DierdichtDe herkomst van de grote dierenverhalen blijft een omstreden kwestie.
Aanvankelijk heeft Jacob Grimm in zijn met veel bijval ontvangen werk Reinhart Fuchs van 1834 de stelling verdedigd, dat het dierenverhaal oorspronkelijk Germaans zou zijn. Later heeft men, ook in Duitsland, deze stelling laten varen voor de theorie van de Oosterse herkomst. Indië zou nl. de bakermat zijn, óók van de Grieks-Aesopische fabel. De vermaarde verzamelbundels van dierenverhalen in het Sanskrit, de Pantsjatantra en Hitopadesa, wijzen terug naar veel oudere Indische dierenverhalen, die langs verschillende wegen naar West-Europa zijn gekomen, o.a. via een Perzische bewerking door Syrische en Arabische vertalingen; vooral deze laatste, Kalilah en Dimnah (ca. 760), zou het dierenverhaal naar West-Europa gebracht, en de stof voor de grote dierdichten geleverd hebben 1 . Voor enige tijd echter kwam men (o.a. J. van Mierlo) weer op voor de overwegend Germaanse oorsprong van het Westeuropese dierdicht 2 : men gaat uit van feiten als dat vanouds met name onder de Germanen verhalen over dieren zijn verteld, dichters vertelsels hebben samengesteld, het volk met typisch Germaanse namen de meest bekende dieren noemde en talrijke dierornamenten heeft aangewend e.d. De auteurs van het latere dierdicht zouden echter invloed ondergaan hebben van Oosterse dierverhalen (als de Aesopische fabelen); minstens zouden zij van die zijde op het denkbeeld gebracht kunnen zijn dergelijke verhalen op te schrijven, - maar de hoofdbron waaruit zij putten zou Oudgermaans zijn. De laatste geleerden echter die zich weer bezighielden met het onderzoek van de middeleeuwse dierdichten verwerpen weer deze theorieën 3 . |
1 Over deze voorgeschiedenis van onze dierverhalen zie J. te Winkel, Ontwikkelingsgang I, 362-385, en het op onder p. 158 noot 5 genoemde werk van J.W. Muller.
2 J. van Mierlo, Gesch, Lett. Ned. I, 206 vlg.; aldaar verdere literatuur, 217.
3 H.R. Jauss, Untersuchungen zur mittelalterischen Tierdichtung, Tübingen, 1959, o.a. 59-65 en 296-314; John Flinn, Le roman de Renart dans la littérature française et dans les littératures étrangères au Moyen Age, University of Toronto Press, 1963. Flinn laat, kort samengevat, de Roman de Renart ontstaan uit de boeken, niet uit volksverhalen over dieren. (Over het boek van Flinn uitvoerig P. de Keyser, SpdL 8 (1965), 202-209.)
|
Van den Vos ReinaerdeTot de oudste ons bekende literaire vormen waarin zich dierenverhalen kristalliseerden, behoort o.a. de bewerking van het verhaal van de vos en de zieke leeuw, door Paulus Diaconus in de achtste eeuw;
kort na 936 werd, in de abdij St. Evre bij Toul (Lotharingen!), het eerste uitvoerige Latijnse dierenepos geschreven, de Ecbasis Captivi, dat treffende punten van overeenkomst vertoont met onze Reinaert 1 . Van omstreeks 1149 dateert de beroemde Latijnse Isengrimus van de Gentse magister Nivardus, opmerkelijk o.a. om het feit, dat de dieren eigennamen dragen; de dieren zijn hier geen typen meer, maar worden individuen 2 . De eerste dierenverhalen in de volkstaal zouden uit dit werk ontstaan zijn: negen van de twaalf verhalen hebben de stof voor Franse dierenverhalen geleverd 3 . Het derde boek van Isengrimus komt in hoofdzaak overeen met het gedeelte van de Ecbasis Captivi, dat de geschiedenis van de vos bevat. Ook in de oudste in het Frans bewaarde dierdichten uit de tweede helft der twaalfde eeuw, die rond 1200 (maar dit is waarschijnlijk nà het ontstaan van onze Reinaert) tot ‘gehelen’ werden verbonden 4 , de Roman de Renart, (en waarvan er enkele uit een vroeger stadium dan de Roman de Renart door de Elzasser Heinrich der Glîchesaere in het Duits bewerkt werden), valt hetzelfde verhaal op, dat dus klaarblijkelijk een grote populariteit genoot bij de dichters over die dieren. Een van deze verhalen heeft een gedeelte van de stof geschonken aan het meest beroemde dierdicht der Westeuropese letterkunde, onze Van den Vos Reinaerde (eind twaalfde eeuw) 5 . |
1 A. Michel, Die Ecbasis cuiusdam captivi per tropologiam, ein Werk Humberts, des späteren Kardinals von Silva Candida, München, 1957.
