Constantijn Huygens (1596-1687)Het is gevaarlijk globale tegenstellingen te maken, en wie aan de strijdbare Ignatius van Loyola denkt, zal aarzelen aan het katholicisme als een zijner voornaamste kenmerken een zuidelijk-aandoende gevoelige zoetheid en zachtheid toe te schrijven. Het is met het katholicisme zo gelegen, dat het rond zijn waarheid alle mogelijkheden van aanpassing aan de culturele en tijdsomstandigheden biedt. De tijd waarover wij schrijven had, naast het militante, in het katholicisme en de barok zonder twijfel de zuidelijke weekheid en zoetheid ontwikkeld. Het calvinisme daarentegen is harder en strijdbaar. Het kreeg in de Nederlanden volop gelegenheid zich als zodanig te ontplooien in de vrijheidsstrijd, die voor een aanzienlijk deel door calvinisten gedragen werd. Naar geest en mentaliteit spruit Huygens wel duidelijk uit dit geslacht stoere
voorgangers. Een onuitwisbaar stempel heeft in zijn natie ingedrukt de tijd
Indrukwekkender nog heeft hij de grimmige schoonheid van de vrijheidsstrijd gesuggereerd in zijn verzen in Hofwijck:
|
1 De gedichten van Constantijn Huygens, naar zijn handschrift uitgegeven, J.A. Worp, Groningen, 1892-1799, 9 dln., III, 68. - Verdere uitgaven, De briefwisseling van C. Huygens, uitg. door J.A. Worp, Den Haag, 1911-1917, 6 dln. (met een inleiding over zijn leven); Mémoires de C. Huygens, publ. par Th. Jorissen, La Haye, 1873; Dagboek van C. Huygens, uitg. door J.H.W. Unger, Amsterdam, 1855, bijlage van Oud-Holland III; Autobiographie van Huygens, Bijdragen Hist. Gen. XVII.
2 Korenbloemen, I, 316 vlg.
|
|
Zoon van het volk van Nederland toont Huygens zich óók in zijn loopbaan 1 . Was zijn vader, Brabander van afkomst, reeds een trouw dienaar der Oranjes en secretaris van de Raad van State, ook de zoon heeft zijn leven in dienst van de Oranjes gesteld. Nederlander, en wel hervormd Nederlander was Huygens. Zijn vader was bevriend met Marnix, de zoon stond duidelijk aan de kant van de calvinistische orthodoxie; maar hij vermeed zo veel mogelijk de strijd der protestantse overtuigingen; alleen tegen het katholicisme kwam hij in het geweer, aanvankelijk zeer strijdbaar op het fanatieke af; later verzwakt dit fanatieke zonder dat zijn geloof aan diepte en innigheid verliest. Eer het tegendeel is het geval. De leer van de Stoa, zijn humanisme, zijn omgang met ‘andersdenkenden’, onder andere met katholieken, ook jezuïeten, hebben zijn fanatisme getemperd; maar zijn geloof werd dieper, naarmate hij ouder werd.
Huygens groeide op in een prettige sfeer, waarin grote zorg besteed werd aan de opvoeding. Hij leerde dansen, schermen en paardrijden, was een zeer muzikaal man (hij componeerde vrij veel en schijnt later een autoriteit op het gebied van de muziek geweest te zijn 2 ), hij beoefende verschillende beeldende kunsten (schilderen, graveren), en beheerste, ook actief, meer talen dan zelfs in zijn tijd normaal was: Latijn en Grieks, Frans, Duits en Engels, Italiaans 3 en Spaans: het eerste dat bij het doorbladeren van zijn verzamelde werken opvalt, is de grote hoeveelheid gedichten in al deze talen. In aanzienlijke mate was hij bovendien onderlegd in de exacte wetenschappen. Hij lijkt, meer dan een der andere grote zeventiende-eeuwers, het type van een uomo universale. In een geschrift van autobiografische aard 4 heeft Huygens zijn jeugd beschreven en de wijze waarop hij, vooral dank zij de intelligente zorgen van zijn vader, zich zulk een brede en grondige ontwikkeling kon eigen maken. Het werd echter niet voltooid en behandelt, met veel belangwekkende uitweidingen, slechts Huygens leven tot 1614. |
1 G. Kalff, Constantijn Huygens, Haarlem, 1901 (in Studiën over Ned. dichters der 17e eeuw); H.J. Polak, Huygens, De Gids, 1889, I, 496, II, 24.
2 F. Kossmann, Huygens en de muziek, TNTL 77 (1960), afl. 2.
3 P.E.L. Verkuyl, Huygens' vertalingen uit het Italiaans, Ni Tlg 54 (1961), 317-23; dez. Fagiano, Huygens, Marino, Ni Tlg 55 (1962), 156-7.
