schieb unter Mitwirkung von Th. Frings, Berlin, 1965; III: Wörterbuch (in voorbereiding).


[p. 113]

waardeerd, maar ook als wijsgeer, die binnen het omhulsel van zijn verhaal een diepere waarheid tot uitdrukking brengt, in dit geval die van het levenslot van de mens op aarde in het licht van Gods voorzienigheid 1  . Vooral de school van Chartres en de in haar geest denkenden zagen op deze wijze de laat-antieke dichtkunst. Daar komt, vooral voor Veldeke, nog bij de invloed van de moderne klassieke romans uit de Anglo-normandische kringen (romans over Eneas, Thebe en Troja) rond 1160. Veldekes voorbeeld was de Roman d'Enéas (1160), waarschijnlijk de oudste uit deze kring, die de antieke stof reeds geheel gebruikte als middel om het nieuwe hoofs-ridderlijke ideaal van de mens uit deze kringen tot uitdrukking te brengen 2  .

R. Bezzola 3   heeft uiteengezet hoe in Vergilius' Aeneis op het voetspoor van de interpretatie door Bernard Silvester een verdeling in tweeën gezien werd, een verovering van de wereld door de held in twee fazen: een voorlopige, persoonlijke (Dido-tragedie), dan een beslissende, boven-persoonlijke, die het individu tot echte persoonlijkheid vormt en deze verheft tot lid en werktuig van de gemeenschap (in dit geval: de verovering van Italië, de vestiging van Rome). Deze deling in tweeën wordt het structuurbeginsel van de Anglo-normandische roman. Daarbij krijgt de vrouw krachtens eigentijdse hoofse opvattingen een bij uitstek bezielende functie; dit komt o.a. tot uitdrukking in het feit dat haar rol als het ware verdubbeld wordt. Naast Dido, die (in het eerste deel) gemakkelijk veroverd en gemakkelijk verlaten wordt, treedt in het tweede deel de lang onbereikbaar gebleven Lavinia op, de ‘verre dame’, die inspireert tot l'amor de terra de lonh. Deze opbouw in twee delen wordt hiermee maatgevend voor veel hoofse romans 4  .

Deze nieuwe conceptie schonk de Franse dichter de gelegenheid om niet alleen een brede schildering te geven van de ridderwereld van zijn eigen tijd waarin uiteraard het geheel getransponeerd is, maar ook om de hoofse liefde in haar verschillende aspecten, heel het hoofse leven, denken en voelen aan de lezer voor te houden.

 1  G. Schieb, a.w., p. 44, die verwijst naar H. Brinkmann, Wege der epischen Dichtung im Mittelalter, in: Archiv für das Studium der neueren Sprachen und Literaturen, Bd. 200 (1963-4), p. 401-35.
 2  M.L. Dittrich, Die ‘Eneide’ Heinrichs von Veldeke; ein quellenkritischer Vergleich mit dem Roman d'Enéas und Vergils ‘Aeneis’, I, Wiesbaden, 1965.
 3  R. Bezzola, Le Sens, 83, Liebe, p. 83 vlg.; vgl. G. Schieb, a.w., p. 45-6.
 4  Ook nog in de Graalromans, maar daar maakte in het tweede deel de ‘dame’ plaats voor het absolute ideaal, geïncarneerd in de Graal. Vgl. Bezzola, Le Sens, 89-90, Liebe, p. 87-8.


[p. 114]

Daarin ligt de wezenlijke bijdrage van de auteur tot de bewerking van de oude stof, die in deze aangelegenheid aanzienlijk sterker op Ovidius steunde dan op de enkele regels die Vergilius aan Lavinia wijdde. Uit de bouwstenen die de antieken hem leverden, heeft de Franse dichter een zelfstandig, naar eigen opvattingen doordacht dichtwerk opgebouwd.

Aan Veldekes roman ligt een der teksten van deze Roman d'Enéas ten grondslag 1  . Hoe Veldeke de tekst gekregen heeft is onbekend, wel weten wij, dat Herman van Thüringen aan het Franse hof van Lodewijk VII vertoefde en daar de roman kan hebben leren kennen.

Veldeke heeft (circa 1174?) de voor hem liggende tekst naarmate hij met de bewerking vorderde, in toenemende mate zelfstandiger bewerkt. Allereerst heeft hij het werk breder opgezet, met name voor wat betreft de strijd om Italië, vooral echter de afsluitende liefdesgeschiedenis (meer dan de helft uitvoeriger).

Hij verzekerde zijn verhaal door doeltreffende compositie (‘nach hinten und vorn verknüpfende Technik’ 2  , wegwerken van tegenspraken, onwaarschijnlijkheden en onnodige herhalingen) een hechter eenheid en vloeiender gang van het verhaal. In streng chronologische volgorde behandelt hij de gebeurtenissen met zin voor groepering naar taferelen. Nadrukkelijker nog dan zijn voorganger hanteert Veldeke de hoofse omgangsvormen met vermijding van krasse, minder fijngevoelige en zinnelijke uitdrukkingen en wendingen, met een voorkeur voor huldiging van moed en schoonheid. Hij tempert het wonderbaarlijke, allegorische, onstuimige en hartstochtelijke, geeft de voorkeur aan het praktisch mogelijke en werkelijke, aan het reële (als belangrijk voorbeeld: zijn beschrijving van een feest, kennelijk geïnspireerd op de werkelijkheid van het feest van Frederik Barbarossa in 1184, waardoor hij de eerste afgeronde uitbeelding van een feest gaf, die voorbeeldig werd voor latere dichters 3  . In zekere zin zou men hiertoe ook kunnen rekenen zijn deskundige beschrijving van rechtsscènes en van alles wat met het oorlogsbedrijf te maken heeft.

Aanzienlijke wijzigingen vooral bracht Veldeke aan in de scènes die op de liefde betrekking hebben. Men heeft zijn activiteit met de Roman

 1  M.L. Dittrich, Die ‘Eneide’ Heinrichs von Veldeke; ein quellenkritischer Vergleich mit dem Roman d'Enéas und Vergils ‘Aeneis’, I, Wiesbaden, 1965.
 2  G. Schieb, a.w., p. 51.
 3  G. Schieb, a.w., p. 57 en de daar geciteerde literatuur.


[p. 115]

d'Enéas kunnen kenschetsen als ‘frühhöfische Umgestaltungen der “Aeneïs” in der “Renaissance” des 12 Jhs’ 1  . Veldeke is speciaal geïnteresseerd in de psychologie van de liefde; hij bezit het vermogen de gevoelens en werkingen op dit terrein te analyseren en te beschrijven, ook door middel van zelfbeschouwing. Daardoor heeft hij de voorhanden zijnde stof verfijnd en verdiept, zijn gestalten een hoger zedelijke waarde, maar ook een sterker sentimentele inslag gegeven. Veel waarde heeft men gehecht aan Veldekes voorkeur voor de mate, de hoofse eigenschap bij uitstek, die der zelfbeheersing. G. Schieb meent echter 2  , dat in het verleden hieraan een te grote waarde is gehecht: het woord komt in zijn romans maar zelden voor, met betrekking tot de liefde helemaal niet. Van belang is ook de verchristelijking der opvattingen die Veldeke in vergelijking met zijn voorgangers doorvoerde 3  .

Veldekes Eneide is, met zijn liederen, zonder twijfel een der merkwaardigste documenten uit onze oudste letterkunde: het is dat om de rol die de hoofse liefde speelt in een voor de Nederlanden zo vroeg stadium. Men constateert dat de stijl van het werk vrij slap en mat is, terwijl het door uitweidingen en ontledingen nogal eens langdradig wordt. Het is echter zaak dit alles binnen het kader van de tijd en vooral in vergelijking met voorgangers te zien om Veldekes werk als een unieke prestatie te kunnen bewonderen.

Bij dit alles dient, tenslotte, maar niet ‘at least’, de relatie beschouwd te worden tussen Veldekes Eneide en de werken uit wat men de ‘rheinische Literaturtradition’ noemt: de Alexander uit Straatsburg, Eilharts Tristrant, - een uitermate omstreden aangelegenheid 4   waarin vooralsnog geen duidelijke conclusie mogelijk is. Wel staat vast, dat Veldeke het nadrukkelijkst weerklank vond niet in de streek van zijn geboorte, maar veeleer in het oosten: hij staat met zijn Eneide ‘an der Schwelle der deutschen höfischen Klassik um 1200. Er selbst hat diese Schwelle noch nicht überschritten, hat aber den groszen Deutschen nach ihm den Schritt über sie vorbereitet und erleichtert. Das haben sie auch dankbar anerkannt’ 5  . Zijn hoogst merkwaardige plaats in het twaalf-

 1  J. Quint, in ZfdPh 73 (1954), p. 241-67. Vgl. G. Schieb, a.w., p. 55, 64.
 2  W. Schröder, Dido und Lavinia, in ZfdA 88 (1958), p. 161-95; G. Schieb, a.w., p. 55.
 3  G. Schieb, a.w., p. 56.
 4  Hierover G. de Smet, J. van Mierlo en het Veldekeprobleem, Groningen, 1963, G. Schieb, a.w., p. 58-62, en G. de Smet, Die Eneide Heinrichs van Veldeken und der Straszburger Alexander, L.B. 57, afl. 3.
 5  G. Schieb, a.w., p. 61. Voor de juiste interpretatie van de Duitse dichters die Veldeke als voorganger roemen zie C. Minis, Er impfete das erste ris, Groningen, 1963 die betoogt, dat men Veldeke heeft willen roemen allereerst als meester in de hoofse beschrijvingskunst, niet speciaal in de rijmkunst.


[p. 116]

de-eeuwse culturele leven is dus, dat hij tegen het einde van die eeuw in het gebied tussen west en oost, in het Maaslandse derhalve, heeft voortgebouwd op wat de Anglonormandische cultuur verworven had: de nieuwe opvattingen van de hoofse roman (van Eneas) met zijn compositie in twee delen, zijn moderne stijl, zijn opzet uitdrukking te geven aan de hoofse ridderidealen van de eigen tijd. Hij heeft dit gedaan met volledige kennis van zaken van wat in Frankrijk kort daarvóor bereikt was, voortbouwend op en vervolmakend daarbij intussen wat de eigen Maaslandse traditie op het gebied van de techniek van taal, vers en rijm verworven had. Door min of meer toevallige omstandigheden ook (vooral in de latere jaren) georiënteerd op de Duitse landen, droeg zijn werk deze verworvenheden oostwaarts, waardoor hij een der voorgangers kon worden van de meesters der Duitse hoofse klassiek uit de dertiende eeuw 1  .

 1  G. Schieb, a.w., 61-2.

Segher Diergodgaf: Het Prieel van Troyen

Op hoog literair plan staat het werk van de begin dertiende-eeuwse (Brabander?) Segher Diergodgaf 2  , de auteur van een bijzonder geslaagd fris poëtisch, waarschijnlijk oorspronkelijk 3   gedicht Het Prieel van Troyen, dat markant de hoofse epiek typeert. Het is het derde jaar van de belegering van Troje; er heerst wapenstilstand. De Trojaanse edelen houden op een mooie lentedag krijgsraad; daarna heeft een feestmaal plaats, waaraan ook de edelvrouwen van Priamus' hof deelnemen. Het feest wordt opgeluisterd door zang en voordracht van minstrelen; daarna gaan zij zich ‘meyen in een prieel’. En terwijl de vogeltjes zingen, onderhouden de disgenoten elkaar onder de schaduw der

 2  Seghers werk werd uitgegeven door Ph. Blommaert, Oudvlaemsche Gedichten, 1838; N. de Pauw en Edw. Gaillard, in hun uitgave van de Istory van Troyen, IIIe deel, Gent, 1890 en in J. Verdam, Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen, Groningen 1874; in gemoderniseerde spelling en van het handschrift afwijkende tekst in J.A.N. Knuttel, Ridderverhalen uit de Middeleeuwen, Amsterdam, 1940. Een uitgaaf van Tprieel van Troyen, door G.C. de Waard en G. Ch. Dupuis, Gorinchem, 1965. - Knuttel noemt Segher een Brabander, Van Mierlo noemt hem een Vlaming uit Gent.
 3  W.P. Gerritsen, Les relations littéraires, 40, meent: ‘à coup sûr de sa propre invention’.