2 J. van Mierlo, Het vroegste dierenepos in de letterkunde der Nederlanden, Isengrimus van Magister Nivardus, Antwerpen, 1943; het werk werd vertaald door J. van Mierlo als Magister Nivardus' Isengrimus, Antwerpen, 1946. Voor een vergelijking tussen de gedichten Van Isengrim en Reinaert, zie E. Rombauts, D.W.B., dec. 1947. In 1955 verscheen Isengrimus. Das flämische Tierepos (von Nivardus) aus dem lateinischen verdeutscht von Albert Schönfelder, Münster, (Niederdeutsche Studien 3).
3 J. van Mierlo, Bekn. Gesch., 79.
4 J. te Winkel, Ontwikkelingsgang I, 373-82.
5 Voor wetenschappelijk gebruik is onmisbaar de uitgave van de diverse teksten van de Reinaert (o.a. Reinaert I en II, de eerste prozabewerking en de Reynardus Vulpes) in Van den Vos Reynaerde, diplomatisch uitgegeven naar de bronnen vóór het jaar 1500, door W. Gs Hellinga, I Teksten, II Tekstcritiek, III Commentaar; verschenen is tot nog toe deel I, Zwolle, 1952. - Van den Vos Reinaerde, uitg. J.W. Muller, 3e druk, Leiden, 1944, het standaardwerk van deze geleerde over dit dierdicht. Uitstekende school-en studieuitgaaf door D.C. Tinbergen - L.M. van Dis in de serie Van Alle Tijden, Groningen, 181966; schooluitgaaf in gemoderniseerde spelling door C.A. Zaalberg, in Malmbergs Ned. Schoolbibliotheek, Den Bosch, 1955; door P. de Keyser in de Klassieke Galerij, Antwerpen-Amsterdam, 1948 (3e druk 1955); bijdragen over de Reinaert in Wetensch. Tijd., mei 1955.
|
|
Men kent de inhoud: Reinaert wordt voor het gerecht van koning Nobel door verschillende dieren wegens wreedheden en andere misdaden aangeklaagd. De koning daagt hem voor zijn rechterstoel. Nadat de beer en de kater Reinaert zonder succes, maar tot hun eigen nadeel, hebben opgeroepen, slaagt de das Grimbeert erin Reinaert eindelijk voor de koning te brengen. De vos wordt veroordeeld tot de galg, maar op het allerlaatste ogenblik ‘onthult’ hij de koning het geheim van een in het geheim begraven schat; die ligt begraven in het oosten van Vlaanderen, in een bos dat Hulsterlo heet bij een bron Kriekepit. De schat zou moeten dienen om een samenzwering te bekostigen, die ten doel had koning Nobel van zijn troon te stoten en Bruun de beer diens plaats te doen innemen. Isengrim en Bruun worden gevangen gezet, de vos wordt begenadigd en krijgt gelegenheid een bedevaartstocht naar Rome te ondernemen. Met Belijn de ram en Cuwaert de haas begeeft hij zich op weg naar zijn kasteel Maupertuus om afscheid te nemen van vrouw en kinderen. Binnen eet hij met zijn gezin de haas op en geeft de niets vermoedende Belijn de kop van Cuwaert in een tas mee; hij verzoekt Belijn de koning de ‘brief’ in de tas te overhandigen; Belijn zal er rijk voor beloond worden! De koning ziet in Belijn een samenzweerder met Reinaert en stelt hem ter beschikking van Bruun en Isengrim. Reinaert wijkt in die tussentijd uit naar een rijk met wild gezegende wildernis! In de spiegel van de dierenwereld geeft dit ongemeen knappe werk een geestige, vaak spottende, wezenlijk satirische 1 , niet zelden cynische uitbeelding van de mensenmaatschappij. IJdelheid, hebzucht, zelfingenomenheid en andere gebreken worden gehekeld in deze spiegel der feodaal-ingerichte mensenwereld; zij worden door Reinaert aan de kaak gesteld en bestraft. De wereldwijze, ‘überlegen’ schrijver gaf via zijn satire, op superieure wijze, zijn vaak vernietigend oordeel over de vormen van menselijk leven die hij weerspiegelde in de levens van zijn dieren. Vernietigend, maar ingehouden en beheerst, bij wijze van spreken indirect, namelijk door middel van satire. De auteur van de Reinaert heeft mogelijk een publiek voor ogen gehad (de Vlaamse adel uit de steden, de hogere geestelijkheid en eventueel het aristocratisch patriciaat uit de steden 2 ), dat de hoofse roman, de ‘fabliaus’ en chan- |
1 G.-H. Arendt, Die satirische Struktur des mittelniederländischen Tierepos ‘Van den vos Reynaerde’ (prfs. Keulen), Keulen, 1964. Het satirische karakter werd ook beklemtoond door J. Flinn, a.w.
