Proza

In deze tijd ziet men ook in het proza vernieuwing optreden. Maar daarnaast handhaven veel prozageschriften de middeleeuwse traditie. Men kan dat uit de aard van de zaak het eerst verwachten bij orthodox-katholieke auteurs.

Een zeer merkwaardig geval is zeker dat van de minderbroeder Frans Vervoort, geboren eind vijftiende eeuw te Mechelen en daar gestorven in 1555. Hij stond te boek als auteur van vele tientallen boeken, waarvan er een tiental tot ons gekomen is, dat echt de naam ‘boek’ verdient. Op grond van deze publikaties genoot Vervoort enige tijd de reputatie ‘wellicht de grootste nabloeier van Ruusbroec in de 16e eeuw’ te zijn geweest 1  . Het blijkt echter, dat Vervoort niet de schrijver van op zijn naam staande boeken is geweest, maar dat hij verzamelaar van oudere teksten was die hij kopieerde, soms combineerde, soms wat wijzigde: het mystieke element bijvoorbeeld in de door hem gekopieerde teksten deed hij ‘verschrompelen tot ascetica’ 2  ; wat al te

 1  J. van Mierlo, Gesch. Oud- en Middelned. Letterkunde, 1928, 420; zie ook de uitvoerige tekst over hem bij dez., Gesch. Lett. Ned. II, 382 vlg.
 2  Deze plaatsing van Vervoort is definitief sinds de omvangrijke studie van Gaston J. Peeters, Frans Vervoort O.F.M. en zijn afhankelijkheid, Gent, 1968; het juist aangehaalde, 376.


[p. 472]

hoge bespiegeling was, liet hij achterwege. De vraag blijft of aan deze vereenvoudiging geen principiële overwegingen ten grondslag lagen 1  . Is dit alles op zich al merkwaardig, opmerkelijk is het feit dat Vervoort, in de zestiende eeuw werkend, met grote ijver teksten uit de veertiende en vijftiende eeuw verzamelt en kopieert ter stichting van zijn geloofsgenoten, maar met geen woord rept over wat in de éigen tijd het geestelijk leven in beweging bracht. Hij kon dan ook als anachronistisch gekenschetst worden 2  . Een toevallig belang ontleent Vervoort aan het feit, dat door zijn kopieerlust teksten bewaard bleven die anders niet tot ons gekomen zouden zijn.

Een werk van grote betekenis uit de eerste helft van deze eeuw is Die Evangelische Peerle, voor het eerst uitgegeven te Utrecht in 1535, een complete verhandeling over het ascetisch-mystieke leven in de bekende trant. Het bevat bladzijden prachtig mystiek proza en is geschreven door een onbekende schrijfster, die ca. 1540 moet zijn gestorven 3  . Haar activiteit houdt wel verband met de werkzaamheid der Kartuizers, die in deze tijd, vooral vanuit Keulen, met duidelijke voorkeur geschriften van deze aard in het licht gaven (van rond 1500 dateert de bewerking van Van Herps Spieghel tot de Theologia mystica, terwijl Surius omtrent 1545 de gehele Ruusbroec in het Latijn overzet). Zij schreef ook Den Tempel onser sielen, dat, minder beroemd, literair nochtans hoger staat dan het voorgaande (uitgegeven in 1543).

In de geest van deze schrijfster arbeidt iets later Maria van Oisterwijc, terwijl ook Pelgrum Pullen met zijn talrijke mystieke verhandelingen 4   en de enige tijd geleden ontdekte Ieperse karmeliet Fr. Amelry tot dezelfde geestelijke beweging behoren 5  .

Enkele auteurs uit het groot aantal, dat in deze tijd actief was en heel

 1  Invloed (indirect eventueel)van de opvattingen van Pseudo Dionysius; zie G.J. Peeters, a.w., 380-1.
 2  G.J. Peeters, a.w., 370.
 3  Evangelische Peerle, L. Reypens S.J. in OGE, 1928; erover schreef Dom Huyben O.S.B. in OGE, 1928, 1929. Den Tempel onser Sielen, uitg. A. Ampe, Studiën en Tekstuitgaven van OGE, Antwerpen, 1968. Over dit en haar tweede werk zie verder J. van Mierlo, Gesch. Lett. Ned. II, 383-386, J.B. Kettemeyer S.J., Uit de briefwisseling van een Brabantsche mystieke, OGE, 1927, en SpdL II (1968), 53-6.
 4  Pelgrum Pullens, Die navolghinge Christi, uitg. A. van Elslander, uitg. Kon. Vl. Ac., Gent, 1958; ald. uitvoerige bibliografie; oudere lit. L. Reypens, OGE, 1928, 1929, 1940; A. van Elslander, OGE, 1945.
 5  L. Moereels publiceerde zijn Wat de Liefde Gods can bedriven in OGE, 1948; over hem A. Ampe, Fr. Amelry, 1951.