4 Over het Latijnse manuscript van Huygens, dat vervaardigd werd in de jaren 1629 tot 1631, zie de toelichting bij de vertaling van dit handschrift door A.H. Kan, De jeugd van Constantijn Huygens, door hemzelf beschreven, Rotterdam, 1946.
|
|
In de jaren 1616 en 1617 studeerde Huygens met zijn broer te Leiden in de rechten. Het jaar daarop verbleef hij te Londen in het gevolg van de Engelse gezant Carleton. Dit verblijf te Londen werd verschillende malen herhaald 1 . In het gevolg van Aerssen van Sommelsdijck maakte hij een reis naar Venetië (1620) 2 . Het ligt voor de hand dat de levendige, scherpzinnige jongeman deze reizen uitbuitte o.a. om de kennis met vooraanstaande mannen die hij reeds bezat, uit te breiden. In 1625 werd Huygens door Frederik Hendrik tot zijn secretaris benoemd, en vanaf die tijd tot zijn dood is hij in dienst van het huis van Oranje gebleven. In 1622 verhief de koning van Engeland hem tot ridder; in 1632 nam die van Frankrijk hem op in de orde van Sint Michiel. Door aankoop van een dorp in de Bommelerwaard werd Huygens heer van Zuylichem, met welke titel hij vaak wordt aangeduid. Al vroeg ook was Huygens in contact gekomen met Nederlandse geleerden en kunstenaars, ook letterkundigen. Hij koesterde een grote verering voor zijn vriend Heinsius, ‘een groot geleerde en mijn intieme vriend’ 3 . Met de Amsterdamse letterkundigen komt hij kort na 1619 in vriendschappelijk contact. Na andere voorbereidende proeven - hij had tot dan toe vrijwel uitsluitend in het Frans en Latijn geschreven - vervaardigde hij in 1621 zijn eerste grote gedicht, dat hem reeds volkomen typeert Batava Tempe, dat is 't Voor-hout van 's-Gravenhage 4 . Wellicht stond hij bij het schrijven hiervan onder invloed van Starters Nieuw Liedeken tot lof van Vriesland, dat in 1621 verschenen, en toen door Huygens, althans gedeeltelijk, in het Latijn bewerkt was. In honderdvijf achtregelige strofen zingt Huygens de lof van het schone gedeelte van Den Haag dat hem zo na aan het hart lag. Huygens is, als Cats, |
1 Over Huygens' reizen naar Engeland en de invloed die de Engelse letterkunde en wetenschap op hem heeft uitgeoefend zie Rosalie L. Colie, Some Thankfulness to Constantine. A study of English Influence upon the early works of Constantijn Huygens, The Hague, 1956, en A.G.H. Bachrach, Sir Constantine Huygens and Britain: 1596-1687, vol. I, 1596-1619, Leiden-Oxford, 1962 (vgl. W.A.P. Smit, Ni Tlg 56 (1963), 116-7, en P.J.H. Vermeeren, TNTL 63, 64; dez., L.T., 1962, 639-45; J.A. van Dorsten, Huygens en de Engelse ‘Metaphysical Poets’, TNTL 76 (1959), afl. 2.
2 Constantijn Huygens' Journaal van zijne Reis naar Venetië in 1620, meegedeeld door J.A. Worp, Bijdr. en Meded. Hist. Genootschap, Utrecht, XV (1894), 62.
3 De Jeugd van C. Huygens, 43.
4 Constantijn Huygens' Costelick Mal en Voorhout, uitg. Eelco Verwijs, 1865; derde met het Cluys-Werck vermeerderde druk, bezorgd door P. Leendertz jr., Amsterdam, 1904; herz. uitgave van Voorhout, Kostelick Mal en Oogentroost door J. Karsemeyer, Klassiek Lett. Pantheon, 1966.