2 G.-H. Arendt, a.w., 22.
|
|
sons de geste goed kende, een duidelijke voorstelling had van de daarin voorgestelde wereld. De dichter vangt, na zijn introductie die de ‘dorpren enten doren’ wegvaagt als toehoorders en critici, aan op de wijze van het hoofse epos, met koning Nobel en zijn hofdag; maar dan stelt hij in het beeld van deze hoofse wereld de tegenstelling tussen schijn en werkelijkheid vlijmscherp aan de kaak 1 : één grote satire. Die satire hanteert van tijd tot tijd ironie, parodie en travestie als satirische stijlmiddelen 2 , maar altijd om het totaal van de ‘verkeerde wereld’ door het totaal van de satire te belichten en te veroordelen. Soms doet hij het in de vorm van een spel, zoals een cynicus betaamt die de zaken niet meer al te ernstig neemt. Hij koos als tuchtiger der dommen, ijdelen en hebzuchtigen geen nobele, ernstige figuur, maar de vos, die zelf heel wat op zijn kerfstok heeft, zij het dat dit uit zijn aard voortvloeide. In één opzicht is hij duidelijk superieur: hij is intelligent. Door die intelligentie redt hij zich telkens weer uit alle moeilijkheden, en wreekt hij de onhebbelijkheden van anderen. Reinaert bedóelt niet te straffen: hij is daartoe ook niet de aangewezen persoon; hij bedoelt zich uit zijn moeilijkheden te redden. Hij redt zich door zijn vijanden in hun zwak te tasten; hij brengt, krachtens zijn spitse intuïtie, hen ertoe het onderste uit de kan te willen hebben met het gevolg, dat het lid hun op de neus valt: de straf volgt automatisch, en impliceert de redding van Reinaert. Dan lacht hij, en in zijn vertogen voor de koning hoont hij, uit de hoogte van zijn superioriteit, in striemende spot, kwasi-verontwaardigd zijn tegenstanders. Het beetje gelijk dat zij hebben, krijgen ze niet, - en die ‘ongelijk’ heeft en onrecht pleegt, triomfeert. Het intellect dat scherp is, maakt ‘recht’ wat krom is. Arendt heeft in zijn uitvoerige analyse van de bouwvormen van de epische wereld in de Reinaert vooral de tijd- en ruimtestructuren van de epische handeling en de structuur van het gebeuren onder de loep genomen. Daardoor drong hij dieper door in zin en strekking van het werk. Voor wat de ruimtestructuren betreft 3 blijkt de verrijking die Willem aanbracht (in vergelijking met de voor hem bestaande matière) vooral |
1 Ibidem, 55.
2 Ibidem, 56, 67.
3 De tijdstructuur wordt door Arendt meer summier behandeld (vooral p. 109-111): tijdsaanduidingen blijken het positieve of negatieve karakter van een landschap (een ruimte-aanduiding dus) te accentueren. - De ruimtestructuur behandelt Arendt, a.w. 73-148.
|
|
te bestaan in de uitbreiding en vinding van aan elkaar tegengestelde landschapsbeelden. De private wereld van het hol is al te vinden in Renart (Br. I); maar de wildernis en haar landschappen, alsook de metaforiek der wegen, die de geordende wereld met de chaotische in verbinding brengt, zijn in de Renartmaterie nauwelijks te vinden. Het zijn juist deze wisselingen in de ruimte der landschappen (hol, wildernis, paden, geordende wereld) die het gebeuren constitueren; men kan spreken van ruimtelijke verandering met morele achtergrond. Opvallend genoeg onderneemt de vos, in tegenstelling tot de andere dieren, nooit een negatieve wisseling in een ruimte, waardoor hij als ‘slecht’ gekenschetst zou moeten worden. Dat kan hij ook niet, omdat hij uit de aard van zijn wezen kromme paden begaat; zo is nu eenmaal zijn natuur, en daarnaar moet hij beoordeeld worden; hij blijft die natuur trouw achter de maskers die hij soms noodgedwongen opzet. Als Reinaert ‘verre huut allen weghen’ gaat, volgt dan ook geen straf; hij hoort daar namelijk van nature 1 . En de wildernis die voor koning Nobel en de zijnen een noodlottig oord betekent, is voor Reinaert, die er krachtens zijn aard thuishoort, het land van belofte, van zijn eigen orde en zekerheid. - De andere dieren (figuren) echter demonstreren een tegenstelling tussen enerzijds wat zij zouden willen zijn en willen schijnen te zijn, anderzijds wat zij in werkelijkheid zijn; in werkelijkheid begeven zij zich buiten de grenzen van de wereld van Nobel waarbinnen zij leven, begeven zij zich in ruimtelijk afgelegen landschappen, ‘buten weghe’ 2 . Telkens opnieuw begeven zij zich in een ruimte die de hunne niet is, om voordeel, gewin, macht, zij betreden dan (niet-)morele landschappen; zij behoren volgens hun natuur ‘innerlijk’ als het ware tot dit landschap; hun dubbelzinnige plaats tussen wat zij voorgeven te zijn en wat zij in werkelijkheid zijn, wordt dan in de ontmoeting met Reinaert die in hún wereld ook noodgedwongen kromme wegen moet gaan, ontmaskerd en gestraft. De wereld van Nobel wordt achter haar schone schijn ontmaskerd als, in werkelijkheid, een morele woestijn. Wat vanuit het perspectief van de wereld van Nobel een chaotische wildernis is, blijft voor de vos het |
1 Over dit ‘natuur’-aspect en de theologisch-filosofische waardering van natuurcreatuur in die tijd, zie Arendt, a.w., 252-84.