[p. 117]

bloeiende bomen met hoofse gesprekken en liefdesverklaringen. De auteur voert daartoe drie verschillende paren op: Polidamas en Helena, Mennoen en Polyxena, en Menfloers en Andromache. Helena en Andromache zijn getrouwd, over Polyxena wordt dit niet vermeld, maar Mennoen is verloofd. In dit opzicht houden dus alle drie de paren de provençaalse houding van de fin' amors in ‘ere’, terwijl ook de mannelijke partij zeker van lagere sociale rang is dan de vrouwe met wie hij zich onderhoudt. De verschijnselen die de hoofse minne geacht worden te begeleiden (beven, verbleken, zuchten, enz.) en de bereidheid grote daden te stellen waartoe de liefde inspireert, zijn eveneens aanwezig. Geestig verteld en met een begrip voor de nuance en de suggestie van gevoels-verhoudingen die hoogst modern aandoet, is het gesprek tussen Polidamas en Helena. De hele scene tussen deze beiden is bijzonder knap en levendig geschreven, meesterlijk van speelse dialoog. Overigens krijgt de hoofse liefde in zulk een passage het karakter van een spel. Maar binnen dit karakter komt toch een zeer kenmerkend bestanddeel van de ‘noordelijke’ conceptie van de hoofse liefde tot haar recht: de dame laat zich vereren teneinde haar vereerder dapperder te doen zijn:

 Helene was scoene ende si gaf
 Meneghe haar scoenhede,
 Die dicke doer hare wale dede
 Om dat si goede ridderscepen
 Bider minnen rade begrepen,
 Gaf sise de meneghen die wille come
 Was hare; om hare vrome
 Deet sijt
      (vs. 74 vlg.)

Voortreffelijk weet Segher echter ook de gevaren te suggereren die het spel bedreigen wanneer dit tot ernst dreigt te verstrakken. Met een sierlijke wending weet Helena dit gevaar te bezweren en de hoofse liefde binnen de grenzen van het spelkarakter te doen terugtreden 1  . - Na de samenkomst - derde deel van het verhaal - wekt Hector de ridders op, zich voor te bereiden op de komende gebeurtenissen. Hierover, alsook over de tweekamp tussen Hector en Achilles - de ‘sevenste strijt’, het zevende tijdperk van de Trojaanse oorlog - handelt Segher in het Paerlement van Troyen en de Sevenste strijt, grotendeels bewerking van gedeelten uit de beroemde Roman de Troie (1165) van Benoît de St. Maure.

 1  Het zou gewenst zijn na te gaan of de drie ‘gesprekken’ invloed verraden van Capellanus, al moet men er zich voor hoeden overal diens invloed te willen zien.


[p. 118]

Segher kent de sfeer van het ridderlijke en hoofse leven met zijn galante gesprekken en spitse discussies; hij beeldt haar uit met zwier en elegantie. Ongetwijfeld heeft hij ook gevoel voor de heroïek van de strijd, maar zijn hart gaat toch vooral uit naar de vrede, welker geneugten hij sierlijk en dichterlijk beschreef. Dichterlijk, - want een dichter was deze Segher, een dichter met een krachtig ritme, een rijke woordenkeus, die zijn taal plastisch en zwierig schreef, gedistingeerd en elegant, met warme gevoelsmomenten, een dichter die onder zijn tijdgenoten onderdoet voor Hadewijch, maar niet voor Willem van Afflighem, de verfijnde metricus, noch voor de strofische Van Maerlant, en die daarbij in elk geval ouder is dan de beide laatstgenoemden 1  .

 1  J.A.N. Knuttel, Segher dien God gaf en de hoofsche liefde, De Gids (1938) I, 92-102. - Over Segher W.P. Gerritsen en F. Ch. van Gestel, De Troie-roman van Segher Diergotgaf, in: Handelingen 28ste Ned. Filologencongres te Nijmegen, Groningen, 1964, 103-4.

Jacob van Maerlant: Alexanders Geesten en Historie van Troyen

Van jongere datum, uit de tweede helft van de dertiende eeuw, dateert Van Maerlants eerste grote roman over een klassieke stof, zijn Alexanders Geesten. Het is zijn oudste werk. Het dateert volgens de laatste berekening 2   van 1258-1260.

Over Alexander de Grote waren heel de middeleeuwen door de meest wonderbaarlijke en fantastische verhalen in omloop; de hoofdbron was de zg. Pseudo-Kallisthenes, een Grieks werk uit Alexandrië van ca. 200 na Chr., dat gebruik gemaakt zou hebben van een verloren geschiedwerk van Alexanders veldheer Kallisthenes, waarin echter in elk geval verschillende oosterse verhalen en fantasieën zijn binnengedrongen 3  . Diverse vermaard geworden vertalingen en bewerkingen maakten Alexanders daden in het westen bekend; de in het Frans

 2  H.C. Peeters, Nieuwe inzichten in de Maerlantproblematiek, in Handelingen Kon. Zuidned. Maatschappij voor Taal- en Letterk. en Geschiedenis, XVIII (1964), 249-85.
 3  Over de verhouding tussen de historische en legendarische elementen in de levensbeschrijvingen van Alexander, de wijze waarop de verschillende beschavingskringen diens figuur opnamen en verwerkten, ook de middeleeuwse, en de wisselwerking tussen de overige middeleeuwse epische literatuur en de Alexanderroman zie allereerst G. Carry, The medieval Alexander, ed. by D.J.A. Ross [with a foreword by D.S. Robertson], Cambridge, 1956; verder A. Abel, Le Roman d'Alexandre. Légendaire médiéval, Brussel, 1955. Over Die Quellen des griechischen Alexanderromans, zie R. Merckelbach, München, 1954, (vgl. Regesten I (1956), afl. 1, p. 10).


[p. 119]

schrijvende auteurs voegden uit de rijk vloeiende bron van hun verbeelding nog zo het een en ander aan de quasi-historische relazen toe.

Zeer beroemd werd de, de Pseudo-Kallisthenes tot verre voorvader hebbende, Alexanderroman van Alberic de Briançon, op wie de auteur van de Middelhoogduitse Alexander, Pfaffe Lamprecht, zich beroept. Deze Alexanderroman, waarvan het origineel verloren ging, maar die bewaard bleef in een omwerking, genoot in de middeleeuwen een zeer grote vermaardheid; een technische eigenaardigheid van deze omwerking, nl. de verzen van twaalf lettergrepen, kreeg algemene gelding in de dichtkunst onder de naam alexandrijn.

Maerlant echter 1   - en dit typeert hem - volgt niet De Briançon, (was die hem te fantastisch en onwaarschijnlijk?), maar de in Maerlants tijd tot grote roem gekomen Latijnse Alexandreis van Gautier de Châtillon van ca. 1180, die, zijn gegevens vooral puttende uit een werk van Quintus Curtius, beoogde de in omloop zijnde onhistorische Alexanderverhalen te verdringen door er een ‘waarheidsgetrouw’ verhaal van Alexanders daden tegenover te stellen. Dit nu was een kolfje naar Van Maerlants hand. Het valt echter grondig te betwijfelen, of hij bij De Châtillon aan het meest betrouwbare adres was. Bovendien voegde Van Maerlant een en ander toe aan De Châtillon uit bronnen die de Fransman juist had willen verdringen, maar die zodoende langs een omweg weer in Maerlants ‘historische’ Alexander terecht kwamen!

Het typeert Van Maerlant, dat hij de voorkeur gaf aan de ‘historische’ De Châtillon boven de ‘onhistorische’ De Briançon. Ongetwijfeld zette hij zich aan het schrijven van dit werk, omdat hij meende een belangrijk historisch geschrift te vervaardigen. Maar de behandeling van deze stof was hem ook bijzonder aangenaam, doordat zij zijn geest de gelegenheid bood te dolen in de wondertuin van het Oosten, waar zich de meest indrukwekkende geschiedenissen der Oudheid hadden afgespeeld. Dit moet voor de tot de adel opziende jonkman een bijzondere bekoring gehad hebben. En geheel in de geest van de hoofse

 1  Alexanders Geesten, kritische uitg. door J. Franck, Groningen, 1882, van het Duits gekleurde handschrift uit het midden van de veertiende eeuw. Over de fragmenten van drie Vlaamse handschriften zie lit. opgave bij A. van Elslander, VMA, 1953, p. 123, noot 2; in dit artikel (p. 123-157) publiceert Van Elslander een onuitgegeven fragment van Alexanders Geesten. Over het werk J. Koopmans, Taal en Letteren VIII, 93 vlg. en J. te Winkel, Ontwikkelingsgang I2, 208-12. - Voor de datum zie Van Mierlo, Uit de Strophische Gedichten van Jacob van Maerlant, Zwolle, 1954, 9, en dez., Jacob, die coster van Merlant, Gent, 1952, 7 (van de overdruk).


[p. 120]

ridderroman wijdt hij ook aandacht aan de vrouwenfiguren, waarmee zijn onderwerp hem in aanraking bracht.

Dat wil zeggen: hij zócht de kennismaking; bij De Châtillon figureren deze dames namelijk niet. En hij beschrijft haar alleraardigst, de schoonste van allen, de koningin Talrestis. Ongetwijfeld: de hele Alexandergeschiedenis kon voortreffelijk dienst doen als vorstenspiegel, ja, meer dan dat: er viel voor een iéder wat te leren, al was het alleen maar de waarheid van de onbestendigheid van alle aardse grootheid. Maar deze onbestendige grootheid was dan toch maar belangwekkend en aantrekkelijk! Zij wist de dichter in Jacob van Maerlant tot op zekere hoogte te bezielen.

Omstreeks 1263 schreef Van Maerlant zijn laatste werk in dit genre, de Historie van Troyen 1  , verwerking van de Roman de Troie van Benoît de Sainte-Maure die Segher Diergodgaf reeds bewerkte. Terwijl echter Segher Diergodgaf 2   slechts een klein gedeelte van Benoît de St.-Maures werk bewerkt had, ging Jacob van Maerlant ertoe over het gehele werk te vertalen en uit te breiden, tot het nog een tienduizend regels meer telde dan het oorspronkelijke, en op meer dan 40.000 regels kwam. Het aantrekkelijke in Maerlants oog was zonder twijfel, dat Benoît de hoofdinhoud van zijn roman geput had 3   uit twee in de middeleeuwen veel gelezen geschriften van Dictys Cretensis en Dares Phrygius, van wie men, ten onrechte overigens, aannam dat zij ooggetuigen van de Trojaanse oorlog waren geweest (zij schreven hun werken in het Grieks). Daar kwam nog bij, dat Dares de zijde houdt van de Trojanen, van wie ook de Franken en Britten geacht werden af te stammen 4  . Jacob van Maerlant laste echter ook allerlei aan Statius, Ovidius en Vergilius ontleende verhalen, alsmede ‘wetenschappelijke’ gegevens in (b.v. een geografisch overzicht van de gehele wereld). Hierdoor werd, naar Knuttels aardige opmerking, het zwaartepunt voldoende verlegd om te kunnen zeggen: Benoît schreef een historische roman, Van Maerlant romantische historie 5  .

 1  Uitg. door J. Verdam, Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen, Groningen, 1873. Later volledig uitgegeven door N. de Pauw en E. Gailliard, Dit is die Istorie van Troyen van J.v.M., Gent, 1889-92, vier delen. Een studie over De fragmenten van de Istory van Troyen schreef A. van Elslander in De Gulden Passer XXV, no. 1 en 2.
 2  Zie hier p. 116 vlg.
 3  Vgl. J. te Winkel, Ontwikkelingsgang I2, 204-8.
 4  E.R. Curtius, a.w., 60 noot 4. Over deze werken dez., 183.
 5  J.A.N. Knuttel, Segher dien God gaf en de hoofsche liefde, De Gids, (1938) I, 92.