|
|
bij tijd en wijle sterk moralistisch, maar anders dan Cats blijft Huygens dichter: hij sublimeert zijn stof tot poëzie, een poëzie die opvalt om haar sterk verstandelijke inslag, om haar slechte of soms lelijke beeldspraak, maar die toch dikwijls de bewogenheid en diepere ontroering verraadt, die in de dichter geleefd heeft. Hij wist echter deze ontroering te remmen, en daardoor bezit zijn dichtkunst niet het Vondeliaans-stromende, maar het meer naar het staccato hellende karakter dat Huygens typeert, een fráái staccato dat een diepe bezieling in zéér bewuste vormgeving opvangt 1 . Zoals Jac. Smit heeft aangetoond, is dit gedicht geïnspireerd door de Europese humanistische traditie; het is een lofzang, en wel een lofzang typisch uit de tijd van de renaissance. Derhalve in beginsel en in uitwerking een betoog, dat (respectievelijk een pleitrede die) gebruik maakt van alle middelen die de leer van de retorica aanbood. Huygens kende deze leer en past de precepta toe. Hij hanteert de topoi die in een geval als dit gebruikt konden worden; hij gebruikt elementen uit diverse genres en wendt verschillende stijlsoorten aan (het hofdicht, de emblematische literatuur, de satire, de klucht, het lied). Vergelijking echter met vergelijkbaar werk toont aan, dat Huygens ze alle gebruikt op sterk persóónlijke wijze 2 en dienstbaar maakt aan het door hem beoogde doel, ze ook voegt binnen het kader van zijn eigen stijl. Kortom: de kracht van Huygens ligt niet in de vinding van zijn stof, die berust op, overwegend literaire, traditie, maar op de wijze waarop hij haar bewerkt en vormt. Een belangrijk aspect van die wijze-waarop is het humoristische, ironiserende, parodiërende, soms sarcastische, - al naar gelang van omstandigheden. Weer andere aspecten zijn zijn ‘bondige zeggingskracht’, respectievelijk de brede en herhalende omschrijving (de circumlocutio), het gebruik van zijn beeldspraak, de geheel eigen toon 3 . Gemakkelijke lectuur is door dit alles het Voorhout niet; Huygens is gecharmeerd op het spel van het vernuft, dat hij botviert in allerlei |
1 Een ouder werk over Huygens' letterkundige opvattingen is dat van G.J. Buitenhof, Bijdrage tot de kennis van Constantijn Huygens' letterkundige opvattingen, Gouda, 1923.
2 Als hij, bijvoorbeeld, het renaissancetopos gebruikt van de dichter die de onsterfelijkheid schenkt aan wat hij bezingt, speelt hij met dit dichterschap en ironiseert hij het. Vgl. Jacob Smit, Driemaal Huygens, Assen, 1966, 25-30. Over dit boek F.L. Zwaan, Ni Tlg 60 (1967), 52-5, en C.A. Zaalberg, TNTL 83 (1967), 313-7.
3 Uitvoerig over dit alles Jac. Smit, a.w., 22-80.
|
|
nieuwgevormde woorden en een overdadig rijk woordenspel 1 . Een jaar na het Voorhout schreef Huygens zijn Costelick Mal, waarin hij de kostbare malligheden van de modedwaasheid uit zijn tijd hekelde 2 . Hij droeg het werk op aan de vereerde Cats, en bleef ook later een zwak koesteren voor dit gedicht, waarschijnlijk wel, omdat hij hierin het nuttige met het aangename verenigd had, een volgens de door hemzelf gestelde 3 eisen uitermate lofwaardig streven. Dit gedicht is weer typerend voor Huygens' werk; het heeft een nadrukkelijk-moraliserende strekking; in Huygens' oog heeft de kunst Profijtelick te vermaecken', opdat de lezers de deugd kunnen genaken 4 . Doordat het hekelt, geeft het ons tevens een beeld, zij het hier en daar gechargeerd, van de toestanden, zeden, gewoonten en gebruiken van die tijd. Ook dit werk steunt, voor wat de stof betreft, op klassieke modellen. Maar ook in dit werk hanteert Huygens, als in Batava Tempe, de stof op eigen wijze, naar eigen vormkracht. Men kan weliswaar uit zijn |
1 Men schreef voorheen een en ander toe aan Huygens' z.g. marinisme, de stroming in die tijd, die genoemd wordt naar de Italiaanse schrijver Giambattista Marino (1569-1625): het doel van de dichter - schreef deze - is verwondering te baren; wie niet van verbazing weet te doen verstommen, verdient geroskamd te worden. In geheel West-Europa maakte Marino school; in Engeland vond hij een toegewijd bewonderaar en navolger in John Donne, de deken van de Londense St. Paulskerk, die Huygens tijdens zijn bezoeken aan Londen had leren kennen. Niet geheel naar Vondels genoegen volgde Huygens met enthousiasme het voetspoor van die Britse Donn', een duistere zon, die niet schijnt voor ieders ogen! Het is echter gebleken, dat noch Marino (het marinisme) noch Donne nawijsbare invloed op Huygens hebben uitgeoefend. Vgl. P.E.L. Verkuyl, Is Huygens een marinist?, Ni Tlg 56, 129-140 en 193-205, en J.A. van Dorsten, Huygens en de Engelse ‘Metaphysical Poets’, TNTL 76 (1959), 113-24.
Oudere ten dele achterhaalde literatuur over dit onderwerp H.J. Eymael, John Donne's invloed op Constantijn Huygens, De Gids 55 (1891); F. de Backer, De zoogezegde invloed van John Donne op Constantijn Huygens, Album Vercoullie, I, Brussel, 1927; R.W. Zandvoort, De invloed der Engelse letterkunde, G.L.N. III, 69 vlg. (in verband met Huygens en Donne vooral). 2 J. Koopmans, Huygens' Costelick Mal, Taal en Letteren 14 (1904), 289; A. Kronenburg, Huygens' modegisping in ‘Costelick Mal’, Vondelkroniek X, 264.