2 Op deze tegenstelling tussen het zich bevinden op ‘rechte strate’ en ‘rechte vaert’ enerzijds, en het zich begeven op ‘cromme pade’, ‘buten muere’, ‘buten weghe’ anderzijds, is de typonomie van de morele landschappen in de Reinaert gebouwd.
|
|
ideale landschap: de wildernis, waar hij zijn natuur trouw kan zijn, een utopische wildernis waar zijn handelen legaal is en waar hij gelukkig kan leven. Is het de droom van de auteur dat ergens buiten de chaos van de z.g. ‘werkelijkheid’ een land moet zijn bij wijze van spreken overvloeiend van honing, een land
Daar kan Reinaert (de mens?) zichzelf zijn, zónder opgedrongen list, helemaal ‘natuur’-wezen, - in tegenstelling met de wereld van Nobel waar alleen hij erkend wordt die zijn natuur verloochent. Arendt merkt op, dat, als men de plaats- en riviernamen in de Reinaert even vergeet, er een tijdeloos typisch traditioneel episch hoofs landschap overblijft. Toch heeft Willem deze namen toegevoegd: hij maakte Vlaanderen tot centrum van de wereld, als om te zeggen dat ook in de vertrouwde omringende wereld de typische, chaotische wanorde heerst die de totale samenleving kenmerkt; in ‘Vlaanderen’ actualiseert Willem een tijdloze menselijke werkelijkheid. Maar zoals uit het voorgaande duidelijk werd, ‘betekent’ het toevallige landschap iets, het wijst op een hogere laag in de werkelijkheid, een morele 2 . -Dit uit de ruimtestructuur opdoemende satirische grondthema van de verkeerde wereld wordt nu in de uitbeelding van het gebeuren (en in de figuren) verwerkelijkt.
Voor wat de structuur van het gebeuren betreft, is er in de Reinaert duidelijk sprake van een vaste handelingsstructuur: telkens opnieuw wordt het fasenverloop van elke list waarmee Reinaert zich tegen de macht en de gevestigde orde verzet, op dezelfde manier opgebouwd; maar deze aparte listen tasten telkens de orde van de gehéle wereld van Nobel |
1 Vgl. over dit Utopia Arendt, a.w., 269, speciaal 283-4.
2 G.-H. Arendt, a.w., 73-9.
|
|
aan en vinden hun bekroning in de list waarmee hij de koning zelf niet zozeer als persoon, maar als drager van een ‘orde’ (de ordo van de mensenwereld in haar geheel) ‘überlistet’, d.w.z. de koning-zelf op ‘cromme paden’ voert, moreel ten onder doet gaan; met andere woorden: de aparte listen staan niet los naast elkaar, maar structureren de opbouw van het geheel 1 . Het inzicht in de omkering van waarden die de Reinaert te verstaan geeft, geeft vastheid aan het satirische beginsel van Willem: hij weet wat hij hekelen wil: die omkering. En hij hekelt die niet door commentaar te leveren, maar door zijn ‘wegen’-metaforiek; in die metaforiek, in de aanschouwelijkheid van de gebeurtenissen en het handelingsverloop ligt, impliciet, de kritiek opgesloten. Op voortreffelijke wijze heeft de auteur gestalte verleend aan deze satirische grondgedachte: achtereenvolgens zien wij Reinaert optreden in zijn strijd met verschillende dieren, die ieder, met begrip van eigen aard en karakter, uitgebeeld zijn 2 ; zij behouden hun vorm en de eigenschappen van dier, maar suggereren toch volkomen duidelijk de mensenwereld 3 . Het geheel is sprankelend van leven door de geestige, ironische kijk van de auteur op de samenleving. Het is - en dat is natuurlijk een wel zeer beslissend criterium - ook superieur als vertel- en taalkunst: Muller roemt de rijke lenige taal, de levendige krachtige stijl 4 ; - het werd geschreven met een zekere, feilloze (naar het einde toe afnemende) beheersing van de middeleeuwse verstechniek; het wordt gekenmerkt door een vloeiend ritme, een bijzonder zuiver rijm, zelfs door een speels en tegelijkertijd zeer bewust reflecterend zich verhouden ten opzichte van de taal 5 . In de Reinaert bereikt onze letter- |
1 Voor deze structuur en de analyse ervan Arendt, a.w., 149-214.
2 Het artikel van F. Lulofs, Over het gebruik van du in de Reynaerd, TNTL 83 (1967), 241-73, geeft via de behandeling van de aanspreekvormen interessante informatie over de verhouding tussen verschillende dieren.
3 Niet speciaal een bepáalde stand. Het lag in Willems tijd voor de hand dat hij om een epische wereld te kunnen schilderen de toendertijd literair daarvoor aangewezene nam: de hoofse samenleving; maar de Reinaert neemt evengoed geestelijkheid en boeren op de korrel. Het gaat de auteur echter niet over bepaalde standen, maar over de bij allerlei lieden optredende gewoonte hun ondeugden te camoufleren, met name over het verlangen een andere stand te willen toebehoren en functies tot vormendienst en corruptie te laten verworden. Vgl. Arendt, a.w., 215.