[p. 473]

wat werken het licht deed zien, dat regelmatig herdrukt werd; het toont aan hoezeer in deze tijd de katholieke leer uiteenzetting en positieve verdediging vond, hoe zelfs in de eerste helft van de periode nog uitgesproken mystieke geschriften verschenen en de aandacht trokken 1  . Zij verdienen deze aandacht, niet alleen om de hoge vlucht die het gedachten- en gevoelsleven in deze werken neemt, maar ook om het zuivere, door rederijkers-eigenaardigheden niet aangetaste Nederlands waarin zij geschreven werden.

Van katholieke zijde bestaat ook in deze periode een uitgebreide letterkunde op polemisch, geestelijk-voorlichtend en stichtend gebied, die echter niet zulke belangrijke letterkundige produkten heeft opgeleverd als de geschriften, die zonder polemiek een directe uiteenzetting geven van de katholieke leer 2  .

 

Anders geaarde geluiden klinken op uit de prozaliteratuur die door hervormden geschreven werd. Dat ook het proza zou worden aangegrepen als een strijdmiddel, viel te verwachten. Allereerst dient, van hervormde zijde, het treffende martelaarsboek der doopsgezinden Het Offer des Heeren (1562) genoemd: een bundel brieven en testamentaire beschikkingen, waaraan een aantal in de eenvoudige volkstoon gehouden liederen was toegevoegd, dat getuigenis aflegt van de geloofszin der doopgezinden, en van hun bereidheid hun overtuiging met hun bloed te bezegelen. Dit werk, en de Veelderhande liedekens vormen de beide polen, waaromheen zich het literair leven van wederdopers en doopsgezinden bewoog 3  .

Vernieuwing vond plaats door de humanisten. Daar vindt men een voorkeur voor de beoefening van de epistolaire kunst. Men behoeft slechts aan de brieven van Erasmus te herinneren om op de eminente waarde van deze kleinere, maar levende en spontane kunstsoort de aandacht te doen vallen 4  . Voorlopig schrijft men, humanistisch, de

 1  De Evangelische Peerle b.v. werd in 1602 in het Frans vertaald door de biechtvader van kardinaal De Bérulle, en uit deze vertaling putte ‘deze grootmeester der Fransche spiritualiteit de hoofdopvattingen van zijn ascetisch-mystieke leering’; aldus J. van Mierlo, Gesch. Lett. Ned. II, 385.
 2  Hierover J. van Mierlo, Gesch. Lett. Ned. II, 375-86.
 3  Over deze literatuur der hervorming, naast Kalff, Van Es, Gesch. Lett. Ned. III, 152-161, en de op blz. 454 noot 1 en 454 noot 4 aangehaalde werken van Smit en Heeroma.
 4  Een keuze uit de brieven van Erasmus, door O. Noordenbos en Truus van Leeuwen, Erasmus in den spiegel van zijn brieven, Rotterdam, 1936; een recenter uitgaaf door G. Degroote, Brieven van Erasmus, Antwerpen, 1952.


[p. 474]

epistolae in het Latijn, als essays voor geestverwanten. In de zeventiende eeuw vinden zij in de moedertaal hun afzetsel.

Oorspronkelijk werk was ook Gnapheus' dialoog Een troost ende Spiegel der Siecken (1531), waarin met betrekking tot de geschiedenis van een arm, ziek man, Lazarus geheten, samenvattend de nieuwe leer werd uiteengezet; het cultuurhistorisch opmerkelijke van dit geschrift is, dat hier een humanist zich in de taal van het volk tot de menigte richt om de nieuwe leer ingang te doen vinden 1  . Men acht dit geschrift een der belangrijkste uit de eerste jaren der Hervorming 2  .

 

In deze periode begint ook de activiteit van de meest markante prozaschrijver uit het kamp van de hervormingsgezinden: Marnix van Sint Aldegonde. Hij zet deze werkzaamheid vooral voort in de hierna volgende periode, reden waarom hij daar in zijn geheel behandeld wordt.

 1  G. Kalff, Gesch. Ned. Lett. III, 24.
 2  Aldus P. Minderaa in zijn uitgaaf van Gnapheus' Acolastus, Zwolse Drukken, Zwolle, 1956, 18.