[p. 121]

In de Historie van Troyen behandelt Jacob van Maerlant allereerst de voorgeschiedenis: de tocht van de Argonauten en de eerste verovering en verwoesting van Troje; als Priamus dan de stad weer heeft opgebouwd en Helena is geschaakt, volgt het tweede, eigenlijke beleg van Troje, daarna de verwoesting. Geleidelijk heeft Maerlant de tekst van Benoît laten varen en vervangen door die van Vergilius' Aeneis. Het grootse en tegelijk eenvoudige van de oorspronkelijke sfeer heeft bij Maerlant plaats gemaakt voor een hoofse avonturenroman met liefdeselementen: ook hier blijkt wederom, dat Maerlant wel degelijk gevoel heeft voor het lyrische levens- en liefdesgevoel, al moet hem de verzuchting van de lippen: ‘ongestadich es vrouwenmoet’; maar - voegt hij eraan toe - men moet de vrouwen hun wuftheid en lichtzinnigheid vergeven terwille van Maria, ‘die wortel es van hovesceden, van doechden ende edelheden’.

Arturromans

1. Ontstaan van de Arturromans

Het grootste deel van de hoofse romans ontleent zijn stof echter niet aan gegevens uit de klassieke oudheid, maar behandelt stoffen 1   met betrekking tot koning Artur en zijn ridders; zij vormen het schitterend middelpunt, waarom deze geschiedenissen in hoofdzaak draaien.

De bewerkingen van wat men 2   genoemd heeft de ‘matière de Bretagne’, wijken, voor wat hun stofkeus en de daarin weergegeven opvattingen betreft, aanzienlijk af van die der schrijvers van de vóórhoofse epische verhalen. De vóorhoofse verhalen waren gebaseerd op stoffen uit de heldensage; zij werden geacht figuren uit de ‘nationale’ historie te beschrijven of te huldigen. Bij het tot stand komen van de romans die de ‘matière de Bretagne’ bewerken, speelt mogelijk óók een rol de behoefte het Britse volk een heerser te verschaffen die als tegenhanger van Karel de Grote kon dienen 3  . Curieuzer nog: de An-

 1  Over heel deze materie allereerst Arthurian literature in the Middle Ages, a collaborative history, ed. by R.S. Loomis, Oxford, 1959; vervolgens J.D. Bruce, The evolution of Arthurian Romance, from the beginnings down to the year 1300, Göttingen, 1923, twee delen.
 2  Sinds Jean Bodel: La chanson des Saxons (vs. 6 vlg.), van ongeveer 1200:
Ne sont que trois matières a nul home antandant:
De France et de Bretagne et de Rome la grant.
 3  K.O. Brogsitter, Artusepik, Stuttgart, 1965, p. 29.


[p. 122]

glo-Normandische vorsten, die oorspronkelijk uiteraard niets met de ‘local tradition’ van de Keltische volken te maken hadden, kennen een soortgelijke bedoeling ten aanzien van zichzelf: zij assumeren als het ware de nationale held van door hen onderworpen volken (ten eigen bate!: een soort ideaal dat zij hun ‘mede-kolonisten’ voorhouden). Vooràl echter ontstaat als literair resultaat een reeks werken, waarin de hoofse mentaliteit (in-bredere-zin) wordt uitgedrukt in een gefantaseerde ridderwereld (vooral rond de ridders van de Tafelronde). Artur is niet meer de grote krijger, in veten en problemen verwikkeld, strijdbaar en strijdend; hij is veel meer primus inter pares, het waardige hoofd van een naar twaalfde-eeuwse trant gestileerde ridderwereld, de grandseigneur, wiens hof het middelpunt is van de dapperste ridders van zijn tijd. Deze ridders worden niet voortdurend (zelfs heel weinig) geroepen te strijden voor hun koning, voor een echt vaderland; hun ‘avonturen’ schijnen veeleer hun doel in zichzelf te dragen; die schijnen ‘nur Hochstilisierung des Lebensgefühls einer Ritterschaft, die ein Idealbild vor Augen haben wollte, das eher als eine Bestätigung ihrer Ansprüche dienen könnte’ 1  .

Het staat vast, dat aan de verhalen van Geoffrey over Artur en zijn ridders een Arturtraditie voorafgaat

Vanouds heeft het Keltische volk over een rijke letterkunde beschikt, uiting van een weelderige, zeer eigenaardige fantasie, met een hang naar het mysterieuze en wonderbaarlijke. De barden en druïden hebben vanaf de vroegste middeleeuwen deze fantasie vorm gegeven in liederen en kortere gedichten, die de toehoorders voor de geest brachten de strijd uit de zesde eeuw van de koningen van kleine Britse rijkjes tegen de Angelsaksen; zij verheerlijken Gwalhmai (de latere Walewein), Peredur (in de Franse literatuur Perceval), Uter Pendragon (later bekend als Arthurs vader), Owain (Iwein); zij noemen ook reeds Artur 1  .

De teksten hierover zijn aanwezig, in elk geval in het Welsh. De vraag die dan oprijst is, of er ook een literaire traditie op het continent bestaan heeft. Daar zijn stellig aanwijzingen voor. Het probleem ligt dán in de vraag, of de stof vanuit Wales (en Schotland) in het Anglo-Normandische Engeland (waar de aristocratie Frans sprak) bekend is geworden en vandaar over het continent is verbreid, dán wel of - en dat lijkt toch waarschijnlijker - die stoffen van Wales naar Bretagne

 1  K.O. Brogsitter, a.w., p. 2; verder p. 33, 41.
 1  K.O. Brogsitter, a.w., p. 2; verder p. 33, 41.


[p. 123]

zijn gekomen, eventueel behalve in Wales ook in Bretagne inheems waren, en toen door Bretonse vertellers in Frankrijk bekend zijn geworden. Op dit laatste wijzen de Bretons gekleurde eigennamen in de Oudfranse teksten, bijvoorbeeld in het werk van Marie de France en van Chrétien.

 

In het begin der 12e eeuw begon men zich aan het hof der Normandische koningen te interesseren voor de Britse liederen en overleveringen, die thans op hun historische waarde getoetst worden. Het beroemdste werk in dit verband is de Historia regum Britanniae van Geoffrey van Monmouth, een uit Wales afkomstige clerc, die in het Anglo-normandische koninkrijk leefde. Het werk dateert van ca. 1135 en werd door de schrijver tot geschiedverhaal gestempeld door het in het Latijn te kleden, maar vooral door het onderwerp te ontdoen van het historisch-‘verdachte’, te weten: van het al te wonderbaarlijke en fantastische. De nadruk valle op ‘al’, want hoezeer waarschijnlijk is dat hij veel oud Kymrisch sagenmateriaal bezat dat op historische feiten teruggaat, hij bracht tegelijkertijd van links en rechts uit allerlei geschriften, fabelen en folklore zoveel motieven bijeen en vlocht die zo handig door elkaar, dat zijn werkwijze niet wezenlijk verschilt van die der oude Kymrische fabulatoren 1  . Hij is - of liever: hij lijkt in onze ogen! - geen historicus, maar een romanschrijver 2  .

De geweldige opgang intussen die Geoffreys werk maakte, bracht de figuur van Artur, diens hoofse ridders en hun wonderbare avonturen in het middelpunt van de belangstelling; het gaf de grote stoot tot de vorming van de literaire creaties met betrekking tot deze materie. Vanaf dit moment (ca. 1150) doet de Britse sage haar intrede in de continentale letterkunde.

Alspoedig daarop komen dan - mogelijk uit de oude Keltische sagen en sprookjes, en uit de latere verhalen en lais over Artur en zijn ridders - de grote epische gedichten tot stand, waarvan de stof vooral gebruikt wordt om gestalte te geven aan de, op Franse bodem ontstane, idee

 1  Over Geoffrey van Monmouth, E.K. Chambers, Arthur of Britain, London, 1966 (eerste druk: 1927), en Geoffrey of Monmouth, The Historia Regum Britanniae, ed. by A. Griscom, London 1929, en het instructieve Geoffrey of Monmouth, The History of the kings of Britain, translated with an introduction by Lewis Thorpe, Harmondsworth, 1966 (Penguin Books).
 2  H. Sparnaay, De Arthurroman, 4.


[p. 124]

van de courtoisie. Maar reeds Geoffreys Historia geeft een duidelijk beeld van een hoofse samenleving, en wel aan het hof van koning Artur: de meest beschaafde staat van de toenmaals bekende wereld krachtens zijn weelderigheid, zijn elegance, de grote rol van de vrouw. J. Frappier heeft gewezen op een zeer kenmerkende plaats - zozeer afwijkend van wat de chansons de geste uitbeelden, - nl. die waarin de ‘mulieres’ van de hoogte der muren kijken naar de ridderlijke toernooien. Opvallender nog deze zin: ‘Les dames courtoises ne daignaient agréer l'amour d'un chevalier que si trois fois au moins il avait fourni des preuves de sa vaillance au combat. Il s'ensuit que les dames se conduisaient chastes 1   et que leur amour ennoblissait les chevaliers’. Een duidelijk voorbeeld van de amour chevaleresque, twintig jaar vóór de klassieke romans. J. Frappier noemt dit (1136) ‘une date où ne peut se déceler la moindre infiltration méridionale dans la littérature d'oïl’ 2  .

Van groot belang was de bewerking van Geoffreys werk in verzen door de zeer begaafde Normandische verteller Wace: de Roman de Brut, ook wel Geste des Bretons geheten (1155). Hij zette daarin Geoffreys werk over in achtlettergrepige Franse verzen, de maat die Chrétien en velen na hem voor de hoofse romans zullen kiezen. Wace droeg dit werk op aan Eleonora van Aquitanië. Wace is de eerste die spreekt over de ‘ronde tafel’ 3  .

 

Aldus in Frankrijk voorbereid door de kennis van de oude sagen en verhalen om de figuur van Artur, door Geoffrey van Mommouth, door de belangstelling van de ridderlijk-hoofse cultuur in Frankrijk-zelf, door de kruistochten en de ermee samenhangende religieuze stromingen van die tijd, die ertoe leidden de stof diepere zin te geven door haar te ver-

 1  Met dit ‘chastes’ is bedoeld: ingetogen.
 2  Frappier concludeert - ook op grond nog van andere gegevens die hij min of meer uitvoerig behandelt - tot het bestaan van een courtoise verbinding tussen liefde en ridderschap in het noorden vóór er sprake is van enige invloed van de poëzie uit Occitanië. Zie hierover blz. 43. Hij meent zelfs, dat deze ook aan te wijzen is in in Duitsland geschreven werken (het Latijnse Ruodlieb, elfde eeuw, tegen 1030, de Kaiserchronik, op zijn laatst 1150). J. Frappier, t.a.p., 156. Van wezenlijk belang blijft dus de vraag naar de rol van Eleonora van Aquitanië, die in 1137 Lodewijk VII huwde.
 3  Geoffrey noemt in zijn Historia regum Britanniae de voorvaderlijke held van de bewoners van Bretagne een zekere Brutus, in zijn oog een Trojaan, kleinzoon van Aeneas (Kukenheim - Roussel, a.w., 53). Vandaar de naam Brut bij Wace.


[p. 125]

binden met de legende van de Graal, komt de nieuwe epiek in definitieve vorm tot stand in het werk van Chrétien de Troyes (ca. 1135-ca. 1190), de grondlegger van de Europese roman krachtens de invloed van zijn Erec et Enide, Cligès, Lancelot ou le Chevalier de la Charrette, Guillaume d' Angleterre, Yvain, en Perceval of Le conte du Graal, die wel tussen 1170 en 1190 geschreven zijn 1  . Hij werkte aan het hof eerst van Marie, gravin van Champagne, later aan dat van Philips, graaf van Vlaanderen, aan wie zijn graalromanis opgedragen. Chrétien heeft op geniale wijze uit zijn bronnen en bestanddelen de beroemde Britse sagenwereld om koning Artur geschapen, die de Europese literatuur tot de dag van vandaag beïnvloedt: de ‘matière de Bretagne’. Chrétiens schepping is overigens geen creatie uit het niets; Chrétien kende Geoffrey en de Brut, maar waarschijnlijk heeft hij ook veel aan Keltische overlevering ontleend, verder aan veel wat in de literatuur vóor hem overgeleverd was; maar hij heeft dit alles door het genie van zijn kunstenaarschap een geheel eigen vorm en zin gegeven, die de Arturroman zijn karakteristieke vorm gaf en voorbeeldig maakte voor na hem gekomenen. Hij deed dit met name door de stof te doen dienen als achtergrond, waartegen de stralende figuur van de ideale held, het ideaal van het hoogontwikkelde, gecultiveerde ridderwezen der twaalfde eeuw in al zijn heerlijkheid uitkomt. Uit Chrétiens romans vooral is deze letterkundige stof en de erin levende grondgedachte verder over Europa verbreid 2  , in Duitsland, waar Hartmann von Aue in Erec en Iwein, en Wolfram von Eschenbach in Parzival drie Arturromans van het ‘min of meer volmaakte type’ 3   schreef 4  , - èn in de Nederlanden waarover wij verderop te spreken komen.