4 Reinaert-studien III C, TNTL LIV (1935), 121 vlg.
5 Voor dit laatste G.-H. Arendt, a.w., 210, 224, 235, 237, 240-9; Arendt stelt dat dit zich verhouden ‘in der mnl. Dichtung einmalig ist’ (210), alsook dat de auteur van de Reinaert beschikt over een ‘unerhörte stilistische Meisterschaft’ (224, noot). Voorbeelden van Willems spel met woorden in W. Gs Hellinga, Het laatste woord is aan Firapeel, Maatstaf VI (1958), 353-73.
|
|
kunde, zo schaars gezegend met waarlijk geestige werken, een hoogtepunt 1 .
Veel is geschreven, al dan niet in samenhang met de proloog, over de auteurskwestie; helde men aanvankelijk vrijwel algemeen over tot de overtuiging dat onze Reinaert moest worden toegeschreven aan twee auteurs (Willem en Aernout), - een standpunt dat nog werd ingenomen door J.W. Muller in zijn laatste uitgave met commentaar, - Van Mierlo concludeerde tot één auteur, Willem; deze, ons verder onbekende, Willem zou dan gewerkt hebben naar de Franse voorbeelden die hij in het eerste deel tamelijk nauwkeurig volgde om er in het tweede geheel van af te wijken en eigen wegen te gaan 2 . |
1 Van belang is het hoogstwaarschijnlijk later toegevoegde slot waarin, voor het eerst, Firapeel optreedt, de ‘lubaert’, luipaard (maar in het oudere Vlaams ook leeuw). Hij neemt duidelijk de rol van de falende, in woede zich onbeheerst uitende Nobel over, met zeer pragmatische voorstellen. Arendt ziet in hem het ‘Vernunft-Königtum’ (tegenover het ‘althergebrachte charismatische Königtum’, en als zodanig de eerste ‘staatsman’ in de epiek met bijna machiavellistische trekken, - dit in tegenstelling met de op een eigenaardige manier hulpeloze, aarzelende, zij het edele heersers uit het chanson de geste; hij is ook de ‘staatstragende’ figuur in tegenstelling met de de staat verwoestende vazal Reinaert. Dit doende heeft de voortzetter Willems satire op de menselijke samenleving omgezet in een ‘hofsatire’ en vorstenspiegel. Hierover Arendt, a.w., 285-294. (W. Gs Hellinga, Het laatste woord is aan Firapeel, Maatstaf VI (1958), 371-2, ziet in Firapeel ook de zelfbewuste, maar dan als ‘Koning van het nachtelijk woud, de Boze, de heer van allen die de mens in het duister bedreigen, weerwolf, man-beer, heksenkater’. Hellinga meent namelijk dat de Reinaert voor een niet onaanzienlijk deel ontstaan is uit geloof aan duistere, demonische machten, die zelfs telkens weer triomferen.)
Waar precies het latere slot begint is niet zeker te zeggen; mogelijk ook werkte de auteur van het huidige slot een oorspronkelijk nog van Willem daterend slot om, dat ongeveer schuilgaat in de versregels 3360-3410. Arendt construeert in Willems slot de dood van de leeuw: de (morele) ondergang van de wereld van Nobel: hij heeft zowel door zijn op materieel eigenbelang berustende begenadiging van Reinaert als door zijn houding tegenover de beer en de wolf (zijn baronnen) zijn waardigheid als koning verloren, doordat hij moreel faalde. Hij doet wat alle slachtoffers van Reinaert deden: zichzelf in de ‘val’ manipuleren en daardoor executeren. Uiteindelijk gaat niet Reinaert ten onder, om wie het begonnen was, maar de koning. Hierover Arendt a.w., 294-306. 2 J. van Mierlo, De definitieve oplossing in zake den Reinaertproloog, VMA, okt. 1942, 563-595. Volgens Van Mierlo heeft de proloog van de Reinaert als volgt geluid:
W. Gs Hellinga geeft in Wie was Willem die de Reynaert schreef? (Jaarboek 1957 van de Oudheidkundige kring ‘De vier ambachten’ te Hulst, 11-23) een andere interpretatie; volgens hem heeft Willem willen zeggen dat hij het betreurde dat de Reynaertverhalen in het Vlaams nooit helemaal werden verteld; immers zijn voorganger (in het Vlaams!) heeft ze nooit volledig te boek gesteld. Wie was die voorganger? vraagt Hellinga. Misschien Hendrik (de Heinrich der Glichesere, die in de Middelhoogduitse Fuchs Reinhart genoemd wordt)? - Omdat ze dus niet voltooid verteld waren, heeft Willem de vita (in Frankrijk) laten opsporen en is hij ze naar de Franse branches in het Vlaams begonnen, ‘zoals gij nu zult horen’. |