3 ‘In mijn Nederlandsche gedichten verbeeld ik mij... min of meer bereikt te hebben, wat ik bij de meesten mis, dat ik namelijk het nuttige met het aangename heb vereenigd en niet een vers arm aan inhoud, d.w.z. welluidende prullen heb gemaakt, maar evenmin dorre zaken, d.w.z. zonder sierlijkheid van woorden en aantrekkelijkheid van stijl’, De Jeugd, 36.
4 G.J. Buitendijk, Bijdrage tot de kennis van Constantijn Huygens' letterkundige opvattingen, Gouda, 1923.
|
|
satirische opmerkingen niet zonder meer concluderen tot persoonlijke stellingname in alle gevallen, maar in veel gevallen is deze stellingname wél duidelijk. Zo bijvoorbeeld in de ook al in Batava Tempe opvallende 1 sterk antipetrarkistische stellingname (tegenover de vrouw en de petrarkistische ‘verheven’ poëzie), die zelfs een opvallende voorkeur kent voor duidelijke vrijmoedigheden en, later, obsceniteiten. Uiteindelijk, concludeert Jac. Smit, is Huygens in vergelijking met veel andere satirici (Engelse en Franse) toch wel ‘biezonder oorspronkelijk’ 2 . Een wel heel curieus gedicht is De uytlandige Herder van november-december 1622, duidelijk geschreven in een gedeprimeerde toestand, niet zozeer om ‘zorg en onzekerheid om Bergen’ (Bergen-op-Zoom), dat immers 2 oktober al ontzet was, als wel om persoonlijke aangelegenheden. In dit gedicht wordt een herder opgevoerd, die als zijn ‘toneelik’ 3 figureert; maar Huygens nam duidelijk afstand van bepaalde modeaspecten (b.v. met betrekking tot de liefde), die ten aanzien van ‘herders’ golden. De herder vertoont overigens opvallende eigenschappen, b.v. als zanger van een psalm. De psalmberijming is ‘barok-pompeus’ met veel zware accenten, nadrukkelijke alliteraties en ‘dik-opgelegde binnenrijmen’ 4 . Het meest opvallende in dit gedicht is echter het thema van de gesplitste persoonlijkheid, de persoonsverdubbeling: een emotionele en rationele figuur staan als het ware tegenover elkaar. Uiteindelijk echter wil de emotionele ‘herder’ niets wezenlijks van zichzelf openbaren, waardoor de coda enigszins de mist ingaat: ‘op een mooie persoonlijke elegie volgt een coda vol briljante zelf-ontveinzing’ 5 . Met deze drie gedichten was Huygens nu als een volwassen, sterk en persoonlijk kunstenaar naar voren getreden 6 . De uytlandige Herder is wel een duidelijk persoonlijk, subjectief gedicht, in zekere tegenstelling tot het Costelick Mal, dat men tot op zekere hoogte een bron kan achten voor de kennis van de cultuurhistorie |
1 Jac. Smit noemt de regels 324-5 uit Batava Tempe ‘een krasse anti-Petrarkistische uitval als er in Nederland nog niet geschreven was’, a.w., 47. Over Huygens antipetrarkisme en de mogelijke oorzaken daarvan, o.a. de breuk met Dorothea van Dorp in 1616, Jac. Smit, a.w., 159-72.