 1  Voor de chronologie der werken zie K.O. Brogsitter, a.w., 42. Over Chrétien de Troyes het beknopte, samenvattende werk van J. Frappier, Chrétien de Troyes, Paris, z.j. [1957] en S. Hofer, Chrétien de Troyes. Leben und Werke des altfranzösischen Epikers, 1954. - Het is overigens onzeker of Guillaume d'Angleterre van de hand van Chrétien is.
 2  Jan te Winkel, Ontwikkelingsgang I, 252-274; H. Sparnaay, De Arthurroman, 8; J. Frappier, Le roman breton, 1949; J. Vernon, The dwarfs of Arthurian romance and Celtic tradition, Leiden, 1958.
 3  H. Sparnaay, De Arthurroman, 10.
 4  Voor de studie van Wolframs Parzival en daarmee van de hele Parcival-kwestie is van uitzonderlijk belang de kwestie of Wolfram zijn werk baseerde op Chrétiens Conte del Graal, of een andere bron gebruikte die als Kyot (Guiot) te boek staat. Sommigen menen dat Kyot louter verzinsel is; Kolb meent, dat Wolfram zich wel degelijk door een romaanse Graalroman heeft laten leiden, die niet de Conte del Graal van Chrétien was. Aldus H. Kolb, Munsalvaesche. Studien zum Kyot-problem, München, 1963 (hierover N. de Paepe, Leuvense Bijdragen, 1966, 174-5, die door Kolb overtuigd is).


[p. 126]

Enkele werken van Chrétien, die ook in het Nederlands bewerkt werden, dienen apart vermeld in verband met de opvallende belangrijkheid van hun thematiek en ideeënwereld. Chrétien had een duidelijke bedoeling met het schrijven van zijn romans; hij wilde niet het verhaal om het verhaal - hij verzet zich nadrukkelijk tegen degenen die alleen door het relaas van avonturen de aandacht willen boeien -; hij schrijft omwille van de problematiek; hij drukt in de matière de Bretagne een diepere sen uit, een wezenlijk probleem van zijn tijd 1   die niet meer leefde uit de imperiale, resp. strijdbaar-feodale opvattingen die de tijd van Karel de Grote hadden gekenmerkt, maar veeleer uit die van een ‘zur höfischen Gesellschaft sich wandlenden europäischen Menschheit’ met haar ideaal van de volmaakte ridder. Deze naar het volmaakte strevende ridder ‘lebt in einem scheinbaren Müsziggang,

 1  Een geheel aparte plaats neemt in dit verband in Chrétiens roman Lancelot (Chevalier de la Charrette, ca. 1180). Hij schreef dit werk in opdracht van Marie de Champagne: zij verschafte hem ook ‘matière et san’. Lancelot is het verhaal van de ridder die zich omwille van zijn geliefde vorstin de ongehoorde schande getroost een tocht te maken op een kar. Een extreem liefdesgeval dus, waarbij de ridder bereid is de regels van de ridderschap achter te stellen bij de plichten van de liefde. In het milieu van Marie de Champagne een begrijpelijk geval, voor Chrétien mogelijk een moeilijk te verteren opdracht.
Men stelt doorgaans, dat het werk van Chrétien voor het overgrote deel gekenmerkt is door de hoofse geest in bredere zin, maar dat hij zich bij herhaling met nadruk tégen essentiële elementen uit de amour courtois keert, tegen de opvattingen ook waaruit Tristan en Isolde leven (sommigen beschouwen Cligès als een anti-Tristan). Noch de buitenechtelijke liefde van de troubadours, noch de amour-passion uit de Tristanromans vinden genade in zijn oog. In dit verband is zijn geschiedenis van de ridder met de kar, waarin hij de opvatting weergeeft van de liefde als opperste macht, gedemonstreerd aan een extreme situatie, zeer opmerkelijk. Opmerkelijk is ook dat hij, om welke reden dan ook, het werk niet voltooid heeft.
In één opzicht correspondeert Chrétien met de fin'amors en andere elementen uit de amour courtois, namelijk in zijn voorkeur voor de analyse en verfijnde schildering van de bewegingen der liefde in sierlijke verzen. ‘Je veux aimer’, zeggen Alexander en Soredamors in Cligès, zoals al in de Enéas Lavinia haar ‘ondergane’ liefde omzette in een gewilde. Het aanvankelijk vertroebelend sentiment wordt van innerlijke vijand tot gewilde voorkeur: men geeft ‘l'analyse du tourment amoureux et sa conciliation avec la volonté et la liberté des amants’, J. Frappier, Vues, 153. Vgl. ook Erich Köhler, Trobadorlyrik und höfischer Roman, 1962.
Over Chrétiens Roman de la Charrette R. Bezzola, Liebe und Abenteuer, 39-51.
Voor Chrétiens opvattingen m.b.t. de sen zie hier p. 65.


[p. 127]

und beschäftigt sich nur mit der Liebe und der Jagd. Es gibt da keine gemeinsame Unternehmung gegen einen äuszeren oder inneren Feind des Reiches, wie in den Chansons de Geste der Karlssage. Aber der Artushof hat eine Funktion, die dem Karlshof noch unbekannt war: Er ist der Ausgangsort und bildet die Krönung des groszen Abenteuers des individuellen Lebens, zu dem der auserwählte Held berufen wird. Dieses Abenteuer besteht in allererster Linie in der Verteidigung einer gerechten Sache gegen Wesen - Menschen, Riesen, Ungeheuer -, die die Verneinung des Rittertums darstellen. In diesem Abenteuer oder, besser gesagt, in dieser Kette von auszerordentlichen und unterschiedlichen Abenteuern hat der Held Gelegenheit, das Ideal des Rittertums zu verwirklichen, von dem er vielleicht bei seinem Auszug nur eine unklare Vorstellung hatte. Die Abenteuerkette des Ritters, der von der Tafelrunde auszieht, um zu ihr nach vollendeter Tat zurückzukehren und vom Hof die Sanktion seines Tuns zu erhalten, ist im Grunde genommen nichts anderes als eine Quête, eine Suche seiner selbst, nicht nur als Individuum, sondern als Glied der auf ein sittliches Ideal aus-gerichteten Gesellschaft, als Persönlichkeit’ 1  , 2  .

Van bijzonder belang is in dit verband zijn Perceval, ook wel geheten Le conte du Graal (1181-1190). Hij vervaardigde dit werk in opdracht van graaf Philips van Vlaanderen. Philips' familietraditie werd minder door de leer der hoofse liefde dan door religieuze inspiratie beheerst. Zoals de ondertitel aangeeft, bracht Chrétien de ridderfiguur in verband met de Graal. In zijn roman is Perceval de ridder die zich in moeizame zelftucht ontwikkelt tot de volmaakte ridder, wie het gegeven zal zijn de graal te winnen.

Chrétien de Troyes' dichtkunst krijgt in deze roman een duidelijk religieuze zin. Voldeden de idealen van de zichzelf genoegzame ridderwereld niet langer? 3  

 1  R. Bezzola, Liebe, p. 249-50 (deze bladzijden vind ik niet terug in de oorspronkelijke Franse tekst Le sens).
 2  Dit is wel de diepste grond waarom de dichter van de hoofse roman geen behoefte had aan uitbeelding van de bestaande wereld; hij kon veel gemakkelijker in een door de fantasie opgeroepen wereld en door middel van fantasievoorstellingen - waarvoor hij de wereld van de keltische sagen gebruiken kon - zijn problematiek stellen en uitbeelden. Hij kon daarbij niet worden lastig gevallen door degenen die de ‘realiteit’ van de verstrekte gegevens wilden verifiëren.
 3  Perceval, het verhaal van de Graal, behandelt de geschiedenis van de jonge Parcival, die, in de eenzaamheid opgevoed door zijn moeder, op het zien van voorbijtrekkende ridders, het ridderbloed in zich voelt ontwaken, naar Arturs hof trekt, en dan op avontuur gaat. Een man die zit te vissen, biedt hem zijn kasteel als nachtverblijf aan. In deze wonderbare burcht ligt, omgeven door vierhonderd ridders, de Roi-Pêcheur ziek op een rustbed, lijdende aan een wonde. Een stoet komt de zaal binnen: een schildknaap draagt een lans, waarvan bloed neerdruppelt; een jonkvrouw heft een kostbare, uit zuiver goud vervaardigde, met edelstenen rijk bezette schaal, de Graal; een andere jonkvrouw een zilveren schotel. Gedachtig een hem gegeven raad, stelt Parcival geen vragen, met het gevolg dat alles verdwijnt. Ontmoedigd zet hij zijn omdolingen voort in een leven vol verwarring, tot hij tenslotte tot inkeer komt. Hij verneemt dan, dat de Graal een hostie bevat, die de zieke koning reeds vijftien jaren in leven houdt.
Heeft Chrétien de Troyes in zijn werk aanduidenderwijs tegenover de wereldlijke ridder Walewein willen stellen de geestelijke ridder Perceval die, bezield door het hoogste christelijke ideaal van de Graal, de verleidingen van de wereld overwint en de volmaakt christelijke ridder wordt?
E.R. Curtius, a.w., 122, schrijft n.a.v. Bernardus Silvestris over de ‘Atmosphäre eines Fruchtbarkeitskultus, in dem sich Religion und Geschlechtlichkeit vermischen. Wir kennen das im Mittelalter sonst nur aus den Andeutungen einiger Gralromane. Der jugendliche held der Gralsage kommt in ein ödes Land, wo Wasser und Wachstum versiegt sind. Sein Herrscher ist der sieche Fischerkönig, den nur das Wundergefäsz des Gral am Leben erhält. Was ist sein Siechtum? Manche Bearbeitungen verhüllen es euphemistisch, andere sagen es: der Verlust der Mannbarkeit - also dasselbe, was die Verstümmelung des phrygischen Attis, die Todeswunde des Adonis bedeutet. Die Heilung des Priesterkönigs wird das schmachtende Land erlösen; denn das Siechtum des Königs ist der Grund, weshalb das Land verdorrt. Antike Vegetationskulte scheinen sich in der Spätantike mit der Symbolik der Eucharistie verschmolzen zu haben. Dieser Komplex ging dann in die Artussage und den höfischen Roman über. In den meisten (doch nicht in allen) späten Bearbeitungen hat er durch verständnislose Weiterdichter, aber auch durch Korrektur mit kirchlicher Tendenz, seinen ursprünglichen Sinn gänzlich verloren’. Voor de werken waaraan Curtius zijn opvatting ontleent zie a.w., 122, noot 1. - Een knappe hypothese in L. Olschki, The Grail castle and its mysteries, transl. from the Italian by J.A. Scott and edited, with a foreword by Eugène Vinaver, Manchester, 1966.


[p. 128]

Chrétien heeft dit werk niet voltooid, maar verschillende auteurs hebben zich met de voltooiing beziggehouden, zodat een reusachtig graalepos van zestig- tot zeventigduizend versregels ontstond. Naderhand werd het ook, in proza omgezet, opgenomen in de grote cyclische omwerkingen van de Artur- en graalverhalen 1  .