|
W.A.F. Janssen daarentegen verdedigde tien jaar na Van Mierlo, in 1952, weer het dúbbel auteurschap van de Reinaert 1 . Zijn opvatting is als volgt samen te vatten: de dichter Willem vervaardigde in navolging van Perrout een oudere redactie van het eerste deel van de Reinaert, mogelijk reeds in de twaalfde eeuw. Naderhand heeft een tweede, verder onbekende dichter deze eerste helft omgewerkt, en de tweede helft geschreven, alsook de proloog die aan het geheel voorafgaat. Niet onmogelijk is het eerste deel van deze proloog een omwerking door de tweede dichter van de oorspronkelijke proloog van Willem; althans de verzen drie tot en met tien zijn betrekkelijk gemakkelijk zodanig te reconstrueren dat zij als uit de pen van Willem voortkomend gelezen kunnen worden. Zoals zij er nu (in de tekst van Van Mierlo) staan, |
1 Leuvense Bijdragen 1952, 76-85 en 93-112; bestreden door J. van Mierlo, VMA, 1953, 475-494. W.A.F. Janssen reageerde op Van Mierlo's bezwaren Leuvense Bijdragen 1954, 26-46. Aan het slot van dit laatste artikel geeft hij een samenvatting van de stand van zaken met betrekking tot het vraagstuk van de Reinaert. Als volgt ongeveer: J.W. Muller, D.C. Tinbergen e.a. verdedigen: dubbel-auteurschap Reinaert, maar enkel-auteurschap van de proloog; Willem enige proloogdichter en voltooier van het werk. J. van Mierlo: enkel-auteurschap van Reinaert en proloog; enige dichter Willem. F. Buitenrust Hettema: enkel-auteurschap Reinaert, maar mogelijk dubbel-auteurschap van de proloog; Willem dichter van het werk en van proloog vss. 11-40. A. Kluyver: mogelijkheid dubbel-auteurschap gedicht en dubbel-auteurschap proloog; niet Willem, maar een ander is de voltooier van de Reinaert en tevens de dichter van proloog vss. 11-40. W.A.F. Janssen: dubbel-auteurschap gedicht en enkel-auteurschap proloog; niet Willem maar een onbekende is de voltooier van de Reinaert en tevens de proloog-dichter.
Voor een nader voorstel over de Reinaertproloog zie L.L. Hamerich, Ketzereien zum Reinaert-Prolog, in: Tradition und Ursprünglichkeit, Bern-München, 1966, 146-8. -M. Gysseling, Jaarboek 1966-7 van de Oudheidkundige kring ‘De vier ambachten’, Hulst, 19, sluit zich aan bij de opvatting van Van Mierlo, één auteur: Willem. Over Willem die Reinaerde makede schreef K. Heeroma, Maatstaf, 1968 (dec.), 636-68 (nog niet verwerkt in de tekst). |
|
hebben zij betrekking op de eerste dichter Willem, doch zijn geschreven door de tweede, die hier over zijn voorganger spreekt in de hij-vorm. -De verzen elf tot veertig van de proloog zijn van de tweede dichter, die hier in de ik-vorm hoofdzakelijk over zichzelf spreekt. Ook indien men, ondanks alle krachtige tegenargumenten, Willem als enige auteur van de Reinaert zou aanvaarden (en dus niet aan een dubbel-auteurschap gelooft) acht Janssen houdbaar de stelling dat de eerste tien verzen van de proloog in de bestaande vorm zeker niet door Willem zijn gedicht 1 . G.-H. Arendt, a.w., 20, meent dat er nog geen bewijs geleverd is voor ‘eine Doppelverfasserschaft’; veeleer is hij van oordeel, dat de Reinaert door één auteur geschreven is (met inbegrip van de fabel over de kikvors, met uitsluiting van het ‘bedorven’ slot). Hij beschouwt deze opvatting intussen als een ‘Nebenergebnis’ van zijn onderzoek naar de satirische structuur van het werk.
Wanneer het verhaal precies geschreven werd, staat niet met volstrekte zekerheid vast; Van Mierlo 2 stelt het einde twaalfde eeuw (ca. 1180), wat ook Muller aanneemt, al meent deze, dat het in zijn huidige vorm |
1 In TNTL LXXXIV, afl. I vlg. schreef D.A. Stracke indertijd Over de Reinaertproloog van hss. F. en A; hij slaat de overlevering van F heel wat hoger aan dan die van A, precies andersom dan Hellinga, die A het hoogst aanslaat; verder acht Stracke mogelijk dat de twee verzen over het ‘zoeken in Waalse boeken’ zijn geïnterpoleerd. Vgl. Van Mierlo, Leuv. Bijdr., 1957, 71-81.