2 Jac. Smit, a.w., 81-116; de laatst aangehaalde kwalificatie, 114.
3 Jac. Smit, a.w., 132.
4 Jac. Smit, a.w., 136.
5 Jac. Smit, a.w., 139-55. Over De uytlandige Herder, a.w., 177-55.
6 Jac. Smit, a.w., 10.
|
|
van die tijd, - op zich uiteraard geen dichterlijke verdienste of kwaliteit. Ook andere teksten verschaffen zulk een inzicht. Huygens wist op waarlijk treffende manier, plastisch en geestig, de lezer het zeventiende-eeuwse leven voor de geest te brengen. De meest uiteenlopende standen, levenssferen en karakters heeft hij scherp geobserveerd en raak weten te typeren: zowel de koning als de Noordhollandse schippersvrouw hadden zijn geïnteresseerde belangstelling. Men behoeft zijn Zedeprinten van 1623-1624 maar door te bladeren om een rijke variatie karakters te ontmoeten, vaak geestig getypeerd. In korte tijd schreef hij zijn Dorpen en Stedestemmen, korte gedichten waarin hij het karakter van een plaats trachtte aan te geven 1 . Samen met zijn Stedestemmen van 1624 verschenen de Zedeprinten in de bundel Otia of Ledighe Uren, die in 1625 werd uitgegeven. Werk van zijn ledige uren, aldus typeerde Huygens zijn dichtwerk; nog later gaf hij een verzamelwerk de titel Korenbloemen: als de speelse bloemen in het koren van de dagelijkse arbeid staan zij te ‘pronken als kinderen van Heren’. Men doet goed geen al te grote waarde te hechten aan de geringschattende wijze waarop Huygens volgens toenmalig gebruik over zijn werk spreekt 2 , maar aan de andere kant valt te bedenken, dat Huygens zeer snel schreef. Een groot deel van zijn werk schreef hij tussen zijn ambtsbezigheden door, bijvoorbeeld als hij op reis was; hij volgde namelijk doorgaans de Prins waar deze heentoog. Zo zien wij |
1 In G.L.N. IV, 131 en 133 worden de ‘karakter’-gedichten en de ‘stedestemmen’ als een door Huygens nieuw geschapen genre voorgesteld. In werkelijkheid zijn zij imitatio van bestaande genres: de ‘charakters’ zijn imitatio van Theophrastus van Eresos' schetsen in dit genre; door Aldus Manutius werd de grondtekst het eerst in 1489 uitgegeven; daarna beleefde zij veel herdrukken in zestiende en zeventiende eeuw, o.a. door Daniël Heinsius, die in 1613 een nieuwe Theophrastusuitgave bezorgde; evenmin was Huygens de eerste Nederlander die ‘Characteren’ schreef; dat was Richard Verstegen. Over een en ander E. Rombauts, Richard Verstegen, Brussel, 1933, 210-25, A. Wijngaards, Een wijs Hoveling van Constantijn Huygens, gezien in het licht van de Theophrastische traditie, Ni Tlg 59 (1966), 338-46, en de voordracht van Jac. Smit voor het negenentwintigste Filologencongres, Handelingen, Groningen, 1966, 116 vlg., later uitgewerkt in De Characteres en Constantijn Huygens, Forum der Letteren 8 (1967), 13 vlg.
De ‘Stedestemmen’ waren al bekend uit de neolatijnse literatuur, bijv. uit Julius Caesar Scaligers Poemata van 1574, waarin een afdeling ‘Urbes’ voorkomt; vgl. Jac. Smit, Driemaal Huygens, 4-6. 2 Pierre van Valkenhoff, De Gouden Tak, Maastricht, 1937, 75 vlg.
|
|
hem zijn gedichten dagtekenen ‘voor anker bij het kasteel van Rammekens’ of ‘op een rit tusschen Putten en Amersfoort’. Bloemen tussen het koren; hij begon ze te plukken in deze jaren, toen hij Scheepspraet, ten overlijden van Prins Maurits schreef, dat toont hoezeer Huygens de mentaliteit van het volk vatten kon. Zijn dienstreizen voerden hem overigens weg van zijn vrouw. In 1627 was hij getrouwd met het mooie en rijke nichtje Susanna van Baerle 1 , voor wie ook Hooft, die echter achttien jaar ouder was dan zij, genegenheid had gekoesterd. Onder de naam ‘Sterre’ bleef zij beroemd in de literatuur: zij was het stralende licht van zijn leven. Tien jaar heeft hij haar bij zich gehad; zijn gedichten leggen getuigenis af van zijn geluk (zo, in de aanvang, de uiting van extatisch geluksgevoel in het gedicht Op mijn' schilderij, korts voor mijn bruiloft gemaakt). Zij spreken ook van zijn diepe smart bij haar dood (1637). Een merkwaardig getuigenis intussen, hoezeer Huygens zich in alle omstandigheden gelijk bleef, is het sonnet Op de doot van Sterre; zelfs als hij spreekt over het verlies van het dierbaarste dat hij op aarde bezat, en hij het ‘cupio dissolvi’ herhaalt, verliest hij de hem eigen gekunsteldheid niet 2 . Van zijn leven met Sterre, van zijn liefde, van zijn en haar godsdienstzin verhaalt het grote gedicht Daghwerk, dat hij schreef tijdens zijn huwelijk (1627-1638). Daarna kwam er verandering in zijn leven. Om zijn zinnen te verzetten, ging hij over tot de aankoop van een stuk land aan de Vliet bij Voorburg, tot de beplanting ervan, en de bouw (1640) van een ‘huysken van vertreck’, zijn Hofwijck waar hij Den Haag en vooral het drukke Hof ontweek. In het grote gedicht Hofwijck (geschreven in 1650-1651, voor het eerst in druk verschenen 1653) 3 vinden wij de hof en het huis, zijn leven daarbuiten ook, uit- |
1 Over één der gedichten die Huygens op vrijersvoeten schreef, namelijk zijn Vryery, zie W. Vermeer, Ni Tlg 61 (1968; W.A.P. Smitnummer), 63-72; Vermeer acht het niet alleen het langste, maar ook het veelzijdigste en kunstigste van de groep minnedichten die Huygens schreef. Hij vindt in dit gedicht het schema terug, dat in de leer van de retorica gold voor de redevoering.