 

Van grote betekenis voor de versterking van het religieuze element in de romankunst was het werk van Robert de Boron. Het stond aanvan-

 1  Over Chrétien de Troyes en de graalgeschiedenis zie Leo Pollmann, Chrétien de Troyes und der Conte del Graal, Tübingen, 1965. Over de verbreiding van de stof uit Chrétien de Troyes' romans over Europa en de bewerking ervan J. Frappier, Le roman breton, 1949; J. Vernon, The dwarfs of Arthurian romance and Celtic tradition, Leiden, 1958.


[p. 129]

kelijk in geen enkel verband met de Arturromans of de Artur-idee. In De Borons Roman de l'Estoire dou Graal is de Graal 1   duidelijk de schaal waarin Jozef van Arimathea het bloed van Christus had opgevangen. Dit dichtwerk, waarvan de datering onzeker is (de meeste geleerden nemen aan, dat het geschreven is nà Chrétiens Perceval, die gedateerd wordt op ca. 1185) is van de christelijke gedachte uit geschreven. Het kent geen verbinding met Artur. Dit is wel het geval in zijn Merlin, waarvan ons echter maar een fragment bewaard is gebleven.

Robert de Boron had zijn graalromans verder willen voortzetten dan hij gedaan heeft.

 

Wat Robert niet heeft gedaan 2  , gebeurde naderhand (omstreeks 1200), toen de boeken van Robert de Boron in proza werden omgewerkt en ‘voltooid’ met wat de hoofdzaak geacht werd: de geschiedenis van Perceval. Aan deze omwerkingen in proza werd nog toegevoegd die van een Livre d'Artus.

Hierboven 3   is deze opvallende overgang van versvorm naar proza eind twaalfde, begin dertiende eeuw in de Franse letterkunde al ter sprake gebracht. Hij demonstreert de behoefte aan ‘historische’ waarheid, die men in proza beter gewaarborgd achtte dan in versvorm.

De band met de ‘historie’ was inderdaad tegen 1200, bijvoorbeeld in de Arturromans, steeds losser geworden; een auteur als Chrétien had duidelijk níet de bedoeling een fragment ‘historie’ vast te leggen; historische gegevens (feitelijkheden) zijn voor hem c.s. uitgangspunt voor dichtwerken waarin de diepere zin van liefde en avontuur voor de hoofse tijd, waarin men leefde, tot uitdrukking gebracht kon worden in veeleer symbolische verhalen.

Tegen en in de dértiende eeuw nu verandert dit - in tal van gevallen - essentieel: men wil de ‘naar alle kanten uitgedijde “matière de

 1  Over de betekenissen en de etymologie van het woord graal K.O. Brogsitter, a.w., p. 60-2, alwaar ook literatuuropgave. - Voor Robert de Boron en zijn werk zie L. Kukenheim et H. Roussel, Guide de la littérature française du moyen âge3, Leiden, 1963, 42, 83, 84, 179.
 2  De vraag is: héeft hij het niet kunnen doen, of heeft hij het misschien wel gedaan, maar zijn de teksten ons niet overgeleverd?
 3  Inleiding dertiende eeuw, p. 32.


[p. 130]

Bretagne” weer inpassen in een “historisch” relaas, niet alleen om een “ware geschiedenis” van Arturs regering te schrijven, maar ook om een verband te herstellen waarvan de grootsheid en de volledigheid de dertiende-eeuwer waarschijnlijk meer hebben aangesproken dan de poëzie en het sprookjesachtige van de oudere romans in verzen’ 1  . Men deed het ook om de nieuwe religieuze idealen tot uitdrukking te brengen (door middel van de graal). De auteurs willen de bekende Arturstof dienstbaar maken aan de ascetisch-religieuze bedoelingen van Cîteaux, van het ‘strijdbare, ridderlijke Christendom der Cistercienzers in de twaalfde eeuw’ 2  , - zulks ten bate van de ridderschap.

Daartoe handelt het over de avonturen van ridders, op zoek naar de heilige Graal, waarvan de bereiking einddoel en bekroning van alle ridderlijk streven wordt. De aardse ridderschap wordt hier tot geestelijke verdiept, de avonturen krijgen mystiek-symbolische zin. Géen louter verhaal over ridderlijke avonturen dus, maar verbeelding van een nieuwe wereld van religieus-mystieke aard en in de ‘queste’ uitgesproken ascetische idealen 3  .

 

Nauwelijks enkele tientallen jaren later werd daaraan toegevoegd een nieuwe reeks prozawerken. Als eerste de zeer uitgebreide prozaroman over de geschiedenis van Lancelot, de Lancelot en prose. Aan deze Lancelot en prose werd later toegevoegd La queste del Saint Graal en La mort le roi Artu 4  .

Deze romans rond Lancelot ontstonden vermoedelijk tussen 1215 en 1230. Zij vormen, naast Chrétiens dichtwerk waarop zij geïnspireerd zijn (meer dan op dat van Robert de Boron) met de Tristan, het belangrijkste werk van de Franse literatuur rond de persoon van Artur. Men neemt aan, dat verschillende auteurs aan het werk hun aandeel hadden, maar dat éen (of meer) ‘redacteuren’ verondersteld moeten worden, dit op grond van de speciale techniek die de onderdelen in elkaar doet haken 5  .

 1  W.P. Gerritsen, Ragisel I, 153-4.
 2  M. Draak, Palet, 164-5.
 3  J. Frappier, Arthurian Literature in the Middle Ages, Oxford, 1959, 245-318.
 4  Over deze techniek van het ‘entrelacement’ vooral F. Lot, Etude sur le Lancelot en prose, Paris, 1918 (herdrukt 1945).
 5  Wanneer men een en ander schematisch bijeen zet, krijgt men het volgende beeld:
a. ca. 1191, vóór 1212: de dichtwerken van Robert de Boron:
Li livres dou Graal, bestaande uit 1. Joseph d'Arimathie
(ook: Le roman di l'Estoire du Graal)
2. Merlin
(alleen fragmentarisch overgeleverd)
3. ...............(niet overgeleverd)
b. omgewerkt in proza, welke omwerking tenslotte resulteert in een vijfdelige cyclus, de Vulgaat (tussen 1215 en 1230):
1. Estoire del Saint Graal
2. Estoire de Merlin
(bestaande uit: Merlin en prose,
Suite (Vulgate) de Merlin)
3. Lancelot en prose
4. Queste del Saint Graal
5. Mort le roi Artu
De kern wordt gevormd door 3, 4, 5, die soms is uitgebreid met twee voorafgaande romans, 1 en 2.
Uitgave van alle teksten H. Oskar Sommer, The vulgate version of the Arthurian Romances, zeven delen met index, Washington, 1908-16. Over De Middelnederlandse vertalingen van de Proza-Lancelot, M. Draak, Meded. Kon. Ned. Akad. Wetensch., Nieuwe Reeks XVII, afd. Letterk., Amsterdam, 1954, 193-242, en W.P. Gerritsen, Ragisel I, 152 vlg.


[p. 131]

Enkele woorden over deze prozaromans over Lancelot. Het eerste deel, de Lancelot propre handelt over de, overspelige, liefde van Lancelot voor Genovere. Deze liefde inspireert de ridder tot de gevaarlijkste avonturen, en doet hem alle vernedering geduldig dragen: ‘Gi moget wel seggen - voegt de koningin Lancelot toe - dat ge mine minne dier hebt gekocht daarbi’, waarop Lancelot antwoordt: ‘Ic ware niet comen te also groter hoecheden, alsic ben opten dach van heden, ne haddic niet soe wel met u gewezen’. Het ongeoorloofd karakter van deze liefde echter belet Lancelot de Graal te winnen. De eer hiervan is weggelegd voor Galaäd.

Als Galaäd, in het vervolg op de Lancelot, nl. de Graalqueste, plaats neemt in het ‘vreselike sitten’, blijft hij ongedeerd, - bewijs dat hij de toekomstige graalwinnaar is. Als hij echter inderdaad een blik geworpen heeft op de onuitsprekelijke geheimenissen van de Graal, bidt hij de aarde te mogen verlaten. Hij sterft, en de Graal wordt ten hemel opgevoerd.

Het tweede vervolg, Arturs dood, verhaalt van de strijd van Artur tegen Lancelot, wiens liefde voor Genovere bekend is geworden. Door bemiddeling van de paus stemt Artur erin toe Genovere, die door Lancelot geschaakt was, weer tot zich te nemen. In een strijd met zijn zoon Mordred die door hem gedood wordt, wordt Artur levensgevaar-

[p. 132]

lijk gewond; hij verdwijnt op een geheimzinnige wijze van het aardse toneel; Lancelot wordt kluizenaar en Genovere beëindigt haar leven in een klooster: ‘de deemstering dier ridderwereld’ 1  .

 

Van deze werken nu bestaan tal van bewerkingen in andere talen, ook in het Middelnederlands. Merkwaardig genoeg, worden Franse teksten dan weer, opnieuw, in vérsvorm omgezet.

Om de plaats en betekenis van de Nederlandse romans te begrijpen, was het nodig de Franse iets uitvoeriger te bespreken. Te bedenken valt, dat wat in Frankrijk na elkaar geschreven werd, in de Nederlanden min of meer als éen geheel gezien werd, waaruit naar voorkeur of omstandigheden vertaald of bewerkt werd.

Maar lang niet alle Arturromans zijn bewerkingen of vertalingen van Franse. Wij hebben te beginnen - ook chronologisch - met geheel oorspronkelijk Nederlandse.

 1  J. van Mierlo, Gesch. Lett. Ned. I, 160.

2. De Middelnederlandse Arturromans

Walewein

Een van de oudste Arturromans, nl. de Walewein, is meteen al een van de merkwaardigste en belangrijkste. Het is dan ook gerechtvaardigd juist naar aanleiding van dit werk eerst te handelen over de ‘wereld’ waarin de hoofse roman zich over het algemeen beweegt. Deze ‘wereld’ stamt voor een groot deel uit het werk van Chrétien de Troyes.

De hoofse epiek, zoals die vooral door Chrétien de Troyes gerealiseerd werd, onderscheidt zich in artistiek opzicht aanzienlijk van de overige verhalende werken uit dezelfde tijd. Globaal samengevat 2   kan men zeggen, dat zij zich aan ons voordoet als een duidelijke schepping van de verbééldingskracht. De verhaalde gebeurtenissen hebben - in tegenstelling bijvoorbeeld met wat de bedoeling is van de Karelromans - geen betrekking op enige historische of geografische werkelijkheid. De figuur van koning Artur maakt de indruk uit een ver verleden te stammen; leven en bedrijf aan zijn hof lijken een weerspiegeling van de hoofse, ridderlijke maatschappijvorm van de twaalfde

 2  Het volgende berust mede op E. Auerbach, Mimesis, Bern, 1946, 123-40, en Erich Köhler, Ideal und Wirklichkeit in der höfischen Epik, 1956; vgl. ook K.O. Brogsitter, Artusepik, 47 vlg.


[p. 133]

eeuw. Bij nader inzien echter blijkt deze wereld voorgesteld te zijn in sterk geïdealiseerde en geabstraheerde vorm. Deze vorm geeft veeleer een droomwereld, een ideale verbeelding van een gewénste, níeuwe levensvorm.

Een roman als onze Walewein, om een sprekend voorbeeld te noemen, speelt zich af in een door de fantasie opgeroepen wereld. Men treft, spaarzaam, ‘realistische’ verwijzingen aan naar plaatsen en streken; deze verwijzingen bezitten weinig of geen kracht van bewijs in geografisch opzicht. Als koning Assentijn en Isabele geacht worden ‘verre in gont Endi’ of ‘inden casteel van Endi’ (resp. vs. 3457, 4930) te leven, betekent dit niet, dat men Waleweins tocht op een kaart naar b.v. Indië (als Endi dat zou betekenen 1  ) zou kunnen uitstippelen; vermeldingen als deze gelden niet als zakelijke mededelingen; zij zijn om met Kant te spreken, geen logische ideeën, maar esthetische: zij roepen door hun naam, de klanken ervan, de suggestie op van een verre resp. hogere wereld. - Koning Arturs hof wordt voorgesteld te verblijven in Wales; de koning en (of) zijn ridders kunnen intussen plotseling in Bretagne of in Nantes zijn zónder dat over de tussenliggende zee of van enige overtocht gesproken wordt 2  .

