Lyriek

De lyriek in deze tijd kent een rijk geschakeerd beeld, niet alleen voor wat de mentaliteit betreft die erin uitgedrukt wordt, ook haar verschijningsvorm is gevarieerd.

1

Allereerst kent deze tijd lyriek van humanistische oorsprong. Bewondering van klassieke dichters leidde tot navolging, die soms overigens niet veel meer inhield dan imitatie, zoals het geval was met de statige stoet beoefenaars van Latijnse lyrische poëzie, die-zonder dat zij enigerlei eigen waarde te vertolken hebben - in een sierlijk, op de Ouden afgestemd woordenspel, deze voorgangers nabootsen. Eén uitzondering trekt nog immer de aandacht, de Hagenaar Janus Secundus (1511-1536), die een cyclus elegieën schreef met overwegend erotische motieven, en proza; zijn grootste roem verwierf hij met zijn Basia (ca. 1535), een bundeltje minnedichten dat niet louter vernuftspel bevatte, maar een levende aandoening tot uiting bracht: onder de bewonderde klassieke vormen is voelbaar de harteklop van het eigen

[p. 450]

leven, die deze vormen bezielde. Secundus was een vernieuwer, niet slechts omdat zijn sterk ontwikkelde zintuiglijkheid hem ertoe bracht aandoeningen tot uiting te brengen welker vertolking in onze letterkunde tot nu toe schaars bleef, maar ook doordat hij ernaar streefde de aandrang des gemoeds op te vangen in een bewust als esthetisch schoon en harmonisch (zij het op de Ouden geïnspireerd) bedoeld gedicht. Voorzover een wereldbeeld uit Secundus' gedichten oprijst, lijkt dit vrijwel volledig geïnspireerd door de klassieken; met het conventioneel christelijke heeft het weinig te maken 1  . - Voor het overige bleef deze nieuw-latijnse lyriek een gepleisterd graf: maar zelfs het pleister trekt heden ten dage niet sterk de aandacht.

 1  Van Gelder, Erasmus, 41-2. - Over Janus Secundus laatstelijk J.P. Guépin, In een moeilijke houding geschreven, 's-Gravenhage, 1969.

2

Vervolgens valt de aandacht op de lyriek die de banen der traditie volgt. Men kent in deze periode een vrij groot aantal minne- en meiliederen, liederen met betrekking tot het huiselijk en maatschappelijk leven, - overwegend voortzetting van de vanouds inheemse genres. De dichterlijke waarde ervan is over het algemeen niet bijzonder groot.

Steeds meer in zwang komt het schrijven van gedichten met betrekking tot de grote staatkundige en militaire gebeurtenissen van deze tijd: uit deze periode dateren zeker tweemaal zoveel politieke liederen als het dozijn dat uit de vijftiende eeuw tot ons kwam. Het grootste deel ervan heeft betrekking op de oorlogen tussen Karel V en Frans I om de opperheerschappij in Europa. Deze liederen geven over het algemeen het nieuws heet van de naald: zij zijn eigenlijk meer nieuwsliederen dan lyriek waarin de persoonlijke reactie van de dichter to uiting komt; grote kunstwaarde bezitten zij over het algemeen niet.

De belangrijkste verzameling liederen met een internationale vermaardheid is het zg. Antwerps Liedboek, Een schoon liedekens Boeck, in 1544 door Jan Roulans te Antwerpen uitgegeven. Het bevat 221 gedichten, ten dele echter van veel oudere datum dan de periode waarin zij werden verzameld 2  .

 2  Een schoon liedekens Boeck, uitg. door Hoffmann von Fallersleben als Das Antwerpener Liederbuch vom Jahre 1544, Horae Belgicae XI (1855), laatstelijk door W.G. Hellinga, 1941; anastatisch herdrukt 1968; over deze liederen J. Koepp, Untersuchungen über das Antw. Liederbuch vom Jahre 1544, Antwerpen, 1922. Over de lyriek in het algemeen J. te Winkel, Ontwikkelingsgang II2, 237-44; G. Kalff, Gesch. Lett. 16e eeuw I, 354-8; II, 142-9, samengevat in Gesch. Ned. Lett. III, 173-184; D. Bax in Gesch. Lett. Ned. III, 242-275; speciaal over de historieliederen C.C. van der Graft, Middelned. historieliederen, Epe, 1904.


[p. 451]

Van belang zijn uiteraard ook de gedichten van de rederijkers. Zij blijven hun refreinen en andersoortige gedichten schrijven, waarbij te bedenken valt dat ook veel niet aan hun vorm als zodanig herkenbare liederen en andere gedichten van de hand van rederijkers zijn.

Naar eigen mening hebben de rederijkers, behalve door hun toneelstukken, vooral ‘geëxcelleerd’ in hun refreinen. Daarin vonden zij de gelegenheid hun streven naar kunstzinnigheid bot te vieren, kunstzinnigheid en schoonheid overigens niet zelden verwarrend met kunstigheid en gekunsteldheid. In handschriften en enkele drukken is deze rederijkerskunst bewaard gebleven. Een der voornaamste verzamelhandschriften is dat van Jan van Styevoort 1  , de uit het Luikse afkomstige vicarius van Sinte Marie te Utrecht, wiens uiterst gevarieerde verzameling van 1524 dateert. Uit ongeveer dezelfde tijd dateren twee bundels, aangelegd door de Antwerpse Minderbroeder Engelbrecht van der Donck die mede hierom van belang zijn, wijl zij werk bevatten van Anna Bijns, wier in druk uitgegeven bundels elders behandeld worden 2  . De oudste gedrukte bundel is die van Jan van Doesborch; circa 1530 gaf hij te Antwerpen in het licht de Refreynen int Sot, Amoreus, Wys 3  . Gedrukt werden ook refreinen van wedstrijden uit zuid en noord.

 1  Jan van Styevoorts Refereinenbundel Anno 1524, uitg. Fr. Lyna en W. van Eeghem, twee delen, Antwerpen, z.j. [1930].
 2  Over de beide handschriften van Van der Donck en de refreinen van Anna Bijns, zie hier bij Anna Bijns, 456 vlg.
 3  De Refreinenbundel van Jan van Doesborch I, uitg. C.H.A. Kruyskamp, Leiden, 1940.

3

Daarnaast is in deze tijd belangrijk de lyriek die weliswaar traditionele vormen hanteert, maar duidelijk de evolutie van het denken en voelen in de tijd weerspiegelt, met name het religieuze.

Evenals in de maatschappelijke werkelijkheid, dringt ook in de lyriek 4   het hervormd element naar voren. Maar dit gebeurt langs lijnen van geleidelijkheid. Bij vele uitingen aarzelt men bij de beant-

 4  Vgl. W.J.C. Buitendijk, Het Calvinisme in de spiegel van de Zuidned. Literatuur der Contra-Reformatie, Groningen, 1942; C. Degroote, Erasmus en de Bourgondische tijd, Folklore, 1950.


[p. 452]

woording van de vraag of zij al dan niet orthodox geacht moeten worden.

Ter bestrijding van de vele ‘ontamelike, oneersame, weerlike liedekens ende refereynen, die dagelijcs inden handen vanden iongen lieden sijn ende heel ghemeyn’, verscheen in 1539 te Antwerpen de bekende liederenbundel Een devoot ende profitelijck Boecxken, waarin Kalff nog addertjes van ketterij zag, in tegenstelling met de scherpziende inquisiteur Titelman die het werkje van een aanbeveling voorzag; Van Mierlo deelt de mening van Titelman 1  .

Uit het tweede kwart van de zestiende eeuw dateert ook het Liedboekje van Marigen Remen, dat geheel de traditioneel katholieke geest bewaart en als typische volkskunst gekarakteriseerd moet worden 2  .