2 Voor deze, en andere doodsgedichten van Huygens zie S.F. Witstein, Funeraire poëzie, 204-62; ook: J. Kruithof, Kentering, 1970, 18-23.
3 Constantijn Huygens. Hofwyck. Bezorgd en ingeleid door P.J.H. Vermeeren, Wassenaar, 1967; offsetdruk van de eerste uitgave 1653 zonder verklarend commentaar; Const. Huygens' Hofwijck2 door H.J. Eymael, Zutphen, 1920. Voor de vele kritieken op dit werk, zie P. van Valkenhoff, De Gouden Tak, 97, noot 3. Over de stijl van Hofwijck, P. van Valkenhoff, a.w., 97; over de geest, G.J. Buitendijk, het op p. 304 noot 4 a.w., 128-129; M. ter Braak, De paden van Hofwijck, in In gesprek met de vorigen2, Rotterdam, 1946.
|
|
voerig beschreven. Er staan nog immer uitmuntend leesbare passages in; als Huygens beschrijft hoe hij, aan de Vliet staande, de schippers en hun knechts voorbij ziet varen, een gesprek met hen aanknoopt, en, wanneer zij al gepasseerd zijn, in zijn verbeelding de schipper met zijn knecht verder hoort delibereren over ‘het steedse volk’ en zijn kijk op deszelfs levenswijs, ziet men de zaken voor zich. Objectief geeft Huygens deze visie, waarin hij zich met speels genoegen verdiept heeft, weer, om er daarna de zijne aan toe te voegen. In een fragment als dit zien wij de schrijver in de volle kracht van zijn opmerkingsgave, ook van het leven der eenvoudigen van het land, treft ons zijn zin voor humor; de lezer geniet van Huygens' verteltrant, die in Hofwijck pittig blijft, maar eenvoudiger werd dan in het vroeger geschreven werk. Het gedicht wordt ook gekenmerkt door een sterk berustende geest, die men in verband gebracht heeft met de min prettige omstandigheden, waarin Huygens toen leefde. Bovendien stierven in deze jaren verschillende personen met wie hij vriendschappelijke relaties onderhield of aan wie hij zich verwant voelde, als Hooft, Frederik Hendrik, Tesselschade en Descartes 1 . Moeilijkheden met sommige Oranjes die hem verdacht zochten te maken, waren niet van de lucht. Dit alles betekende echter niet, dat Huygens persoonlijk versomberde. Nadat hij, in 1647 nog, dus vóór Hofwijck, het moraliserend Oogentroost vervaardigd had om zijn vriendin Lucretia van Trello te troosten over haar blindheid, - de troost bestaat o.a. in de uiteenzetting, dat vrijwel alle mensen verblind zijn, nl. door hun neigingen en hartstochten! - schreef Constantijn Huygens zijn enige grote toneelstuk, nl. de klucht van Trijntje Cornelis (geschreven in 1653). Bij de zestig dus vermaakt Huygens zich in dit stuk met de lotgevallen van een jonge Hollandse schippersvrouw, wier man met zijn schip in de haven van Antwerpen gemeerd ligt; zij valt in handen van een paar lieden uit de heffe van het volk, die haar dronken maken, van kleren en kostbaarheden beroven en haar dan, in mannekleren gestoken, op een mesthoop neerleggen. In de vroege ochtend naar het schip teruggekeerd, weet zij met de knecht het oplichterspaar, dat toevallig het schip passeert, maar haar niet her- |
1 G. Cohen, Descartes en C. Huygens, Haagsch Maandblad, 1928, II, 148; G. Zijderveld, De calvinist C. Huygens en de Rooms-Katholieke wijsgeer Descartes, Neophilologus 22 (1936-7), 241; Rosalie L. Colie, Constantijn Huygens and the rationalist revolution, TNTL 73 (1956).