Wat voor de geografie geldt, geldt ook voor de bewoners van deze wereld: zij treden op als vertegenwoordigers van een bepaalde stand, en dan eigenlijk alleen nog maar met de kenmerkende eigenaardigheden van die stand. En doorgaans treden zij alléén op: burgers en heel de burgerlijke wereld met steden en dorpen bestaat in dit verbeeldingsrijk niet; uit de niet-ridderlijke wereld treedt alleen nogal vaak de dwerg naar voren, doorgaans als incarnatie van het kwaad of het kwade.

Overziet men de activiteiten van de hoofdpersonen uit deze romans, dan blijken deze overwegend te bestaan uit wapenfeiten, die op hun beurt als zodanig ook weer los staan van elke realistische mogelijkheid. Deze wapenfeiten worden veelal gesteld in verband met de liefde, die ertoe aandrijft. Een dichter als Chrétien vertelt daarover sierlijk en elegant; hij beschikt over een verfijnde psychologische kennis van

 1  E.R. Curtius, Europäische Literatur4, 169, spreekt over een ‘Indientopik’: in Indië bekend zijn, gold voor de hoogste roem; het is het verstverwijderde deel van de aarde; zijn heerschappij over Indië uitbreiden betekent een maximum aan macht.
 2  Voor wat het landschap bij Chrétien de Troyes betreft, zie M. Gsteiger, Die Landschaftsschilderungen in den Romanen Chrestiens de Troyes. Literarische Tradition und künstlerische Gestaltung, Bern, z.j. [1957].


[p. 134]

zaken. Achter deze activiteiten en de beweegreden ertoe gaat, zeker bij Chrétien, een diepere problematiek schuil: de problematiek van de waarden in de nieuwe wereld, de spanning tussen ideaal en werkelijkheid, die gemakkelijk tot een crisis kan leiden: de helden van Chrétien zijn op zoek naar hun plaats in de wereld, hun taak daarin, in de naar een bepaald zedelijk ideaal strevende maatschappij die zich aan het vormen is, en waarin zich uit het individu de persoonlijkheid moet formeren.

Dit alles dus vindt men terug in de Walewein, een oorspronkelijk Nederlands werk, en een werk van bijzondere kwaliteit. De Walewein van Penninc en Vostaert dateert uit het begin van de dertiende eeuw (circa 1210). Penninc schreef het grootste eerste gedeelte (ongeveer tot vers 7840), Vostaert voltooide het werk met, zoals hij zelf zegt ‘omtrent drie ende dertich hondert verse’ 1  . Koning Artur, aldus het relaas, zit op zekere dag met zijn ridders aan tafel, als plotseling een geheimzinnig en kostbaar schaakbord door het venster naar binnen komt zweven en neerdaalt op de grond. Kort daarop verdwijnt het weer; de koning spreekt de wens uit het te bezitten. ‘Der avonturen vader’, Walewein, gaat erop uit om het schaakbord te bemachtigen. Het blijkt in het bezit te zijn van koning Wonder, de vorst die heerst over het rijk van het ‘wonder’, het buiten-gewone. Het meest wonderlijke vindt Walewein, dat in het rijk van koning Wonder de vrouwen gescheiden leven van de ridders. De koning wil Walewein het schaakbord wel afstaan, mits Walewein voor hem het zwaard met de twee ringen bemachtigt, dat in het bezit is van koning Amoraen. Dit zwaard doodt alles wat in zijn weg komt, alleen niet degene die is uitverkoren het te dragen. Walewein ontvangt het zwaard van koning Amoraen, maar moet als contraprestatie voor de koning de schone jonkvrouw Ysabele uit het kasteel van koning Assentijn in Indië gaan halen. Indrukwekkende moeilijkheden ten spijt, slaagt Walewein in zijn diverse opdrachten en keert tenslotte met schaakbord en Ysabele (koning Amoraen, voor wie hij Ysabele moest ‘veroveren’, is intussen ‘gelukkig’ gestorven!) naar Arturs hof terug. Sommigen zeggen dat Walewein Ysabele trouwde, maar ik,

 1  Uitgaven: De jeeste van Walewein en het schaakbord van Penninc en Pieter Vostaert, Artur-epos uit het begin van de 13e eeuw, uitg. door G.A. van Es, Zwolle, 1957, 2 dln. Oudere uitgaaf: Roman van Walewein, uitg. W.J.A. Jonckbloet, Leiden, 1846-49. Over de Walewein, A.M.E. Draak, Onderzoekingen over den roman van Walewein, Haarlem, 1936. Verdere literatuuropgave bij G.A. van Es, a.w., p. 464-5; daaraan toe te voegen W.A.F. Janssen, Leuv. Bijdr., 1952, 103 vlg.


[p. 135]

aldus de dichter, geloof er niets van. Ik wil het echter ook niet tegenspreken, want het zou waar kunnen zijn.

Op dit stramien hebben de dichters deze aan avonturen en wonderlijke gebeurtenissen overrijke roman gebouwd. Een deel van hun zeer talrijke motieven ontleenden zij aan christelijke gebruiken en opvattingen; een ander wijst op bekendheid met oosterse en (of) Keltische zaken, met name de voorkeur voor het wonderbaarlijke en alles wat prachtig is; er is een weelderige uitstalling van kostbaarheden en sprookjesachtige schoonheden; weer een ander deel is typisch voor de hoofse roman: het gedrag van Walewein, de verhouding der burchtheren ten opzichte van elkaar, de gulle gastvrijheid, de hoofse gesprekken. Een groot aantal motieven, volgens sommigen 1   het stramien-zelf, is ontleend aan een veel verbreid sprookje 2  .

De gedachte die aan het werk ten grondslag ligt is de volgende: de held bereikt, ondanks ontzaglijke moeilijkheden, zijn hoge doel, dank zij zijn moed, zijn hoofsheid en zijn christelijke levensopvatting, dank zij vooral de inspirerende liefde, - krachtens de eigenschappen dus, die de hoofse ridder kenmerken. Zo gesteld, is de grondgedachte nog zeer

 1  Met name dr. A.M.E. Draak in het in de vorige noot genoemde werk.
 2  Dit sprookje kwam ongeveer op het volgende neer: iets zeer moois (een bijzondere vogel in de meeste versies) is bij een vorstelijke verblijfplaats gezien; de vorst wenst het te bezitten. Drie zoons trekken uit; twee schieten al spoedig te kort; de derde wordt geholpen door een vos die een betoverd mens is. De zoon slaagt niet, omdat hij zich niet houdt aan de aanwijzingen van de vos; hij krijgt een nieuwe taak: het halen van een wonderzwaard. Ook hierin slaagt hij niet; dan moet hij een prinses gaan halen. Dit lukt. Op de terugweg worden de eigenaar van het zwaard en die van het moois bedrogen, zodat de held én prinses én schatten behoudt. Voor hij thuis komt, wordt hij aangevallen door de teleurgestelde broers, maar de vos redt hem, en de betoverde mens krijgt dan zijn menselijke gedaante terug. De held trouwt de prinses en erft het rijk. - Over dit sprookje uiteraard A. Draak, Onderzoekingen, passim. Over sprookjes in het algemeen Stith Thompson, The types of the folk-tale, a classification and bibliography, opnieuw uitgegeven met typenregisters van Antti Aarnes, Helsinki, 1928, en [Jakob und Wilhelm] Grimm, Anmerkungen zu den Kinderund Hausmärchen. Neu bearb. von Johannes Bolte und Georg Polivka etc., Leipzig, 1913-23, vijf delen.
De moeilijkheden die Walewein in de naar hem genoemde roman te overwinnen heeft, komen in veel opzichten met die uit het sprookje overeen; zij zijn echter in de ridderlijke sfeer geheven; zo is bijvoorbeeld de hulp van de vos bij het overwinnen der moeilijkheden ingekort: een held als Walewein, oordeelde men klaarblijkelijk, mag niet in dié mate afhankelijk zijn; het is veeleer zijn persoonlijke moed die hem zijn doeleinden doet bereiken. Alleen waar menselijke krachten te kort schieten, wordt hij door de vos geholpen.


[p. 136]

algemeen geformuleerd. J. Van Mierlo ziet een dieper symbolische strekking in het geheel: ‘De oproep van de Liefde, die Walewein uitnoodigt, die hem strijden doet tegen de booze machten, de draken, tot hij gezuiverd wordt in de rivier en vernieuwd bij koning Wonder. Het rijk van Wonder gaat voor hem open. De ontwakende liefde drijft hem tot hooge, edelmoedige daden; de fiere mannenkracht verheft zich in hem, als zijn zuivere ridderdeugd het zwaard met de twee ringen bedwingt. Het liefdesideaal verduidelijkt zich in Ysabele, die in haar wondertuin, met den levensboom en de levensbron den ridder aantrekt. De legerbenden aan den ingang van het kasteel Endi, de liefde-koning Assentijn, door wien hij moet overwonnen worden om te overwinnen, zijn de laatste tegenstanders die hij moet verslaan om dit ideaal te bereiken. Nog moet zijn liefde gelouterd, als een kostbare schat verdedigd worden door nieuwe daden, nieuwen strijd, zelfs met zijn vrienden, tot zij eindelijk over allen nijd en alle laagheid zegeviert’ 1  .

Wie de interpretatie kent die R. Bezzola aan Erec et Enide van Chrétien de Troyes gaf, mag de uitleg van Van Mierlo niet zonder meer als ‘hineininterpretieren’ afwijzen. Merkwaardig genoeg is het boek vanuit dit gezichtspunt nog maar sporadisch benaderd 2  .

Op kunstzinnige wijze hebben de auteurs hun stof met haar talrijke motieven, episodes en scènes bewerkt. Opmerkelijk is de wijze waarop de bij-episoden tussen de doorgaande lijn van het hoofdverhaal vervlochten zijn: ze zijn telkens ingevoegd nadat door het hoofdverhaal de tocht naar het einddoel een eindweegs verder is gebracht en zijn op zichzelf beschouwd - evenals dit het geval is met de terugbuigende lijn van het hoofdverhaal - min of meer als spiegelbeeld van elkaar geconstrueerd 3  . Door heel de werkwijze van de auteurs (vooral echter van Penninc) ontstond een voortreffelijk beeld van het hoofse ridderleven; de sfeer van het wonderbare en fantastische wisten Penninc en Vostaert uitmuntend te suggereren; levendig tekenden zij de verhouding der personen tot elkaar, hun ontmoetingen, hun strijd in duidelijk plastische beelden met sterk uitgesproken zin voor humor waar dit paste;

 1  J. van Mierlo, Gesch. Lett. Ned. I, p. 164-5.
 2  Het is overigens nuttig zich de woorden van Erich Auerbach, Mimesis, Bern, 1946, p. 128 te herinneren: ‘... ihre (nl. van de hoofse romans) moralische oder symbolische Bedeutung ist nur selten mit einiger Sicherheit zu ermitteln’.
 3  Min of meer, want ten dele klopt de parallellie niet. Vgl. hierover P. Minderaa, De compositie van de Walewein, in: Opstellen en voordrachten uit mijn hoogleraarstijd, Zwolle, 1964, p. 13-25.


[p. 137]

de hoofsheid (dat wil zeggen: hoffelijkheid) van Walewein krijgt nadrukkelijk reliëf; het geheel varieerden zij met enkele fraaie natuurtafereeltjes. En dit alles gedragen op de gang van het epische verhaal, op de levende ritmische stroom van één grote, allesbeheersende gedachte. Ook uit de volle, rijke, vaak zeer welluidende taal, uit het stevige ritme, uit de sierlijke beeldspraak, spreekt het scheppende vermogen van de auteurs van dit vooral in zijn eerste, grootste helft gave hoofse verhaal. Immers, er zijn duidelijke verschillen 1   in taal, stijl, zins- en versbouw, beschrijvingstrant en dialogisering tussen de beide delen, op grond waarvan men Penninc onmiskenbaar de beste dichter moet achten met een meer uitgesproken belangstelling juist voor de ‘hoofse’ omgangsvormen. De belangstelling van Vostaert, een ‘losser’ verteller, gaat duidelijk uit naar de gevechten.