Omstreden is 3   de beroemde uitgaaf der Souterliedekens van 1540, een vrije soms uitbreidende en interpreterende bewerking van de psalmen, eveneens te Antwerpen verschenen en toegeschreven aan de Utrechtse edelman Willem van Zuylen van Nyevelt, door de kerkelijke censuur volledig gedekt. Toch voltrok zich de scheiding der geesten o.a. aan deze liedekens 4  , toen zij nl. door de hervormden opvallend veel gebruikt werden, als gevolg waarvan de katholieken de uitgaaf ervan gingen wantrouwen; de katholieken bezaten trouwens hun rijke liederenschat uit het verleden die meer omvatte dan alléén de schriftuurlijke, d.w.z. aan de Heilige Schrift ontleende, liederen, tot welke categorie zich langzamerhand bij de hervormden het geestelijk lied gaat verengen, zoals blijkt uit de titel van een hunner oudste bundels: de

 1  G. Kalff, Gesch. Ned. Lett. III, 19; J. van Mierlo, Gesch. Lett. Ned. II, 363.
 2  Het werd in stencilvorm gepubliceerd door een werkgroep van Utrechtse neerlandici (onder leiding van W.P. Gerritsen), Utrecht, 1966. Tussen de religieuze teksten vindt men enkele curieuze profane, o.a. Gequetst ben ic van binnen en de ballade van de ridder Bruneburch. Marigen Remen is niet de dichteres, maar heeft waarschijnlijk de liederen uit het geheugen opgeschreven. Grote literaire waarde heeft het in ‘Hollands’ geschreven bundeltje niet, wel is het cultuurhistorisch interessant (a.w., p. XLIX).
 3  Dr. S.J. Lenselink, De Nederlandse Psalmberijmingen van de Souterliedekens tot Datheen met hun voorgangers in Duitsland en Frankrijk, Assen, 1959, 187-225, betoogt dat de Souterliedekens van reformatorischen huize zijn, o.a. op grond van ontleningen aan de Liesveldtbijbel.
 4  Over de protestantse psalmvertalingen allereerst het zojuist genoemde standaardwerk van S.J. Lenselink; ouder uitvoerig G.A. van Es, Gesch. Lett. Ned. III, 189-241.


[p. 453]

Veelderhande Liedekens, gemaeckt uit den ouden ende nieuwen Testamente (ca. 1550). Deze titel verraadt het onderscheid met het oude geestelijke lied van de katholieken: de hervormden putten de stof voor hun lied uit de H. Schrift, en wel uit de bijbel-alleen; hun geestelijk lied wordt daardoor vanzelf schriftuurlijk lied. Op velerlei wijzen geven de dichters ervan uiting aan de geloofsovertuiging der hervormden, vaak ook aan het lijden omwille van die overtuiging. De martelaarspoëzie van de hervormden begint al vroeg, met het lied op de dood van het eerste Noordnederlandse slachtoffer van de godsdiensttwisten, de sacramentariër Jan de Bakker die in 1525 de marteldood stierf. De poëzie uit de periode van de eerste stormloop (1525 tot 1535) der Reformatie en van de stille tijd daarna is weliswaar strijdpoëzie, maar met in haar denkleven het element der lijdelijke onderwerping; die van de tweede stormloop (1565-1567) en van de derde (1572-1581) is bovendien verzetspoëzie van het strijdbare calvinisme. In deze religieuze poëzie nemen de elementen spot en hekeling, alsook gevoelens van wraakzucht en haat een ruime plaats in. - Ons zijn nog een duizendtal schriftuurlijke liederen en refreinen bekend. Dat deze liederen ‘in schoonheid en bevalligheid verreweg de mindere zijn van de oudere Roomsch-Katholieke’ 1   behoeft niet bijzonder te verwonderen als men bedenkt dat de makers ervan niet zozeer schone gedichten wilden voortbrengen als wel wensten te getuigen van hun innerlijk leven en lijden. Stellig echter munt een aantal van deze liederen uit door rake expressie van hevig doorvoeld leven en lijden. Behalve, dat spontaan dichterschap in deze zijn effect kan hebben doen gelden, bedenke men dat taal- en dichtvormen vaak kennis van de rederijkerstechniek verraden; allicht is een aantal van rederijkers afkomstig 2  .

In vergelijking met de uitingen van hervormde zijde, is de strijdpoëzie van de katholieken kwantitatief in de minderheid. Op de geschriften van Anna Bijns, Katharina Boudewijns en Richard Verstegen komen wij verderop terug.

Tegen het einde van deze periode verzwakt in de calvinistische poëzie de drang te getuigen van innerlijk leven en lijden, althans voorzover deze zich onmiddellijk zou willen doen gelden. Welbewust erkent

 1  G. Kalff, Gesch. Ned. Lett. III, 230.
 2  Voor de strijd- en verzetspoëzie zie de bloemlezing Nederlandse Strijdzangen uit de 16e en de eerste helft der 17e eeuw, door W.J.C. Buitendijk, Zwolle, 1954, aan wiens inleiding ontleend werd.


[p. 454]

Marnix van Sint Aldegonde, zoals Calvijn, uitsluitend de psalmen als de enige liederen die door God zelf geïnspireerd zijn en daarom alleen waardig om van God te zingen 1  . Het uit vrije inspiratie ontstane lied, zelfs het op de Schriftuur gebaseerde, kon niet langer genade vinden; alleen de zo nauwkeurig mogelijk bij de tekst der psalmen aansluitende bewerking. Dit heeft weliswaar geleid tot de grote reeks vertalingen van de psalmen, waaronder - na die van de Gentenaar Jan Utenhove (1551) (van wie G. Kuiper een nog onbekend - en nog niet gepubliceerd - zinnespel ontdekte 2  ) - die van de West-Vlaming Dathenus (1566) en van Marnix (1580) de bekendste zijn 3  . Het oordeel over de waarde van deze vertalingen en bewerkingen loopt sterk uiteen 4  .

In de volgende periode zullen wij echter een anders gerichte ontwikkeling van de protestantse poëzie aantreffen.

 1  Vgl. W.A.P. Smit, Dichters der Reformatie in de zestiende eeuw, Groningen, 1939, 97. Over de psalmvertalingen ook in Smits werk, 126-142. Een Bloemlezing uit Marnix' psalmen en lofzangen, met inl. en aant. werd bezorgd door Chr. Stapelkamp, Groningen, 1948.
 2  De Tijd, 6 nov. 1957.
 3  Over die van Utenhove en Dathenus het op p. 452, noot 3 genoemde werk van S.J. Lenselink; van oudere datum is W.A.P. Smit, Samenhang tussen de psalm-berijmingen van Utenhove, Datheen en Marnix, in Album-Baur, Antwerpen, 1948.
 4  Sommigen, b.v. Heeroma, zijn van mening dat het vertalen-bewerken van een gegeven tekst ook leidde tot een zekere verstarring van het protestants geestelijk lied, dat immers nu niet langer uitdrukking van bezielde overtuiging zou zijn, maar nauwkeurig verantwoorde weergave van een bijbelse tekst. Stond de bewerker van de Souterliedekens nog vrij tegenover zijn tekst, in de vertaling door Marnix verklaarde Heeroma niet anders te kunnen zien dan ‘een literair-filologische oefening ter ere Gods’. Dezelfde auteur nam in zijn bloemlezing uit de Protestantse Poëzie der 16e en 17e eeuw geen enkele psalmberijming op, noch enige andere berijming van een bijbelgedeelte, omdat hij in deze oefeningen geen poëzie van het protestantisme kon zien, maar slechts evenzovele stenen op het graf van het gemeentelijke lied. K. Heeroma, Protestantse poëzie der 16e en 17e eeuw, I (Bibl. der Nederl. Letteren), Amsterdam, 1940, p. VII-IX. Van Es, in zijn op p. 452 onder noot 4 aangehaalde studie, verzet zich tegen dit ongunstig oordeel, dat overigens ook, in gematigde vorm, het oordeel was van A. Verwey, H.L. Spieghel, Den Haag, 1919, 165-8. S.J. Lenselink daarentegen heeft grote bewondering voor diverse bewerkingen en acht ‘Marnix’ Boeck der Psalmen de in alle opzichten uitnemendste berijming van de 16e eeuw'; NiTlg 1968, W.A.P. Smitnummer, 25-31.