2 J. van Mierlo, De definitieve Oplossing, VMA, okt. 1942, 595. - Een groot deel van de opstellen van J. van Mierlo over de Reinaert werd gebundeld in De proloog van de Reinaert, Zwolle, 1953.
|
|
eerst uit het midden der dertiende eeuw stamt. G.-H. Arendt daarentegen acht de Reinaert geschreven in de eerste decennia van de dertiende eeuw; hij doet dit vooral op taalsociologische gronden 1 . M. Gysseling komt tot zeer concrete conclusies met betrekking tot tijd en plaats van ontstaan, en wel op grond van taal en schrift van de handschriften. (Ik geef hier zijn opvattingen, ook waar die afwijken van een Reinaert-kenner als Hellinga). Van de Reinaert zijn vier handschriften bekend: twee fragmentarische uit de dertiende eeuw (G en E) en twee volledige uit de veertiende (F en A). Fragment G (bewaard op de gemeentebibliotheek te Rotterdam) is het oudste, maar ook het meest verminkt en het geringst in omvang: het schrift dateert uit 1270-80 en de taal en spelling van de copiïst ervan wijzen op Gelderland of verder noordoostwaarts. Fragment E (bewaard op de Hessische Landesbibliothek te Darmstadt), een dubbel blad, dateert uit het laatste kwart van de dertiende eeuw. De copiïst kwam uit Nederlands-Limburg. Het volledige handschrift F werd gevonden op het slot Dyck bij Neuss, en berust nu op het slot Alfter bij Bonn. De taal van de copiïst is Zuidhollands; de copiïst blijkt ook niet al te best bekend te zijn met het geografische kader waarin het verhaal zich afspeelt. Handschrift A is het jongste, het Comburgse, uit het derde kwart van de veertiende eeuw, berustend in de Württembergische Landesbibliothek te Stuttgart. De taal en de spelling verwijzen naar Oost-Vlaanderen, speciaal Gent. Bestudering van de vier teksten leidde M. Gysseling 2 tot de conclusie, dat de dertiende-eeuwse fragmenten E en G duidelijk een betere en oorspronkelijker tekst bieden dan de veertiende eeuwse afschriften A en F. ‘Ook de enclitische, synthetische woordvormen in E en G doen zoveel archaïscher aan dan de uitgerokken, enclytische vormen die F en vooral A kenmerken’ 3 . Indien men de limburgismen, respectievelijk saxonismen in de der- |
1 G.-H. Arendt, a.w., 21-2. Hellinga is van mening, dat de Reinaert geschreven is in de tweede helft van de twaalfde eeuw. Vgl. W. Gs Hellinga, Naamgevingsproblemen in de Reynaert, 1952. J. Flinn is er, met Van Mierlo en Hellinga, van overtuigd, dat de oertekst van Vanden Vos Reinaerde wellicht tussen 1190 en 1200 werd geschreven.
2 M. Gysseling, Speurtocht naar de Reinaert-dichter, in Jaarboek 1966-1967 van de Oudheidkundige kring ‘De vier ambachten’, Hulst, z.j. [1967], 9-20.
3 t.a.p., 13.
|
|
tiende-eeuwse handschriften (E en G dus) uitschakelt, vertonen deze fragmenten een archaïsche en onderling overeenstemmende spelling. Deze spelling en de taal van de fragmenten lijken dan weer zozeer op die van de Gentse keurenvertaling van ongeveer 1237, terwijl zij zozeer verschillen van andere teksten, dat M. Gysseling praktisch tot identiteit van de auteur of tenminste tot identiteit van het scriptorium besluit 1 . Daaruit zou volgen, ‘dat de Reinaert geschreven werd door de stadsklerk of een der stadsklerken van Gent, hoogstwaarschijnlijk omstreeks 1230-40’ 2 . Behorend tot de intellectuele elite van Vlaanderen krachtens zijn ambt bij gerecht en administratie, kwam hij in contact met heren van allerlei stand, kon hij een gescherpt inzicht verkregen hebben in de gebreken van mensen en samenleving, en was hij op de hoogte van rechtprocedures. - Uit het feit dat zijn spelling die van een aantal monniken uit de Sint-Baafsabdij van ca. 1210 tot 1233 benadert, concludeert Gysseling dat hij daar waarschijnlijk zijn opleiding ontving. - Opvallend bij dit alles is volgens Gysseling de grondige kennis die de auteur van de streek van Hulst bezit 3 4 . Tot zover de weergave van de uiteenzetting van Gysseling, - waarbij de vraag gesteld kan worden of, indien de bedoelde fragmenten inderdaad geschreven zouden zijn in Gent rond 1230-40, deze fragmenten niet op hun beurt overgeschreven kunnen zijn van een (veel) ouder handschrift. Is, althans vooralsnog, niet met zekerheid vast te stellen wanneer (hoe vroeg!) de Reinaert geschreven werd, het werk moet ca. 1270 in elk geval voltooid en bekend zijn geweest. Er bestaat namelijk een be- |
1 M. Gysseling, t.a.p., 14; op blz. 16 gebruikt hij de term ‘hoogstwaarschijnlijk’ voor deze identiteit.
2 M. Gysseling, t.a.p., 14. Vgl. ook dez., De aanvang, VMA, 1968.
3 De laatste auteur over de vraag welk Hulsterloo bedoeld is, meent Hulsterloo in Hulster-Ambacht. Aldus P.J. Brand, Jaarboek Oudheidkundige kring ‘De vier ambachten’, Hulst, 1964-65, 84-8; hij polemiseert hierin tegen D. Stracke die deze stelling verwierp.