De Walewein is - dit staat nu menselijkerwijs gesproken wel vast - een oorspronkelijk Nederlands werk 2  . Dat de beide auteurs aan diverse bronnen, mondelinge zowel als schriftelijke, ontleenden, werd hiervoor al aangegeven; aan welke precies en in welke verhouding is (nog) niet uit te maken of aan te duiden. Maar de bewerking van de gegevens, met name voor wat betreft het deel van Penninc, vertoont de greep van een zelfstandig en groot episch kunstenaar, die niet alleen over compositorisch vermogen beschikte, maar ook over een weelderige verbeelding en suggestief verhaaltalent.

J. van Mierlo dateerde het verhaal eind twaalfde eeuw, het deel van Penninc uit de jaren 1175-1190, dat van de andere Westvlaming op omstreeks 1200, op zijn laatst 1210 tot 1220 3  .

Hij voert hiervoor argumenten aan uit de vorm en de inhoud. De aard van de rijmen, het kloeke, vast op de vier heffingen gebouwde vers zonder langere dalingen 4  , het groot aantal oude, althans in de dertiende eeuw verouderde woorden, het beperkt aantal leenwoorden bij Penninc (in het gedeelte van Vostaert treedt een aanzienlijk groter aantal Franse ontleningen op, wat op een jongere periode wijst), de herhalingen in vaak ongeveer dezelfde bewoordingen, dit alles wijst

 1  Uitvoeriger behandeld door G.A. van Es, a.w., p. 346-73. Op pp. 372-3 een scherpe karakteristiek van het onderscheid tussen de beide vertellers.
 2  Uitvoeriger hierover A.M.E. Draak, a.w., en de uitgave van G.A. van Es, p. 373.
 3  J. van Mierlo, Ter datering van den roman van Walewein, VMA, 1953, p. 711-37.
 4  Althans bij Penninc; het vers van Vostaert is minder strak, het is losser en vertoont een neiging om de dalingen aan te vullen.


[p. 138]

naar de periode van onze oudste hoofse epiek. Deze conclusie wordt versterkt door eigenaardigheden van de inhoud: in de Walewein is nog niets te bespeuren van het zoeken naar de Graal door de Ridders van de Tafelronde; Penninc heeft, zoals blijkt uit de namen van beroemde schoonheden die hij wel en van die hij niet noemt, kennelijk geen romantische literatuur meer gekend van na ongeveer 1180-90.

Van Es acht het, na toetsing van alle gegevens, het meest waarschijnlijk, dat Penninc zijn deel ontworpen en voor de helft geschreven heeft kort na 1200, en dat Vostaert het werk voltooide niet lang daarna, mogelijk na 1214. Dit alles, tenzij men aannemelijk zou maken, dat Penninc buiten bepaalde Franse bronnen om ontleende aan oudere schriftelijke verhalen of mondelinge overlevering, een mogelijkheid die Van Es graag openlaat 1  .

 1  G.A. van Es, a.w., 385-400.

Moriaen

Jonger dan de Walewein, maar waarschijnlijk ook uit de dertiende eeuw 2  , dateert men de door een Westvlaming geschreven roman Moriaen 3  , een hoogstwaarschijnlijk eveneens oorspronkelijk Nederlands werk. Het is ons overgeleverd in de z.g. Lancelotcompilatie, het Haagse handschrift uit de veertiende eeuw; de oorspronkelijke dertiende-eeuwse tekst is ons dus niet bekend 4  .

Walewein en Lancelot - aldus het verhaal in Moriaen in het Haagse handschrift - zijn op zoek naar Perchevael, die is heengegaan om de graal te zoeken. Na negen dagen zwerven ontmoeten zij een zwarte ridder, die hun een tweegevecht opdringt. Het gevecht tussen Lancelot en de zwarte ridder blijft onbeslist. Walewein houdt zich ridderlijk buiten de strijd, een gedragslijn die, om de zedelijke meerderheid welke

 2  G.A. van Es, uitg. Walewein, 395-6, heeft er ‘vrede’ mee, dat de Moriaen gesitueerd wordt ‘omtrent het midden van de 13e eeuw, eventueel nog wat vroeger’.
 3  Moriaen, uitg. J. te Winkel, Groningen, 1878 (niet 1879 dus, zoals Te Winkelzelf in zijn Ontw. I aangeeft). Bekorte uitgave door A. Bellemans (Klassieke Galerij: Dat scone bediet van Moriane), Antwerpen, 1942. Over de Moriaen A.M.E. Draak, Onderzoekingen over de roman van Walewein, Haarlem, 1936, waarin zij op p. 183-97 aantoont, dat de Moriaen jonger is dan de Walewein. Over het werk verder het oudere opstel van J. Koopmans, Middelnederlandse romans, Leiden, 1920.
 4  Wel bestaan er enkele kleine fragmentjes van een dertiende-eeuwse tekst, die (slordig) gepubliceerd zijn in Appeltjes van het Meetjesland, 1952; M. Gysseling bereidt een nieuwe publikatie voor.


[p. 139]

eruit spreekt, grote indruk maakt op de zwarte ridder. Deze deelt nu mede, dat hij Moriaen heet en is uitgetrokken om zijn vader Acglovael 1   te zoeken, die zijn moeder schandelijk heeft verlaten. Gezamenlijk trekken zij nu op naar hun diverse doeleinden, die uiteindelijk bereikt worden.

Twee verhaalstrengen zijn in dit verhaal met elkaar vervlochten: de tocht van Walewein en Lancelot, op zoek naar Perchevael (die zelf op zoek was naar de graal), en de tocht van Moriaen die op zoek is naar zijn vader. Door het tweede verhaal te integreren in het eerste, kon de auteur de ridders gezamenlijk beide ‘opdrachten’ tot een goed einde doen brengen.

Vóór het echter zover is, komt van de vrouw van koning Artur de opdracht Artur en zijn land te redden, die tijdens de afwezigheid van deze voorname ridders zijn aangevallen. Pas als dit gebeurd is, gaan Moriaen, Acglovael, Perchevael, Lancelot en Walewein naar de woonplaats van Moriaens moeder. Ook daar worden degenen die het land bezet hielden verslagen: de bruiloft tussen Acglovael en Moriaens moeder wordt met luister gevierd.

H. Paardekooper-van Buuren heeft erop gewezen 2   dat in de gedachtengang van de schrijver de bevrijding en het eerherstel van Moriaens moeder pas mogelijk zijn als men zich eerst voor de (Artur-)geméenschap heeft ingezet en deze weer geordend is; eerst dan komt de regeling van meer persoonlijke zaken aan de orde.

En zo, meent zij, treedt in verschillende facetten van de Moriaen ditzelfde principe op (tot in de getalverhoudingen van de aantallen versregels), te weten dat er een telkens terugkerende regelmatige verhouding zou bestaan tussen het kleine en het grote, micro- en macrokosmos, respectievelijk gelijkmatigheidsverhoudingen waar dit om andere redenen pas geeft.

De Moriaen verdient om verschillende redenen de belangstelling die hem de laatste tijd ten deel valt. Om zijn geheel, ook om curieuze mo-

 1  Hoogstwaarschijnlijk heeft, naar Te Winkel heeft uiteengezet, de compilator van het Haagse Lancelot-handschrift de naam Perchevael, die in de oorspronkelijke roman moet hebben gestaan, vervangen door die van Acglovael; hij zal dit gedaan hebben omdat volgens de Lancelot Perchevael ongehuwd bleef (in verband met de graal). Acglovael huwt namelijk later. Hierover Te Winkel, Ontwikkelingsgang I, 291, vooral zijn uitgave van de Moriaen, 22-8.
 2  In een nog te publiceren studie Struktuur en zin van de Moriaen. Over Betrekkingen tussen de Mnl. Moriaen en de Parzival van Wolfram von Eschenbach, zie H. Paardekoopervan Buuren, NiTlg 62 (1969), 345-67.


[p. 140]

tieven die er in voorkomen. Zo de episode van het geschonden gastrecht (de verzen 1213-2354) 1  , zo het Tristan-motief 2  : Lancelot doodt een monster dat het land verwoest. Als hij het gedood heeft, wordt Lancelot op zijn beurt neergestoken door een schurk, die de rechtervoorpoot van het monster afsnijdt en wil meenemen om aan te tonen dat hij het monster versloeg. Walewein ‘herstelt’ echter de goede orde. Het verloop van zaken is identiek aan de geschiedenis van Lancelot en het hert met de witte voet 3  , waarover verderop.

De taal van dit werk maakt de indruk vrij oud te zijn; ook verschillende motieven en de uitwerking van de gegevens doen ‘primitief’ aan. Dit niet als waardeoordeel bedoeld: opzet, compositie, uitbeelding en expressieve kracht demonstreren een knap auteur.

 1  Die merkwaardig genoeg door Bellemans in zijn uitgave werden weggelaten; de passage over het geschonden gastrecht werd door de auteur van de Moriaen letterlijk uit de Walewein overgenomen.
 2  Voor wat de Tristan-zelf betreft en een Middelnederlandse vertaling ervan, zie hier p. 145.
 3  Vgl. de uitgave van Het hert met de witte voet door M. Draak, Zwolle, 31964, 23.

Die Wrake van Ragisel

Bewaard bleven uitvoerige fragmenten, waarschijnlijk uit de dertiende eeuw, van Die Wrake van Ragisel. Op gelukkige wijze is de laatste jaren deze tekst opnieuw onder de aandacht gebracht 4  . Uitgangspunt van deze Middelnederlandse tekst is de Oudfranse Vengeance Raguidel, die, waarschijnlijk begin dertiende eeuw, mogelijk door Raoul de Houdenc geschreven werd. Het verhaal handelt over de vermoorde Raguidel, die gewroken moet worden. Dit gebeurt ook, en wel door Gauvain (in de Nederlandse tekst Walewein). Met betrekking tot de compositie van het verhaal staan twee opvattingen tegenover elkaar. De eerste, gehuldigd door W.P. Gerritsen, stelt, dat binnen het relaas over Gauvains wraakneming, het relaas over de hoofdhandeling dus, twee episoden zijn ingebouwd. Om deze opbouw van het geheel rekent men dan deze roman tot de zogenaamde episodische romans 5  , dat wil

 4  Door de dissertatie van W.P. Gerritsen, Die Wrake van Ragisel, Assen, 1963, twee delen; aangezien de nummering van de bladzijden van deze beide delen doorloopt, is het niet nodig naar het deel te verwijzen; de meeste aanhalingen en verwijzingen hebben intussen betrekking op het eerste deel.
 5  De naam is afkomstig van Gaston Paris in zijn Hist. Litt. XXX, 18; aangehaald Gerritsen, Ragisel, 30.


[p. 141]

zeggen romans waarin episoden voorkomen, waarvan de handeling geen direct verband houdt met de intrige van de hoofdhandeling. Wel kunnen deze episoden - en dat is het geval in de Vengeance - met de hoofdhandeling verbonden zijn. W.P. Gerritsen acht de uitvoering van deze verbinding niet in alle opzichten bevredigend 1  .

Daar staat naast de opvatting, voorgestaan door N. de Paepe, volgens wie de Franse Vengeance als éénheid gedacht is. Vanuit zijn duidelijke opzet wilde de schrijver, aldus deze opvatting, aan de hand van enkele gevallen een sen - om de term van Chrétien de Troyes te gebruiken - demonstreren, te weten: ‘de zin, het waarom en het hoe van de eenheid in de liefde’, zoals de schrijver die zag. Niet zozeer in Gauvain als wel aan hem wordt in verschillende fasen (avonturen) de eigen psychische situatie met betrekking tot de liefde ontraadseld, wordt gedemonstreerd dat - in afwijking van de unilateraal beleefde en gecultiveerde (provençaalse) liefde en de cultus van het verlangen - slechts in een oprecht wederkerige liefde het menselijk geluk en het eervolle gelegen is 2  .