[p. 455]

4

De uit letterkundig oogpunt belangrijkste figuur die zich van katholieke zijde in de religiestrijd deed gelden, voorzover deze op de wapenen der poëzie werd gestreden, was Anna Bijns 1  .

Veel weten wij niet over het uitwendig leven van deze merkwaardige vrouw. Wij weten, dat zij te Antwerpen geboren werd in 1493; in 1516 stierf haar vader; nog geen jaar daarna trouwde haar zuster, en eiste haar aandeel in de bezittingen van haar ouders op, zodat hun zaak verkocht moest worden; het gezin had het daarop financieel nogal moeilijk, maar geleidelijk schijnt er een verbetering te zijn opgetreden. In de jaren 1520 tot 1530 ontplooide Anna een zeer grote activiteit als schrijfster. Nadat in 1536 haar broer Maarten getrouwd was, opende zij een school, waarin zij vanaf 1536 door lesgeven in haar onderhoud voorzag tòt 1573; in 1575 stierf zij. Enkele min belangrijke data staan binnen dit kader opgetekend. Het is op zich van weinig betekenis. Maar Anna Bijns heeft - en dit is belangrijker - het leven van haar tijd meegeleefd met een gespannen aandacht en een hartstochtelijke drift des gemoeds, en zij heeft daaraan uiting weten te geven.

 

Voorzien van haar naam verscheen in 1528 te Antwerpen haar eerste bundel, een verzameling van drieëntwintig refreinen. Het is de oudste gedrukte bundel die wij kennen. In 1548 zag een nieuwe verzameling het licht, in 1567 een derde. De bundels werden, tot ver in de zeventiende eeuw, verschillende malen herdrukt (Refereinen) 2  .

Deze in boekvorm gepubliceerde gedichten zijn echter niet de enige die zij schreef. De meest bekende handschriften,waarin gedichten van Anna Bijns voorkomen, zijn de handschriften B en A (B in de Gentse Universiteitsbibliotheek, A in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel). B is tussen 1523 en 1529 afgeschreven (de gedichten erin werden alle geschreven tussen 1521 en 1529), A is pas definitief tot stand gekomen in of na 1542.

 1  Over haar leven en werk nu de uitvoerige studie van L. Roose, Anna Bijns, een rederijkster uit de hervormingstijd, Gent, 1963. Oudere literatuur over haar: F.J. van den Branden, Anna Bijns, haar leven, hare werken en haar tijd, Antwerpen, 1911; J. van Mierlo, Gesch. Lett. Ned. II, 351-363; W.J.C. Buitendijk, Het Calvinisme enz., 86-99; L. Willems, Het Bonaventura-raadsel in het leven van Anna Bijns, VMA, 1920, 415-444.
 2  In 1875 werden ze uitgegeven als Refereinen van Anna Bijns, uit de nalatenschap van mr. A. Bogaers, door W.L. van Helten, Rotterdam.


[p. 456]

Met betrekking tot het hs. B is geleidelijk wel de neiging gegroeid alle gedichten uit dit handschrift, afgezien misschien van enkele refreinen in 't sotte, toe te kennen aan Anna Bijns 1  .

Voor wat hs. A betreft, meent L. Roose, in afwijking van voorgangers, dat - afgezien van de achttien refreinen die A gemeen heeft met de gedrukte boeken en van de achtendertig, die in hs. B voorkomen, - van het overblijvende vijftigtal gedichten slechts, naast de inleidende rondelen, een tiental met enige zekerheid kan worden aangemerkt als te stammen van Anna Bijns 2  .

Er zijn nog meer handschriften die werk van Anna Bijns bewaard hebben, maar de oogst die hieruit met zekerheid aan haar kan worden toegeschreven, is niet groot 3  . Literair-historisch is belangwekkend het voorkomen van enkele gedichten van haar hand in de refreinenbundel van de drukker-uitgever, de Antwerpenaar Jan van Doesborch, welke bundel moet verschenen zijn tussen juli 1528 en juni 153O 4  , en in het

 1  Dit handschrift werd, met uitzondering van de stukken die ook in de gedrukte refreinenbundels voorkwamen, uitgegeven door W.J.A. Jonckbloet en W.L. van Helten als Nieuwe Refereinen van Anna Bijns, benevens enkele andere rederijkersgedichten uit de XVIe eeuw, Gent, 1886. Hierover L. Roose, a.w., 71-85; oudere lit. J. van Mierlo, Sprokkelingen II (1950), 47 vlg., en J.A.N. Knuttel, Hersteld Auteurschap II, Anna Bijns, TNTL LXV (1947), 94-100, die deze bundel haar ‘dichterlijk dagboek van de liefde’ noemt (p. 98). Vgl. ook Anna Bijns, Refreinen, uitg. door L. Roose in Klassieke Galerij, Amsterdam - Antwerpen, 1949, XI.
 2  L. Roose, a.w., 116. Handschrift A werd uitgegeven door E. Soens in Leuvensche Bijdragen IV (1900-1902), 199-368, althans voorzover het al niet eerder was afgedrukt in Bijns' eigen bundels en in de uitgave van hs. B; in hetzelfde ts. IX (1910-1911), 37-101, volgden inleiding en verklaringen.
 3  Hierover uitvoerig L. Roose, a.w., 119-138.
 4  De refreinenbundel van Jan van Doesborch, uitg. C. Kruyskamp, Leiden, 1940. Voor de datering zie I, p. XIV-XV. Van Mierlo attendeerde op het feit dat deze bundel slechts een enkel refrein gemeen heeft met hs. A, terwijl andere verzamelingen, zelfs die welke in ver van Antwerpen gelegen steden (in Utrecht b.v.) ontstonden, anders handelen. Wat kan hiervan de oorzaak zijn geweest? vraagt Van Mierlo zich af. Hij stelt de mogelijkheid dat de bundel van Van Doesborch afkomstig is van Anna Bijnszelf, die aan Van Doesborch een groot deel van haar eigen afschriften van refreinen van rederijkers afstond, (terwijl een ánder deel bewaard bleef in hs. A (en B)). Haar bezit aan refreinen zou dus rond 1527 uiteengevallen, gesplitst zijn, met als resultaat dat wat de ene verzameling bevat niet in de andere staat. De uiteenval resulteerde dan in:
a. de collectie die zij aan Van Doesborch afstond voor zijn bundel van 1528;
b. de collectie hs. B., waarvan Van Mierlo veronderstelt dat zij die aan Engelbrecht ter hand stelde; hij kan ze tot 1530 aangevuld hebben;
c. de collectie hs. A met de andere (ook oudere) gedichten tot 1525, enkele tot 1527, een heel enkel van ca. 1542.
Roose maakt andere veronderstellingen met betrekking tot A, namelijk een soort kladhandschrift van Bijns-zelf; a.w., 118.


[p. 457]

door hem uitgegeven volksboek Van den X Esels 1  . De mede op grond hiervan veronderstelde relatie tussen Bijns en Van Doesborch bracht Van Mierlo ertoe zich de vraag te stellen, of dit contact ook niet in andere publikaties zijn neerslag vond. Het al eerder door Debaene geconstateerde feit dat een bepaald refrein uit sommige volksboeken ook voorkomt in het hs. A. van Anna Bijns en dat vele andere worden teruggevonden in de refreinenbundel van Van Doesborch deed Van Mierlo concluderen dat de refreinen die in de volksboeken voorkomen van Anna Bijns moeten stammen, hetzij ze die zelf had gemaakt, hetzij ze die van anderen had overgeschreven. Daaruit zou moeten volgen dat een aantal volksboeken met refreinen die te Antwerpen tussen 1516 en 1524 verschenen 2   ‘in verband staan met, zo al niet het werk zijn van Anna Bijns’. Voor Van Mierlo stond zelfs vast, dat ze ‘het werk’ zijn van Anna Bijns 3  .