|
|
kent, in het schip te lokken, waar het afgeranseld wordt, en dan weer buiten gezet. Op zich een simpel voorval uit het volksleven, maar door Huygens met de hem eigen bijzondere opmerkingsgave waargenomen en op het toneel gebracht in de dialecten der beide partijen. Men kan hier spreken van echte ‘taalkunst’: Huygens weet met de taal - de dialecten in dit geval (het Hollands en het Antwerps) - even knap en vaardig om te gaan als Bredero, zodat dóór die taal de personen volledig in hun eigen aard tot leven komen. Huygens heeft dit stuk kennelijk geschreven om het uitbundig plezier dat aan dit hanteren van de volkstaal te beleven viel. Het is soms rijkelijk plat, maar nimmer geestloos (zegt Van Duinkerken) 1 . Wie zich Huygens' scabreuze aardigheden aan het adres van de gelogeerde Tesselschade herinnert of zijn grofheden bij haar bekering tot het katholicisme, - normale gedragswijzen overigens in zestiende en zeventiende eeuw -, verwondert er zich niet over, dat hij in een onpersoonlijk geval als dat van Trijntje Cornelis heel het repertoire van de zeventiende-eeuwse volbloedige oubolligheid met enthousiasme ten beste gaf. Maar het geval blijft interessant: de hoveling-dichter, zich verdiepende in mestvaalt-tribulatiën! Wij zijn ver over het midden der eeuw, als Huygens zijn De Nieuwe Zee-Straet van 's Gravenhage op Scheveningen 2 schrijft (1666-1667); zijn pleidooi voor een grote weg dwars door de toen nog onbeplante duinen vond, zij het na jaren, een gunstig gehoor bij het gemeentebestuur van Den Haag; het plan wordt volgens zijn aanwijzingen uitgevoerd met dijkjes aan weerskanten en rijke beplanting van de achterliggende duinen (de Scheveningse Bosjes); zo ontstond wat nu de Oude Scheveningse Weg heet. Het nut van deze weg en de moeilijkheden waarop de aanleg ervan stuitte, vindt men in Huygens' gedicht op de bekende wijze behandeld. Uit de daarop volgende jaren dagtekent een aantal vertalingen, respectievelijk bewerkingen van gedichten, doorgaans korte, van John Owen. Zij werden geschreven in de jaren 1668 tot 1674. De bewerking |
1 Const. Huygens' Trijntje Cornelisdr. Klucht, uitg. H.J. Eymael, Zutphen, z.j.; nieuwe uitgaaf door A. Bolckmans, 's-Gravenhage, 1960 (zie beoordeling door P.J.H. Vermeeren, L.T., april 1962, 168 vlg.); - over het werk G. Kalff, Huygens' Trijntje Cornelis, De Gids, 1913, I, 494.
2 De nieuwe Zee-straet2, opnieuw uitgegeven door R. Schuiling, Zutphen, z.j.; de laatste uitgave van De Zee-straat is bezorgd door H.A. Huygens-Wijma, Cahier voor Letterkunde, Amsterdam, 1968.
|
|
van teksten van Owen kan nochtans gestimuleerd zijn door een nieuw verblijf van Huygens in Londen (oktober-november 1671) 1 . Tegen het einde van zijn leven, als hij zesentachtig jaar is, schrijft hij nog een gedicht in de trant van Hofwijck, namelijk zijn autobiografie Cluyswerck (1683) 2 . En daarmee kon rijkelijk worden volstaan om Huygens te maken tot de dichter die hij is. Anders dan de kathedralenbouwer Vondel, heeft Huygens meer van een mozaïeklegger. Hij blijft dichter bij de begane grond, maar daar verricht hij voortreffelijk werk. Uit de meestal vrij alledaagse gegevens die hij bewerkt, formeert hij een kleurig tafereel, waar zijn geest in schittert, zijn gemoedelijkheid haar spel speelt, zijn taalvirtuositeit haar triomfen viert, terwijl zijn gemoed vaak een nobele klank aan het geheel verleent. Ieder dichter moet op zichzelf beschouwd worden, en men doet Huygens onrecht door van hem te eisen dat hij op Hooft of Vondel zou lijken. Nochtans kunnen vergelijkingen verduidelijken. Als er echter één figuur is, waar hij als dichter niet mee mag worden gelijkgesteld, dan is het wel Cats. Huygens overtreft Cats in vrijwel elk opzicht, alleen niet in dat der gemakkelijke leesbaarheid waaraan Cats zijn populariteit dankt. En daarover mag men zich verheugen. Huygens' moeilijkheid (soms duisterheid, die wel eens haar oorzaak vindt in een onvoldoend duidelijke uitdrukkingswijze 3 ) wordt veroorzaakt door zijn behoefte met de taal te spelen; hij is echt woord-kunstenaar. Begaafd met een scherpzinnige verstandelijkheid ging hem dit spel vlot af, leidde het vaak tot verrassende vondsten. Hij was ook begaafd met een persoonlijke versgevoeligheid, die hij ook graag wilde verantwoorden. Dat bewijzen zijn theoretische uiteenzettingen, voorzover die zich met esthetische aangelegenheden bezighouden; dat bewijzen in overvloedige mate, niet alleen de gedichten met betrekking tot Sterre, maar ook b.v. die op religieus gebied. Proeve op het begin der Klachten Jeremiae is een uitstekend voorbeeld van de wijze waarop hij ontleende stof bewerkte tot een prachtig statig-klagend gedicht vol innerlijke be- |
1 J.B. Wilterdink, Huygens als navolger van John Owen, TNTL 84 (1968), 53-92. In hetzelfde tijdschrift een ander artikel van Wilterdink over navolgingen van Martialis, 92-106.