De dichter van de (Fránse) Vengeance heeft zijn sen (: slechts in een wederkerige liefde is het menselijk geluk en het eervolle gelegen) volgens De Paepe willen demonstreren, négatief, in de episoden rond de Dame de Gautdestroit en Ydain 3  . Gauvain gaat, in zijn rusteloze drang naar avontuur, aan de liefde van de Dame de Gautdestroit voorbij; op grond daarvan gaat zij Gauvain haten. Ydain, die Gauvain eerst listig inpalmt, laat hem daarna het slachtoffer worden van haar onbetrouwbaarheid 4  .

Hierboven werd gesteld dat de opvatting van N. de Paepe staat naast - niet: tegenover - die van W.P. Gerritsen; zij behandelen - de lezer krijgt althans de indruk - dezelfde aangelegenheid vanuit een ander gezichtspunt: Gerritsen sprak over aspecten van verhaaltechniek, De Paepe over laat ons zeggen de innerlijke structuur, de verhouding

 1  Ragisel, 30 vlg.
 2  N. de Paepe, Leuvense Bijdragen 54 (1965), 21-47 en 81-104.
 3  Positief, maar dit levert geen problematiek op, door de demonstratie van de wederzijdse liefde tussen Yder en Trevilonete, ‘die Gauvain zelf sanctioneert, nadat hij de tragiek van de onbeantwoorde liefde heeft leren begrijpen.’
 4  Voor wat deze laatste episode betreft, ziet De Paepe een curieus onderscheid tussen de Franse tekst en de Middelnederlandse. In de Franse, aldus De Paepe, inspireert de auteur zich op het feodale ‘homagium’, zij het, dat het Ydain (de vrouw) is, die het homagium verricht: het is de vrouw die knielt, zij vouwt de handen; daarop omarmt hij haar; maar het is dan niet de hulde-ontvangende (in dit geval: Gauvain) die kust ter bezegeling; dit doet Ydain; zíj is bezig hem in te palmen.
In het feodale homagium is het de (ridder-)minnaar, de mán die knielt voor de dame, zijn gevouwen handen in de hare legt, zijn hoofd buigt; dan heft zíj zijn hoofd op en kust zij hem, daarmee hun verbondenheid bezegelend.
In de Néderlandse tekst omhelst Walewein haar, is hij het die haar kust; daarna drukt hij haar tegen zich aan.
 Ende dar die jonvrouwe haren arm
 Om hem liet gaen wart hi al warm
 Want et noptene van binnen
 Dat irsten begin van harre minne.
De Nederlandse auteur verving de fataliteit van de ‘speelzieke en onberekenbare’ Ydain door de fataliteit, de onontkoombaarheid van de liefde-zelf. - Aldus De Paepe, t.a.p. Men kan zich afvragen, of een term als ‘fataliteit’ in deze beide gevallen niet te zwaar klinkt. - In de gedachtengang van De Paepe grijpt de Middelnederlandse dichter over Chrétien de Troyes en zijn volgelingen heen, terug naar de veel oudere idee (met betrekking tot de liefde) van de Provençaalse troubadours. Die kennen de gedachte van de onoverwinnelijke macht van de liefde, waar de trouvères niet, althans zeker niet in die mate, van wilden weten. De minne, hoezeer door de trouvères erkend als dwingende macht, wordt door hen toch veel meer geacht een akte van de wil te zijn, onder de controle van het intellect te staan. Aldus bij de dichter van de Vengeance. Niét aldus echter bij de troubadours en bij onze Middelnederlandse bewerker! Die heeft, wat in de Franse tekst bewuste toeleg van Ydain was - een ‘streek’, noemt De Paepe het - vervangen door de werking van de liefde als autonome macht, waarbij hij overigens, zoals Gerritsen heeft opgemerkt, realistischer te werk gaat in de beschrijving van de liefdeshandelingen. - Is ook dit ‘teruggrijpen’ naar de opvattingen van de provençaalse troubadours niet wat te zwaar aangezet (of, anders gezegd: het handhaven van de oudere opvatting der troubadours, het nog niet geïnteresseerd zijn in die van de trouvères)? Heeft de Middelnederlandse dichter niet zonder meer, ‘gewoon’, een liefdesgeschiedenis willen vertellen, een geschiedenis waarbij het initiatief in handen ligt van een in dit opzicht ‘ervaren’ vrouw (Ydain)?
Bijzonder opmerkelijk zijn intussen in de Ragisel de termen ‘ontsinken’ en ‘invloien’, - bekend uit de mystieke literatuur, niet uit de terminologie van de hoofse liefde. Zie Ragisel, p. 136, p. 143.


[p. 142]

tussen de betekenis van de delen. De Paepe vult dan Gerritsen in zekere zin aan: de roman zou technisch als episodisch te karakteriseren zijn, naar de ‘sen’ als liefdesroman (dit laatste overigens met de elders aangehaalde restrictie van Auerbach: ‘ihre moralische oder symbolische Bedeutung (nl. die van de hoofse roman) ist nur selten mit einiger Sicherheit zu ermitteln’.

De Franse auteur heeft zijn verhaal meteen al de nodige spanning weten te geven door in medias res te beginnen 1  . Als koning Artur,

 1  Volgens De Paepe doet hij dit zelfs voor twéé aspecten, nl. ook voor wat betreft de verhouding tussen Gauvain en de Dame de Gautdestroit: als het verhaal begínt, hééft Gauvain haar liefde al versmaad, op grond waarvan zij hem wil doden en zijn broer gevangen houdt. De Paepe, t.a.p., p. 43.


[p. 143]

wachtend op een avontuur, een onbemand schip ziet naderen waarop zich, op een schild uitgestrekt, het lijk van een ridder bevindt, is er ‘dus’ al heel wat gebeurd, waarnaar de belangstelling wordt gaande gemaakt, èn gehouden. Wie is de dode ridder? Wie is de moordenaar? Welke zijn de motieven? Het is de compositie van diverse Maigret-romans. Gauvain gaat op weg: voor onderzoek en om wraak te nemen. Hij slaagt, maar zonder dat het sprookjesachtige element, dat in de twaalfde eeuw een grote rol speelde, op de vóórgrond treedt: de Vengeance is in veel opzichten ‘realistischer’. De auteur van de Vengeance is, in onderscheid van veel van zijn soortgenoten, op talrijke plaatsen een knap verteller. Hij kan personen psychologisch vaak bijzonder goed typeren, vooral als het gaat over niet-ideale personen, die hij kennelijk met voorkeur observeert en beschrijft, af en toe - als vroeg-dertiende-eeuwer - met aandacht voor het scabreuze.

Van deze Vengeance nu heeft een Middelnederlandse vertaling bestaan. De tekst van deze vertaling is maar zeer ten dele overgeleverd 1  . Hij staat bekend als Die Wrake van Ragisel, hoewel Jonckbloet aanvankelijk - met meer recht - van plan was het werk de wraak over Ragisel te noemen 2  .

De Middelnederlandse auteur, die de Vengeance-tekst, misschien nog in de dertiende eeuw, bewerkte, heeft zich stellig niet bepaald tot vertalen: er zijn aanzienlijke verschillen tussen ‘origineel’ en ‘bewerking’. De bewerking is gedaan door een vakman die het Middelnederlandse vers wist te ‘spannen’ en er doorgaans in slaagt de kleine kunstgrepen waartoe het vertalen hem dwingt aan het oog van de lezer te onttrekken. Hij is bovendien een man met eigen ideeën, die zich, zelfs waar hij de oorspronkelijke auteur van vrij nabij volgt, de vrijheid voorbehoudt een eigen stempel op zijn werk te drukken 3  . In andere gevallen wijkt hij zelfs niet onaanzienlijk af met, naar W.P. Gerritsen meent, de bedoeling te intensiveren, de spanning van bepaalde passages op te voeren 4  . Hij bereikt dit door gegevens te verplaatsen, door verhaal-

 1  De te Düsseldorf en Keulen gevonden fragmenten werden het laatst uitgegeven in W.P. Gerritsen, Ragisel, 299-377.
 2  Ragisel, 53.
 3  Ragisel, 90.
 4  N. De Paepe, t.a.p., p. 84-91, bestrijdt de mening van Gerritsen, althans voor wat betreft de scène op het burchtplein; hij meent dat hier niet van intensivering gesproken mag worden, maar dat de dichter de behoefte had mee te delen wat hij zelf beleefde bij het lezen van het origineel, verder de behoefte deze mededeling zo duidelijk (vatbaar) mogelijk te vertellen. Hij begaat daarbij zelfs verhaaltechnische vergissingen. Deze neiging zijn eigen beleving in het verhaal te mengen, komt intussen vaker voor. (De lezer vraagt zich af, of het resultaat van de door De Paepe bij de dichter gesignaleerde ‘behoefte’ niet tot gevolg heeft gehad: intensivering. Het resultáát zou dan hetzelfde zijn, als wat prof. Gerritsen noemde.)


[p. 144]

technische onvolkomenheden uit het origineel te verbeteren, door de indirecte rede om te zetten in de directe, vooral echter door uitbreidingen (de praktijk van de amplificatio), met name wanneer het gaat om beschrijvingen.

Opvallend is de wijze waarop de Middelnederlandse bewerker de liefdesscenes behandeld heeft. Hij breidde deze niet alleen uit, maar wijzigde ook niet onaanzienlijk.

Wij komen op de Wrake verderop terug: in het Haagse Lancelot-handschrift komt de tekst namelijk opnieuw voor.

Lanceloet en het hert met de witte voet

Een curieus verhaal is dat over Lanceloet en het hert met de witte voet 1  , dat ons ook alleen is overgeleverd via het Haagse Lancelot-handschrift. Het is o.a. hierom zo merkwaardig, omdat het een variatie bevat van een beroemd onderdeel uit de Tristanroman: het onderdeel waarin Tristan de draak doodt, en de tong van het monster uitsnijdt met de bedoeling die tong als bewijsmateriaal te doen dienen; een andere ridder steelt, als Tristan gewond neerligt, de tong en meldt zich daarmee aan het hof bij Isolde. Later weet Tristan door middel van de tong het bedrog te ontmaskeren 2  . Ons verhaal handelt niet over een draak, maar over een door leeuwen bewaakt hert; de tong wordt de witte voet. De heldin van het verhaal, een jonge, schone, rijke vorstin is alleen bereid haar hand te schenken aan de man die kans ziet haar die voet van het witte hert te verschaffen. Als echter Lanceloet de held blijkt te zijn, weet hij aldus te manipuleren dat een huwelijk uitgesteld wordt, - ad calendas graecas. Een huwelijk is namelijk tégen de Artur-canon 3  , maar vóor al: hij bemint Genovere.

 1  Opnieuw uitgegeven door M. Draak, Zwolle, 31964.
 2  Dit onderdeel van de Tristanroman is weer een literaire bewerking van het Drakendoderssprookje. Zie hierover M. Draak, a.w., p. 16.
 3  M. Draak, t.a.p., 22.


[p. 145]

R. Bezzola ziet in het witte hert, dat in verschillende verhalen optreedt, een duidelijk symbolische verschijning: ‘dem weiszen Tier ward ... die Sendung, einen Erwählten dem höchsten Erdenglück zuzuführen, das sich in der Liebe einer Frau von übernatürlicher Schönheit (ursprünglich sogar eines übernatürlichen Wesens) darstellte; sie entrückte den Helden in eine Welt, wo weder Tod noch Alter regierte’ 1  .

Op grond van interne gegevens - met name een onevenredig lange beschrijving van het bed waarin Lancelot rust na het gevecht met de bedrieglijke ridder - concludeert M. Draak tot een aan de ons bekende tekst voorafgaande uitvoeriger tekst, waarop ook de Franse Tyolet zou teruggaan. Deze oorspronkelijke tekst (mogelijk een Nederlandse tekst) zou dateren van ongeveer 1200; in elk geval dateert de voorganger van de in het Haagse handschrift voorkomende tekst van het binnen de sfeer van de Arturromans gesitueerde Tristan-verhaal van vóór 1291 2  .

 1  R. Bezzola, Liebe, p. 93 en 132.
 2  Voor dit alles M. Draak in de inleiding op het aangehaalde werk; daar ook voor de verhouding tot Tyolet, dat dus geen direct voorbeeld is van ons verhaal (of omgekeerd).

De Tristanfragmenten