Indien deze constructie van Van Mierlo afdoende gemotiveerd zou kunnen worden, zou Anna Bijns haar letterkundige loopbaan dus begonnen zijn met het uitgeven, resp. schrijven van volksboekjes in proza. Dit rond 1516, toen zij 23 jaar oud was. Om de verhalen op te sieren verwerkte zij refreinen van anderen of dichtte er zelf bij. Deze laatste omstandigheid kan verklaren, dat in de volksboekjes verzen staan die ook in hs. A of bij Van Doesborch voorkomen of daarmee nauw verwant zijn.

In een verwante sfeer ligt Mariken van Nieumeghen, dat volgens Van Mierlo ook door Anna Bijns geschreven zou zijn zoals het ca 1519(?)

 1  L. Roose, 142 vlg.
 2  Met name Margarieta van Lymborch (1516), Floris ende Blanceflour (ca. 1517), Alexander van Metz (ca. 1518), Frederick van Jenuen (ca. 1518), Broeder Russche (ca. 1520) en Vanden X Esels (ca. 1522). Over de mogelijkheid, dat Anna Bijns betrokken was bij bepaalde volksboeken uit de jaren 1516-1524, zie L. Debaene, De Nederlandse Volksboeken, Leuven, 1949, passim; dez., Rederijkers eu Prozaromans, in De Gulden Passer, 1949, 1-23; J. van Mierlo, Nieuwe Sprokkelingen II (1950), 107-129; dez., Nieuwe Studiën over Anna Bijns en andere opstellen (1952), 5-55. In zijn uitgaaf van Broeder Russche, Antwerpen, 1950, schrijft Debaene opnieuw over de mogelijkheid dat Alexander van Metz, Frederick van Jenuen en Broeder Russche van één auteur (Anna Bijns?) zouden zijn.
 3  J. van Mierlo, Anna Bijns en de Volksliteratuur in haar jeugd te Antwerpen, VMA, mei-juni 1955, passim; het citaat op p. 346.


[p. 458]

gedrukt zou zijn 1  . Ook van Doesborchs refreinenbundel behoort tot de volksachtige rederijkersliteratuur; hij zou stammen uit het bezit aan refreinen van Anna Bijns 2  .

Van vóór 1525 dateren volgens Van Mierlo verder bijna alle refreinen uit hs. A (tendele eigen werk, tendele bloemlezing).

Rond 1524 zou dan een kentering ingetreden zijn, die er haar toe bracht van toen af - met verwaarlozing van prozaromans en volksboeken - vrijwel uitsluitend godsdienstige of polemische refreinen te schrijven, waarvan de bundel tegen de hervorming (1528) het eerste duidelijke teken is.

Van Mierlo's hypothese doet ons Anna Bijns dus achtereenvolgens kennen als uitgeefster, resp. schrijfster van volksboeken in proza, daarnaast als de auteur van Mariken van Nieumeghen en als de bloemlezer van Van Doesborchs refreinenbundel. Vervolgens als de auteur van een groot deel der refreinen uit hs. A en B, daarna van de welbekende gedrukte bundels.

Uiteraard houdt L. Roose zich 3   uitvoerig met de hypothese Debaene-Van Mierlo bezig. Hij meent voor wat de prozaromans betreft, te kunnen stellen dat een aantal ervan wel door één auteur kan zijn geschreven, dat dit zelfs waarschijnlijk is, maar dat deze auteur Anna Bijns zou zijn, acht hij onvoldoende bewezen. Van den X Esels heeft inderdaad aan Bijns ontleend, maar is z.i. niet door haar geschreven of samengesteld. Noch Van Doesborch en Anna Bijns, noch hs. A en de gedrukte bloemlezing horen naar zijn mening samen. Ook voor wat Mariken van Nieumeghen betreft, zijn er geen indicaties die ons duidelijk naar haar auteurschap wijzen. Roose draait ongeveer de stelling om: Van Mierlo heeft inderdaad enkele draden blootgelegd, waardoor Anna Bijns' dichtwerk met andere geschriften van haar tijd verbonden is. Maar deze verbinding bestaat hieruit, dat zij een aandachtig lezer

 1  J. van Mierlo, Over vorm en dichter van Mariken van Nieumeghen, VMA, 1949; dez., Sprokkelingen II, 130-169; contra Van Mierlo Pater Maximilianus, TNTL, 1950, 161-179, waarop Van Mierlo reageerde in Nieuwe Studiën over Anna Bijns en andere opstellen, 1952, 56-58. De laatste uitgever van de integrale tekst van M.v.N., dr. C. Kruyskamp, acht de hypothese van Van Mierlo door Maximilianus ‘voorlopig weerlegd’ (ald. XV). Hierop reageerde weer Van Mierlo in de in de vorige noot aangehaalde studie over Bijns van 1955. - J. van Mierlo stelt als datum van de gedrukte tekst ca. 1519; mej. Kronenberg kwam echter op ca. 1515.
 2  Vgl. J. van Mierlo, Sprokkelingen II, 88- 106; vooral Nieuwe Studiën, 1952, 19-42.
 3  L. Roose, a.w., 138-159.


[p. 459]

van de in haar stad verschijnende volksliteratuur is geweest, met het gevolg dat deze literatuur in haar werk sporen heeft nagelaten 1  .

Voor wat onze uiteenzetting over de betekenis van het werk van Anna Bijns betreft, baseren wij ons verder op wat algemeen als werk van haar hand erkend wordt.

 

De behandeling van dit werk dient te beginnen met de gedichten uit hs. B, die alle stammen uit de beginperiode van haar dichterlijke activiteit, de jaren twintig 2  . Opmerkelijk zijn hierin de vele gedichten op het thema liefde, vriendschap en huwelijk.

Verschil van mening bestaat over de aard van de minnedichten. Van Mierlo pleit voor hun gefingeerd karakter. Buitendijk pleit voor hun authenticiteit, - naar mijn mening terecht 3  . Van Mierlo acht zich geplaatst voor het psychologisch raadsel, hoe een onberispelijke jonkvrouw als oefening ‘zulke dingen’ kon schrijven; dit raadsel valt weg, indien wij deze gedichten zien als de uiting van een reëel gekweld gemoed, dat een miskende liefde kent en daarvoor in de lyriek een uitweg zoekt. Men vraagt zich ook af, waarom Anna Bijns met zulke hardnekkigheid vooral dit thema der afgewezen liefde als oefening gekozen zou hebben; de rederijkers kenden toch waarlijk wel àndere stoffen waarop zij hun kunstvaardigheid konden beproeven. Er is, neemt men een werkelijke liefdesgeschiedenis aan, niets vreemds aan het geval. Anna Bijns heeft dan, op iets gevorderde leeftijd - zij schreef de gedichten toen zij ruim dertig jaar was - een grote, hevige liefde gekend, die haar het volkomen geluk scheen te beloven. Dat het Anna niet aan temperament ontbrak, bewijst haar latere religieuze lyriek. Waarom

 1  Negatief reageerde al eerder op Van Mierlo's these A. van Elslander, Revue Belge de Phil. et d'Histoire, XXXIII (1955), 386-92.
Een zo goed als onbekend postincunabeltje van ca. 880 regels uit 1516, Tgevecht van Minnen, trok de laatste tijd de aandacht door twee publikaties erover, een van R. Lievens, Leuvense Bijdr. XLVI (1956-57), 97-120, en C. Kruyskamp, Opstellen aangeboden aan Dr. F.K.H. Kossmann, 's-Gravenhage, 118-25. Lievens acht het niet uitgesloten dat Anna Bijns de schrijfster is. Kruyskamp betwijfelt dit zeer. Roose acht de door de bundel verstrekte informatie te gering om tot een zekere conclusie te komen (a.w., 158-9).
 2  Het gedicht dat de oudste datum draagt, ontstond begin mei 1522. L. Roose, a.w., 171, acht het echter niet haar eerste werkstuk.
 3  J. van Mierlo, Gesch. Lett. Ned. II, 353-355; W.J.C. Buitendijk, Het Calvinisme in de spiegel van de Zuidnederlandse literatuur der Contra-Reformatie, Groningen, 1942, 89-92.