2 E.J. Potgieter, Cluyswerck van C. Huygens, Kritische Studiën II4, Haarlem, 1898, 1-43.
3 J.A. van Dorsten, TNTL 76 (1959), 113-24.
|
|
wogenheid 1 . En zo zijn er tal van fragmenten, ook met betrekking tot het vaderland, die duidelijk getuigenis afleggen van een niet alledaagse bewogenheid. Deze bewogenheid bracht Huygens tot uitdrukking in een strakgebonden metriek. Bekend is zijn gedachtenwisseling met Hooft over dit onderwerp in 1623/4. Hij verzette zich hierin tegen Hoofts ‘veranderingen’ naast de ‘gemene maat’, waarover wij hiervóór handelden 2 , en bepleitte een strenge afwisseling van lange en korte lettergrepen in ‘jambische’ verzen. Hij verlangde deze regelmaat in de kwantiteit vooral met het oog op de bijbehorende muziek, waarvoor immers gelijkheid in de ‘val’ der verzen noodzakelijk was. De betekenis van de klemtoon in het Nederlandse vers was de op de klassieke metra zich inspirerende Huygens toen nog niet duidelijk. Anders was dit veertig jaar later, toen hij, in 1663 met Corneille over dit onderwerp corresponderende, niet meer over de lengte der syllaben, maar alleen over het accent sprak: hij zag toen, dat het belangrijkste element van het ritme, waarop hij als musicus zozeer de aandacht gevestigd hield, de klemtoon was. In deze correspondentie met Corneille trachtte hij de Franse dichter deze regelmatige accentuering als de ook voor het Frans onmisbare grondslag op te dringen 3 . Wij spraken over Huygens' innerlijke bewogenheid, maar vestigden er de aandacht op, dat hij deze bewogenheid te allen tijde onder het streng bedwang van zijn rede hield. Van dit rede-element legt vooral getuigenis af het genre, waaraan Huygens' naam zo nauw verbonden is, dat der zg. sneldichten, korte rijmpjes, die markant een geestigheid formuleren. De spitse Huygens kwam zijn besef van wat de pointe uitmaakte en hoe deze het doen moest, uitermate te stade 4 . Men stare zich echter op dit veel geroemd aspect van Huygens' werk niet blind; deze man met zijn scherp intellect bezat het warme, menselijke hart en de diepe, edele wijsheid die iemand tot een waarachtig |
1 Belangrijk voor de nadere kennis van Huygens' religieuze dichtkunst is de nu gemakkelijker toegankelijke uitgave van C. Huygens, Avondmaalsgedichten en Heilige Dagen, uitg. F.L. Zwaan, Zwolle, 1968. Over Huygens en de Bijbel, zie F. den Eerzamen, Ni Tlg 22 (1928), 300.
2 Zie p. 273.
3 A.G. van Hamel, 185 vlg.; Kossmann, 52, 102 vlg.
4 G.W. Hellinga bewerkte in Dichten op de knie, 's-Gravenhage, 1956, vijfhonderd sneldichten van Huygens. In een ‘verantwoording’ motiveerde hij zijn bewerking.
|
|
mens maken, en welker alzijdige werkzaamheid in de mens een voorwaarde is voor een nobel dichterschap 1 . |
1 Over Huygens het merkwaardig oordeel van J. Huizinga in Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw, Haarlem, 1941, 103-106. Verder over Huygens H.M. Hermkens, Bijdrage tot een hernieuwde studie van Constantijn Huygens' gedichten, Nijmegen, 1964 (vgl. bespr. door B. van den Berg, Ni Tlg 58 (1965), 267; P.J.H. Vermeeren Over de handschriften en uitgaven van Constantijn Huygens' Cluyswerck, SpdL 1 (1956-57; dez., Vastaerts pen in arrebeyt, Ni Tlg 52 (1959), 202-12 en 264-74; dez., Drie gedichten na driehonderd jaar. Zelfportret van Constanter in 1664, TNTL 81, 16 vlg.; een oudere Bloemlezing uit de gedichten van Constantijn Huygens bezorgde C.G. Kaakebeen, Groningen, 1918 (uitvoerig beoordeeld door L.C. Michels, TTL, 1918); een nieuwe F.L. Zwaan in Voet-maet, Rijm en Reden, Zwolle, 1963.
|