4 Een zeer opvallende theorie werd ontvouwd door E. Cramer-Peeters, volgens wie de eerste versregel gelezen moet worden: ‘Willem di Madorna makete’. Deze Willem di Madorna zou zijn Guillem da Berguedun, Catalaans baron, seigneur da Madorna, een troubadour die in het Oud-provençaals schreef, maar ook de Reinaert vervaardigde. Zij zette haar theorieën uiteen in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 4 juli 1964 en gaf een voordracht over deze aangelegenheid aan de universiteit van Amsterdam; de tekst van deze voordracht is afgedrukt in Jaarboek 1966-1967 van de Oudheidkundige kring ‘De vier ambachten’, Hulst, z.j., [1967], 21-36. - Voorlopig moge deze seigneuriale theorie in een voetnoot worden ondergebracht.
|
|
werking in Latijnse versregels, Reynardus Vulpes van Balduinus Iuvenis; zijn laatste uitgever acht het gedicht voltooid na juli 1272 en voor oktober 1279 1 . Van betekenis zijn ook de volgende woorden in de aanhef: ‘Fabula Reynardi, sicut reor agnita multis teutonice scripta, metrificata sonet’, d.w.z. ‘De geschiedenis van Reinaert, velen, naar ik meen, in de Vlaamse tekst bekend, klinkt nu in latijnse verzen’. Als Balduinus zich dus aan zijn bewerking zet, is, zegt hij, de Vlaamse tekst velen bekend (naar ik meen). De Vlaamse Reinaert is dus stellig niet vlak voor de jaren zeventig geschreven. |
1 Reynardus Vulpes, de latijnse Reinaert-vertaling van Balduinus Iuvenis, kritisch uitgegeven en vertaald door R.C.B. Huygens, Zwolle, 1968 (met een belangrijke inleiding), 25. - Zie ook J. te Winkel, Ontw. I, 390, noot 1.
|
EsopetDe oudste diergedichten die men kent, staan op naam van de Phrygische of Lydische, geheel legendarische Aesopus; diens korte proza-verhaaltjes werden via het Grieks van de Syriër Babrios (vierde eeuw) in de Romeinse keizertijd overgebracht in Latijnse verzen door Avianus, wiens werk in de middeleeuwen grote bekendheid genoot. Behalve door Avianus werden Aesopische fabels 2 in metrische vorm bewerkt door Phaedrus (eerste eeuw na Christus), maar de bundel van deze Romein had in de middeleeuwen niet de bekendheid van die van Avianus; omwerkingen ervan werden echter zeer vermaard; een of meer daarvan zijn de bron van onze middeleeuwse Esopet 3 : 67 fabels met een proloog, waarin de dichter verklaart dat hij ‘wille in die ere ons Heren bi beesten ende bi vogelen leren ... die nature van den lieden’. Op die natuur had de auteur overigens een tamelijk sceptische visie. Van Maerlant schreef een fabelverzameling Esopet toe aan ons verder onbekende auteurs met de namen Calfstaf en Noydekijn. Is het |
2 Behalve de fabels van La Fontaine worden de fabels van oudheid, middeleeuwen, renaissance en verre oosten beknopt behandeld in C. Hanlet, Initiation aux fables de La Fontaine, Bruxelles, 1948; verder J.F. Heijbroek, De Fabel, Ontwikkeling van een literatuursoort in Nederland en in Vlaanderen, Utrecht, 1941. Het grote standaardwerk over deze materie is nog altijd L. Hervieux, Les fabulistes latins depuis le siècle d'Auguste jusqu'à la fin du moyen âge, Paris, 1893-99, vijf delen.
3 Laatstelijk uitg. door G. Stuiveling, Esopet, Amsterdam, 1965, twee delen (in deel I facsimile-uitgaaf); een meer eenvoudige uitgaaf is die van W.E. Hegman, in de Klassieke Galerij, Antwerpen-Amsterdam, 1955.
|
|
ónze Esopet? Mogelijk, nu wel waarschijnlijk is, dat onze Esopet twee auteurs verraadt 1 . De auteurs hebben, zoals Stuiveling in zijn uitgaaf aantoont, meestal trouw maar allerminst slaafs vertaald, en zich niet zelden grote vrijheden veroorloofd. Zij hebben met bekwame pen de middelen der kunst aangewend om echt kleine dichtwerkjes van hun fabels te maken. In sommige fabels van de ons overgeleverde Esopet dragen dieren eigennamen, een eigenschap die deze fabels met het dierenverhaal verbindt. De voor de hand liggende veronderstelling, dat het uitvoeriger dierenverhaal zich ontwikkeld zou hebben uit deze of soortgelijke fabels, is intussen niet juist. De Esopet is geschreven in de dertiende eeuw, in Vlaanderen. De schrijver(s) ervan heeft (hebben), meent men, de Reinaert gekend, althans een Reinaert, zoals, omgekeerd, de Esopet weer bekend was aan de auteur van Reinaert II. |
1 Uitg. G. Stuiveling, I, inleiding, 10-14; oudere literatuur hierover I. Scharpé, Album Vercouillie II, Brussel, 1927, 241-8, samenvatting in de uitgave van Hegman, XII-XIII.
|