[p. 460]

kan de liefde voor een mens haar niet hebben beheerst, tot zij na de scheiding smartelijk gekwetst in klachten en kreten een uiting zoekt voor de pijnen en vreugden van haar hart? Er is niets abnormaals of zondigs in wat Anna Bijns aan het papier toevertrouwde. Ik moet zelfs bekennen dat deze vrouw mij eigenlijk eerst sympathiek werd, toen ik deze minneklachten las, waarin zij niet als strijdbare religieuze Kenau tegen de ketterij te velde trekt, maar droef voor zich uit klaagt als arme mens die pijn lijdt, als vrouw die snakt naar het geluk van de liefde, als de zich vernederende, die bereid is elke lijdensweg te gaan die haar geliefde haar voorschrijft. Deze gedichten geven te verstaan, dat haar minnaar haar in de steek gelaten heeft, ‘ongestadich in dwerck van minne’ 1   als hij is. Nochtans hebben zij elkaar tot in de extase bemind:

 In tlandt en waren geen meerder caren
 In reynder liefden, dan wij eens waren. (135)

Nu echter heeft hij haar alleen achtergelaten:

 O mij alder liefste lief, waer zijdij bleven?
 Ic en weets nauwelijck.
 Hoe compt, dat ghij mij nu mindt soo lauwelijck? (135)

Niet als ‘sommege ander sottinnen’ zal zij ‘van rouwe aen een ander slaan’ (148), zij blijft de ene aan wie zij haar liefde schonk getrouw:

 Waer sal ic u vinden?
 Op mijn bloote knien ic derwaert crope
 Door regen, door winden. (135)
  
 Al moeste ic met u gaen bidden mijn broodt
 Doer hagel, door sneeu, door windt, door wagen
 En donder vlagen,
  
 Ic en achtes al niet, mocht ic u behagen;
 Ic zoude scheyden van vrienden en magen
 En wandelen met u door scherpe wegen. (148)

In deze gedichten spreekt, voor het eerst in onze letterkunde, een vrouw van een absolute liefde voor een ander mens. Hadewijch kent de alle maat te buiten gaande liefde tot God, Anna Bijns de volstrekte

 1  Nieuwe Refereinen van Anna Bijns, uitg. Jonckbloet-Van Helten, 197. De bij de volgende citaten voorkomende cijfers verwijzen naar de bladzijden in deze uitgave.


[p. 461]

overgave aan de man, in welke ravijnen van smart hij haar ook neerstorten laat. Tot iedere vernedering is zij bereid, mits zij hem weer de hare mag noemen; met hem wil zij arm en verstoten leven, liever dan met een ander een rijk en weelderig leven te leiden (206). Een enkele maal juicht de stem van extatisch geluk:

 O Orphee, wildt nu u herpen clincken!
 Alderhande genoechte laet ons bedincken.
 Wech droeve manieren!
 Met vreuchden wil ic nu eten ende drincken;
 Mijnen grammen moedt hebic laten sincken
 Zeer goedertieren.
 Verblijdt u, ghij beestkens, niet om verfieren,
 Vogelen des hemels, visschen der rivieren,
 Dat ic ontbeerdt hebbe,
 Heb ic vercregen; speeldt herpen en lieren,
 Ic wil mij zelven schoone gaen verchieren.
 Hem, die ic weerdt hebbe,
 Zal ic ontfangen, zoo ic lange begeerdt hebbe;
 Daer ic vrij omme in drucke geweerdt hebbe,
 Sal ic gebruiken. (202)

Maar voor het grootste deel bestaat deze lyriek uit klachten over versmade en verloren liefde; eerst na drie of vier jaar stagneert de stroom van deze minnedichten. Volgens het handschrift komt hij tot stilstand eind 1528.

L. Roose helt vrij duidelijk over naar het standpunt van Van Mierlo. Hij ziet in het conventioneel karakter van haar minnelyriek een der meest opvallende kenmerken ervan, maar tevens het ernstigste bezwaar dat men tegen een interpretatie ervan als uitdrukking van een ervaren realiteit kan inbrengen 1  . Verderop echter erkent hij, dat de scherpzinnigheid van haar uitlatingen over de aandoeningen van de liefde hem doet denken, ‘dat deze ook voor haar niet helemaal tot een onbekend terrein behoren’ 2  . Hij ziet ook duidelijk, dat haar minnepoëzie éigen kenmerken vertoont in de voorkeur voor de klacht, het verwijt (zij laat zelfs, zegt hij ‘een zeer persoonlijk geluid horen’ in refrein 43 3  ); verder in een meer sceptische houding tegenover de vreugden van de liefde en het huwelijk; in een meer subjectief geluid vooral wat het haar reacties op ervaren ontrouw betreft; in de af-

 1  L. Roose, a.w., 187.
 2  L. Roose, a.w., 207.
 3  L. Roose, a.w., 199.


[p. 462]

wezigheid van het bezingen der zinnelijke genoegens; in afwijkende uitdrukkingen en beeldspraak met betrekking tot de liefde (zowel grotere tederheid als grover realisme).

Dat haar minnepoëzie tal van conventionele elementen vertoont, is weinig verwonderlijk. (Niemand heeft ooit beweerd dat Anna Bijns door een hyperindividualistische beleving van een vrij algemeen menselijk gevoelen wordt gekenmerkt, noch dat zij een dichteres van uitzonderlijk expressief vermogen is). Opmerkelijk zijn echter de afwijkingen van de conventie, opmerkelijk is vooral het persoonlijk accent.

Als men de opvatting van Van Mierlo - louter gefingeerd karakter - aanvaardt, staat men inderdaad voor een (groter of kleiner) raadsel, en moet men haar minnelyriek verklaren uit een uitzonderlijk dichterlijk inlevingsvermogen in een haar dan onbekende situatie. Dat komt voor: men behoeft niet aan te nemen dat Vondel alle misdaden heeft gepleegd waarvan hij een suggestieve uitbeelding geeft in zijn werk. Het is ook bij Anna Bijns mogelijk, al is het, gezien de aard van haar verbeeldingskracht, niet waarschijnlijk.

Het is overigens, strikt literair, niet eens bijzonder belangrijk: het belangrijkste blijft het dichtwerk-zelf, dat op dit terrein een grote overtuigingskracht bezit door zijn expressief vermogen. Dat kan tot stand gekomen zijn krachtens persoonlijke ervaringen; het kan zijn vorm gevonden hebben krachtens aanzienlijke dichterlijke inlevingsvermogens; het kan ontstaan zijn krachtens beide.

 

In die tussentijd heeft haar belangstelling zich óok op een ander object gericht, een andere man: Luther. Aldus hebben twee mannen - wij houden het daar maar op 1   - in haar leven ‘een ontzaglijke rol gespeeld: één dien zij van aangezicht tot aangezicht kende en vurig bemind heeft, en één dien zij alleen van horen zeggen kende en vurig haatte’ 2  . Vanaf 1522 schrijft zij polemische gedichten over zedelijk verval en ondermijning van het geloof; geleidelijk worden zij toegespitst op Luther, voor haar de vorst der duivelen, het inbegrip van alle boosheid en verderf. Men vindt haar gedichten met betrekking tot de hervorming in de beide handschriften en alle bundels. Zij heeft daarin Luther en het lutheranisme bestreden niet uit voorkeur voor polemiek, maar omdat zij erin zag de belagers van wat haar het heiligst en dier-

 1  Vgl. ook de bespreking van het boek van L. Roose door C. Kruyskamp, TNTL 81 (1965), 146-51.
 2  W.J.C. Buitendijk, Het Calvinisme, 89.


[p. 463]

baarst was: het oude geloof en de moederkerk. De grote kampioen voor de orthodoxie en de kerk, onze eerste bewust contra-reformatische kunstenaar van formaat is dus een vrouw. Geenszins miskent zij de vervalverschijnselen in de kerk, en met nadruk wekt zij op tot deugdzamer leven. De hervorming echter breekt de eenheid en is gericht tegen de kerk. Vandaar, dat zij haar vernuft slijpt om de ketterij te bestrijden; zij was in de problematiek behoorlijk thuis. Zij kende de H. Schrift die fungeert niet alleen als bron van illustratiemateriaal maar ook als grondslag van haar betoog, en zij kende de ketterij. ‘De theologisch-defensieve refreinen van Anna Bijns (geven) blijk van grote Bijbelkennis, terwijl het ook duidelijk is dat zij uitstekend op de hoogte was van de bewijsvoering harer tegenstrevers’, betoogt Van Dis 1  . Overwegend echter is zij in de aanval tegen de gevolgen die naar haar mening uit de dwaalleer moesten voortspruiten, op concrete levensuitingen dus, meer dan op theorieën en leerstellige betogen.

Strijdbaar is haar eerste, in haar eigen tijd gepubliceerde, bundel van 1528, waaraan in 1548 een nieuwe verzameling nog krachtiger en krasser refreinen werd toegevoegd, sommige honend en spottend, andere scherp-venijnig. Ook in deze bundel is wederom aandacht geschonken aan het verval onder de katholieken, dat haar met innige droefheid vervult. Wanneer in 1567 de derde bundel wordt uitgegeven (de omvangrijkste met 69 refreinen) is de toon toch wel anders: tegenover de grote ‘ketters’-zelf (Luther, Calvijn en de anderen) blijft zij onverzoenlijk; tegenover de meelopers legt zij meer begrip dan vroeger aan den dag; zij kent met hen het christelijk mededogen, ze smeekt hen terug te keren naar de oude schaapstal. De polemiek blijft vrijwel achterwege. Veeleer valt óp een verharding in haar toon ten aanzien van éigen geloofsgenoten, vooral van hun gezagsdragers 2  . Zij heeft zeer bepaald de hervorming niet uit het oog verloren, maar het is, alsof zij meer heil ziet in de persoonlijke verdieping en verlevendiging van het geloof dan in de aanval op de vijand. Veel onderscheid tussen de verschillende vijanden heeft zij nooit gemaakt, noch in de aanvang, toen bijvoorbeeld de wederdopers minstens even sterk de aandacht hadden kunnen trekken als de lutheranen, noch in de tweede helft van haar leven, toen nochtans duidelijk werd, dat de Nederlanden veeleer calvinistisch dan lutheraans zouden worden. Trouwens, tussen 1540

 1  L.M. van Dis, Bundel - De Vooys, Groningen, 1940, 118.
 2  L. Roose, a.w., 208-62.


[p. 464]

en 1550 schijnt zij haar laatste refreinen geschreven te hebben; jongere zijn althans niet tot ons gekomen.

De hier behandelde minnelyriek en haar polemische literatuur met betrekking tot de hervorming vormen niet het totale oeuvre van Anna Bijns: dat omvat ook liederen van inkeer en verdieping in de waarheden van het oude geloof, kerst- en nieuwjaarsliederen, lofzangen op Christus en Maria, boetzangen, beschouwingen over dood en vergankelijkheid. Zij komen al in de eerste periode van haar dichtkundige activiteit voor; de meeste voorbeelden echter vindt men in haar derde bundel 1  . Het zijn typische uitingen van de laatmiddeleeuwse tijdgeest in zijn polariteit tussen angst en verrukking. Op grond van wat zij ook aan positieve elementen tot uitdrukking brengt, kan zij beschouwd worden als de eerste Nederlandse dichteres van de contrareformatie 2  .

 

Midden in de tijd van de rederijkers levend, is Anna Bijns een der toppen van hun kunst. Naar de nieuwe tijd georiënteerd kan men haar noemen om haar doelbewuste aandacht voor de retorica als een gave van de Heilige Geest, voor de waardering dus die zij koestert voor de dichtkunst 3  , inhoudelijk (naar geest en mentaliteit) vertegenwoordigt zij duidelijk de late middeleeuwen in haar pessimistische visie op het leven, haar beperkt aanvoelen van de natuur, haar afkeer van de mystiek, haar toeleg op een praktische levensethiek 4  .

Zij is een der merkwaardigste en belangrijkste rederijkers, en een deel van haar refreinen blijft nog immer leesbaar door zijn eenvoud en zuiverheid van taal 5  . Zij offert niet op overdreven wijze aan mode-

 1  Uitvoerig over deze niet-polemische religieuze poëzie, L. Roose, a.w., 263-88.
 2  L. Roose, a.w., 288-9.
 3  Het refrein 77 in hs. B (Tes verlooren Roosen voor soghen gestroydt) van 11 januari 1528; vgl. L. Roose, a.w., 175-6. Vgl. de opvattingen van De Roovere, Mariken van Nieumeghen en sommige dichters bij Van Styevoort. Vgl. L. Roose, a.w., 334-5.
 4  L. Roose, a.w., 327.
 5  Over haar verstechniek L. Roose, a.w., 290-325, 328: ‘Zij schrijft rondelen, A B C-gedichten en heeft met haar kunstbroeders een voorkeur voor het refrein gemeen. In de structuur van deze dichtsoort en in de daarbij aangewende verstechniek vertoont zij een zekere zelfstandigheid, die door een grotere regelmaat gekenmerkt wordt en daardoor reeds als een overgang naar het gedicht van de vroegre-naissancisten beschouwd kan worden. Het rijm heeft zij eveneens als een belangrijk bestanddeel van de poëtische uitdrukking opgevat en zij heeft in de aanwending ervan een grote, niet altijd bewonderenswaardige virtuositeit aan de dag gelegd’.


[p. 465]

verschijnselen. Zij schrijft soms werkelijk beeldend en suggestief. Daar staan echter verschillende negatieve eigenschappen tegenover: niet zelden drukt zij zich lelijk en zelfs wansmakelijk uit, met name in haar beeldspraak; haar vers is vaak gerekt en strompelt voort over te veel dalingen tussen de heffingen; geserreerde verzen zijn betrekkelijk zeldzaam: het in ritmisch opzicht meest suggestieve vers schrijft zij in haar zuiver lyrische gedichten; in haar polemische en betogende gedichten is dit element het zwakst. Gaarne breidt zij uit met nieuwe strofen, die aan de idee of haar uitwerking weinig nieuws toevoegen. Haar beste fragmenten - gehéél gave gedichten zijn moeilijk te vinden - treft men aan onder de liefdesrefreinen. Deze gedichten zijn echter eerst in de vorige eeuw gepubliceerd; haar roem tijdens haar leven berust vooral op haar strijdpoëzie, die ten dele de eer genoot spoedig (1529, door de Gentse humanist Eligius Houckaert) in het Latijn vertaald te worden. Directe navolgers heeft zij echter niet gehad, hetgeen te verklaren valt uit het feit dat al spoedig niet ‘haar’ Luther, maar Calvijn en diens leer de te bestrijden objecten werden. Bekend bleef zij echter gedurende vrijwel heel de periode der contrareformatie 1  .

 1  Als introductie in het werk van Anna Bijns raadplege men de beknopte bloemlezing uit haar Refreinen met uitvoerige inleiding van L. Roose in Klassieke Galerij, Amsterdam-Antwerpen, 1949.

5

Stad- en tijdgenoot van Anna Bijns was de Antwerpse koopman en rederijker Cornelis Crul (geb. eind vijftiende eeuw, overleden tussen 1538 en 1551). Hij trok de laatste tijd opnieuw de aandacht doordat om zijn gedichten, de refreinen vooral, een discussie ontstond over de vraag of hij al dan niet als hervormd kan gelden. De laatste uitgever van zijn religieuze poëzie meent, dat men de interpretatie van al zijn gedichten in het licht van een door Erasmus geïnspireerde katholieke geloofsovertuiging te zoeken heeft. Dat Crul erasmiaans denkt en voelt behoeft weinig te verwonderen bij de man die Sommighe schoone Colloquien oft Tsamensprekinghen uut Erasmo Roterodamo vertaalde, en zich daarop kennelijk inspireerde bij het schrijven van zijn Tweesprake van den rijcken Ghierighen 2  . Zijn gedachtengang is naar de mening van sommigen stellig niet uitgesproken hervormd; die gedachtengang is naar hun mening geheel uit de katholieke inzichten en overtuiging te verklaren.

 2  Iets meer over deze invloed van Erasmus hiervóór p. 440 vlg.


[p. 466]

Dat hij in de wijze waarop hij zijn opvattingen vertolkt, reageert tegen de ideeën van een groot aantal roomse tijdgenoten is bij een bewonderaar en navolger van Erasmus niet verwonderlijk. Anderen daarentegen achten Crul duidelijk hervormd 1  . Behalve enkele psalmvertalingen is zijn belangrijkste religieuze gedicht het strofische Den Geestelijcken ABC. Men kan hem moeilijk een groot dichter noemen, al treffen een gedicht als dit en de beide psalmvertalingen op sommige plaatsen door een doorleefd accent en al kan men de vaardigheid bewonderen waarmee hij weinig oorspronkelijke uitdrukkingsmiddelen wist te hanteren om persoonlijke gevoelens tot uitdrukking te brengen 2  .

In Heynken de Luyere, en in mindere mate in de Cluchte van eenen Dronckaert, gaf Crul schetsen uit het Antwerpse leven aan de zelfkant. Het wittebroodskind Heynken gedraagt zich als een soort Uilenspiegel, die zich met en soms ook ten koste van zijn vrienden al klaplopend vermaakt. Crul heeft deze kluchten (vooral de eerste) uitstekend weten te vertellen in een losse, luchtige, beeldende trant, merkwaardigerwijze in strofenvorm, een vorm die voor korte vertellingen zelden werd toegepast; hij rondt de strofe bovendien af door een slotregel in spreukvorm, wat echter op den duur bij alle bewondering voor Cruls vindingrijkheid ietwat gaat hinderen. Het kan geschreven zijn omstreeks 1540.

De rake psychologie die Heynken kenmerkt, vindt men ook in de klucht van een dronkaard die alleen bekend is uit een late druk, namelijk van de bovengenoemde Colloquien uut Erasmo (Delft 1611), die vijf stukken bevat, vier vertalingen op rijm naar Colloquia van Erasmus, het vijfde deze monoloog, - ‘onze enige zuivere dramatische monoloog uit de Rederijkerstijd’ 3  . - Ook voor zijn Mont toe, borse toe, dat waarschuwt tegen het kwaad, voortvloeiend uit een onbeheerste tong, heeft de dichter geput uit Erasmus, nl. uit diens Lingua 4  .

 

Van belang is in dit verband ook Jan van den Berghe († 1559), die

 1  Zo de beoordelaar van Rooses uitgave van Cruls religieuze poëzie (zie volgende noot), J.J. Mak, NiTlg, 1955, 88-91.
 2  Religieuze Poëzie, uitg. door L. Roose (Zwolse Herdrukken), Zwolle 1954, met uitvoerige inleiding en literatuuropgave.
 3  C. Kruyskamp in Heynken de Luyere en andere gedichten, Amsterdam, 1950.
 4  Heynken de Luyere, Mont toe, en de Cluchte van eenen dronckaert werden als Heynken de Luyere en andere gedichten uitgegeven door C. Kruyskamp, Amsterdam, 1950; aan diens inleiding werden verschillende gegevens ontleend.


[p. 467]

verderop ter sprake komt in het hoofdstuk over het toneel in deze tijd 1  ; daar ook enkele regels over zijn refreinen.

 

De refreinen stammende uit de jaren tussen 1561 en 1566, resultaten van de refreinfeesten, doen duidelijk de evolutie der geesten kennen. Een groot aantal van de refreinen die op het feest van Brussel (1562) aan de orde kwamen (er moest geantwoord worden op de vraag wat de landen in rust kan houden) hecht duidelijk grote betekenis aan het geloof en aan de Schrift als enig en afdoend richtsnoer ten bate van geestelijke en wereldlijke overheden. Een vrij aanzienlijke invloed van de geest van Erasmus is mogelijk; in enkele is mogelijk invloed van de klassieke auteurs te bemerken 2  .

 1  Zie hier p. 501 vlg.
 2  Over deze refreinen Van Gelder, Erasmus, 88-90.

6

Een figuur apart is wel Mathys Casteleyn, niet alleen om zijn veelzijdigheid, maar omdat deze veelzijdigheid ‘de’ rederijkerskunst min of meer alomvattend demonstreert. En niet alleen de kunst-zelf, maar ook de theorie erover. En dan weer: niet alleen de theorie van de kunst zoals die wás, maar ook aanwijzingen hoe zij naar de toekomst zou kunnen evolueren. Dit alles nog in de eerste helft van de zestiende eeuw.

Mathys Casteleyn (1485-1550) 3   hoorde tot de beroemdste rederijkers van zijn tijd. Hij is geboren te Pamele bij Oudenaarde. Iets nauwkeuriger gegevens over zijn jeugd en opleiding zijn tot nog toe niet bekend. Hij was rond 1516-17 geestelijke; uit die tijd dateert ook de oudste ons bekende post waaruit zijn functie van apostolisch notaris blijkt 4  . Zijn priesterlijke werkzaamheid inspireerde hem niet tot belangrijker dicht-

 3  Over Mathys Casteleyn zie de oudere werken van J. van Leeuwen, M. de C. en zijne Conste van Rhetoriken, Utrecht, 1894; S. Eringa, La Renaiss. et les rhétoriqueurs néerlandais, Amsterdam, 1920.
 4  S.A.P.J.H. Iansen, Iets over notariële werkzaamheden van Mathys Casteleyn, Handelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Oudenaarde XIII (1963), 5-28. Aldaar uitvoerig over de functie van apostolisch notaris. In de posten uit de stadsrekeningen die mej. Iansen aanhaalt, heet deze auteur een enkele maal ‘de castelein’, doorgaans echter ‘castelein’. Ook de spelling van de voornaam wisselt tussen één en twee t's (ook zelfs Mattys) en tussen ij en y. Ik gebruik, als mej. Iansen in het zojuist aangehaald artikel, de veel voorkomende Mathys Casteleyn, vooral gebruikt in de latere jaren.


[p. 468]

werk; zijn religieuze gedichten (in Diversche Liedekins) doen aan als maakwerk, wel zeer in tegenstelling met zijn minnelyriek, die een fris en oorspronkelijk talent verraadt; zowel de droeve, melancholieke gemoedstoestand als de blijde, uitgelaten verrukking weet hij zonder al te hinderlijk artificiële kunstjes zangerig en welluidend te verwoorden. ‘In zijn delicate versmuziek (“int payen der ooren leit die scientie meest”) leeft een levensgevoel, dat nog wel veel middeleeuws bevat, maar in hoofdzaak renaissantisch is: blijdschap om het leven, argeloos aanvaarden van de vreugden en de smarten des levens en een verheugde ontdekkingslust in de wereld van het zichtbare’ 1  . Niet minder dan 24 van de 31 liederen 2  , waaruit zijn bundel Diversche Liedekins 3   bestaat zijn amoureus, ten dele getuigend van een zeer nadrukkelijk behagen in de lichamelijke geneugten van het minnespel, anderzijds van de smarten die de liefde brengt. De Diversche Liedekins zijn bekend uit uitgaven van 1573-74 en 1616, maar werden waarschijnlijk ook reeds eerder (tussen 1545 en 1550) in het licht gegeven. Casteleyn componeerde zelf de muziek bij zijn teksten die evenals enkele historieliederen, als dat op de slag van Pavia - veel opgang maakten. Ook anderszins heeft deze notarius apostolicus het leven van de zonzijde bezien: in de kringen der opgewekte rederijkers was hij een graag geziene gast en leidsman: een groot deel van zijn leven was hij factor van de ‘Kersauwieren en Paxvobianen’ (de leden van de kamers Pax Vobis en De Kersauwe te Oudenaarde), en ontplooide, mede in die hoedanigheid, een grote activiteit. Van zijn 36 esbattementen, 38 tafelspelen, 12 spelen van zinnen en 30 wagenspelen is alleen het zinnespel Pyramus en Thisbe tot ons gekomen. Het wordt behandeld bij het toneel van de rederijkers.

Van grote betekenis is zijn befaamde De Conste van Rhetoriken (geschreven in 1548, verschenen in 1555, vijf jaar na zijn dood). Het is de eerste veelomvattende schoonheidsleer in onze taal. Alleen al om dit feit is dit boek de moeite der aandacht reeds ten volle waard; het demonstreert de belangstelling der rederijkers voor de problemen van de kunst op en om zichzelf. Casteleyns werk is verder uiteraard een belangrijke bron van inlichtingen voor onze kennis van de kunstop-

 1  Th. de Jager, Ontwikkelingsgang, 44.
 2  Waaraan nog een ongenummerde pagina is toegevoegd, waarop een ‘balade’ voorkomt en de vermelding van de drukker.
 3  Uitg. Diversche Liedekins, door K. Goossens, Brussel, 1943; C.G.N. de Vooys, Matthijs de Castelein en zijn Diversche Liedekens, Album-Baur, Antwerpen, 1948.


[p. 469]

vattingen van deze auteurs. Zijn retorica is ondubbelzinnig geïnspireerd door een waarachtige liefde voor de kunst, zoals men die toen begreep als ‘konste van zeere wel te sprekene’.

 O edel Rethorike vul wijser verstanden
 Wat doet men u schanden, rein vrauwe vul eeren,
 Alzo wel in Vlaenderen, als in ander landen:
 Idioten met onghewasschen handen
 Scheuren u, uwe costelicke cleeren,
 Daghelicks hooric uwen last vermeeren,
 Van straet dichters, zoomen te menigher stee ziet,
 Zij en kuenen niet, noch en willen niet leeren,
 Nochtans en kennen zij, een A voor een B niet.

Hij schrijft dus zijn Conste om de kunst over de gehele lijn in ere te herstellen, en herinnert aan de oude tijden van Herodotus, Cicero, Homerus en zovele anderen, die ook letten op het fraai zich uitdrukken in mooie taal. En, met moderner begrip dan Erasmus, en denkende als Du Bellay iets later, verklaart hij: dat er in dit opzicht geen verschil bestaat tussen het Latijn en het Vlaams: beide kunnen gekleed worden in een schone taal. En

 Wat esser dat den meinsche meer verblijdt
 Dan een schoon redene, die ter mond uut lijdt
 Wel ghecouchiert met vullen leden,
 Ghelijck Isocrates en Naucrates deden...

Daartoe dient de leer der retorica; de zijne staat vol verstandige opmerkingen over het gebruik van goede en ‘statelicke’ taal, opmerkingen over zuiverheid van maat en rijm, een gedetailleerde leer over strofenvormen en dichtsoorten, die men in zijn macht moet hebben vóór men zich waagt aan tafelspeelkens en esbattementen, om tenslotte te kunnen eindigen met het spel van sinne. In de ‘Rhetorike extra-ordinaire’ behandelt hij de zeer ingewikkelde, naar onze, en ook naar Casteleyns opvatting overdreven dichtvormen als intricate baladen (‘die menighen ontstichten’!), dobbelsteerten en ketendichten, schaakborden 1  , simpletten en doubletten, ricqueracken en baguenauden (‘als qua iuweelen’!), allemaal ‘vremde dijnghen’ die Casteleyn

 1  Over deze vorm van ‘onnatuurlijk taalgebruik in het kwadraat’, G. Stuiveling, Schaken met De Castelein, SpdL VII (1963-4), 161-84, herdrukt in Vakwerk, Zwolle, 1967, 75-101.


[p. 470]

klaarblijkelijk niet bewondert, maar waarvoor in de zestiende eeuw grote belangstelling bestond. - Het is echter niet in het ‘extraordinaire’, dat zijn betekenis gelegen is; veeleer berust die op het feit dat hij de leer van de retorica, die in de tijd van de ‘seconde rhétorique’ was ingeëngd tot vooral vers-technische kwesties, weer breder opvatte en in verband bracht met de eloquentia en haar aanzienlijk uitgebreid aantal precepta 1  .

Voor de opzet van dit in dichtvorm geschreven werk ging Casteleyn te rade bij L'art de rhétorique van Jehan Molinet, de befaamde Waalse dichter aan het Brusselse hof van de regentes Margaretha, maar hij schreef het in het volle bewustzijn van de eigengerechtigde waarde van de Vlaamse dichtkunst als onderdeel van de Bourgondische tegenover de Parijs-Franse; hij is dan ook geenszins een slaafs navolger van Molinet. Integendeel: voor de stof voor zijn verhandeling steunde hij niet op de Franse uitspraken over zijn materie, maar op De Roovere en de grote klassieke voorbeelden: de Grieken en Romeinen; hij blijkt terdege ingewijd in de humanistische wetenschap van zijn dagen. Aan deze laatste ontleent hij een zeer merkwaardige bijzonderheid van zijn werkje: zijn vertoog namelijk over de ‘veersen in dichte’, dat wil zeggen métrische verzen die rijmen 2  , de ‘verre voorgangers van de latere pogingen tot navolging van klassieke metra’; hiermee staat hij in de Nederlandse letterkunde van zijn tijd geheel alleen 3  ; de metrische pogingen en de richting van het klassiek systeem van dichters als Baïf, Du Bellay, Desportes beginnen juist iets later. Deze metrische verzenbouw behandelt hij echter onder de niet na te volgen kunstjes der rhetorijke extraordinaire. De door Casteleyn voorgestane verstheorie is beïnvloed door de Franse ‘arts de rhétorique’ en hun Latijnse voorgangers, en is die van het ‘regels mate houden’, d.w.z. de beperking tot een bepaald, overigens binnen één gedicht variabel, aantal lettergrepen, dus in wezen het vrije middeleeuwse vers. Casteleyn heeft nog een zwakke poging gewaagd het gehéél vrije inheemse vers te handhaven, door tellen en meten te verwerpen en de lengte van een regel te doen duren ‘alzo langhe alst eenen aesseme heerden magh’. De toekomst was

 1  S.F. Witstein, Funeraire poëzie in de Nederlandse Renaissance, Assen, 1969 (Utr. prfschr.), 43.
 2  Vers betekent hier het klassieke, metrische vers; dicht is de gewone term voor ijm en rijmvers. Vgl. ook nog Coornhert in zijn voorrede voor De Dolinghe van Ulysse: Tis noch geen vaers, maer rijm'.
 3  F. Kossmann, Nederlandsch Versrythme, Den Haag, 1912, 18-21.


[p. 471]

echter beschoren aan een, voorlopig door lettergrepentellen, strenger gebonden vers.

Hangt aldus - naar ook weer dit voorbeeld bewijst - Casteleyn in veel opzichten aan de vanouds overgeleverde vormen, hij heeft tegelijk het nieuwe voorvoeld dat komen ging. Zijn Conste fixeerde de esthetica der rederijkers, maar de humanistische inslag die Casteleyn kenmerkt, doet hem de mogelijkheden van een ‘schoon sprekende’ kunst inzien, geïnspireerd op grote voorbeelden. Ware hij een groot oorspronkelijk scheppend genie geweest met een rijker psychische inhoud, hij had, in plaats van codificator met een vleug moderniteit te blijven, baanbrekend werk van de eerste rang kunnen verrichten. Thans blijft hij een merkwaardige persoonlijkheid, de schrijver van onze eerste invloedrijke esthetica (zijn werkje werd verschillende malen tot in de 17e eeuw herdrukt) en de dichter van een bundeltje bekoorlijke liedjes met modern accent. Casteleyn is de Paul van Ostaijen der 16e eeuw.